Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:31 ECLI:NL:PHR:2017:31 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:31 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:31
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/02733 P Zitting: 10 januari 2017 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 11 juni 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 35.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (nr. 15/02710), waarin ik vandaag eveneens concludeer. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend. De aanzegging in cassatie is op 10 februari 2016 in persoon uitgereikt aan de betrokkene op zijn GBA-adres. Bovendien is op 12 februari 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de betrokkene (mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv rechtsgeldig betekend.

Legislator headnote

AI generated

art. 511h Sv; ECLI:NL:PHR:2017:31 · Parket bij de Hoge Raad: Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

Keywords

AI generated
art. 511h Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 511h Sv
437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/02733 P Zitting: 10 januari 2017 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 11 juni 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 35.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (nr. 15/02710), waarin ik vandaag eveneens concludeer. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend. De aanzegging in cassatie is op 10 februari 2016 in persoon uitgereikt aan de betrokkene op zijn GBA-adres. Bovendien is op 12 februari 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de betrokkene (mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv rechtsgeldig betekend.

5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP).