Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:213 ECLI:NL:PHR:2017:213 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:213 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:213
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/00909 P Zitting: 31 januari 2017 (Bij vervroeging) Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 februari 2015 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 209.123,- en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 204.123,-. Namens de betrokkene heeft mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, zes ‘grieven’ voorgesteld, waarmee kennelijk cassatiemiddelen zijn bedoeld. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen merk ik het volgende op. Uitgangspunt van de cassatierechtspraak is dat niet alles wat als middel wordt gepresenteerd door de Hoge Raad wordt aanvaard als een middel van cassatie in de zin van art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

Legislator headnote

AI generated

art. 437 Sv, art. 36e Sr, art. 511f Sv; ECLI:NL:PHR:2017:213 · Parket bij de Hoge Raad: Het vierde middel bevat de klacht dat het hof de gehele ontnemingsvordering (ik neem aan dat de steller van het middel bedoelt: de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel) heeft gebaseerd op één getuige, te weten [getuige]. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak en mist daarmee feitelijke grondslag. Uit de aanvulling op het bestreden arrest blijkt immers dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op verschillende bewijsmiddelen steunt. Voorts wordt kennelijk miskend dat het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv in ontnemingszaken toepassing mist.

Keywords

AI generated
art. 437 Sv art. 36e Sr art. 511f Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 437 Sv
Uitgangspunt van de cassatierechtspraak is dat niet alles wat als middel wordt gepresenteerd door de Hoge Raad wordt aanvaard als een middel van cassatie in de zin van art. 437 Sv.
art. 36e Sr
Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr dient, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.
art. 511f Sv
De rechter kan de schatting van de omvang van het voordeel, dus ook van het vervolgprofijt, slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen (art. 511f Sv).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2001:ZD2881
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van Kerckhof aan het Koninkrijk België toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van Kerckhof ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. Ong Sien Hien, advocaat te Rotterdam een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de opgeëiste persoon in het beroep.
NJ 2001/605
HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, NJ 2001/605.
ECLI:NL:HR:2011:BQ1967
31 mei 2011 Strafkamer nr. 09/02949 P Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 12 mei 2009, nummer 21/004161-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2. Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. 2.2. Het middel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 09/02950, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak. 2.3. Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan. 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de door de betrokkene gemaakte investeringskosten ten behoeve van de kweekinstallatie geheel in mindering had moeten brengen op de opbrengst van de hennepkwekerij. 3.2. De bestreden uitspraak houdt omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer het volgende in: "De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel (...) 3. Bij de berekening/schatting van het voordeel wordt als uitgangspunt genomen de verklaring van veroordeelde tegenover de politie afgelegd op 28 februari 2006 en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (zoals door de officier van justitie aanvankelijk als uitgangspunt is genomen), zoals is weergegeven in het proces-verbaal van politie, regio Utrecht, district Eemland Zuid. Deze standaard berekening is volgens de normen van het BOOM-rapport. Nu uit het dossier en het verhandelde ter zitting het werkelijk behaalde voordeel onvoldoende blijkt, wordt een fictieve opbrengst berekend. 4. Bij de berekening wordt rekening gehouden met één eerdere oogst. (...) 7. De kosten worden berekend op € 3.003,00 per oogst. Dit levert een netto opbrengst op van 27.207,00 euro. (...) Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van (afgerond) EUR 27.200,00 (zevenentwintigduizend tweehonderd euro)." 3.3. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof aan de volgende bewijsmiddelen ontleend: a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant: "(...) 5.5 Afschrijvingsperiode en -kosten van de kweekinstallatie Aangezien er niet wordt verklaard over de afschrijvingsperiode van de kweekinstallatie, wordt hierbij gebruik gemaakt van aanwezige jurisprudentie en het rapport "standaardberekening en normen" opgesteld door het BOOM. Daarnaast is in het project "standaardberekening en normen" aansluiting gezocht bij de landbouwnormen die de Belastingdienst gebruikt. Deze normen worden jaarlijks vastgesteld in overleg met de Vereniging van Accountants- en Belastingadviseurs VLB, Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), Tuinbouw Accountant Administratiekantoren (TAAK) en de Koninklijke Algemene Vereniging voor Bloembollencultuur (KAVB) en gepubliceerd in de publicatie "Landelijke Landbouwnormen". De normen die in deze publicatie worden genoemd gelden voor de gehele Belastingdienst en gelden dan ook voor alle belastingplichtige ondernemingen in de agrarische sector. Voor de hennepkweek zijn de volgende afschrijvingstermijnen van belang: Soort apparatuur Afschrijvingstermijn C02 apparatuur 7 jaar stoomapparatuur inclusief afzuigsysteem, grondverwarming, bedverwarming en koeling 11 jaar Substraatinstallatie 4 jaar bron inclusief pomp, leidingen en overige watervoorzieningen/waterbehandeling 7 jaar vaste tafels, roltafels, rolcontainers 11 jaar klimaatcomputers 7 jaar assimilatie-installaties (hieronder wordt verstaan de lamp armatuur) 7 jaar lampen (hieronder wordt verstaan het "peertje") 3 jaar Afschrijvingstermijnen bedrijfsmiddelen glastuinbouw Soort apparatuur Afschrijvingstermijn Klimaatcomputer 5 jaar Regelpaneel 8 jaar C02 concentratiemeter 8 jaar Bevochtigingsregeling 10 jaar ventilatiesystemen 8 jaar 8 jaar Afschrijvingstermijnen klimaatinstallaties Op grond van de door de Belastingdienst, ondernemersorganisaties en accountants/belastingadviseurs vastgestelde afschrijvingsperioden is een algemene afschrijvingsperiode van vier jaar voor alle apparatuur aannemelijk. Bij een algemene afschrijvingstermijn van vier jaar wordt tevens voldoende rekening gehouden met mogelijk minder onderhoud en intensiever gebruik van de apparatuur bij illegale hennepkweek. Gezien bovenstaande wordt als uitgangspunt voor de afschrijving van de kweekinstallatie een termijn van 4 jaar gehanteerd. Voor aftrek komen alleen die kosten in aanmerking die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Daartoe behoren gemaakte kosten die hebben gediend tot het verkrijgen van voordeel. Hier vanuit gaande kan ten aanzien van de kweekinstallatie rekening worden gehouden met de afschrijving op de investering. De investering is gepleegd om op langere termijn te worden terugverdiend. De afschrijving vormt dat deel van de kosten dat toegerekend kan worden aan de activiteiten die reeds hebben plaatsgevonden en tot opbrengsten hebben geleid, zijnde de succesvolle oogsten. De aanschafkosten (nieuwwaarde) van de kweekinstallatie is bepaald aan de hand van de verklaring van de verdachte [betrokkene]. Hij verklaarde dat hij een bedrag van 5 à 6 duizend euro heeft geïnvesteerd in de hennepkwekerij. In het voordeel van de verdachte wordt uitgegaan van een investering van € 6.000,00. Gezien bovenstaande worden de afschrijvingskosten van de investering per oogst op € 300,- gesteld. (...) 6. Het wederrechtelijk verkregen voordeel Uitgaande van bovenstaande gegevens komen we tot de volgende berekening: Berekening totale opbrengst hennepkwekerij Opbrengst per oogst 5.2 Aantal planten 496 5.3 Opbrengst gram per plant 25,7 gr. Totale hoeveelheid grammen 496 planten x 25,7 gr. =12.747 gr. 5.4 Verkoopprijs per gram € 2,37 Bruto opbrengst 12.747 gr. x €2,37 = (het hof leest, afgerond) € 30.210,00 (A) Kosten per oogst 5.5 Afschrijving kweekinstallatie € 300,00 5.6 Inkoopprijs stekjes € 3,00 x 496 planten € 1.488,00 5.7 Bodem, water en voeding € 2,45 x 496 planten € l .215,20 Totale kosten € 3.003,00 (B) ======== Netto Opbrengst per oogst (het hof leest, afgerond) € 27.207,00" (A-/-B) b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de betrokkene: "U vraagt mij of de hennepkwekerij die u heeft aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] te Amersfoort mijn kwekerij was. Dat klopt. U vraagt mij of ik weet dat het houden van een hennepkwekerij strafbaar is. Ja dat weet ik. U vraagt mij hoeveel hennepplanten er in de kwekerij staan. Dit zullen er ongeveer vierhonderd (400) zijn. U vraagt mij wie de hennepkwekerij heeft ingericht. Dat heb ik zelf gedaan. Ik deed zelf de dagelijkse verzorging van de planten. U vraagt mij hoe de elektra voor de kwekerij is geregeld. Ik heb die zelf vanuit de meterkast aangelegd. Ik heb de gehele meterkast losgehaald en daarna alles aangesloten. Ik tap dus illegaal stroom af. U vraagt mij wanneer ik de kwekerij heb aangelegd. Dit is geweest net voor oud en nieuw van dit jaar (2005-2006)." 3.4. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict, gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de veroordeelde ter terechtzitting gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven (vgl. HR 5 februari 2008, LJN BC2913, NJ 2008/288). 3.5. Gelet hierop geeft het in 's Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat niet de totale investeringskosten doch alleen de aan één oogst toe te rekenen afschrijvingskosten kunnen worden aangemerkt als kosten die in directe relatie staan tot het delict niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. 3.6. Het middel faalt. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 31 mei 2011.
ECLI:NL:HR:1997:ZC9559
HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90.
NJ 1998/90
HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90.
ECLI:NL:HR:1997:AB7714
HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242, m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/00909 P Zitting: 31 januari 2017 (Bij vervroeging) Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 februari 2015 het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 209.123,- en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 204.123,-. Namens de betrokkene heeft mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, zes ‘grieven’ voorgesteld, waarmee kennelijk cassatiemiddelen zijn bedoeld. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen merk ik het volgende op. Uitgangspunt van de cassatierechtspraak is dat niet alles wat als middel wordt gepresenteerd door de Hoge Raad wordt aanvaard als een middel van cassatie in de zin van art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

4. Het is de vraag of de in de onderhavige schriftuur naar voren gebrachte klachten de toets aan deze maatstaf kunnen doorstaan. Duidelijk is dat de ondergrens van wat als een cassatiemiddel in de zin van de wet kan gelden bij de ingediende grieven in zicht komt. De grieven zijn zeer kort geformuleerd en behelzen veelal niet meer dan de klacht dat het hof iets ten onrechte heeft geoordeeld, terwijl de lezer in de schriftuur tevergeefs een verwijzing naar een wetsartikel dan wel een arrest zoekt. Uiteindelijk meen ik evenwel dat in voldoende mate duidelijk wordt waarover wordt beoogd te klagen. Daarbij bezie ik de klachten die als vijfde en zesde grief naar voren worden gebracht in hun onderlinge samenhang. Aldus welwillend gelezen, kan worden vastgesteld op welke aspecten van het bestreden arrest de steller van het middel zijn pijlen richt. Ik zal de ‘grieven’ dan ook inhoudelijk als cassatiemiddelen bespreken, zij het dat ik daarbij ten aanzien van de eerste vier middelen beknoptheid zal betrachten.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de door de betrokkene gemaakte transportkosten van € 338.483,20 niet in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

6. Het hof heeft overwogen dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel alleen kosten voor aftrek in aanmerking komen die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, die daadwerkelijk zijn gemaakt en die aantoonbaar zijn betaald alsmede tot voordeel hebben geleid. Transportkosten die zijn gemaakt ten behoeve van een transport dat later in beslag is genomen, behoren hier niet toe. Deze kosten hebben immers niet gediend tot het verkrijgen van voordeel dat in de schatting is betrokken. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Voor zover het middel aldus moet worden opgevat dat het ook een motiveringsklacht bevat, faalt het eveneens. De wetgever heeft de rechter een grote mate van vrijheid gelaten of, en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met kosten die voor aftrek in aanmerking komen. In het licht van deze vrijheid is het oordeel van het hof dat de kosten voor het in beslag genomen transport niet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.

7. Het middel faalt.

8. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen de naar Nigeria getransporteerde auto’s en de voertuigen die naar Ghana zijn vervoerd en dat het desbetreffende onderscheid “op geen enkele wijze” is gemotiveerd. Ten aanzien van het laatstgenoemde onderdeel mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft immers gemotiveerd waarop het genoemde onderscheid is gebaseerd. Het hof heeft vastgesteld dat uit de tapgesprekken naar voren is gekomen dat de betrokkene een actieve en bepalende rol heeft gespeeld bij de verkoop van auto’s in Nigeria, terwijl het hof in het dossier geen aanknopingspunten heeft gevonden voor een “gelijkluidende rol” van de betrokkene ten aanzien van de verkoop van verscheepte auto’s in Ghana.

Het hof heeft daarom alleen de naar Nigeria verscheepte containers in de voordeelsberekening betrokken. Het hof heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het geval in het middel, anders dan de formulering suggereert, ook een motiveringsklacht moet worden gelezen, faalt het eveneens. Het oordeel is niet onbegrijpelijk, terwijl het hof tot een nadere motivering niet was gehouden.

9. Het middel faalt.

10. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de door de getuige [getuige] overgelegde stukken uit diens administratie ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd. Niet valt in te zien dat het hof in dit verband blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman heeft aangevoerd dat de naam van de betrokkene en zijn medeveroordeelde niet in de administratie van [getuige] worden genoemd, zodat niet duidelijk is of die administratie betrekking heeft op transporten die door de betrokkene zijn verricht.

Het hof heeft in reactie op dit verweer overwogen dat [getuige] heeft verklaard dat alle containers die worden genoemd in de zich in het dossier bevindende stukken van zijn administratie door de betrokkene en zijn medeveroordeelde zijn besteld en betaald en daadwerkelijk voor hen naar Afrika zijn verscheept, met uitzondering van één of twee retour gekomen containers. Voorts heeft [getuige] verklaard dat hij alleen voor de betrokkene en de medeveroordeelde heeft verscheept. Het hof heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van deze getuige door de raadsman in hoger beroep niet is betwist.

Voor het geval in het middel een motiveringsklacht moet worden gelezen, faalt het. Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven vaststellingen, is het oordeel van het hof dat de administratie van [getuige] ziet op transporten die door de betrokkene en zijn medeveroordeelde zijn verricht niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

11. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit het oordeel van het hof niet blijkt of de desbetreffende stukken zien op transporten die daadwerkelijk ten grondslag liggen aan de ontnemingsvordering, kan het reeds niet tot cassatie leiden omdat het hof op de desbetreffende stukken mede zijn schatting van de transporten per container heeft kunnen doen steunen, terwijl niet blijkt dat in hoger beroep een verweer van deze strekking is gevoerd. Een dergelijk verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van de feiten vergt waarvoor in cassatie geen plaats is.

12. Het middel faalt.

13. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof de gehele ontnemingsvordering (ik neem aan dat de steller van het middel bedoelt: de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel) heeft gebaseerd op één getuige, te weten [getuige]. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak en mist daarmee feitelijke grondslag. Uit de aanvulling op het bestreden arrest blijkt immers dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op verschillende bewijsmiddelen steunt. Voorts wordt kennelijk miskend dat het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv in ontnemingszaken toepassing mist.

14. Het middel faalt.

15. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte vervolgprofijt in rekening heeft gebracht en de opbrengst van in beslag genomen voorwerpen niet in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Met het zesde middel wordt geklaagd over de vaststelling door het hof van de forfaitaire rente op twee procent. Ik lees de middelen aldus, dat deze ertoe strekken te klagen over het in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken van het vastgestelde vervolgprofijt, zoals weergegeven onder de aanhef ‘vervolgprofijt’ in het bestreden arrest. Het vijfde middel spitst zich toe op de gegenereerde rente tot een bedrag van € 2.045,63, terwijl het zesde middel is toegesneden op de door het hof in aanmerking genomen forfaitaire rente. De middelen lenen zich, aldus gelezen, voor een gezamenlijke bespreking.

16. Het hof heeft bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel vervolgprofijt in aanmerking genomen. Het heeft daartoe het volgende overwogen: “Wederrechtelijk verkregen voordeel 10 verscheepte auto’s x € 18.267,45 (wederrechtelijk verkregen voordeel per auto) = € 182.674,50. Vervolgprofijt De advocaat-generaal heeft nadere financiële gegevens overgelegd van twee in beslag genomen bedragen, te weten € 3.330,- en € 2.355,-, welke bedragen respectievelijk € 1.158,99 en € 886,64 rente hebben gegenereerd (in totaal € 2.045,63).

Naar het oordeel van de advocaat-generaal dient dit bedrag als vervolgprofijt te worden ontnomen. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat dit bedrag van € 2.045,63 als vervolgprofijt kan worden ontnomen. Naar het oordeel van het hof dient daarnaast de forfaitaire rente van 2 % (rentemaatstaf) over het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 182.674,50 minus de beslagen bedragen van € 5.685,00 te worden ontnomen. Het hof hanteert schattenderwijs als redelijke rentemaatstaf een percentage van 2 % per jaar; hetgeen bezien over de gehele periode (van afgerond 8,5 jaren x 2% x € 176.989,50 neerkomt op een totaal bedrag (afgezien van rente over rente) van € 30.088,22, welk bedrag de veroordeelde aan rente heeft kunnen (doen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen).

Het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel komt dan uit op afgerond € 209.123,00” 17. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr dient, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan niet los worden gezien van het karakter van de ontnemingsmaatregel.

De rechter dient een zodanig bedrag vast te stellen dat, indien dat bedrag eenmaal is betaald of verhaald, de betrokkene als het ware komt te verkeren in de situatie die zou hebben bestaan indien hij het strafbare feit niet zou hebben begaan.

18. Voor zover het vijfde middel de klacht bevat dat het hof heeft verzuimd de in beslag genomen geldbedragen in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak en mist het feitelijke grondslag. Uit het arrest blijkt immers dat het hof “de beslagen bedragen” in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

19. De middelen bevatten voorts klachten over het in rekening brengen van vervolgprofijt. Op twee manieren is vervolgprofijt in de berekening van het hof betrokken. Allereerst is vervolgprofijt berekend in de vorm van rente over in beslag genomen geldbedragen. Ten tweede is forfaitaire rente van twee procent opgeteld bij de opbrengst van de verscheepte auto’s.

20. In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot art. 36e Sr komt naar voren dat ook “revenuen die van de met uit illegale bron verkregen gelden verworven worden geïncasseerd (interest, dividenden, huuropbrengst etc.)” als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt. Vermogensvermeerdering die kan worden teruggevoerd tot de verkrijging van het primaire voordeel komt in beginsel voor ontneming in aanmerking. De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, dient de schatting van dat voordeel alsmede de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting in een concreet bedrag uit te drukken. Als het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vermeerderd met het hierover genoten vervolgprofijt, moet zodoende ook de omvang van dit vervolgprofijt worden uitgedrukt in een concreet bedrag. De rechter kan de schatting van de omvang van het voordeel, dus ook van het vervolgprofijt, slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen (art. 511f Sv).

21. De in beslag genomen geldbedragen belichamen naar het kennelijke oordeel van het hof wederrechtelijk verkregen voordeel. In cassatie wordt dit kennelijke oordeel niet bestreden. Omdat de in beslag genomen geldbedragen wederrechtelijk zijn verkregen, maakt ook de over die geldbedragen daadwerkelijk opgebouwde rente deel uit van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het oordeel van het hof dat deze rente als vervolgprofijt kan worden ontnomen, geeft in het licht van hetgeen hiervoor onder 20 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De schatting van de omvang van dit vervolgprofijt is gebaseerd op door de advocaat-generaal tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 23 januari 2015 overgelegde stukken met financiële gegevens over de twee in beslag genomen geldbedragen. De desbetreffende stukken zijn echter niet als bewijsmiddelen opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is daarom in zoverre niet naar behoren met redenen omkleed.

22. De vraag is evenwel of dit tot cassatie moet leiden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de stukken aan de hand waarvan het vervolgprofijt is berekend, zijn overgelegd aan het hof en door de voorzitter aan de betrokkene zijn voorgehouden. De desbetreffende stukken behoren tot de stukken van het geding, terwijl het hof in het bestreden arrest tot uitdrukking heeft gebracht dat het uit die stukken blijkende bedrag als vervolgprofijt dient te worden ontnomen. Het door het hof vastgestelde bedrag aan rente komt overeen met het bedrag dat uit deze stukken blijkt. Daarbij merk ik nog op dat noch uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep noch uit de daaraan gehechte pleitaantekeningen blijkt dat de raadsman in hoger beroep op dit onderdeel verweer heeft gevoerd.

23. Gelet op het voorafgaande, is het belang bij belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak niet evident en mag worden verlangd dat de schriftuur in dit verband een toelichting bevat. Nu een dergelijke toelichting ontbreekt, kan de klacht wegens het ontbreken van voldoende in rechte te respecteren belang niet slagen.Dat betekent dat het vijfde middel niet tot cassatie kan leiden.

24. Dat geldt evenwel niet voor het door het hof in aanmerking genomen vervolgprofijt in de vorm van forfaitaire rente van twee procent over de opbrengst van de verscheepte auto’s. Dit vervolgprofijt komt neer op een bedrag van € 30.088,22. Met de vaststelling dat de veroordeelde dit bedrag aan rente ‘heeft kunnen (doen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen)’ miskent het hof dat het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel meebrengt dat enkel daadwerkelijk genoten voordeel kan worden ontnomen. Voor zover het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat het van oordeel is dat in het midden kan worden gelaten of de rente daadwerkelijk is gegenereerd, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij merk ik nog op dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de forfaitaire rente in strijd met het bepaalde in art. 511f Sv niet heeft doen steunen op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

25. Het voorafgaande betekent dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak uit een oogpunt van doelmatigheid zelf afdoen en de betalingsverplichting verminderen met een bedrag van € 30.088,22.

26. Het vijfde middel faalt. Het zesde middel slaagt.

27. De eerste vijf middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het zesde middel slaagt.

28. Ambtshalve merk ik het volgende op. Het cassatieberoep is ingesteld op 9 februari 2015. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat zal moeten leiden tot vermindering van het te betalen bedrag. Andere gronden voor ambtshalve cassatie heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering van het te betalen bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, NJ 2001/605. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 208-209. Vgl. onder meer HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1967, rov. 3.4 en 3.5 en onderdeel 8 van mijn conclusie voor HR 27 oktober 2015, nr. 14/02302 (niet gepubliceerd).

Vgl. HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90. HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 30 november 2004 ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133; HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9127, NJ 2006/163; HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7386, HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7961, NJ 2008/317, rov. 3.3, HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:873, rov. 3.4.2. M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel, dissertatie Tilburg KUB 2001, p. 188. Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p.

15. Zie hierover nader: Borgers 2001, p. 254-260. HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4704, rov. 3.3 en 3.4. Vgl. onder meer HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2560, NJ 2010/478, rov. 3.4 en onderdeel 8 van mijn conclusie voor HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:296, NJ 2014/135. Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:739, rov. 3.2, onder verwijzing naar onderdeel 22 van de conclusie voor dit arrest van mijn ambtgenoot Hofstee en Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p.

15. Zie over vervolgprofijt ook Borgers 2001, p. 254-260 en onderdeel 11 van de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voor HR 17 januari 2012, nr. 10/01751 (niet gepubliceerd). HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, m.nt. Bleichrodt en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.3. Zie ook HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4, HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:202 (beide strafzaken) en de onderdelen 8 t/m 10 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voor dit laatste arrest.