Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:1400 ECLI:NL:PHR:2017:1400 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:1400 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:1400
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Zaaknr: 17/04515 mr. F.F. Langemeijer Zitting: 10 november 2017 Conclusie inzake: [betrokkene] tegen Officier van Justitie Oost-Nederland In deze Bopz-zaak keert het cassatiemiddel zich tegen een voorlopige machtiging tot opneming van een verslaafde patiënt. 1Feiten en procesverloop 1.1 De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 30 maart 2017 ingekomen ter griffie van de rechtbank Gelderland, verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (geboren in 1978, hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven; zie art. 2 Wet Bopz.

Legislator headnote

AI generated

Art. 5 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2017:1400 · Parket bij de Hoge Raad: Voor het geval dat de Hoge Raad hierover anders oordeelt, bespreek ik kort de klacht onder 1.1. 2.5 Onder 1.1 klaagt het middel, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2005, dat de bestreden beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘stoornis in de geestvermogens’ in art. 2 Wet Bopz. De klacht houdt in dat de rechtbank weliswaar vermeldt dat betrokkene aan persoonlijkheidsstoornissen lijdt, maar daarover verder niets overweegt. Wat betreft de verslaving, heeft de rechtbank niet vastgesteld dat deze gepaard gaat met (andere) stoornissen van een zodanige ernst dat het daardoor veroorzaakte gevaar betrokkene niet kan worden toegerekend.

Keywords

AI generated
Art. 5 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
Art. 5 lid 1 EVRM
Art. 5 lid 1 EVRM vereist voor de vrijheidsbeneming van een persoon met een geestesstoornis een recente psychiatrische beoordeling.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2008:BC9346
Het geding in feitelijke instantie Bij beschikking van 8 augustus 2007 heeft de rechtbank te Maastricht op daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie aldaar een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Deze beschikking is door de Hoge Raad bij beschikking van 21 december 2007, NJ 2008, 29 vernietigd, waarna de zaak werd verwezen naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. De rechtbank heeft in het geding na verwijzing het inleidende verzoek van de officier van justitie [opnieuw] mondeling behandeld op 7 januari 2008 en ter zitting betrokkene vergezeld van haar advocaat, en de behandelend psycholoog gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot 9 februari 2008.
ECLI:NL:HR:2008:BD7583
Het geding in feitelijke instantie De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 15 februari 2008, onder overlegging van een op 8 februari 2008 ondertekende geneeskundige verklaring, een behandelingsplan en een beschrijving als bedoeld in art. 14 lid 5 Wet BOPZ, een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging. Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn raadsvrouwe, alsmede de behandelend psychiater op 13 maart 2008 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden onder voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
NJ 1995/125
Zie daarnaast: HR 28 oktober 1994, NJ 1995/125 m.nt.
ECLI:NL:HR:2001:AB0384
Het geding na verwijzing Voor het verloop van de procedure tot en met verwijzing verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 3 november 2000, NJ 2000, 717.
NJ 2001/278
de Boer, HR 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0384, NJ 2001/278.
ECLI:NL:HR:2005:AU0372
Het geding in feitelijke instantie De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft op 21 februari 2005 onder overlegging van een op 10 februari 2005 ondertekende geneeskundige verklaring een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van het verblijf van [verweerster] - verder te noemen: de betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis. Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door haar raadsvrouwe, en de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige op 10 maart 2005 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum het verzoek afgewezen. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Zaaknr: 17/04515 mr. F.F. Langemeijer Zitting: 10 november 2017 Conclusie inzake: [betrokkene] tegen Officier van Justitie Oost-Nederland In deze Bopz-zaak keert het cassatiemiddel zich tegen een voorlopige machtiging tot opneming van een verslaafde patiënt. 1Feiten en procesverloop 1.1 De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 30 maart 2017 ingekomen ter griffie van de rechtbank Gelderland, verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (geboren in 1978, hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven; zie art. 2 Wet Bopz.

Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring d.d. 28 maart 2017 gevoegd van psychiater [betrokkene 1] , die betrokkene met het oog daarop heeft onderzocht en op (dat moment nog) niet bij de behandeling betrokken was. In rubriek 4.d van deze verklaring is als diagnose vermeld: “Stoornissen door gebruik van middelen” en “Persoonlijkheidsstoornis”. 1.2 Op 19 april 2017 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft gehoord: betrokkene en zijn advocaat, een waarnemer van de behandelend psychiater [betrokkene 1] , en de ambulant verpleegkundige [betrokkene 2] . 1.3 De rechtbank heeft de behandeling aangehouden en de officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz gelegenheid gegeven alsnog een voorwaardelijke machtiging te verzoeken.

Bij brief van 23 mei 2017 heeft de officier van justitie het verzoek om een voorlopige machtiging echter gehandhaafd, onder verwijzing naar een e-mail van dezelfde datum van de psychiater [betrokkene 1] . 1.4 De rechtbank heeft de mondelinge behandeling voortgezet op 22 juni 2017. Bij die gelegenheid heeft zij gehoord: betrokkene en zijn advocaat, een waarnemer voor de behandelaar (overlastcoördinator) [betrokkene 4], ambulant verpleegkundige [betrokkene 2] , en wijkcoach [betrokkene 3] . 1.5 Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend voor een periode van zes maanden.

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat die stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken. Zij overwoog: “Betrokkene lijdt aan persoonlijkheidsstoornissen en stoornissen door gebruik van middelen. Hij veroorzaakt onder invloed van middelen, danwel gedreven door zucht naar middelen, regelmatig voor overlast en incidenten in de buurt. Er is sprake van dreigende verbale agressie en zijn gedrag roept ook agressie van anderen over zich af.

Hij verwaarloost zichzelf en zijn woning. Betrokkene heeft zeker de intentie om zijn leven een positieve wending te geven, dit mede door de druk van het verzoek voor een rechterlijke machtiging. Hij heeft veel plannen voor wat betreft werk en behandeling. Hij roept hiervoor vaak de hulp in van zijn ambulant verpleegkundige, maar het lukt hem niet de situatie blijvend te veranderen. Afspraken worden door hem niet altijd nagekomen, nu hij onder invloed van middelen vaak de controle over zichzelf verliest. Omdat er nu geen behandeling wordt geboden is er alleen sprake van symptoombestrijding.

Er is gevaar voor de psychische gezondheid van vader waar betrokkene regelmatig komt en waar hij ook veel conflicten mee heeft (gehad). Het gevaar voor maatschappelijke teloorgang is bovenal dreigend aanwezig.” 1.6 Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het middel klaagt onder 1.2 dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het namens betrokkene ter zitting van 22 juni 2017 gevoerde verweer dat de geneeskundige verklaring verouderd is (proces-verbaal, blz. 2).

Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat sinds 29 maart 2017 verschillende gegevens van feitelijke aard waren gewijzigd. 2.2 Art. 5 lid 1 Wet Bopz vereist dat de betrokken persoon ‘kort tevoren’ is onderzocht en dat de opgemaakte geneeskundige verklaring inzicht verschaft ‘in de actuele situatie van de betrokkene’. Art. 5 lid 1 EVRM vereist voor de vrijheidsbeneming van een persoon met een geestesstoornis een recente psychiatrische beoordeling. Het EHRM preciseerde: “the medical assessment must be based on the actual state of mental health and not solely on past events.

A medical opinion cannot be seen as sufficient to justify deprivation of liberty if a significant period of time has elapsed.”De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat dit meebrengt dat na cassatie en verwijzing een geheel nieuwe geneeskundige verklaring moet worden overgelegd. In andere gevallen zal een actualisering van de benodigde medische informatie ook bereikt kunnen worden door het inwinnen van inlichtingen door de rechter bij de rapporterende of de behandelende psychiater. De ‘houdbaarheid’ van een geneeskundige verklaring is niet alleen afhankelijk van het enkele tijdsverloop sinds het onderzoek waarop de geneeskundige verklaring is gebaseerd, maar ook van andere omstandigheden zoals de consistentie van het ziektebeeld en de aard van de ziekte. 2.3 De klacht dat de rechtbank niet is ingegaan op het verweer dat de geneeskundige verklaring van 28 maart 2017 niet meer een juist beeld gaf van de actuele situatie van betrokkene, acht ik gegrond.

Het gaat hier, zo volgt uit het voorgaande, om een essentieel verweer. Tijdens de zitting van 22 juni 2017 is dit verweer nader gemotiveerd: blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is namens betrokkene aangevoerd dat hij dezelfde dag een gesprek heeft bij Kairos en dat hij daarvoor gemotiveerd is, dat hij nu permanent bij zijn vader woont en dat qua geestestoestand er geen reden is voor een opname bij Kairos. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ouderdom van de geneeskundige verklaring geheel onbesproken gelaten. Op welke grond(en) de rechtbank dit verweer heeft verworpen is onduidelijk.

Overigens had de rechtbank de verwerping van dit verweer niet zonder meer kunnen baseren op de e-mail van de behandelend psychiater [betrokkene 1] van 23 mei 2017 (genoemd in alinea 1.3 hiervoor) waarin deze bij de keuze blijft om ten aanzien van betrokkene een voorlopige machtiging te verzoeken en de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging afraadt. Uit deze e-mail noch uit het proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2017 blijkt van nieuw geneeskundig onderzoek naar de actuele situatie van betrokkene, noch is daarin ingegaan op hetgeen volgens betrokkene sinds het opmaken van de verklaring van 28 maart 2017 zou zijn gewijzigd. 2.4 Het slagen van de klacht onder 1.2 leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

Voor het geval dat de Hoge Raad hierover anders oordeelt, bespreek ik kort de klacht onder 1.1. 2.5 Onder 1.1 klaagt het middel, onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2005, dat de bestreden beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘stoornis in de geestvermogens’ in art. 2 Wet Bopz. De klacht houdt in dat de rechtbank weliswaar vermeldt dat betrokkene aan persoonlijkheidsstoornissen lijdt, maar daarover verder niets overweegt. Wat betreft de verslaving, heeft de rechtbank niet vastgesteld dat deze gepaard gaat met (andere) stoornissen van een zodanige ernst dat het daardoor veroorzaakte gevaar betrokkene niet kan worden toegerekend.

Subsidiair klaagt het middel over een ontoereikende motivering. Ter toelichting op deze klacht is vermeld dat ter zitting van 19 april 2017 namens betrokkene is aangevoerd dat de verslaving op zichzelf niet tot een onvrijwillige opname kan leiden en dat geen sprake is van een (andere) psychische stoornis. 2.6 Art. 2 Wet Bopz vereist voor het verlenen van een voorlopige machtiging een, op grond van objectief psychiatrisch onderzoek, door de rechter vastgestelde ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de patiënt die de betrokkene gevaar doet veroorzaken.

In de reeds aangehaalde beschikking van 23 september 2005 heeft de Hoge Raad een maatstaf gegeven voor de beoordeling of een verslaving aan middelen zoals drugs of alcohol een grond oplevert voor vrijheidsbeneming: een verslaving kan niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij deze gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend wordt beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar als het ware niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.

Uit het tussen haakjes plaatsen van het woord “(andere)” kan worden opgemaakt dat comorbiditeit (samenloop van de middelenafhankelijkheid en een andere geestesziekte) niet noodzakelijk is indien de verslaving de hiervoor beschreven graad van ernst heeft bereikt. Laatstelijk in een beschikking van 13 oktober 2017 heeft de Hoge Raad zich over toepassing van deze maatstaf uitgesproken. 2.7 In het onderhavige geval vermeldt rubriek 4.a (symptomen, gedragingen en feiten) van de geneeskundige verklaring: “Betrokkene is sinds jaren bekend met middelenmisbruik en middelen verslaving.

Ook nu is er sprake van afhankelijkheid van middelen, met name amfetaminen en alcohol. Daarnaast wordt er melding gemaakt van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis.” Het door de stoornis veroorzaakte gevaar is in rubriek 5.b omschreven als verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang, gevaar dat agressie van betrokkene naar mensen in zijn omgeving escaleert en fysieke gevolgen gaat hebben en gevaar voor de psychische gezondheid van zijn vader. De gedragingen van betrokkene waarop dit oordeel is gebaseerd heeft de rapporterend psychiater in rubriek 5.a omschreven als volgt:

“Betrokkene veroorzaakt onder invloed van middelen, dan wel gedreven door zucht naar middelen, regelmatig overlast in zijn omgeving. Er is sprake van verbale agressie door betrokkene en zijn gedrag lokt soms ook fysieke agressie door anderen uit. Patiënt voelt zich, al of niet uit een waanidee, bedreigd op straat waardoor hij altijd een mes bij zich draagt. Daarmee is er een toegenomen risico op escaleren van geweld. Patiënt besteedt zijn uitkering vooral aan middelen. Dat leidt tot verwaarlozing van zichzelf en zijn woning. De woning dreigt hij daardoor kwijt te raken.

Betrokkene verblijft vaak bij zijn vader die voor betrokkene zorgt maar dat zelf nauwelijks kan opbrengen. Dat is voor zijn vader een forse psychische belasting waar vader maar moeilijk weerstand tegen kan bieden. Dat leidt regelmatig tot forse spanningen en ruzies tussen betrokkene en zijn vader.” 2.8 In de bestreden beschikking baseert de rechtbank haar oordeel over de stoornis van betrokkene op de geneeskundige verklaring. Daarin ontbreekt een toelichting op de diagnose ‘anti-sociale persoonlijkheidsstoornis’. In rubriek 4.c is slechts opgenomen:

“De [lees: het] eerder bestaande middelenmisbruik en de persoonlijkheidsstoornis vernam ik van de behandelaar bij IRIS-zorg, de huisarts en las ik in het medisch dossier van ProPersona”. De geneeskundige verklaring bevat over de persoonlijkheidsstoornis en de relatie van die stoornis tot het gevaar geen verdere informatie. Uit de beschikbare processtukken blijkt ook niet dat een toelichting daarop tijdens de zittingen van 19 april en 22 juni 2017 is gegeven. Wat betreft de middelenafhankelijkheid: uit de geneeskundige verklaring en het proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2017 blijkt dat deze bij betrokkene leidt tot agressief gedrag, verwaarlozing van zichzelf en zijn woning en een dreigende overbelasting van zijn vader.

Dat deze gedragingen van betrokkene overwegend worden beheerst door zijn middelenafhankelijkheid valt niet zonder meer op te maken uit de geneeskundige verklaring en het proces-verbaal van 22 juni 2017. Uit hetgeen de rechtbank daarover in de bestreden beschikking overweegt (hiervoor in alinea 1.5 aangehaald) volgt evenmin dat in dit geval de verslaving leidt tot psychische stoornissen van een zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor wordt beïnvloed in die mate dat betrokkene het veroorzaakte gevaar als het ware niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden overwegend beheerst.

De slotsom is dat de rechtbank hetzij de maatstaf van de Hoge Raad van 23 september 2005 heeft miskend, hetzij haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. 3Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. EHRM 5 oktober 2000 (appl. nr. 31365/96 Varbanov), BJ 2001/36 m.nt. W. Dijkers, punt 47. HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9346, NJ 2008, 298, BJ 2008/42. Vgl. W.J.A.M. Dijkers in: SDU-Commentaar Wet Bopz, artikel 5, aant.

C.1.2.1. Zie ook alinea 2.14 van de conclusie vóór HR 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7583, BJ 2008/63. Zie daarnaast: HR 28 oktober 1994, NJ 1995/125 m.nt. J. de Boer, HR 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0384, NJ 2001/278. Keurentjes maakte uit de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 23 mei 2008 de gevolgtrekking dat in alle gevallen een nieuwe geneeskundige verklaring nodig is wanneer sedert de opgemaakte verklaring veel tijd is verstreken, zie Tekst & toelichting Wet Bopz, 2012, blz.

60. Vgl. W.J.A.M. Dijkers, SDU-Commentaar Wet Bopz, artikel 5, aant. C.1.2.1 en C.1.2.2. Vgl. alinea 3.6 van de conclusie voor HR 23 mei 2008, reeds aangehaald. ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate, BJ 2005/35 m.nt. W. Dijkers. Het middel verwijst tevens naar HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:461, JVggz 2017/16 m.nt. W.J.A.M. Dijkers. In het cassatiemiddel is een voorbehoud gemaakt tot aanvulling na ontvangst van een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 19 april 2017. Het vermeldt dat een afschrift, ondanks verzoeken daartoe, niet is verstrekt. Zie ook de noten van Dijkers onder HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, BJ 2007/44, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, JVggz 2014/37, en HR 17 maart 2017, reeds aangehaald, JVggz 2017/16; SDU-Commentaar Bopz, art. 2, par. 2.4.8 (2013). HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630. Zie verder, naast de reeds genoemde uitspraken, HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3320, BJ 2007/43, HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, JVggz 2014/37 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.