ECLI:NL:PHR:2017:1376 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 16/01901 B Zitting: 21 november 2017 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 24 maart 2016 de klager niet ontvankelijk verklaard in een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. A.F.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat door de klager geen beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden, zodat hij niet in zijn herhaalde klaagschrift kan worden ontvangen.
Legislator headnote
AI generatedart. 552a Sv; ECLI:NL:PHR:2017:1376 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 16/01901 B Zitting: 21 november 2017 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 24 maart 2016 de klager niet ontvankelijk verklaard in een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. A.F.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat door de klager geen beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden, zodat hij niet in zijn herhaalde klaagschrift kan worden ontvangen.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Nr. 16/01901 B Zitting: 21 november 2017 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 24 maart 2016 de klager niet ontvankelijk verklaard in een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. A.F.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat door de klager geen beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden, zodat hij niet in zijn herhaalde klaagschrift kan worden ontvangen.
Volgens de steller van het middel levert het beroep dat is gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep dat door het openbaar ministerie is ingesteld in de strafzaak tegen de klager wel degelijk een beroep op een nieuwe feit op. 3.2. Het hof stelt in de bestreden beschikking vast dat het klaagschrift strekt tot teruggave van de “inbeslaggenomen geldbedragen”. Daarmee doelt het hof kennelijk – en gezien de inhoud van het klaagschrift niet onbegrijpelijk – op de geldbedragen die op 9 december 2010 onder de klager in beslag zijn genomen.
Het hof stelt in de bestreden beschikking vast dat deze geldbedragen door de rechtbank verbeurd zijn verklaard in de strafzaak tegen de klager. Dat betekent dat de klager alleen tegen die verbeurdverklaring kan opkomen in zijn hoedanigheid van verdachte bij de behandeling van het ingestelde hoger beroep. En dat betekent weer dat het hof de klager in elk geval om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het klaagschrift, zodat de beslissing van het hof hoe dan ook juist is. 3.3. Het voorgaande brengt mee dat de klager klaarblijkelijk geen belang heeft bij de behandeling van het ingestelde cassatieberoep.
Ik wijs er daarbij nog op dat het hof “ten overvloede” heeft overwogen dat de belangen van de strafvordering zich gelet op de nog lopende strafzaak verzetten tegen de teruggave van de van de inbeslaggenomen geldbedragen. Tegen dat oordeel komt het middel niet op.
4. Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie in het bijzonder punt 1 van het klaagschrift, waarin na een opsomming van deze geldbedragen wordt gesteld dat het klaagschrift dan ook “richt ziet” op de onrechtmatige inbeslagname van het totaalbedrag van € 1265, -. De vermelding in het klaagschrift van het conservatoir gelegde beslag ad € 70.000, - (bedoeld zal zijn: € 76.000,-) heeft kennelijk alleen een functie als argument dat daarmee “de belangen van de strafvordering ruimschoots zeker [zijn] gesteld” (zie de punten 12 en 13 van het klaagschrift).