Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:1363 ECLI:NL:PHR:2017:1363 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:1363 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:1363
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/00205 Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging) Mr. W.H. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 5 januari 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “diefstal” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 16/00205 en 16/00287. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel berust op de onjuiste opvatting dat een gemotiveerd verzoek om clementie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv oplevert. Het vormt immers niet een standpunt, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

Legislator headnote

AI generated

art. 359 lid 2 Sv; ECLI:NL:PHR:2017:1363 · Parket bij de Hoge Raad: De aangevoerde klacht kan derhalve klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dit betekent dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Het cassatieberoep dient daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Keywords

AI generated
art. 359 lid 2 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 359 lid 2 Sv
Het middel berust op de onjuiste opvatting dat een gemotiveerd verzoek om clementie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv oplevert.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/00205 Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging) Mr. W.H. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 5 januari 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “diefstal” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 16/00205 en 16/00287. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel berust op de onjuiste opvatting dat een gemotiveerd verzoek om clementie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv oplevert. Het vormt immers niet een standpunt, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

5. De aangevoerde klacht kan derhalve klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dit betekent dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Het cassatieberoep dient daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1.