Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:1290 ECLI:NL:PHR:2017:1290 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:1290 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:1290
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/02127 P Zitting: 10 oktober 2017 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [betrokkene] In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, bij arrest van 12 februari 2016 het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 11.404,31 en aan de betrokkene voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de verdachte die onder nr. 16/02125 en 16/02126 bij de Hoge Raad aanhangig zijn. In de samenhangende zaak met nr. 16/02126 zal ik vandaag eveneens concluderen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:1290 · Parket bij de Hoge Raad: Namens de betrokkene is in casu op 24 februari 2016 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 14 oktober 2016 in persoon aan de betrokkene betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/02127 P Zitting: 10 oktober 2017 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [betrokkene] In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, bij arrest van 12 februari 2016 het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 11.404,31 en aan de betrokkene voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de verdachte die onder nr. 16/02125 en 16/02126 bij de Hoge Raad aanhangig zijn. In de samenhangende zaak met nr. 16/02126 zal ik vandaag eveneens concluderen.

Namens de betrokkene is in casu op 24 februari 2016 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 14 oktober 2016 in persoon aan de betrokkene betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.

Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG