Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2017:1017 ECLI:NL:PHR:2017:1017 AI generated

ECLI:NL:PHR:2017:1017 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2017:1017
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

17/03583 mr. G.R.B. van Peursem 9 augustus 2017 Conclusie inzake: [verzoeker] , verzoeker tot cassatie, (hierna: [verzoeker]) 1. [verzoeker] heeft bij een op 21 juli 2017 bij (de roladministratie van) het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van datzelfde gerechtshof van 13 juli 2017 met zaaknummer 200.216.342/01. In dit arrest is het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 mei 2017 bekrachtigd, waarin de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaart in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Legislator headnote

AI generated

art. 292 lid 7 Fw, art. 292 lid 5 Fw; ECLI:NL:PHR:2017:1017 · Parket bij de Hoge Raad: Op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval kan op dit uitgangspunt een uitzondering worden aangenomen, bijvoorbeeld als het processtuk bij een overkoepelende administratieve organisatie is bezorgd en er nog voldoende tijd resteert voor de reguliere doorzending van het processtuk. Het moet dan wel voldoende duidelijk zijn voor wie het processtuk wel is bestemd. In de onderhavige zaak draagt [verzoeker] het risico voor het feit dat het cassatieverzoekschrift op het verkeerde adres (te weten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in plaats van bij de Hoge Raad) is bezorgd.

Keywords

AI generated
art. 292 lid 7 Fw art. 292 lid 5 Fw

Cited Legislation

AI generated
art. 292 lid 7 Fw
2 Het cassatieverzoekschrift is niet ingediend ter griffie van de Hoge Raad, zoals art. 292 lid 7 Fw bepaalt.
art. 292 lid 5 Fw
[verzoeker] heeft daarmee tijdig (ex art. 292 lid 5 Fw) noch op de juiste wijze (ex art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1997:AG7252
HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7252, NJ 1997/652 en HR 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5263, NJ 2000/314, AB 2001/60, m.nt.
NJ 1997/652
HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7252, NJ 1997/652 en HR 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5263, NJ 2000/314, AB 2001/60, m.nt.
ECLI:NL:HR:2000:AA5263
Het geding in feitelijke instanties Met een op 22 december 1994 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter te ’s-Gravenhage en verzocht te bepalen: dat de Gemeente een bedrag van ƒ 14.228,93 kan terugvorderen van verzoekers tot cassatie - verder te noemen: [verzoekers], [..];
NJ 2000/314
HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7252, NJ 1997/652 en HR 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5263, NJ 2000/314, AB 2001/60, m.nt.
ECLI:NL:HR:2007:AZ7611
Het geding in feitelijke instanties Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eisers] - hebben bij exploot van 21 juni 2002 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd (primair) de verdeling van de onroerende zaken, gelegen aan [a-straat] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie [A] nummers [001 en 002], vast te stellen op de wijze als omschreven in de inleidende dagvaarding onder 7 en (subsidiair) [verweerder] te veroordelen tot verdeling van de voornoemde gemeenschappelijke eigendom met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon om [verweerder] voor zover hij onwillig is te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot de verdeling. [Verweerder] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd de verdeling van de onroerende zaken vast te stellen, primair in drie gelijke gedeelten en subsidiair op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze, met bepaling dat het vonnis in de plaats komt van de medewerking van [eisers] aan de effectuering van de verdeling.
NJ 2008/140
HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140, m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

17/03583 mr. G.R.B. van Peursem 9 augustus 2017 Conclusie inzake: [verzoeker] , verzoeker tot cassatie, (hierna: [verzoeker]) 1. [verzoeker] heeft bij een op 21 juli 2017 bij (de roladministratie van) het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van datzelfde gerechtshof van 13 juli 2017 met zaaknummer 200.216.342/01. In dit arrest is het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 mei 2017 bekrachtigd, waarin de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaart in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dit processtuk doorgezonden naar de Hoge Raad, waar het op 25 juli 2017 is ontvangen. 2 Het cassatieverzoekschrift is niet ingediend ter griffie van de Hoge Raad, zoals art. 292 lid 7 Fw bepaalt. Daarnaast is het cassatieverzoekschrift ingediend door mr. Sligchers, die geen advocaat bij de Hoge Raad is. 3 Bij brief van 27 juli 2017 is [verzoeker] door de griffie van de Hoge Raad bericht dat de wijze van indiening niet strookt met art. 292 lid 7 Fw. Daarnaast is aan [verzoeker] medegedeeld dat het cassatieverzoekschrift ook niet is ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad, en dat dit laatste verzuim kan worden hersteld doordat een advocaat bij de Hoge Raad alsnog hetzelfde verzoekschrift getekend indient binnen twee weken na de datum waarop het verzoekschrift door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is ontvangen (i.e. uiterlijk op 4 augustus 2017). 4 Bij e-mail van 31 juli 2017 heeft [verzoeker] de Hoge Raad verzocht een cassatieadvocaat aan te wijzen.

Bij e-mail van 2 augustus 2017 heeft [verzoeker] de Hoge Raad verzocht om uitstel te verlenen voor de termijn om een cassatieadvocaat te vinden. De griffie van de Hoge Raad heeft [verzoeker] op 3 augustus 2017 laten weten dat aan het eerstgenoemde verzoek niet kan worden voldaan en dat de rolraadsheer geen verder uitstel heeft verleend voor herstel van het verzuim. 5 Tot op heden is door [verzoeker] geen cassatieverzoekschrift ingediend dat is ondertekend door een cassatieadvocaat. 6 Wie een processtuk op een verkeerd adres bezorgt, of zich bedient van personen die dat doen, doet dit op eigen risico, zo is in de jurisprudentie als uitgangspunt naar voren gebracht.

Op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval kan op dit uitgangspunt een uitzondering worden aangenomen, bijvoorbeeld als het processtuk bij een overkoepelende administratieve organisatie is bezorgd en er nog voldoende tijd resteert voor de reguliere doorzending van het processtuk. Het moet dan wel voldoende duidelijk zijn voor wie het processtuk wel is bestemd. In de onderhavige zaak draagt [verzoeker] het risico voor het feit dat het cassatieverzoekschrift op het verkeerde adres (te weten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in plaats van bij de Hoge Raad) is bezorgd.

Nu (de roladministratie van) het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten opzichte van de griffie van de Hoge Raad niet als een overkoepelde administratieve of functionele organisatie is te zien, het processtuk daar op de laatste dag van de cassatietermijn is ingekomen en geen sprake is van overige bijzondere omstandigheden, is er naar ik meen geen grond om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken. [verzoeker] heeft daarmee tijdig (ex art. 292 lid 5 Fw) noch op de juiste wijze (ex art. 292 lid 7 Fw) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2017. 7 In 2011 oordeelde Uw Raad dat in het geval een verzoekschrift als processtuk is gericht aan het juiste gerecht, maar vanwege de verzoeker wordt ingediend niet bij dat juiste gerecht maar bij een ander gerecht, verwacht mag worden dat de griffie van dit laatste gerecht deze fout binnen korte tijd onderkent en het verzoekschrift dan onverwijld doorgeleidt naar het juiste gerecht, zoals ook in het processtuk aangeduid.

Deze doorgeleiding zal echter in de praktijk niet altijd dezelfde dag (kunnen) plaatsvinden. Volgens Uw Raad brengt een redelijke, met de eisen van een goede procesorde verenigbare wetstoepassing daarom mee dat een dergelijk verzoekschrift geacht wordt te zijn ingediend op het tijdstip van binnenkomst bij het andere, verkeerde gerecht. Voor zover dit arrest als uitzondering moet worden gezien op eerdere rechtspraak (zoals aangehaald onder 6), is van een situatie als in dit arrest in deze zaak naar mijn mening geen sprake, nu het cassatieverzoekschrift is gericht (en gestuurd) aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (en daarmee niet aan het ‘juiste’ gerecht; in dit geval de Hoge Raad). 8 Indien Uw Raad tot het oordeel komt dat het arrest van 23 september 2011 in deze zaak naar analogie moet worden toegepast, en daarmee het cassatieverzoekschrift moet worden geacht tijdig en bij de Hoge Raad te zijn ingediend op 21 juli 2017, geldt dat dit cassatieverzoekschrift niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dit verzuim niet tijdig is hersteld.

Het is vaste rechtspraak dat het verzuim om het cassatieverzoekschrift niet te laten ondertekenen door een advocaat bij de Hoge Raad, kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Deze hersteltermijn liep in dat geval tot en met 4 augustus 2017. Het verzuim is niet binnen deze termijn hersteld. 9 Overigens merk ik op dat ook indien Uw Raad van oordeel is dat de hersteltermijn van twee weken pas is aangevangen op 25 juli 2017 (i.e. de datum van de werkelijke ontvangst van het cassatieverzoekschrift ter griffie van de Hoge Raad), het verzuim evenmin tijdig (te weten uiterlijk op 8 augustus 2017) is hersteld.

Indien de advocaat van [verzoeker] is afgegaan op een andersluidende mededeling van de griffie hieromtrent is dit niet verschoonbaar. 10 Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Zie o.a. HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7252, NJ 1997/652 en HR 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5263, NJ 2000/314, AB 2001/60, m.nt. T.G. Drupsteen. HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7252, NJ 1997/652, rov. 3.4. HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140, m.nt.

H.J. Snijders, rov. 3.5. HR 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5263, NJ 2000/314, AB 2001/60, m.nt. T.G. Drupsteen, rov. 3.3. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2416, NJ 2012/198, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212, m.nt. H.J. Snijders, recent herhaald in HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:314, RvdW 2017/311 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:931, RvdW 2017/592. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586, NJ 2011/479, rov. 3.2. Zie ook HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1462, RvdW 2016/825, rov. 3.2.3.