Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:528 ECLI:NL:PHR:2016:528 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:528 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:528
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Zaaknr: 16/01358 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 22 april 2016 Conclusie inzake: [verzoekster] tegen Immigratie- en Naturalisatiedienst) Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie 1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 19 mei 2014, heeft verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster), vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, de rechtbank verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 10 december 2015 afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

art. 426a Rv; ECLI:NL:PHR:2016:528 · Parket bij de Hoge Raad: Zaaknr: 16/01358 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 22 april 2016 Conclusie inzake: [verzoekster] tegen Immigratie- en Naturalisatiedienst) Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie 1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 19 mei 2014, heeft verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster), vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, de rechtbank verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 10 december 2015 afgewezen.

Keywords

AI generated
art. 426a Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 426a Rv
Het verzuim is niet hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Zaaknr: 16/01358 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 22 april 2016 Conclusie inzake: [verzoekster] tegen Immigratie- en Naturalisatiedienst) Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie 1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 19 mei 2014, heeft verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster), vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, de rechtbank verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 10 december 2015 afgewezen.

2. Bij cassatieschriftuur, gedateerd en per fax ingediend op 10 maart 2016 en ondertekend door mr. Van Bremen, heeft verzoekster te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de onder 1 genoemde beschikking.

3. De griffie van de Hoge Raad heeft mr. Van Bremen, die geen cassatieadvocaat is, op 11 maart 2016 bericht dat een procespartij voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak juridische bijstand behoeft van een advocaat, ingeschreven bij de Hoge Raad der Nederlanden te ’s-Gravenhage en voorts dat dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

4. Het verzuim is niet hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.

5. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G