Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:345 ECLI:NL:PHR:2016:345 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:345 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:345
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

15/01476 mr. J.C. van Oven 29 april 2016 Conclusie inzake: de provincie Zeeland, eiseres tot cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) tegen de gezamenlijke erven van [betrokkene 1], verweerders in cassatie (mrs. R.L. de Graaff en J.A.M.A. Sluysmans) Het cassatieberoep in deze zaak is gericht tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de schadeloosstelling is vastgesteld na onteigening van bijna 1,74 ha akkerbouwgrond in de gemeente Sluis ten behoeve van de realisatie van het inpassingsplan ‘Waterdunen’ van de provincie Zeeland uit 2010.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:345 · Parket bij de Hoge Raad: Gezien het uitzonderingskarakter van de eliminatiebepaling van art. 40c moet die bepaling terughoudend worden toegepast. Hierbij past volgens mij dat plannen die bestaan uit algemene ruimtelijke beleidsvisies in het algemeen niet kunnen worden aangemerkt als plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend. Dergelijke plannen kunnen wel bepaalde verwachtingen wekken met betrekking tot de toekomstige planologische status, en dus gebruiksmogelijkheden, van gronden die liggen in het gebied van die plannen, en in zoverre ‘startpunt’ zijn van latere ontwikkelingen in overeenstemming met die verwachtingen, maar dat maakt die plannen niet tot (onderdeel van) de plannen voor het werk waarvoor later wordt onteigend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2012:BV5115
Procesverloop Bij besluit van 1 oktober 2010, no.
ECLI:NL:RBZWB:2015:444
vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Handelsrecht Middelburg zaaknummer / rolnummer: C/12/84397 / HA ZA 12-170 Vonnis van 28 januari 2015 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE ZEELAND, zetelend te Middelburg, eiseres, advocaat mr. M. Rus-van der Velde te ‘s-Gravenhage, tegen DE GEZAMENLIJKE ERVEN VAN [erflater], laatstelijk wonende te [adres] , gedaagden, advocaat mr. W.J. Bosma te ‘s-Gravenhage. Partijen zullen hierna de provincie en de erven [van erflater] worden genoemd. 1 1. De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:- het tussenvonnis van 11 december 2013- de nota voor rechter-commissaris en deskundigen van mr. Rus-van der Velde van 4 februari 2014 met taxatierapport- de nota ter descente van mr. Bosma van 4 februari 2014 met (aanvullend) taxatierapport- het proces-verbaal van descente, gehouden op 4 februari 2014- de brief van mr. Rus-van der Velde van 14 februari 2014- de akte van 11 september 2014, houdende depot deskundigenrapport - de brief van mr. Bosma van 24 oktober 2014 met producties - het rolbericht van mr. Rus-van der Velde van 27 oktober 2014 met producties - de brief van mr. Vermeulen van 6 november 2014 met opgave van de deskundigenkosten- de pleitnota van de zijde van de provincie- de pleitnota van de zijde van de erven [van erflater] - de brief van mr. Vermeulen van 11 november 2014 met een aangepaste kostenopgaaf van deskundigen - de brief van mr. Rus-van der Velde van 14 november 2014- de brief van mr. Bosma van 26 november 2014- de brief van mr. Rus-van der Velde van 16 december 2014. Bij vonnis van deze rechtbank van 11 december 2013 heeft de rechtbank mr. H.J.M. van Mierlo, dhr. J.J. Josiasse en dhr. G.N.A. Roovers van hun taak om als deskundige op te treden ontheven en mr. J.R. Vermeulen, drs. P.C. van Arnhem en ing. J. Verhagen RT tot nieuwe deskundigen benoemd.Mr. Vermeulen heeft als voorzitter van de deskundigencommissie bij brief van 26 juni 2014 het conceptdeskundigenrapport gedeponeerd. Bij brieven van 18 augustus 2014 is namens de provincie respectievelijk de erven [van erflater] op het deskundigenrapport gereageerd.De deskundigen hebben vervolgens op 11 september 2014 het definitieve deskundigenrapport gedeponeerd. De zaak is bepleit op 10 november 2014, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. 2 2. De verdere beoordeling 2.1.Bij vonnis van 1 augustus 2012 (hierna: het onteigeningsvonnis) heeft thans deze rechtbank, voorheen de rechtbank Middelburg, vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve van de realisatie van het inpassingsplan “Waterdunen” in de gemeente Sluis, van het perceel kadastraal bekend gemeente Oostburg, [kadastrale aanduidingen] , totaal groot 01.73.70 ha (grondplannummer 1). 2.2. In het onteigeningsvonnis is het aan de erven [van erflater] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 88.659,00. 2.3. Het onteigeningsvonnis is op 28 januari 2013 ingeschreven in de openbare registers.2.4. De bij vonnis van 11 december 2013 (nieuw) benoemde deskundigen is opgedragen de schadeloosstelling te begroten. 2.5. De deskundigen hebben in hun rapport de aan de erven [van erflater] te betalen schadevergoeding als volgt begroot:- waarde € 173.700,00- bijkomende schade van de erven [van erflater] geen- schade van andere derde-belanghebbenden nihil -----------------Totaal € 173.700,00 2.6. Namens de provincie is aan de erven [van erflater] aangeboden als schadeloosstelling een bedrag van € 98.510,00, te vermeerderen met een bedrag van € 2.500,00 voor de kosten van deskundige bijstand. 2.7. De erven [van erflater] stellen dat de schadeloosstelling voor hen dient te bedragen:- vermogensschade € 194.544,00- accountantskosten € 1.500,00- vergoeding deskundigenkosten P.M.- belastingschade P.M. -----------------Totaal € 196.044,00 + 2x P.M. 2.8. De standpunten van partijen ten aanzien van (de hoogte van) de voor vergoeding in aanmerking komende posten, voor zover van belang, zullen conform de in het deskundigenrapport onderscheiden paragrafen worden behandeld. De waarde van het onteigende 2.9. Ter plaatse van het onteigende vigeert het Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen, vastgesteld op 1 oktober 2010 en bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2012 in ieder geval ten aanzien van het onteigende onherroepelijk geworden. Dit plan voorziet in de ontwikkeling van een grootschalig natuur- en recreatiegebied en verhoging van de kustveiligheid door kustversterking. Het plangebied beslaat ongeveer 350 ha. In dit plan zijn aan het onteigende de bestemmingen “natuur-recreatie”, “verkeer” en “natuur” toegekend.Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen gold ter plaatse het bestemmingsplan “Buitengebied, 13e herziening”, goedgekeurd op 13 januari 1984. In dat plan was aan het onteigende perceel de bestemming “Landbouw, aan de grond gebonden agrarische bedrijven (LA7 (zg))” toegekend. 2.10. Ingevolge artikel 40a Onteigeningswet (Ow) dient de waarde van het onteigende te worden bepaald op basis van de prijs, die zonder onteigening op de peildatum bij verkoop in het vrije economische verkeer tot stand zou zijn gekomen. De waarde van het onteigende dient daarbij in beginsel te worden bepaald met inachtneming van onder meer de bestemming, de ligging en de huidige en toekomstige bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het onteigende. Indien sprake is van meerdere bouw- of gebruiksmogelijkheden kunnen de erven [van erflater] daarbij in beginsel aanspraak maken op de hoogste waarde. Bij de waardering van het onteigende dienen overigens de voorschriften van de artikelen 40b tot en met 40f Ow in acht te worden genomen. 2.11. De deskundigen gaan bij de waardering van het onteigende uit van de vrije en onverpachte staat ervan. Zij gaan er voorts van uit dat er geen sprake is van verontreiniging van bodem en/of grondwater die de waarde negatief kan beïnvloeden. Eliminatie vigerende bestemming 2.12. De deskundigen stellen vast dat bij de waardering van het onteigende het Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen en de ingevolge dat plan aan het onteigende gegeven bestemmingen op grond van het bepaalde in artikel 40c Ow moeten worden geëlimineerd. De provincie en de erven [van erflater] kunnen zich hier, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie, in vinden. 2.13. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundigen dat het Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen te beschouwen is als (niet meer dan) de juridisch-planologische grondslag voor het werk waarvoor thans onteigend wordt in de zin van artikel 40c Ow. De rechtbank neemt de motivering van de deskundigen (p. 8 en 9 van het deskundigenrapport) over en maakt deze tot de hare. Op grond van voornoemd artikel dienen het Provinciaal Inpassingsplan en de ingevolge dat plan aan het onteigende gegeven bestemmingen bij de waardering van het onteigende te worden geëlimineerd.Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal 2.14. Volgens de deskundigen betreft de eliminatie op grond van artikel 40c OW in casu niet alleen het vigerend Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen en het daaraan rechtstreeks ten grondslag liggende Inrichtingsplan, maar ook de daaraan voorafgaande plannen die tezamen en in onderling verband kunnen worden aangemerkt als “het plan Waterdunen”. Hiertoe behoort ook het in de “Intentieovereenkomst project Waterdunen” d.d. 7 juni 2005 genoemde Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal. Dit leidt er volgens de deskundigen toe dat het onteigende gewaardeerd moet worden met inachtneming van het op de peildatum bestaand agrarisch gebruik, zoals dat werd toegestaan in het voorafgaande bestemmingsplan “Buitengebied 13e herziening”. 2.15. De erven [van erflater] scharen zich achter de conclusie van de deskundigen op dit punt. Zij stellen zich voorts op het standpunt dat er bij de waardering rekening moet worden gehouden met een aan het onteigende toe te kennen verwachtingswaarde. 2.16. De provincie betwist dit. Zij stelt zich op het standpunt dat de deskundigen het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal ten onrechte hebben geëlimineerd als onderdeel van “het plan Waterdunen”. De achtergrond van het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal is een integrale visie over hoe door middel van ruimtelijke ontwikkelingen een kwaliteitsimpuls kan worden gegeven aan West Zeeuws-Vlaanderen voor gezonde economische pijlers in een aantrekkelijke omgeving. De gebiedsgerichte aanpak beoogt de algehele kwaliteit van de omgeving te versterken om teruggang op het sociaal economisch vlak tegen te gaan. De plannen voor Waterdunen hebben een andere oorsprong. Deze zijn ontstaan vanuit de noodzaak tot kustversterking gecombineerd met ondernemersbelang en de belangen van natuurontwikkeling. Er is sprake van andere partners met andere belangen, die echter samenkomen in het project Waterdunen.Volgens de provincie moet het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal worden meegenomen bij de waardering van eventueel aan het onteigende toe te kennen verwachtingswaarde. Uit dit plan volgt dat de mogelijkheid van een lucratieve recreatieve ontwikkeling op het onteigende niet reëel is.2.17. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat het project Waterdunen een uitwerking is van het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal. Dit volgt onder meer uit de Inleiding op pagina 4 en 5 van de toelichting bij het Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen. Ook uit het chronologisch overzicht op pagina 9 van voornoemde toelichting volgt dat het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal in feite het startpunt van de ontwikkeling is geweest en geacht moet worden één geheel te zijn met het plan Waterdunen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is eveneens het oordeel toegedaan dat het project Waterdunen onder meer voortvloeit uit het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal, (ECLI:NL:RVS:2012:BV5115 r.o. 2.1.). Volgens de ABRvS zijn in het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal de in het Inpassingsplan voorziene ontwikkelingen neergelegd (r.o. 2.4.2.). Aangezien het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal hiermee kan worden aangemerkt als één geheel met het plan Waterdunen, dient dit Gebiedsplan bij de waardering van het onteigende te worden geëlimineerd.Aldus dient bij de vaststelling van de schadeloosstelling te worden uitgegaan van het bestemmingsplan “Buitengebied 13e herziening”, en derhalve – in beginsel – van agrarische waarde van de grond. Verwachtingswaarde? 2.18. De deskundigen achten vervolgens bij de vraag of bij de waardering van het onteigende sprake is van een boven de agrarische waarde uitgaande verwachtingswaarde de volgende aspecten van belang: de ligging ten opzichte van bestaand stedelijk gebied; concrete ontwikkelingsvoornemens ter plaatse; algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid en een zodanige ligging nabij stedelijk gebied dat een uitbreiding van dat stedelijk gebied op enig moment in de toekomst aannemelijk is. Volgens de deskundigen wordt, na eliminatie van alle relevante plannen die sporen van “Waterdunen” bevatten, bij de bepaling van een mogelijke verwachtingswaarde teruggevallen op het door de provincie op 19 september 1997 vastgestelde Streekplan (hierna: Streekplan 1997). Het onteigende ligt in een zone (de kuststrook van Zeeuws-Vlaanderen) waarin de provincie in het Streekplan 1997 recreatieconcentratie als gewenst ziet. Voorts is er sprake van een ligging van het onteigende nabij bestaand stedelijk gebied, in casu recreatiewoningen, waaraan - in combinatie met de aanduiding in het Streekplan 1997 van de omgeving van het onteigende als “recreatieconcentratie” - een zekere mate van verwachting is te ontlenen. Er is geen sprake van een concrete ontwikkelvisie (voornemen, planstudie), maar wel van een algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid op grond waarvan een uitbreiding van dat stedelijk gebied in de toekomst niet uitgesloten lijkt, aldus de deskundigen. Dergelijke locaties worden in het algemeen niet snel door projectontwikkelaars verworven tegen prijzen boven de agrarische waarde. Verwerving zou speculatief zijn, omdat het op de peildatum onzeker is of het perceel überhaupt binnen een overzienbare tijdspanne in een concrete ontwikkeling wordt betrokken of niet. Dergelijke percelen kunnen in de genoemde omstandigheden wel door agrariërs worden gekocht, echter zonder dat een waarneembare opslag voor verwachtingswaarde wordt overeengekomen. Het is echter waarschijnlijker dat een verkoper - mits niet gedwongen tot verkoop - “agrarische verkoop” zal uitstellen, in afwachting van duidelijkheid omtrent concrete ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse. Bij de bepaling van de werkelijke waarde kan echter met deze uitstelwens geen rekening worden gehouden. Er moet vanuit worden gegaan dat op de peildatum een transactie tot stand komt.Deze combinatie van (fictieve) omstandigheden maakt volgens de deskundigen dat de vergelijkingsmethode – in casu volgens hen de meest aangewezen taxatiemethode – met de nodige voorzichtigheid moet worden toegepast. Immers als zonder correctie vergeleken wordt met gerealiseerde “agrarische referentietransacties” dan zou voorbij worden gegaan aan transacties die ongerealiseerd bleven vanwege het hiervoor bedoelde belang bij uitstel van de kant van de koper. Als anderzijds zonder meer wordt vergeleken met referentietransacties van percelen die (veel) later daadwerkelijk zijn ontwikkeld, dan zou voorbij gegaan worden aan de mogelijkheid dat het onteigende perceel überhaupt niet in een concrete ontwikkeling wordt betrokken. De werkelijke waarde van het onteigende ligt daarom tussen de agrarische waarde (als concrete ontwikkeling niet in beeld zou komen) en een verwachtingswaarde op basis van referentietransacties waarbij een ontwikkeling concreet heeft plaats gevonden, aldus de deskundigen. De deskundigen zijn van oordeel dat de agrarische waarde ter plaatse van het onteigende gesteld kan worden op € 5,60 per m². Zij baseren zich daarbij op transacties in het eerste kwartaal van 2013 in Zeeuws-Vlaanderen, waarbij geen sprake was van een familietransactie en waarbij geen gebouwen betrokken waren, in combinatie met de door partijen aangeleverde informatie. De deskundigen concluderen vervolgens dat de werkelijke waarde van het onteigende moet worden bepaald op krap tweemaal de agrarische waarde. Zij overwegen daarbij dat de referentietransacties met verwachtingswaarde indiceren dat de werkelijke waarde ruim tweemaal de agrarische waarde zou bedragen, maar dat hierbij nog niet de invloed van de crisis - waarvan de effecten ten tijde van de peildatum duidelijk merkbaar waren - is meegenomen.Alles in overweging nemend waarderen de deskundigen het onteigende, mede op basis van hun op marktkennis en ervaring gestoeld intuïtief inzicht, op € 10,--/m² ofwel voor het gehele perceel op € 173.700,00. 2.19. De erven [van erflater] stellen dat de agrarische waarde op de peildatum rond € 6,--/m² bedroeg. Dit volgt volgens hen uit de referentietransacties die ter descente door zowel de erven [van erflater] als de provincie zijn overgelegd.Voor het overige kunnen de erven [van erflater] zich vinden in de wijze van het bepalen van de verwachtingswaarde door de deskundigen.Indien wordt uitgegaan van een agrarische waarde van € 6,--/m² en de wijze van redeneren van de deskundigen voor het overige zou worden gevolgd, zou de waarde van het onteigende uitkomen op € 11,20/m², althans op een bedrag hoger dan € 10,--/m². 2.20. De provincie stelt allereerst dat de deskundigen een onjuiste interpretatie aan het Streekplan 1997 hebben toegekend, daar waar zij belang hechten aan de aanduiding “recreatieconcentratie” op de plankaart in de omgeving van het onteigende en de ligging in een zone waarin de provincie recreatieconcentratie als gewenst ziet. Ten onrechte is de eerdere streekplanuitwerking Kust West Zeeuwsch-Vlaanderen uit 1991 (Streekplanuitwerking 1991) niet betrokken bij de waardering. In deze Streekplanuitwerking 1991 is het gebied waarin het onteigende is gelegen aangeduid als “reservering voor bos”. In het Streekplan 1997 is aangegeven dat recente gebiedsgerichte uitwerkingen waarin gedetailleerde uitvoeringskaders zijn neergelegd voor nog te realiseren ontwikkelingen, van kracht blijven. Dit betreft onder meer de Streekplanuitwerking 1991. De deskundigen hebben ten onrechte aangenomen dat “de reservering voor bos” uit 1991 ten tijde van de peildatum, 28 januari 2013, onafhankelijk van de planvorming voor Waterdunen, achterhaald is.De provincie stelt verder dat de deskundigen een onjuiste maatstaf hebben gehanteerd bij de waardebepaling van het onteigende. Er is geen sprake van een ligging ten opzichte van bestaand stedelijk gebied waaraan een zekere mate van verwachting is te ontlenen. Er zijn ook geen concrete ontwikkelvoornemens ter plaatse. Tenslotte is er geen sprake van een algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid op grond waarvan uitbreiding van stedelijk gebied op enig moment in de toekomst niet uitgesloten lijkt. Integendeel, het algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid waarover de deskundigen spreken is een algemeen ruimtelijke gebiedsbeleid waaruit blijkt dat uitbreiding van stedelijk gebied in de toekomst juist wél uitgesloten is.Bovendien geldt dat, als er al sprake is van een algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid op grond waarvan uitbreiding van stedelijk gebied op enig moment in de toekomst niet uitgesloten lijkt, dat nog steeds niet leidt tot een verwachtingswaarde. Bij gebreke van concrete plannen dan wel verwachtingen ten aanzien van een mogelijke ontwikkeling van de onteigende gronden was er op de peildatum geen aanleiding om bij de waardering van de gronden uit te gaan van enige verwachtingswaarde. Door alsnog ter bepaling van de waarde rekening te houden met een “uitstelwens” aan de zijde van de verkoper hanteren de deskundigen een onjuiste maatstaf. De deskundigen brengen een element in dat in strijd is met het te hanteren uitgangspunt dat op de peildatum een transactie tot stand komt. Op deze wijze wordt er een verwachtingswaarde gecreëerd die er niet is. Het onteigende ontleent volgens de provincie op de peildatum zijn hoogste waarde aan de agrarische gebruiksmogelijkheden. De provincie kan zich verenigen met de taxatie door de deskundigen van de agrarische waarde op € 5,60/m². Volgens de provincie is dit de prijs, die zonder onteigening op de peildatum in het vrije economische verkeer tot stand zou zijn gekomen. Subsidiair stelt de provincie zich op het standpunt dat de verwachtingswaarde onjuist is gewaardeerd. Als al sprake zou zijn van verwachtingswaarde, dan zou dat, als rekening wordt gehouden met de in dit geval relevante omstandigheden, de mate van concreetheid (niet), de soort ontwikkeling (geen) en het moment waarop die voorziene ontwikkeling daadwerkelijk wordt gerealiseerd (onbekend), hoogstens een heel klein plusje op de agrarische waarde zijn. De verwachting is immers niet meer dan een “algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid en een ligging nabij stedelijk gebied”. Er is onvoldoende rekening gehouden met het effect van de kredietcrisis.De provincie verzoekt de waarde van het onteigende vast te stellen met inachtneming van de door de deskundige begrote agrarische waarde van € 5,60/m². 2.21. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundigen dat de reservering voor bos uit 1991 ten tijde van de peildatum op 28 januari 2013, onafhankelijk van de planvorming voor Waterdunen, achterhaald is, met name gelet op de vaststelling van het Natuurgebiedsplan Zeeland 2001. Uit dit plan is af te leiden dat vanaf 2001 op het onteigende niet langer werd beoogd een bos te realiseren. De rechtbank onderschrijft de opvatting van de deskundigen dat, gelet op het voorgaande, niet kan worden gesteld dat ten tijde van de peildatum in het vrije commerciële verkeer de verwachting bestond dat op gemeentelijk of provinciaal niveau de realisering van een bos op het onteigende werd beoogd. De provincie heeft overigens niet betwist dat voor de waardering van het onteigende moet worden teruggevallen op het Streekplan 1997. 2.21.1. Ten aanzien van de stelling van de provincie dat de deskundigen een onjuiste maatstaf hebben gehanteerd bij de waardebepaling van het onteigende, overweegt de rechtbank als volgt. Het verweer dat er geen sprake is van een ligging ten opzichte van bestaand stedelijk gebied waaraan een zekere mate van verwachting is te ontlenen, dat er geen concrete ontwikkelvoornemens ter plaatse zijn en dat er geen sprake is van een algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid op grond waarvan uitbreiding van stedelijk gebied op enig moment in de toekomst niet uitgesloten lijkt, baseert de provincie op hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal en het Streekplan 1997. Mede gelet op hetgeen hiervoor omtrent (de toepasselijkheid van) deze plannen bij de waardebepaling van het onteigende is overwogen, slaagt het verweer van de provincie op dit punt niet, althans is het onvoldoende onderbouwd. Het verweer van de provincie komt er voorts op neer dat de deskundigen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van verwachtingswaarde geen rekening mogen houden met de zogenoemde “uitstelwens” aan de zijde van de verkoper. De deskundigen baseren hun oordeel dát er sprake is van verwachtingswaarde echter op het algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid, op grond waarvan een uitbreiding van stedelijk gebied in de toekomst niet uitgesloten lijkt, en niet op de zogenaamde uitstelwens aan de zijde van de verkoper. De uitstelwens aan de zijde van de verkoper is door de deskundigen meegewogen in het kader van de objectieve bepaling van de hoogte van de (verwachtings)waarde op de peildatum. De provincie hanteert door haar stelling dat er op de peildatum geen concrete ontwikkelingen zijn en dat er dús geen verwachtingswaarde is, een te beperkte opvatting van het begrip verwachtingswaarde. De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen bij de waardebepaling van het onteigende geen onjuiste maatstaf hebben toegepast. Zij volgt het oordeel en de motivering van de deskundigen op dit punt en maakt deze tot de hare. 2.21.2. De rechtbank gaat voorts uit van de door de deskundigen op basis van hun onderzoek naar de waarde die in het vrije economische verkeer wordt toegekend aan agrarische grond en voorts op basis van hun marktkennis, ervaring en intuïtie getaxeerde waarde van het onteigende. De deskundigen hebben in hun advies gemotiveerd gesteld dat zij niet alleen gebruik hebben gemaakt van de door partijen aangedragen agrarische transacties, maar ook van eigen onderzoek. Zij hebben voorts ingeschat dat de werkelijke waarde van het onteigende moet worden bepaald op krap tweemaal de agrarische waarde. Daarbij hebben zij min of meer vergelijkbare transacties op andere locaties geanalyseerd en hebben zij de invloed van de kredietcrisis meegewogen. De rechtbank volgt de deskundigen in hun redenering. Zij hebben in hun advies voldoende toegelicht hoe de waardering van het onteigende tot stand is gekomen. Gelet op deze toelichting is het subsidiaire verweer van de provincie dat de verwachtingswaarde hoogstens “een heel klein plusje” op de agrarische waarde is en dat er onvoldoende rekening is gehouden met het effect van de kredietcrisis, onvoldoende onderbouwd.De rechtbank zal de deskundigen volgen in hun oordeel en de waarde van het onteigende vaststellen op € 10,--/m², ofwel voor het gehele onteigende perceel op € 173.700,00. Bijkomende schade kosten accountant 2.22. De erven [van erflater] maken aanspraak op een bedrag van € 1.500,00 aan accountantskosten. Het gaat om kosten in verband met extra werkzaamheden van de accountant als gevolg van de onteigening. Te denken valt aan overleg over de besteding van de vrijkomende middelen, de administratieve verwerking daarvan en – specifiek voor wat betreft de heer [van erflater] , die het onteigende eerder gebruikte voor agrarische doeleinden – advisering over de toekomst van het agrarische bedrijf in verband met de onteigening, aldus de erven [van erflater] . De deskundigen hebben hun advies omtrent de accountantskosten ter gelegenheid van het pleidooi nader toegelicht. Volgens de deskundigen geven de erven [van erflater] niet aan waarom de onteigening hen zou noodzaken tot het maken van accountantskosten en overigens zien de deskundigen niet in dat sprake zou zijn van een door de onteigening veroorzaakte noodzaak voor de erven [van erflater] om accountantskosten te maken. Het gaat in casu om erven, die de grond in privé-eigendom hadden. Een van de erven had de grond in gebruik. Er was geen sprake van pacht. 2.23. De rechtbank acht het advies van de deskundigen, zoals zij dit ter gelegenheid van het pleidooi nader hebben gemotiveerd, juist, zodat zij dit overneemt. Niet gebleken is dat de deskundigen van onjuiste feiten zijn uitgegaan, dat zij van belang zijnde feiten over het hoofd hebben gezien, of dat zij hun kennis en ervaring of regels van het schadevergoedings-recht dienaangaande onjuist hebben toegepast. De rechtbank stelt overeenkomstig het advies van de deskundigen de post accountantskosten (bijkomende schade) op nihil. Belastingschade 2.24. De deskundigen hebben geen post belastingschade opgenomen in hun advies. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de erven [van erflater] hun stelling dat sprake is van belastingschade niet nader hebben onderbouwd, zal de rechtbank geen vergoeding hiervoor toekennen. rente 2.25. De deskundigen hebben geadviseerd de te vergoeden rente over het verschil tussen het voorschot en de definitief vast te stellen schadeloosstelling over de periode tussen de inschrijving van het onteigeningsvonnis en de datum waarop in dit vonnis de schadeloosstelling wordt vastgesteld te bepalen op een samengestelde rente van 2% per jaar.De erven [van erflater] stellen dat uitgegaan moet worden van een samengestelde rente van 2,25%. Zij verwijzen daartoe naar een aantal vonnissen van 18 juni 2014 van de rechtbank Rotterdam.Naar het oordeel van de rechtbank is een marktconforme rente op de peildatum 2,25%. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. De provincie zal voorts op de voet van artikel 55 lid 3 Ow aan de erven [van erflater] over het verschil tussen het voorschot en de definitief vast te stellen schadeloosstelling vermeerderd met de vergoeding van de hiervoor genoemde renteschade de wettelijke rente dienen te vergoeden vanaf heden tot de dag der algehele voldoening. Derde belanghebbenden 2.26. Van derde-belanghebbenden die aanspraak zouden kunnen maken op vergoeding van door de onteigening veroorzaakte schade is niet gebleken. Kosten van juridische en deskundige bijstand 2.27. De erven [van erflater] maken aanspraak op vergoeding van de volgende kosten:- een bedrag van € 40.000,00 (incl. BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de declaraties door de erven [van erflater] zijn voldaan tot het moment van algehele voldoening en - een bedrag van € 17.847,50 (incl. BTW) aan kosten van overige bijstand. 2.28. De provincie heeft verklaard akkoord te gaan met deze kostenopgaaf. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt, terwijl deze kosten ook qua omvang de redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Deze kosten, totaal€ 57.847,50 + pm, komen dan ook vergoeding in aanmerking. Kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen 2.29. De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen bedragen volgens hun (aangepaste) opgave in totaal € 48.166,83 (inclusief BTW). De provincie heeft verklaard akkoord te gaan met deze aangepaste kostenopgaaf. De rechtbank acht de declaraties van de deskundigen, mede gelet op de omstandigheden van het geval, redelijk en niet bovenmatig. De provincie zal als onteigenende partij worden veroordeeld tot betaling van deze kosten. 3 3. De beslissing De rechtbank 3.1. stelt het bedrag van de te dezer zake door de provincie aan de erven [van erflater] verschuldigde schadeloosstelling vast op € 173.700,00, 3.2. veroordeelt de provincie om aan de erven [van erflater] te betalen het bedrag waarmee de totale schadeloosstelling het totale voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 85.041,--, vermeerderd met een rente van 2,25% daarover vanaf 28 januari 2013 tot 4 februari 2015, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 85.041,-- en het bedrag van de tot 4 februari 2015 vervallen rente vanaf 4 februari 2015 tot aan de dag van voldoening, 3.3. wijst aan als nieuwsblad waarin door de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal worden geplaatst: de Provinciale Zeeuwse Courant, 3.4. veroordeelt de provincie in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de erven [van erflater] begroot op € 40.000,00 (inclusief BTW) ter zake van kosten van juridische bijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de declaraties door de erven [van erflater] zijn voldaan tot het moment van algehele voldoening, en € 17.847,50 (inclusief BTW) ter zake van kosten van overige deskundige bijstand, 3.5. veroordeelt de provincie tevens in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 48.166,83 (inclusief BTW), 3.6. verklaart dit vonnis voor wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. S.M.J. van Dijk en mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015. FM
ECLI:NL:HR:2010:BL1634
Het geding in feitelijke instantie De Provincie heeft bij exploot van 28 februari 2006 [eiser 1] doen dagvaarden voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd bij vervroeging, ingevolge art.
NJ 2010/631
ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 met noot P.C.E.
ECLI:NL:PHR:2015:1701
14/03918, (ECLI:NL:PHR:2015:1701), waarin Uw Raad op 15 januari 2016 uitspraak heeft gedaan, ECLI:NL:HR:2016:24, TBR 2016/26 met noot J.F.
ECLI:NL:HR:2016:24
15 januari 2016 Eerste Kamer 14/03918 LZ/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser] ,wonende te [woonplaats] , EISER tot cassatie, verweerder in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. J.F. de Groot, t e g e n de GEMEENTE GORINCHEM,zetelende te Gorinchem, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Gemeente.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

15/01476 mr. J.C. van Oven 29 april 2016 Conclusie inzake: de provincie Zeeland, eiseres tot cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) tegen de gezamenlijke erven van [betrokkene 1], verweerders in cassatie (mrs. R.L. de Graaff en J.A.M.A. Sluysmans) Het cassatieberoep in deze zaak is gericht tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin de schadeloosstelling is vastgesteld na onteigening van bijna 1,74 ha akkerbouwgrond in de gemeente Sluis ten behoeve van de realisatie van het inpassingsplan ‘Waterdunen’ van de provincie Zeeland uit 2010.

De rechtbank heeft bij de waardebepaling van het onteigende zowel het inpassingsplan als het Gebiedsplan ‘Natuurlijk Vitaal’ uit 2004, dat volgens de rechtbank kan worden aangemerkt als één geheel met het inpassingsplan, geëlimineerd. Dit brengt volgens de rechtbank mee dat bij de vaststelling van de schadeloosstelling moet worden uitgegaan van het eerdere bestemmingsplan ‘Buitengebied 13e herziening’, en daarmee van agrarische waarde van de grond, zij het met correctie naar boven wegens verwachtingswaarde. Het middel bestrijdt (1) de eliminatie van het provinciaal inpassingsplan ‘Waterdunen’, (2) de eliminatie van het Gebiedsplan ‘Natuurlijk Vitaal’ en (3) de door de rechtbank aan het onteigende toegekende verwachtingswaarde boven de agrarische waarde.

De klachten met betrekking tot de kwesties (2) en (3) acht ik ten dele gegrond. 1Procesverloop 1.1 Op vordering van eiseres tot cassatie (hierna: de Provincie) heeft de rechtbank Middelburg bij vonnis van 1 augustus 2012 vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve van de realisatie van het Provinciaal Inpassingsplan ‘Waterdunen’ (hierna ook: het Inpassingsplan) in de gemeente Sluis, van het perceel kadastraal bekend gemeente Oostburg, sectie [A], nummer [001], totaal groot 01.73.70 ha, omschrijving: Terrein (akkerbouw) (grondplannummer [002]).

In hetzelfde vonnis bepaalde de rechtbank het voorschot op de schadeloosstelling voor verweerders in cassatie (de erven [betrokkene 1]) op € 88.659, zijnde 90% van het door de Provincie bij dagvaarding aangeboden bedrag van € 98.510. 1.2 Bij vonnis van 5 december 2012 heeft de rechtbank Middelburg een rechter-commissaris en drie deskundigen benoemd. Het onteigeningsvonnis is op 28 januari 2013 ingeschreven in de openbare registers. 1.3 Nadat de deskundigen hun concept-rapport aan partijen hadden verzonden, heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) bij vonnis van 11 december 2013 de deskundigen ontheven van hun taak om als zodanig in de onderhavige zaak op te treden.

In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank drie nieuwe deskundigen benoemd. 1.4 De nieuw benoemde deskundigen hebben een rapport (hierna: het deskundigenrapport) uitgebracht dat op 11 september 2014 ter griffie is gedeponeerd. In dat rapport hebben de deskundigen geadviseerd de waarde van het onteigende te bepalen op een bedrag van € 173.700 (d.w.z. € 10 per m²). 1.5 Partijen hebben de zaak ter zitting van de rechtbank van 10 november 2014 in aanwezigheid van de deskundigen bepleit. 1.6 De rechtbank heeft bij vonnis van 28 januari 2015 (hierna: het vonnis) de schadeloosstelling vastgesteld op € 173.700 en de Provincie veroordeeld om aan de erven [betrokkene 1] te betalen het bedrag waarmee de totale schadeloosstelling het totale voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 85.041, vermeerderd met een rente van 2,25% daarover vanaf 28 januari 2013 tot 4 februari 2015, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 85.041 en het bedrag van de tot 4 februari 2015 vervallen rente vanaf 4 februari 2015 tot aan de dag van voldoening, 1.7 Bij akte ter griffie van 3 februari 2015 heeft de Provincie (tijdig) verklaard cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis.

De cassatieverklaring heeft zij bij exploot van 24 maart 2015 (tijdig) aan de erven [betrokkene 1] laten betekenen met dagvaarding in cassatie. De erven [betrokkene 1] hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van partijen hebben de zaak vervolgens schriftelijk toegelicht. De advocaten van de Provincie hebben gerepliceerd. 2Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing 2.1 De onteigening is uitgesproken uit kracht van het Koninklijk Besluit van 15 november 2011, no. 11.002723, gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2011, nr. 21774.

Het gaat blijkens dit Koninklijk Besluit om een onteigening op grond van de art. 77 en 78 van Titel IV van de Onteigeningswet en wel ten behoeve van de uitvoering van het inpassingsplan ‘Waterdunen’ van de Provincie,. Dit plan is vastgesteld door Provinciale Staten van Zeeland op 1 oktober 2010 en (grotendeels, en in ieder geval ten aanzien van het onteigende perceel) onherroepelijk geworden bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2012. Het Inpassingsplan beslaat een plangebied van ongeveer 350 ha en voorziet in de ontwikkeling van een grootschalig natuur- en recreatiegebied en verhoging van de kustveiligheid door kustversterking.

In het Inpassingsplan zijn aan het onteigende de bestemmingen ‘natuur- recreatie’, ’verkeer’ en ‘natuur’ toegekend. Volgens het hierna nog verder aan de orde te stellen Inrichtingsplan van 9 oktober 2009 zullen op het onteigende perceel van Oost naar West bezien een weg met berm, een watergang, een fietspad en een parkeerplaats met bijbehorend struweel worden gerealiseerd. 2.2 Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Inpassingsplan gold ter plaatse het bestemmingsplan ‘Buitengebied, 13e herziening’, goedgekeurd op 13 januari 1984.

In dat plan was aan het onteigende perceel de bestemming ‘Landbouw, aan de grond gebonden agrarische bedrijven (LA7 (zg))’ toegekend. 2.3 Bij de waardebepaling van het onteigende heeft de rechtbank de invloed van de op het onteigende rustende bestemmingen volgens het Inpassingsplan, in het voetspoor van de deskundigen, geëlimineerd, zie rov. 2.13: “De rechtbank volgt het oordeel van de deskundigen dat het Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen te beschouwen is als (niet meer dan) de juridisch-planologische grondslag voor het werk waarvoor thans onteigend wordt in de zin van artikel 40c Ow.

De rechtbank neemt de motivering van de deskundigen (p. 8 en 9 van het deskundigenrapport) over en maakt deze tot de hare. Op grond van voornoemd artikel dienen het Provinciaal Inpassingsplan en de ingevolge dat plan aan het onteigende gegeven bestemmingen bij de waardering van het onteigende te worden geëlimineerd.” 2.4 Vervolgens boog de rechtbank zich over het zogeheten Gebiedsplan ‘Natuurlijk Vitaal’ uit 2004 (hierna ook: het Gebiedsplan), een plan dat op 13 juli 2004 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Zeeland, en dat geen bestemmingsplan is en ook geen inpassingsplan.

De rechtbank heeft bij de waardebepaling van het onteigende ook de invloed van dit plan geëlimineerd, zie rov. 2.17: “De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat het project Waterdunen een uitwerking is van het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal. Dit volgt onder meer uit de Inleiding op pagina 4 en 5 van de toelichting bij het Provinciaal Inpassingsplan Waterdunen. Ook uit het chronologisch overzicht op pagina 9 van voornoemde toelichting volgt dat het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal in feite het startpunt van de ontwikkeling is geweest en geacht moet worden één geheel te zijn met het plan Waterdunen.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is eveneens het oordeel toegedaan dat het project Waterdunen onder meer voortvloeit uit het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal, (ECLI:NL:RVS:2012:BV5115 r.o. 2.1.). Volgens de ABRvS zijn in het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal de in het Inpassingsplan voorziene ontwikkelingen neergelegd (r.o. 2.4.2.). Aangezien het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal hiermee kan worden aangemerkt als één geheel met het plan Waterdunen, dient dit Gebiedsplan bij de waardering van het onteigende te worden geëlimineerd. Aldus dient bij de vaststelling van de schadeloosstelling te worden uitgegaan van het bestemmingsplan “Buitengebied 13e herziening”, en derhalve - in beginsel - van agrarische waarde van de grond.” 2.5 Haar conclusie dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de agrarische waarde van het onteigende (door de deskundigen geschat op € 5,60 per m²) liet de rechtbank volgen door een beschouwing over de aan het onteigende boven de agrarische waarde toe te kennen verwachtingswaarde.

Dienaangaande hebben de deskundigen en partijen gewezen op diverse in het verleden gemaakte plannen, te weten de streekplanuitwerking Kust West Zeeuwsch-Vlaanderen uit 1991 (waarin het gebied waarin het onteigende ligt is aangeduid als ‘reservering voor bos’), het door de Provincie in 1997 vastgestelde Streekplan en het Natuurgebiedsplan Zeeland 2001. De rechtbank oordeelde (rov. 2.21) dat op de peildatum geen verwachting meer bestond dat op gemeentelijk of provinciaal niveau de realisering van bos op het onteigende werd betoogd. 2.6 De rechtbank heeft ook op het punt van de verwachtingswaarde de deskundigen gevolgd, die menen dat - na eliminatie van alle relevante plannen die sporen van ‘Waterdunen’ bevatten - bij de bepaling van een mogelijke verwachtingswaarde moet worden teruggevallen op het door de Provincie in 1997 vastgestelde Streekplan.

Het onteigende ligt in een zone waarin volgens dit Streekplan recreatieconcentratie gewenst is. Voorts ligt in de visie van de deskundigen het onteigende nabij bestaand stedelijk gebied, in casu recreatiewoningen, waaraan – in combinatie met de aanduiding in het Streekplan van de omgeving van het onteigende als ‘recreatieconcentratie’ – een zekere mate van verwachting is te ontlenen. Er is geen sprake van een concrete ontwikkelvisie (voornemen, planstudie), maar wel van een algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid op grond waarvan een uitbreiding van dat stedelijk gebied in de toekomst niet uitgesloten lijkt, aldus de deskundigen.

De Provincie heeft de visie van de deskundigen bestreden. 2.7 Dienaangaande overwoog de rechtbank in rov. 2.21.1: “Ten aanzien van de stelling van de provincie dat de deskundigen een onjuiste maatstaf hebben gehanteerd bij de waardebepaling van het onteigende, overweegt de rechtbank als volgt. Het verweer dat er geen sprake is van een ligging ten opzichte van bestaand stedelijk gebied waaraan een zekere mate van verwachting is te ontlenen, dat er geen concrete ontwikkelvoornemens ter plaatse zijn en dat er geen sprake is van een algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid op grond waarvan uitbreiding van stedelijk gebied op enig moment in de toekomst niet uitgesloten lijkt, baseert de provincie op hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal en het Streekplan 1997.

Mede gelet op hetgeen hiervoor omtrent (de toepasselijkheid van) deze plannen bij de waardebepaling van het onteigende is overwogen, slaagt het verweer van de provincie op dit punt niet, althans is het onvoldoende onderbouwd.” 2.8 Op deze en andere, voor zover van belang hierna nog weer te geven gronden, heeft de rechtbank, in het voetspoor van de deskundigen, het onteigende gewaardeerd op € 10 per m², ofwel voor het gehele perceel € 173.700 (rov. 2.21.2). 3Bespreking van het cassatiemiddel 3.1 Het middel omvat drie onderdelen. Onderdeel 1 bestrijdt de eliminatie van het Provinciaal Inpassingsplan ‘Waterdunen’ en de eliminatie van het Gebiedsplan ‘Natuurlijk Vitaal’.

Onderdeel 2 keert zich tegen de door de rechtbank aangenomen verwachtingswaarde. Onderdeel 3 heeft geen zelfstandige betekenis. Onderdeel 1: eliminatie van inpassingsplan en Gebiedsplan 3.2 Onderdeel 1.1 is aangevoerd voor het geval Uw Raad hangende de onderhavige cassatieprocedure op het gebied van het eliminatiebeginsel een andere koers is gaan varen dan uiteengezet in het arrest van 9 juli 2010 in de zaak [...] c.s./Provincie Zuid Holland. Het onderdeel is gericht tegen rov. 2.13 (en de slotzin van rov. 2.21) en klaagt dat de daar gegeven beslissing dat het Inpassingsplan moet worden geëlimineerd bij de waardering van het onteigende onjuist, althans onbegrijpelijk is.

Indien Uw Raad de voor eliminatie geformuleerde criteria heeft gewijzigd en/of verduidelijkt en deze gewijzigde of verduidelijkte criteria tot de conclusie leiden dat de rechtbank het Inpassingsplan ten onrechte heeft geëlimineerd, althans de beslissing dat het Inpassingsplan wordt geëlimineerd onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, dan dienen die gewijzigde of verduidelijkte criteria volgens het onderdeel ook te worden toegepast in de onderhavige zaak en heeft de rechtbank ten onrechte dan wel op een onbegrijpelijke grond aangenomen dat het Inpassingsplan moet worden geëlimineerd.

Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat de Provincie slechts op grond van de ten tijde van het onteigeningsgeding bij de rechtbank geldende rechtspraak heeft ingestemd met eliminatie van het Inpassingplan en dat die instemming derhalve in zoverre als een voorwaardelijke instemming moet worden beschouwd. 3.3 Vooropgesteld zij, dat ik begrip heb voor de ietwat wonderlijke voorwaardelijke klacht van dit onderdeel. De arresten van Uw Raad van 9 juli 2010 hebben nogal wat stof doen opwaaien in onteigeningsland en de praktijk heeft reikhalzend uitgezien naar Uw oordeel met betrekking tot diverse vragen die naar aanleiding van die arresten zijn gerezen.

Veel van die vragen zijn beantwoord in de vijf arresten in onteigeningszaken van Uw Raad van 15 januari jl., maar de advocaten van de Provincie konden daarmee bij het opstellen van het cassatiemiddel in de onderhavige zaak uiteraard nog geen rekening houden. 3.4 Uw Raad is in de arresten van 15 januari jl. naar mijn mening geen andere koers gaan varen dan in de arresten van 9 juli 2010, maar heeft (vooral) afgerekend met verkeerde interpretaties van die arresten. Ik versta rov. 2.13 van het rechtbankvonnis als volgt. De rechtbank oordeelt dat het Inpassingsplan te beschouwen is als (niet meer dan) de juridisch-planologische grondslag voor het werk waarvoor thans onteigend wordt in de zin van art. 40c Ow, en dat oordeel motiveert zij door te verwijzen naar hetgeen de deskundigen op de blz. 8 en 9 van hun rapport hebben geschreven.

Aldaar beschrijven de deskundigen de ontstaansgeschiedenis van het ‘project Waterdunen’ en het daarmee samenhangende (van 9 oktober 2009 daterende) Inrichtingsplan met conclusie dat het op 1 oktober 2010 vastgestelde Provinciale Inpassingsplan te beschouwen is als ‘(niet meer dan) de juridisch-planologische grondslag voor het werk waarvoor thans wordt onteigend.’ Ik begrijp dit aldus, dat de deskundigen, en in hun voetspoor de rechtbank, de volgens het Inrichtingsplan (mede) op het onteigende aan te leggen werken (zie hierboven onder 2.1, slot) aanmerken als werken waarvoor wordt onteigend (als bedoeld in art. 40c onder 3o Ow), voor de realisering waarvan het Inpassingsplan de juridisch-planologische grondslag beoogt te bieden, zodat de invloed van de in het Inpassingsplan voor het onteigende voorziene bestemmingen, die de aanleg van de bedoelde werken faciliteren, bij de waardering van het onteigende moet worden geëlimineerd.

Dit lijkt mij onteigeningsrechtelijk consistent, en goed te begrijpen, ook in het licht dat de arresten van 15 januari jl. op de onderhavige materie werpen. Onderdeel 1.1 kan dan ook naar mijn mening niet tot cassatie leiden. 3.5 De onderdelen 1.2-1.4 keren zich tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 2.17, hierboven in 2.4 geciteerd) dat het Gebiedsplan ‘Natuurlijk Vitaal’ als één geheel kan worden aangemerkt met het plan Waterdunen, zodat (ook) de invloed van dit Gebiedsplan moet worden geëlimineerd en bij de vaststelling van de schadeloosstelling dient te worden uitgegaan van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 13e herziening’, en derhalve – in beginsel – van agrarische waarde van de grond. 3.6 De gevolgtrekking van de rechtbank in rov. 2.17 dat dient te worden uitgegaan van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, 13e herziening’ en derhalve – in beginsel – van de agrarische waarde van het onteigende, wordt op zichzelf genomen (en begrijpelijkerwijze) niet door de onderdelen bestreden en moet overigens, naar mij voorkomt, ook reeds de consequentie zijn van de (in onderdeel 1.1 vruchteloos bestreden) eliminatie van het Provinciale Inpassingsplan.

Niettemin meen ik dat de Provincie belang heeft bij de onderdelen 1.2-1.4. De eliminatie van het Gebiedsplan brengt in de, kennelijk door de rechtbank gevolgde, gedachtegang van de deskundigen mee dat óók dat plan geen gewicht in de schaal kan leggen als een van de omstandigheden die van belang zijn voor de eventueel aan het onteigende (boven de agrarische waarde) toe te kennen verwachtingswaarde. Die verwachtingswaarde willen de deskundigen immers bepalen ‘na eliminatie van alle relevante plannen die sporen van ‘Waterdunen’ bevatten’ (zie rov. 2.18, tweede alinea), waaronder dus (zie rov. 2.14) ook het Gebiedsplan.

Dat de rechtbank die visie gevolgd heeft blijkt onmiskenbaar uit de tweede alinea van rov. 2.21.1, waarin de rechtbank het standpunt van de Provincie dat het Gebiedsplan (en het Streekplan 1997) van belang is/zijn voor de bepaling van de verwachtingswaarde verwerpt onder verwijzing naar ‘hetgeen hiervoor omtrent (de toepasselijkheid van) deze plannen bij de waardebepaling van het onteigende is overwogen’. 3.7 Alvorens de klachten te bespreken zij het mij vergund iets te zeggen over de juridische status en de inhoud (voor zover in deze van belang) van het op 13 juli 2004 door Gedeputeerde Staten van Zeeland vastgestelde Gebiedsplan ‘Natuurlijk Vitaal’.

Het Gebiedsplan is, zoals vermeld op blz. 7 daarvan, zodanig opgezet dat het voldoet aan de eisen die in de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid zijn gesteld. Hieruit maak ik op dat dit plan opgesteld is als een gebiedsplan als bedoeld in art. 10 van de Regeling subsidiëring gebiedsgericht beleid en reconstructie concentratiegebieden. Op blz. 5 van het Gebiedsplan is de kern van het plan omschreven als “een integrale visie over hoe door middel van ruimtelijke ontwikkelingen een kwaliteitsimpuls aan West Zeeuwsch-Vlaanderen kan worden gegeven voor gezonde economische pijlers in een aantrekkelijke omgeving.” Op blz. 56 van het Gebiedsplan leest men:

“Voor het gebiedsplan Natuurlijk Vitaal is geen wettelijke procedure voorgeschreven. Het gebiedsplan geeft de visie weer van de gebiedscommissie op de toekomst van West Zeeuwsch-Vlaanderen. Hierbij wordt aangegeven welke acties er in het gebied moeten worden ondernomen om tot de gewenste situaties te komen. De gewenste acties worden hiermee niet direct mogelijk gemaakt, of met andere woorden, er zijn geen directe rechtsgevolgen aan het gebiedsplan verbonden. De aanvraag van noodzakelijke vergunningen en eventuele aanpassingen van wettelijk bindende plannen, zoals het bestemmingsplan, zullen per activiteit moeten worden verzorgd.

In het kader van de wettelijk voorgeschreven procedures die hieraan zijn verbonden is er dan de mogelijkheid voor inspraak, bezwaar en beroep.” 3.8 Onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel in rov. 2.17 dat bij de waardering het Gebiedsplan moet worden geëlimineerd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank miskend dat dit plan niet een te elimineren bestemmingsplan (of inpassingsplan) kan vormen, maar hooguit een (concreet) plan kan zijn, dat voorligt ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan (of inpassingsplan) en dat er toe kan leiden dat dit bestemmingsplan of inpassingsplan (dat de juridisch-planologische onderbouwing en regeling voor de aanleg van het werk vormt) wordt geëlimineerd, maar dat zelf niet voor eliminatie in aanmerking komt.

Althans is het oordeel van de rechtbank volgens het onderdeel onbegrijpelijk, omdat zij niet duidelijk heeft gemaakt van welk (concreet) plan het Gebiedsplan de juridisch-planologische onderbouwing en regeling vormt. Onderdeel 1.3 klaagt dat de overweging dat het project Waterdunen een uitwerking vormt van het Gebiedsplan en geacht moet worden één geheel te zijn met het plan Waterdunen, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het onderdeel betoogt in dat verband dat de toets of een bestemmingsplan (of een inpassingsplan) al dan niet voor eliminatie in aanmerking komt, ten aanzien van elk plan afzonderlijk moet worden uitgevoerd, en dat de rechtbank deze toets derhalve ook met betrekking tot het Gebiedsplan afzonderlijk diende uit te voeren.

Volgens het onderdeel heeft de rechtbank deze regel geschonden door het Gebiedsplan als één geheel met het plan Waterdunen te beschouwen. Onderdeel 1.4 klaagt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat een Gebiedsplan niet als een zelfstandig plan kan worden beschouwd, althans dat het zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Indien zij in haar beslissing (mede) gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat er aan het Gebiedsplan geen directe rechtsgevolgen zijn verbonden, dan is dat volgens het onderdeel onjuist, omdat dit aspect niet van belang is bij de beantwoording van de vraag of een plan als zelfstandig plan kan worden beschouwd.

Het onderdeel wijst er in dat kader verder op dat het ontwerp-Gebiedsplan zelfstandig ter inzage heeft gelegen, zodat het een zelfstandige status heeft. Het onderdeel klaagt voorts dat de rechtbank niet is ingegaan op de stelling van de Provincie dat het plan Waterdunen een specifiek initiatief is van een recreatieondernemer en de Stichting het Zeeuws Landschap en dat het Gebiedsplan een integrale visie weergeeft over hoe door middel van ruimtelijke ontwikkelingen een kwaliteitsimpuls aan West Zeeuws-Vlaanderen kan worden gegeven voor gezonde economische pijlers in een aantrekkelijke omgeving, maar dat de plannen voor Waterdunen een andere oorsprong hebben en zijn ontstaan vanuit de noodzaak tot kustversterking, gecombineerd met ondernemersbelang en de belangen van natuurontwikkeling. 3.9 Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop, dat eliminatie haar grondslag moet vinden in art. 40c Ow, en dus slechts denkbaar is indien het Gebiedsplan is aan te merken als behorende tot de in art. 40c onder 3o Ow bedoelde plannen voor (onder meer) het werk of de werken waarvoor onteigend wordt. 3.10 De rechtbank had naar mijn mening dan ook moeten onderzoeken of het uit 2004 daterende Gebiedsplan aan te merken valt als een plan voor (onder meer) het werk of de werken waarvoor onteigend wordt (in de zin van art. 40c onder 3o).

Het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend kan, en zal veelal, volgen op een jarenlang traject van planologische bezinning in de vorm van beleidsnota’s, streekplannen, gebiedsplannen, natuurgebiedsplannen, omgevingsplannen, enz. enz. met als eindpunt een concreet plan voor een voor uitvoering vatbaar werk en het besluit om dat werk inderdaad tot stand te brengen, maar niet al die plannen zijn aan te merken als plannen voor het werk. Dat heeft de rechtbank overigens niet miskend, maar de vraag is of zij bij haar oordelen (rov. 2.17) dat het project Waterdunen ‘een uitwerking is van het Gebiedsplan’ en dat het Gebiedsplan ‘in feite het startpunt van de ontwikkeling is geweest en geacht moet worden één geheel te zijn met het plan Waterdunen’ de scheidslijn op de juiste plaats heeft getrokken.

Gezien het uitzonderingskarakter van de eliminatiebepaling van art. 40c moet die bepaling terughoudend worden toegepast. Hierbij past volgens mij dat plannen die bestaan uit algemene ruimtelijke beleidsvisies in het algemeen niet kunnen worden aangemerkt als plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend. Dergelijke plannen kunnen wel bepaalde verwachtingen wekken met betrekking tot de toekomstige planologische status, en dus gebruiksmogelijkheden, van gronden die liggen in het gebied van die plannen, en in zoverre ‘startpunt’ zijn van latere ontwikkelingen in overeenstemming met die verwachtingen, maar dat maakt die plannen niet tot (onderdeel van) de plannen voor het werk waarvoor later wordt onteigend.

De Provincie heeft een (in onderdeel 1.4 herhaald) beroep erop gedaan dat het Gebiedsplan slechts een door de Provincie aanvaarde beleidsvisie geeft met betrekking tot de wenselijke toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Indien het Gebiedsplan inderdaad dat karakter heeft (hetgeen ik niet betwijfel) heeft de rechtbank de hierboven bedoelde scheidslijn op de verkeerde plaats getrokken, en is zij van een onjuiste (te ruime) opvatting van het begrip ‘plannen voor het werk waarvoor onteigend wordt’ als bedoeld in art. 40c onder 3o Ow uitgegaan. 3.11 Haar oordeel dat het Gebiedsplan kan worden aangemerkt als één geheel met het plan Waterdunen, doet de rechtbank (in rov. 2.17) voorts steunen op het gezag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die in haar uitspraak van 15 februari 2012 oordeelde (nr. 2.4.2) dat de in het Inpassingsplan voorziene ontwikkelingen reeds in het Gebiedsplan zijn ‘neergelegd’.

Uit dit oordeel kan evenwel niet worden afgeleid dat de Afdeling bestuursrechtspraak het ervoor hield dat het Gebiedsplan één geheel vormt met het plan Waterdunen. In de bedoelde overweging behandelde de Afdeling het tegen het Inpassingsplan ingebrachte bezwaar dat dat in strijd is met het Gebiedsplan, nu laatstgenoemd plan spreekt over versterking van de landbouwsector. De Afdeling overwoog hierover dat ‘weliswaar in het Gebiedsplan versterking van de landbouwsector wordt genoemd, maar dat daarin tevens de in het plan voorziene ontwikkelingen zijn neergelegd.’ Hiermee bedoelde de Afdeling niet te zeggen dat het Gebiedsplan de blauwdruk vormde voor de ter uitvoering van het project Waterdunen aan te leggen werken, maar slechts dat het Gebiedsplan (ook al spreekt dat van versterking van de landbouwsector) voorziet in omzetting op grote schaal van landbouwgrond in natuur en recreatiegebied, en dat daarom het Inpassingsplan niet in strijd is met het Gebiedsplan. 3.12 Dat plannen die bestaan uit algemene ruimtelijke beleidsvisies niet kunnen worden aangemerkt als plannen voor werken waarvoor onteigend wordt, is ook de les die inmiddels getrokken kan worden uit de arresten van Uw Raad van 15 januari jl. in de drie onteigeningszaken BBL/Huige, BBL/Overmeer en BBL/Ruigrok.

Uw Raad oordeelde dat de rechtbank Rotterdam een te ruime opvatting huldigde ten aanzien van het ‘plan voor het werk waarvoor wordt onteigend’ door als zodanig plannen aan te merken het ‘Streekplan Rijnmond’ uit 1996 en de ‘Nota Groenblauwe Slinger Stad en Land in balans Ontwikkelingsperspectief’ uit 1999. Gezien dit oordeel acht ik het nauwelijks voor twijfel vatbaar dat ook het onderhavige Gebiedsplan – dat geen plannen voor (mede) op het onteigende aan te leggen werken bevat maar slechts een algemene visie verwoordt met betrekking tot de gewenste ontwikkelingen (voor een veel groter gebied dan dat van het Inpassingsplan) en dat (zoals bestudering van het Gebiedsplan leert) voor het door het Inpassingsplan bestreken gebied niet voorziet in de aanleg van werken in overeenstemming met het bij het project Waterdunen behorende Inrichtingsplan uit 2009 – niet kan worden aangemerkt als, of vereenzelvigd met, het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt. 3.13 Resteert nog voor de verwijzingsrechter de taak uit te maken wat (naast het Inpassingsplan) dan nog wèl moet worden geëlimineerd.

Mijn gedachten hierover zijn als volgt. In de zaken BBL waarin Uw Raad op 15 januari jl. uitspraak heeft gedaan ging het om de vraag of behalve de op de peildatum vigerende bestemming ook nog de in het verleden op het onteigende rustende bestemmingen ingevolge de vierde en vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (in 2000 en 2001) zouden moeten worden geëlimineerd. In de onderhavige zaak moet een andere vraag worden beantwoord, namelijk de vraag in hoeverre (naast het Inpassingsplan) de voorgeschiedenis van het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt het eliminatielot van dat plan deelt.

Naar mijn mening behoort bij de beantwoording van die vraag de eis van concreetheid die Uw Raad stelt aan het plan voor het werk om te komen tot eliminering van een planologische bestemming ingevolge een bestemmings- of inpassingsplan, niet in de weg te staan aan eliminering van enig voorstadium van het plan voor het werk. In de onderhavige zaak kan dan ook mijns inziens de ontstaansgeschiedenis van het plan Waterdunen – voor zover potentieel van invloed op de waarde van het onteigende – worden geëlimineerd, ook al heeft misschien slechts het eindresultaat (het project Waterdunen) een voldoende mate van concreetheid gekregen om het Inpassingsplan mee te slepen in de door art. 40c voorgeschreven eliminatie.

Zoals ik hiervoor in 3.10 al aanstipte, kunnen evenwel ruimtelijke visies of beleidsdocumenten van de overheid met betrekking tot de wenselijke toekomstige inrichting van een bepaald gebied naar mijn mening in het algemeen niet worden aangemerkt als (voorstadium van) het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, en die visies of documenten acht ik dus, voor zover kenbaar voor de fictieve redelijk handelende verkoper en koper, (bij uitstek) relevant bij de waardering van het onteigende, ook indien het wèl te elimineren plan voor het werk waarvoor onteigend wordt past in die ruimtelijke visie. 3.14 In dit kader wijs ik nog op de door de Provincie aangevoerde, en in onderdeel 1.4 herhaalde, (door de rechtbank niet behandelde) stelling dat het plan Waterdunen een specifiek initiatief is van een recreatieondernemer en de Stichting Het Zeeuws Landschap.

Die stelling lijkt mij relevant, omdat de Provincie daarmee het startpunt heeft aangewezen van de ontwikkeling van het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend. De plannen enz. die op dat initiatief gevolgd zijn (waaronder de in noot 28 bedoelde op 7 juni 2005 gesloten ‘Intentieovereenkomst project Waterdunen’) en die uitgemond zijn in het Inpassingsplan, behoren mijns inziens als behorende tot de plannen voor de werken waarvoor onteigend wordt bij de waardebepaling te worden geëlimineerd. 3.15 Het bovenstaande brengt mee dat ik de onderdelen 1.3 en 1.4 gegrond acht en dat onderdeel 1.2 geen bespreking behoeft.

Onderdeel 2: verwachtingswaarde 3.16 Het onderdeel is gericht tegen de rov. 2.21-2.21.2 en bevat zes klachten. 3.17 Nu deze klachten gaan over de door de rechtbank aan het onteigende toegekende verwachtingswaarde, wil ik eerst kort iets zeggen over dit onteigeningsrechtelijke begrip. De werkelijke waarde van het onteigende wordt bepaald met inachtneming van alle omstandigheden die bij een veronderstelde koop in het vrije economische verkeer tussen redelijk handelende partijen van invloed zouden zijn op de prijs die zij overeenkomen (art. 40b lid 2 Ow).

Het komt daarbij aan op de omstandigheden zoals die aanwezig zijn op de peildatum. Een en ander laat onverlet dat ook verwachte toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot meer lucratieve gebruiksmogelijkheden van het onteigende de prijs in opwaartse zin kunnen beïnvloeden. Of en zo ja in welke mate rekening dient te worden gehouden met een niet bestaande, te verwachten bestemming is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Te denken valt aan de ligging van het onteigende, de demografische ontwikkeling in het betrokken gebied, bestemmingsplannen en ruimtelijke (beleids)documenten.

De hogere prijs mag echter geen gevolg zijn van het werk of het plan van het werk waarvoor onteigend wordt. Om in de prijs te worden verdisconteerd behoeft over een toekomstige ontwikkeling geen zekerheid te bestaan: ook een min of meer speculatief aangelegde gegadigde kan worden aangemerkt als redelijk handelend koper. Anderzijds moeten op de peildatum wel enige aanknopingspunten voor het koesteren van een dergelijke verwachting voorhanden zijn: bij het ontbreken van een voldoende reële verwachting zou dit anders neerkomen op pure speculatie, en daartoe zou een redelijk handelend koper niet overgaan. 3.18 Onderdeel 2.1 voert aan dat onderdeel 1 bij gegrondbevinding tevens de beslissingen van de rechtbank in rov. 2.21 en 2.21.2 vitieert.

Dat lijkt mij juist, en de klacht van dit onderdeel acht ik dan ook gegrond. Indien niet stand kan houden het oordeel van de rechtbank dat het Gebiedsplan Natuurlijk Vitaal ‘in feite het startpunt van de ontwikkeling is geweest en geacht moet worden één geheel te zijn met het plan Waterdunen’, en daarom bij de waardering van het onteigende dient te worden geëlimineerd, kan hetgeen de rechtbank omtrent de verwachtingswaarde van het onteigende overwogen heeft evenmin standhouden. 3.19 Onderdeel 2.2 lanceert motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 2.21, waarin de rechtbank zich boog over de stelling van de Provincie dat, het project Waterdunen weggedacht, op de peildatum voor het onteigende slechts uitzicht bestond op een bosbestemming.

De rechtbank verwierp die stelling onder verwijzing naar het Streekplan 1997 en het Natuurgebiedsplan Zeeland 2001. Het onderdeel haalt daar nog (het beroep van de Provincie op) de Streekplanuitwerking 1991, de Provinciale Bosnota Zeeland 1995 en het document ‘Werk in uitvoering’ van 3 oktober 2000 bij. 3.20 Uw Raad behoeft naar mijn mening niet toe te komen aan de behandeling van deze klachten, omdat de verwijzingsrechter opnieuw, maar dan met inachtneming van de juiste opvatting van hetgeen valt onder ‘plannen voor het werk waarvoor onteigend wordt’, zal behoren te onderzoeken of en zo ja in hoeverre de ligging van het onteigende, de demografische ontwikkeling in het betrokken gebied, bestemmingsplannen en ruimtelijke (beleids)documenten (met uitzondering van het plan of de plannen voor het project Waterdunen inclusief het Inrichtingsplan alsmede van het Provinciale Inpassingsplan) en andere relevante omstandigheden de redelijk handelende verkoper en koper ertoe zouden hebben gebracht een koopprijs overeen te komen die boven de agrarische waarde (€ 5,60 per m²) lag.

Het heeft naar mijn mening geen goede zin als Uw Raad zich thans voor de beoordeling van deze motiveringsklachten begeeft in het oerwoud van ruimtelijke (beleids)plannen die de afgelopen decennia tot stand gekomen zijn voor (onder meer) het gebied waarin het onteigende ligt, nu de verwachtingswaarde van het onteigende sowieso opnieuw door de feitenrechter zal moeten worden onderzocht. 3.21 Onderdeel 2.3, bedoelt zich, naar ik begrijp, met een motiveringsklacht te keren tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.21 dat de Provincie niet heeft betwist dat voor de waardering van het onteigende moet worden teruggevallen op het Streekplan 1997.

Het onderdeel wijst erop dat de Provincie heeft gesteld dat het Gebiedsplan niet mag worden geëlimineerd en dat de waardering dus (in ieder geval ook) met inachtneming van dat plan dient te geschieden. De klacht van dit onderdeel heeft naar ik meen geen zelfstandige betekenis naast de klachten van onderdeel 1; als het Gebiedsplan niet mag worden geëlimineerd, is dat plan uiteraard een van de factoren die bepalend kunnen zijn voor de verwachtingswaarde en kan niet zonder meer worden ‘teruggevallen’ (zoals de deskundigen meenden, zie rov. 2.18, tweede alinea) op het Streekplan van 1997 als bij uitstek relevant voor de bepaling van de verwachtingswaarde.

De klacht slaagt dus in het kielzog van het slagen van de klachten van de vorige onderdelen. Overigens kan Uw Raad dit onderdeel ook buiten behandeling laten om de redenen hierboven bij 3.19 vermeld. 3.22 Dit laatste geldt ook voor de onderdelen 2.4-2.6, die zich keren tegen de redenering die de deskundigen en in hun voetspoor de rechtbank (rov. 2.21-2.21.2) leidde tot de bepaling van de waarde van het onteigende op € 10 per m². Hoewel ook deze onderdelen buiten behandeling zouden kunnen blijven, wil ik toch graag mijn mening daarover ventileren. 3.23 Allereerst de visie van de deskundigen.

Zij menen (zie rov. 2.18) dat er met betrekking tot het gebied waarin het onteigende ligt geen sprake is van een concrete ontwikkelingsvisie (voornemen, planstudie), maar wel van een algemeen ruimtelijk gebiedsbeleid op grond waarvan een uitbreiding in de toekomst van het nabij het onteigende bestaande stedelijk gebied niet uitgesloten lijkt. Dergelijke locaties worden in het algemeen niet snel door projectontwikkelaars verworven voor prijzen boven de agrarische waarde. Verwerving zou speculatief zijn, omdat het op de peildatum onzeker is of het perceel überhaupt binnen een overzienbare tijdspanne in een concrete ontwikkeling wordt betrokken of niet.

Dergelijke percelen kunnen in de genoemde omstandigheden wel door agrariërs worden gekocht, echter zonder dat een waarneembare opslag voor verwachtingswaarde wordt overeengekomen. Het is volgens de deskundigen echter waarschijnlijker, dat een verkoper – mits niet gedwongen tot verkoop – ‘agrarische verkoop’ zal uitstellen, in afwachting van duidelijkheid omtrent concrete ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse. Bij de bepaling van de werkelijke waarde kan echter met deze uitstelwens geen rekening worden gehouden. Er moet vanuit worden gegaan dat op de peildatum een transactie tot stand komt.

Als anderzijds zonder meer wordt vergeleken met referentietransacties van percelen die (veel) later daadwerkelijk zijn ontwikkeld, dan zou voorbij worden gegaan aan transacties die ongerealiseerd bleven vanwege het hiervoor bedoelde belang bij uitstel van de kant van de koper. De werkelijke waarde van het onteigende ligt daarom tussen de agrarische waarde (als de concrete ontwikkeling niet in beeld zou komen) en een verwachtingswaarde op basis van referentietransacties waarbij een ontwikkeling concreet heeft plaatsgevonden. De deskundigen concluderen vervolgens dat de werkelijke waarde van het onteigende moet worden bepaald op krap tweemaal de agrarische waarde.

Zij overwegen daarbij dat de referentietransacties met verwachtingswaarde indiceren dat de werkelijke waarde ruim tweemaal de agrarische waarde zou bedragen, maar hierbij is nog niet de invloed van de crisis – waarvan de effecten ten tijde van de peildatum merkbaar waren – is meegenomen. Aldus de deskundigen (als weergegeven in rov. 2.18). 3.24 Deze, door de rechtbank kennelijk gevolgde, redenering komt mij, met de opsteller van de onderdelen 2.4-2.6, onbegrijpelijk voor. De visie van de deskundigen dat bij het bepalen van de werkelijke waarde met de ‘uitstelwens’ van de fictieve redelijk handelende verkoper geen rekening kan worden gehouden, deel ik.

De in art. 40b lid 2 Ow bedoelde verkoper is, uiteraard, een verkoper die op de peildatum wil verkopen, en niet één die niet wil verkopen omdat hij de toekomstige concrete ruimtelijke ontwikkelingen wil afwachten. Onderzocht moet dus worden wat de beste prijs zou zijn die de in art. 40b lid 2 Ow bedoelde redelijk handelende verkoper op de peildatum van de redelijk handelende koper zou kunnen bedingen, ofwel in hoeverre de verkoper munt zou kunnen slaan uit het (op de peildatum bestaande) uitzicht op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen die een lucratieve exploitatie van het onteigende mogelijk maken.

De deskundigen menen dienaangaande dat percelen met vooruitzichten als die van het onteigende (a) in het algemeen niet snel door projectontwikkelaars worden verworven voor prijzen boven de agrarische waarde, omdat het op de peildatum onzeker is of het perceel überhaupt binnen een overzienbare tijdspanne in een concrete ontwikkeling wordt betrokken of niet en (b) wel door agrariërs worden gekocht, echter zonder dat een waarneembare opslag voor verwachtingswaarde wordt overeengekomen. Niettemin gaan zij toch af op referentietransacties waarbij wel een verwachtingswaarde in de koopprijzen is verdisconteerd.

Dat moeten dus, lijkt mij, transacties zijn geweest met betrekking tot percelen met andere, en wel betere uitzichten (op winstgevende ontwikkeling) dan de deskundigen aan het onteigende toekennen. De uitleg die de deskundigen voor deze tegenstrijdigheid geven, nl. dat anders ‘zou voorbij worden gegaan aan transacties die ongerealiseerd bleven vanwege het hiervoor bedoelde belang bij uitstel van de kant van de koper’, vind ik hoogst raadselachtig. Mogelijk achtte de rechtbank deze uitleg ook niet overtuigend, want zij kwam in rov. 2.21.1 met een interpretatie van de woorden van de deskundigen: zij zouden hun oordeel dát er sprake is van verwachtingswaarde niet baseren op de zogenaamde uitstelwens aan de zijde van de verkoper maar die uitstelwens slechts hebben meegewogen bij de bepaling van de hoogte van de verwachtingswaarde.

Echter ook die interpretatie kan de innerlijke tegenstrijdigheid in de redenering van de deskundigen, naar mij voorkomt, allerminst wegnemen. De hierop gerichte klachten van de onderdelen 2.4-2.6 acht ik daarom gegrond. Onderdeel 3 3.25 Onderdeel 3 bouwt voort op de voorgaande onderdelen en bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 januari 2015 en verwijzing ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Waarnemend Advocaat-Generaal Zie hiervoor het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 januari 2015, rov. 2.3.

Dit (eerste) concept-rapport trof ik alleen aan in het zijdens de Provincie overgelegde procesdossier. ECLI:NL:RBZWB:2015:444. Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 jo art. 54t lid 1 Ow. Immers binnen de termijn van twee plus zes weken van art. 53 lid 1 jo art. 54t lid 1 Ow. Een inpassingsplan is (kort gezegd) een door een provincie of door het Rijk vastgesteld bestemmingsplan (zie de art. 3.26 en art. 3.28 Wet ruimtelijke ordening) ter uitvoering waarvan op de voet van Titel IV van de Onteigeningswet kan worden onteigend (zie art. 77 Ow).

ECLI:NL:RVS:BV5115, AB 2012/128 met noot S. Hilligers. Vonnis, rov. 2.9. Deskundigenrapport, blz.

7. De aanduiding “zg” betekent dat geen glasopstallen hoger dan 1 meter zijn toegestaan. Zie het deskundigenrapport, blz.

7. Vonnis, rov. 2.9. Het gebiedsplan is door de Provincie in het geding gebracht bij Nota voor rechter-commissaris en deskundigen d.d. 4 februari 2014, productie 2. Ik trof het Gebiedsplan ook aan op de website www.gebiedsgerichteaanpak.nl. Zie rov. 2.18. ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 met noot P.C.E. van Wijmen. Daarover meer in mijn conclusie in de zaak Keijzer/Gorinchem, zaaknr. 14/03918, (ECLI:NL:PHR:2015:1701), waarin Uw Raad op 15 januari 2016 uitspraak heeft gedaan, ECLI:NL:HR:2016:24, TBR 2016/26 met noot J.F. de Groot onder TBR 2016/28.

ECLI:NL:HR:2016:24 ([...]/Gorinchem), ECLI:NL:HR:2016:66 (BBL/[...]), ECLI:NL:HR:2016:67 (BBL/[...]), ECLI:NL:HR:2016:68 (BBL/[...]) en ECLI:NL:HR:2016:25 ([...]/Zeeland), TBR 2016/28 met noot J.F. de Groot. Het Inrichtingsplan is door de Provincie in het geding gebracht bij Nota voor rechter-commissaris en deskundigen d.d. 4 februari 2014, productie 4. Het plan is ook op het internet te vinden (http://www.waterdunen.com/sites/zl-waterdunen/files/inrichtingsplan_lr.pdf). Het Gebiedsplan is immers, zoals ik hierboven in 2.4 al schreef, geen bestemmingsplan en ook geen inpassingsplan.

Regeling van 20 september 2001, Stcrt. 25 september 2001, nr. 185. Dit is een ministeriële regeling op de voet van de art. 2 en 4 van de Kaderwet LNV subsidies. Art. 10 van de Regeling schreef voor dat een gebiedsplan in ieder geval bevat (onder meer) een omschrijving van de gewenste ontwikkeling van het plangebied ten aanzien van de beleidsterreinen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, in de vorm van lange termijndoelstellingen, kwalitatief en waar mogelijk kwantitatief weergegeven. De regeling is ingetrokken bij de Regeling inrichting landelijk gebied van 14 december 2006, Stcrt. 2006 nr. 249.

Zie in dit verband Telders, Nieuw voor oud (2006) nr. 313 (E. van der Schans en J.F. de Groot): “Met het “plan voor het werk” waarvan in art. 40c sub 3 sprake is, wordt gedoeld op het besluit van de onteigenaar om het werk (zelf) uit te voeren.” Zoals zal blijken uit mijn uiteenzetting hierna bij 3.13, meen ik overigens dat het te elimineren plan voor het werk meer kan omvatten dat het besluit van de onteigenaar om het werk (zelf) uit te voeren. Zie ook rov. 3.5 van Uw arrest van 15 januari jl. inzake De Meijer en Goense/Provincie Zeeland, ECLI:NL:HR:2016:25.

ECLI:NL:RVS:2012:BV5115, AB 2012/128 met noot S. Hilligers. Zie hierboven noot 16. Zie wat betreft de op het onteigende tot stand te brengen werken hierboven bij 2.1, slot. Van de in het Inrichtingsplan voorziene aanleg van een via een in- en uitlaatwerk met de Westerschelde te verbinden intergetijdegebied (‘Waterdunen’!) is in het Gebiedsplan geen sprake. Zie hierboven noot 16. Uw Raad bestempelde in het Eemshavenarrest (HR 28 juni 1972, NJ 1972/502 met noot W.P.B. Provincie Groningen/Slagter) als juist de stelling dat bij de bepaling van de waarde van de te onteigenen gronden de – mogelijke – waardeverhogende invloed van het werk ten behoeve waarvan onteigend wordt en van de openbaarmaking van de plannen daartoe dient te worden geëlimineerd.

In de zaak van het arrest van Uw Raad van 1 november 1961 (Gelderland/d’Ancona) ging het om een onteigening ten behoeve van de aanleg van (een deel van) de A12. De rechtbank oordeelde dat de al lang bestaande plannen voor de rijksweg ter plaatse (die al was opgenomen in het rijkswegenplan 1948) een waardevermeerderende invloed hadden op de onteigende gronden. Uw Raad achtte dat onjuist: ook het ‘reeds lang bestaande plan’ voor de aanleg van de onderhavige rijksweg moest worden geëlimineerd. Dat ligt natuurlijk anders voor zover het gaat om een ruimtelijke visie waarin al bestaande plannen voor het werk waarvoor onteigend zijn geïncorporeerd, maar daarvan is in het onderhavige geval niet de rede.

Zie in dit verband de inleiding bij het Inpassingsplan, blz. 4, waar vermeld is dat het project Waterdunen de kansen wil verzilveren die geboden worden door het perspectief dat het Gebiedsplan aan het gebied wil geven. De deskundigen hebben in hun rapport op blz. 8 de totstandkoming van het plan voor het project Waterdunen beschreven. Zie voorts blz. 10 van het deskundigenrapport, waar de deskundigen schrijven dat de gemeente Sluis, de gebiedscommissie West-Zeeuws-Vlaanderen, de Stichting Het Zeeuwse Landschap en de besloten vennootschap Molencaten Groep op 7 juni 2005 een Intentieovereenkomst project Waterdunen hebben gesloten, en kort weergeven wat uit die intentieovereenkomst blijkt.

Herhaling van hetgeen ik in 2013 schreef in (nr. 4.4 van) mijn conclusie in de zaak Verburg/Zuid-Holland (zaaknr. 13/00817) door Uw Raad beslist op 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:326, NJ 2014/324. Zie over de verwachtingswaarde ook Sluysmans en Van der Gouw, Onteigeningsrecht (2015), blz. 121-124. Schadeloosstelling voor onteigening, Telders, nieuw voor oud (2006), nr. 508. Van der Schans en Van Heesbeen, Onteigening, Het spel en de knikkers (2011), blz. 153 eerste alinea. HR 5 juni 1968, NJ 1968/288, en HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4378, NJ 2003/150, met noot PCEvW (Noord-Holland/Koeckhoven).

HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9688, NJ 2002/365, met noot PCEvW (Van Staveren/Noord Holland). Zie voorts HR 29 november 1972, NJ 1973/185 (Velsen/Van Tuyll). In voetnoot 17 van hun schriftelijke toelichting wijzen de mrs. Scheltema en Wiegerink een internetlink aan (http://www.zeeland.nl/digitaalarchief/zee0700540) naar dit Natuurgebiedsplan.