Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:269 ECLI:NL:PHR:2016:269 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:269 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:269
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/01054 Zitting: 23 februari 2016 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [betrokkene] Bij arrest van 30 januari 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, aan betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag € 3.500,00 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/01050 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen. Namens de betrokkene is op 10 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 13 mei 2015 betekend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:269 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 15/01054 Zitting: 23 februari 2016 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [betrokkene] Bij arrest van 30 januari 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, aan betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag € 3.500,00 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/01050 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen. Namens de betrokkene is op 10 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 13 mei 2015 betekend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/01054 Zitting: 23 februari 2016 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [betrokkene] Bij arrest van 30 januari 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, aan betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag € 3.500,00 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/01050 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen. Namens de betrokkene is op 10 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 13 mei 2015 betekend.

Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG