Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:183 ECLI:NL:PHR:2016:183 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:183 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:183
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 15/02865 Zitting: 16 februari 2016 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] Verdachte is bij arrest van 25 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:183 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 15/02865 Zitting: 16 februari 2016 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] Verdachte is bij arrest van 25 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 15/02865 Zitting: 16 februari 2016 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] Verdachte is bij arrest van 25 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

Er bestaat samenhang tussen de zaken 15/02866 P en 15/02865. In deze zaken zal ik vandaag concluderen. De aanzegging in cassatie is op 13 juli 2015 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank ’s-Gravenhage, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Daarbij is voldaan aan de zogenaamde VIP-controle. De ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 13 juli 2015 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij niet stond ingeschreven in de GBA (met ingang van 15 januari 2015 vertrokken onbekend waarheen), terwijl uit de stukken van het geding niet blijkt dat van hem een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland dan wel een adres in het buitenland bekend was.

De cassatie-akte vermeldt als adres [adres]. Dat adres kan inmiddels als vervallen worden beschouwd, nu het hier gaat om het adres waarop verdachte tot 15 januari 2015 in de GBA stond ingeschreven. Bovendien is op 13 juli 2015 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. art. 588, eerste lid, onder b, sub 3º, Sv rechtsgeldig betekend. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG