Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:1507 ECLI:NL:PHR:2016:1507 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:1507 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:1507
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 16/00929 Zitting: 6 december 2016 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 november 2015 de verdachte vrijgesproken van het hem in zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in zaak B met parketnummer 13-703377-14 tenlastegelegde, alsook de verdachte ten aanzien van zaak A met parketnummer 13- 701036-15 onder 1 tenlastegelegde wegens “diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr en de bijkomende beslissingen als weergegeven in het bestreden arrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 197 Sr, art. 482a Sv, art. 231 Sr; ECLI:NL:PHR:2016:1507 · Parket bij de Hoge Raad: In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854, NJ 2010/573 overwoog de Hoge Raad: “3.5. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 197 Sr dient de rechter dus in voorkomende gevallen te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees gemeenschapsrecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het voorgaande geldt ook indien tegen de desbetreffende beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt.

Keywords

AI generated
art. 197 Sr art. 482a Sv art. 231 Sr

Cited Legislation

AI generated
art. 197 Sr
Deze overwegingen roepen vragen op over de verhouding tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met name de vraag welke (beperkte) ruimte er voor de strafrechter is in gevallen als het onderhavige, waarin een vreemdeling wordt vervolgd wegens overtreding van art. 197 Sr nadat tegen hem met toepassing van art.
art. 482a Sv
197 Sr tot een onherroepelijke vrijspraak heeft geleid levert geen grond voor herziening ten nadele in de zin van art. 482a Sv op.
art. 231 Sr

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BL2854
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
NJ 2010/573
In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854, NJ 2010/573 overwoog de Hoge Raad: “3.5.
ECLI:NL:HR:2012:BV8273
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:GHAMS:2015:4751
parketnummer: 23-001779-15 datum uitspraak: 17 november 2015 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2015 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-701036-15 (A) en 13-703377-14 (B) alsmede 13-850664-12 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1983, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, gedetineerd in het Detentiecentrum Schiphol te Badhoevedorp. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A met parketnummer 13-701036-15: 1:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen (bestaande uit o.a. tandpasta en/of douchegel en/of een of meer blikjes bier en/of whisky (ter waarde van 60,95 euro)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte (met kracht) - eenmaal of meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en/of (vervolgens) - (met gebalde vuist(en)) een of meer slaande en/of zwaaiende bewegingen naar en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt; 2:hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000; Zaak B met parketnummer 13-703377-14 (gevoegd): hij op of omstreeks 12 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Vrijspraak zaak A feit 2 en zaak B Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof als volgt. Bij besluit van 4 februari 2014 is aan de verdachte een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet opgelegd. Dit inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar. Niet betwist wordt, en ook het hof leidt uit de bewijsmiddelen af, dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten op de hoogte was van dit besluit. Omtrent eventueel ingestelde rechtsmiddelen tegen dit besluit ontbreekt informatie in het proces-verbaal “sfeer” van de Dienst Regionale Recherche van de politie Eenheid Amsterdam d.d. 21 oktober 2015. Uit de mededelingen van de raadsman van de verdachte houdt het hof het er, bij gebreke aan andersluidende informatie, voor dat voornoemd besluit nog niet rechtens onaantastbaar is nu er kennelijk nog een vreemdelingrechtelijke procedure aanhangig is bij de Raad van State. Het hof acht, gelet op de duur van deze procedure, en de daarin te beantwoorden rechtsvragen, geen termen aanwezig (nogmaals) tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de onderhavige zaak over te gaan teneinde de vreemdelingrechtelijke procedure af te wachten nu dit tot een onaanvaardbare vertraging van de strafzaak zou leiden. Het hof ziet zich bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten derhalve thans gesteld voor beantwoording van de vraag of het inreisverbod dusdanig in strijd is met inhoud en strekking van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn), bezien in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) van 11 juni 2015, dat hieraan gevolgen dienen te worden verbonden in het kader van de bewijsbeslissing. De advocaat-generaal heeft zich dienaangaande – kort samengevat en zakelijk weergegeven – op het volgende standpunt gesteld: - Bij de beoordeling van een besluit als het onderhavige dient internationale regelgeving in ogenschouw te worden genomen. - De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De kern van de uitspraak is dat een termijn voor vrijwillig vertrek wordt gegeven, tenzij sprake is van een acuut of reëel gevaar voor de openbare orde. - In het inreisverbod van de verdachte is geen termijn voor vrijwillig vertrek opgenomen zonder dat hieraan overwegingen zijn gewijd. Volstaan wordt met een verwijzing naar eerdere veroordelingen. Gelet op de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 is dit niet juist. Hieraan hoeven echter in deze strafzaak geen consequenties te worden verbonden nu materieel gezien wel sprake is geweest van een dergelijke termijn. Het besluit dateert immers van 4 februari 2014 en de verdachte heeft genoeg tijd gehad om terug te keren. - In de onderhavige zaak kon het inreisverbod voorts op juiste gronden worden opgelegd voor de duur van 10 jaar nu de strafbare feiten waarop dit verbod is gebaseerd niet slechts betrekking hebben op vermogensdelicten maar ook op ernstiger feiten, die gedurende langere tijd hebben plaatsgevonden. - Hierbij wordt opgemerkt dat het arrest van 11 juni 2015 specifiek betrekking had op artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het Hof overweegt als volgt. A. Uitspraak HvJ-EU 11 juni 2015 Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de uitleg van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit arrest is – samengevat – het volgende overwogen: 1Rechtsoverweging 38: De Raad van State heeft een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen: 1) Vormt een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft op het grondgebied van een lidstaat, een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115, reeds omdat hij verdacht wordt van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of is daarvoor vereist dat hij door de strafrechter wegens het plegen van dit feit is veroordeeld en, in het laatste geval, dient die veroordeling dan onherroepelijk te zijn geworden? 2) Spelen bij de beoordeling of een onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 naast een verdenking of een veroordeling nog andere feiten en omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst en aard van het naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gestelde feit, het tijdsverloop en de intentie van de betrokkene? 3) Spelen de feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor de beoordeling als bedoeld in de tweede vraag, nog een rol bij de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 geboden mogelijkheid om in het geval de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van dat artikellid te kunnen kiezen tussen enerzijds het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek en anderzijds het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek die korter is dan zeven dagen? 2Rechtsoverweging 40 In de Vreemdelingencirculaire is vermeld dat als gevaar voor de openbare orde wordt aangemerkt iedere door de korpschef van de politie bevestigde verdenking of iedere veroordeling ter zake van een naar misdrijf strafbaar gesteld feit. 3Rechtsoverweging 41 Het begrip “gevaar voor de openbare orde” is in artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn noch elders gedefinieerd. 4Rechtsoverweging 50 Een lidstaat dient het begrip gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat sprake is van een dergelijk gevaar zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat de lidstaat voorbij aan een individueel onderzoek van het betrokken geval en het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zichzelf geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. 5Rechtsoverweging 60 Het begrip: “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. 6Rechtsoverweging 61 Daaruit volgt dat in het kader van een beoordeling van dat begrip alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokken derdelander waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een dergelijke bedreiging vormen, relevant zijn. 7Rechtsoverweging 70 Een lidstaat mag niet automatisch, middels regelgeving of in de praktijk, afzien voor het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin de betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt. Voor een juiste gebruikmaking van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geboden mogelijkheid dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene. Het HvJ-EU verklaart in het arrest van 11 juni 2015 voor recht: 1) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld. 2) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat in het geval van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld, andere gegevens, zoals de aard en de ernst van dat feit, het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd en de omstandigheid dat die derdelander het grondgebied van die lidstaat aan het verlaten was toen hij door de nationale autoriteiten werd aangehouden, van belang kunnen zijn bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van die bepaling. In het kader van die beoordeling is in voorkomend geval tevens elk gegeven relevant dat betrekking heeft op de gegrondheid van de verdenking van het aan de betrokken derdelander verweten misdrijf. 3) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat voor gebruikmaking van de bij deze bepaling geboden mogelijkheid om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen wanneer de derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, de gegevens die reeds zijn onderzocht om vast te stellen dat dit gevaar bestaat, niet opnieuw hoeven te worden onderzocht. Elke regeling of praktijk van de lidstaat ter zake moet echter waarborgen dat per geval wordt nagegaan of het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek verenigbaar is met de grondrechten van die derdelander. B. Betekenis uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 voor de toetsing van artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op (uitleg van) het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Naar het oordeel van het hof (Gerechtshof Amsterdam) kan echter aan de uitleg van het begrip “openbare orde” in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geen betekenis worden ontzegd bij de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Immers bieden inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunt voor de conclusie dat bij de uitleg van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een ander, minder verstrekkend, niveau van rechtsbescherming dan het in de uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 in het kader van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn geschetste, leidend zou moeten zijn. Het hof zal er daarom bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten vanuit gaan dat de uitleg die het HvJ-EU in het arrest geeft aan artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11 van deze richtlijn. C. Inhoud van het inreisverbod Aan de verdachte is bij besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 4 februari 2014 een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet. Het inreisverbod is op grond van het bepaalde in artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet, juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit – voor zover van belang – opgelegd voor de duur van 10 jaar. Hiertoe is door de Staatsecretaris, voor zover hier van belang, het volgende overwogen (waarbij onder betrokkene wordt verstaan: de verdachte): “Volgens artikel 6.5 a, vijfde lid, onder a Vb kan een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid blijken uit onder meer: a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of Opiumdelict; b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd. (…) Vastgesteld wordt dat betrokkene een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Betrokkene heeft immers bij herhaling misdrijven gepleegd, waaronder een geweldsdelict. Voorts wordt nog opgemerkt dat betrokkene is gedagvaard voor een zedenmisdrijf. In de zienswijze zijn met betrekking tot artikel 8 EVRM en 3 EVRM geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. De overwegingen uit het voornemen hieromtrent dienen dan ook als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Volgens paragraaf A4/2.3 Vc legt de IND het inreisverbod op voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb is genoemd. In artikel 6.5 Vb is al rekening gehouden met de ernst van de aanleiding om een inreisverbod uit te vaardigen. Aangezien door betrokkene geen nader onderbouwde individuele omstandigheden zijn aangevoerd, wordt volgens artikel 6.5a, lid 5, onder a, Vb de maximale duur van 10 jaar opgelegd.” Verder is in dit besluit van de Staatssecretaris overwogen: “5. Rechtsgevolgen van deze beschikking Betrokkene moet het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk verlaten en kan worden uitgezet.” D. Beoordeling van de rechtmatigheid van het inreisverbod Het hof is van oordeel dat het toetsingskader dat is aangelegd bij de besluitvorming tot oplegging van het inreisverbod van 14 februari 2014 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, onvoldoende dragend is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde. De enkele verwijzing naar de aard van twee misdrijven is daarvoor onvoldoende. Voor het overige wordt slechts gesproken van “misdrijven” die de verdachte “bij herhaling” gepleegd zou hebben, welke motivering eveneens tekortschiet. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Naar aanleiding van hetgeen in dit verband is aangevoerd door de advocaat-generaal merkt het hof nog op dat het niet aan het hof is om in het kader van de onderhavige strafprocedure het betreffende gebrek te “helen”. Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder A2 en B tenlastegelegde. Gezien het voorgaande bestaat er geen aanleiding meer nadere overwegingen te wijden aan de, ook door de advocaat-generaal onderkende, omstandigheid dat in het inreisverbod geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend zonder dat dit nader is gemotiveerd. Bespreking van een gevoerd bewijsverweer De raadsman heeft ten aanzien van het in de zaak A onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er vrijspraak dient te volgen omdat er, kortgezegd, geen sprake is van diefstal met geweld. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt als volgt. De aangifte van de beveiliger van Albert Heijn wordt met betrekking tot de wegnemingshandelingen en de confrontatie die daarop volgde ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] die de bewakingsbeelden van Albert Heijn heeft bekeken en heeft gerelateerd wat er op de betreffende camerabeelden is waargenomen. Daarnaast wordt de lezing van de beveiliger bevestigd door getuige [getuige]. Gelet op de context waarin verdachtes handelen plaatsvond, te weten bij de aanhouding door de winkelbeveiliger ter zake verdenking van een zojuist gepleegde winkeldiefstal, en welke handelingen uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, is het hof van oordeel dat deze moeten worden aangemerkt als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Het betoog van de raadsman dat het geweld niet was gericht op het vergemakkelijken van de diefstal en de verdachte zich moest verweren tegen de wederrechtelijke aanranding door een beveiliger treft geen doel nu het hof uit de te bezigen bewijsmiddelen afleidt dat het handelen van de betreffende beveiliger niet als een wederrechtelijke aanval kan worden aangemerkt waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen. Ook naar de uiterlijke verschijningsvorm moet het handelen van de verdachte, te weten het duwen tegen [slachtoffer] en vervolgens slaande en zwaaiende bewegingen maken naar en tegen [slachtoffer], naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als te zijn aangewend om zichzelf bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren. In dit laatste ligt de toepassing van geweld met bijkomend oogmerk besloten. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 januari 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid goederen, bestaande uit o.a. tandpasta, douchegel en bier, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal gelegen aan de [adres]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte (met kracht) meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd en met gebalde vuist een of meer slaande en zwaaiende bewegingen naar en tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt. Hetgeen in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde, onder de nummers 1, 2, 3 en 4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf of maatregel De rechtbank Amsterdam heeft aan de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Diefstal is een ergerlijk feit dat doorgaans overlast en schade veroorzaakt voor een winkelbedrijf. Daarnaast is door de verdachte geweld gebruikt tegen een winkelbeveiliger die hem op heterdaad betrapte. Dit geweld maakt dit feit veel ernstiger. Door een dergelijk handelen wordt immers de lichamelijke integriteit van deze medewerker aangetast en een voor hem en andere aanwezigen intimiderende situatie geschapen. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 oktober 2015 is de verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat het hof in casu geen termen aanwezig acht om, als gevorderd door de advocaat-generaal, tot het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) over te gaan. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De advocaat-generaal heeft zijn vordering tot oplegging van de ISD-maatregel mede gebaseerd op het advies van de Reclassering d.d. 26 maart 2015. Dit advies strekt tot oplegging van de ISD-maatregel. De daaraan ten grondslag gelegde motivering heeft hoofdzakelijk en in de eerste plaats betrekking op verdachtes illegaal verblijf hier te lande. Dragende overwegingen in dit advies komen er in de kern op neer dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd met als doel de verdachte te motiveren terug te keren naar zijn land van herkomst. Een dergelijke doelstelling verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet aanstonds met doel en strekking van de ISD-maatregel zoals neergelegd in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Het zou een (naar het oordeel van het hof te) vergaande uitleg van (in het bijzonder het tweede lid van) deze bepaling vergen indien de in de wet voorziene doelstellingen “beveiliging van de maatschappij” en “beëindigen van recidive” – met name – zouden moeten worden bereikt door een strafrechtelijk gefaciliteerd vertrek uit Nederland. Opleggen van een ISD-maatregel gericht op terugkeer naar het land van herkomst zou voorts tot gevolg hebben dat deze strafrechtelijke sanctie feitelijk als onderdeel van de terugkeerprocedure moet worden gezien hetgeen naar het oordeel van het hof op gespannen voet staat met: het uitgangspunt dat vreemdelingrechtelijke regelgeving is neergelegd in de bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000 gestelde regelgeving en een goede taakverdeling tussen de vreemdelingrechtelijke autoriteiten en de strafrechter. Het hof acht het advies van de Reclassering van 26 maart 2015 dan ook, voor zover dit uitgaat van bovenstaande doelstelling, onvoldoende redengevend voor het aannemen van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de gevorderde maatregel. Ook overigens kunnen hiervoor in de inhoud van dit advies onvoldoende concrete aanknopingspunten worden gevonden, zodat het hof niet meegaat in de eis van de advocaat-generaal. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift wordt toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering tenuitvoerlegging Aan de orde is een vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012 opgelegde voorwaardelijke geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting bij het hof gevorderd om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, evenals de rechtbank heeft gedaan, omdat het onverenigbaar is met het opleggen van de ISD-maatregel. Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in de zaak B met parketnummer 13-703377-14 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 13 januari 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 7 april 2012, parketnummer 13-850664-12, voorwaardelijk opgelegde geldboete van 100 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.N. van der Spoel, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.W. Groenendijk, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2015. ========================================================================= [....]
ECLI:NL:HR:2016:616
12 april 2016 Strafkamer nr.
NJ 2016/387
De overwegingen zien op gevallen van ongewenstverklaring maar zijn ook van toepassing op het inreisverbod, zie de verwijzing van de Hoge Raad naar deze uitspraak in HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616, NJ 2016/387.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 16/00929 Zitting: 6 december 2016 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 17 november 2015 de verdachte vrijgesproken van het hem in zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in zaak B met parketnummer 13-703377-14 tenlastegelegde, alsook de verdachte ten aanzien van zaak A met parketnummer 13- 701036-15 onder 1 tenlastegelegde wegens “diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr en de bijkomende beslissingen als weergegeven in het bestreden arrest.

Er bestaat samenhang met de zaken 16/01808, 16/01814 en 16/01815. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. De advocaat-generaal bij het hof heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt ten aanzien van het in zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in zaak B met parketnummer 13-703377-14 tenlastegelegde dat het hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken, althans dat het die vrijspraak ontoereikend heeft gemotiveerd.

Aan de verdachte is in zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 ten laste gelegd dat: “hij op of omstreeks 07 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000”. en in zaak B met parketnummer 13-703377-14 dat:

“hij op of omstreeks 12 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.” 6. Het hof heeft de vrijspraak, voor zover voor de beoordeling van het cassatieberoep relevant, als volgt gemotiveerd:

“Bij besluit van 4 februari 2014 is aan de verdachte een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet juncto artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet opgelegd. Dit inreisverbod is opgelegd voor de duur van tien jaar. Niet betwist wordt, en ook het hof leidt uit de bewijsmiddelen af, dat de Verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten op de hoogte was van dit besluit. Omtrent eventueel ingestelde rechtsmiddelen tegen dit besluit ontbreekt informatie in het proces-verbaal “sfeer” van de Dienst Regionale Recherche van de politie Eenheid Amsterdam d.d. 21 oktober 2015.

Uit de mededelingen van de raadsman van de verdachte houdt het hof het er, bij gebreke aan andersluidende informatie, voor dat voornoemd besluit nog niet rechtens onaantastbaar is nu er kennelijk nog een vreemdelingrechtelijke procedure aanhangig is bij de Raad van State. Het hof acht, gelet op de duur van deze procedure, en de daarin te beantwoorden rechtsvragen, geen termen aanwezig (nogmaals) tot heropening van het onderzoek en aanhouding van de onderhavige zaak over te gaan teneinde de vreemdelingrechtelijke procedure af te wachten nu dit tot een onaanvaardbare vertraging van de strafzaak zou leiden.

Het hof ziet zich bij de beoordeling van de onder A2 en B tenlastegelegde feiten derhalve thans gesteld voor beantwoording van de vraag of het inreisverbod dusdanig in strijd is met inhoud en strekking van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn), bezien in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) van 11 juni 2015, dat hieraan gevolgen dienen te worden verbonden in het kader van de bewijsbeslissing. (…) D. Beoordeling van de rechtmatigheid van het inreisverbod Het hof is van oordeel dat het toetsingskader dat is aangelegd bij de besluitvorming tot oplegging van het inreisverbod van 14 februari 2014 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, onvoldoende dragend is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde.

De enkele verwijzing naar de aard van twee misdrijven is daarvoor onvoldoende. Voor het overige wordt slechts gesproken van “misdrijven” die de verdachte “bij herhaling” gepleegd zou hebben, welke motivering eveneens tekortschiet. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Naar aanleiding van hetgeen in dit verband is aangevoerd door de advocaat-generaal merkt het hof nog op dat het niet aan het hof is om in het kader van de onderhavige strafprocedure het betreffende gebrek te “helen”.

Dit brengt met zich dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder A2 en B tenlastegelegde. Gezien het voorgaande bestaat er geen aanleiding meer nadere overwegingen te wijden aan de, ook door de advocaat-generaal onderkende, omstandigheid dat in het inreisverbod geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend zonder dat dit nader is gemotiveerd.” 7. Voor ik aan de bespreking van het middel toekom, merk ik op dat het bestreden arrest uitvoerige (en in het hiervoor aangehaalde citaat weggelaten) overwegingen bevat, waarin wordt ingegaan op het belang van een arrest van Hof van Justitie EU (HvJEU) van 11 juni 2015, waarin het HvJEU in antwoord op prejudiciële vragen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), komt tot een verduidelijking of aanscherping van (de motiveringseisen van) het begrip “openbare orde” in een van de voorschriften van de zogenaamde Terugkeerrichtlijn.

Deze overwegingen roepen vragen op over de verhouding tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met name de vraag welke (beperkte) ruimte er voor de strafrechter is in gevallen als het onderhavige, waarin een vreemdeling wordt vervolgd wegens overtreding van art. 197 Sr nadat tegen hem met toepassing van art. 66a , zevende lid, van de Vreemdelingenwet een inreisverbod is uitgevaardigd, om de rechtmatigheid van het inreisverbod (alsnog) te toetsen. Gelet op hetgeen hierna wordt opgemerkt, kom ik in de onderhavige zaak niet toe aan een inhoudelijke bespreking van deze problematiek en ga ik maar kort in op de verhouding tussen straf- en bestuursrechter.

De overwegingen van het hof in het hier bestreden arrest zijn evenwel van belang voor – en worden door het hof ook geciteerd in – de arresten die door het hof zijn gewezen in de hiervoor genoemde samenhangende zaken, waarin ik vandaag eveneens concludeer. Voor een uitgebreidere bespreking van die problematiek – die mogelijk ook in deze zaak weer aan de orde komt, mocht de Hoge Raad de door mij voorgestelde afdoening volgen – volsta ik hier dan ook met een verwijzing naar de conclusies in die zaken.

8. In de toelichting op het middel wordt onder meer geklaagd dat het hof ten onrechte heeft onderzocht of het tegen de verdachte uitgevaardigde inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees gemeenschapsrecht, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is.

9. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854, NJ 2010/573 overwoog de Hoge Raad: “3.5. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 197 Sr dient de rechter dus in voorkomende gevallen te onderzoeken of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees gemeenschapsrecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het voorgaande geldt ook indien tegen de desbetreffende beschikking een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt.

Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat de ongewenstverklaring berust op enig wettelijk voorschrift. In het zich hier niet voordoende geval dat de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd, geldt in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken in een situatie als de onderhavige het volgende. Is de desbetreffende beschikking door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten, dan staat zulks er niet aan in de weg dat de strafrechter het verweer dat de ongewenstverklaring in strijd is met het Europees gemeenschapsrecht onderzoekt en daarop beslist indien die ongewenstverklaring evident in strijd is met dat recht”.

10. Blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof onderzocht of het tegen de verdachte uitgevaardigde inreisverbod strijdig is met de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn en is het hof er daarbij vanuit gegaan dat ter zake van dat inreisverbod door een bestuursrechter nog geen onherroepelijke beslissing is genomen. Gegeven dat uitgangspunt en gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad getuigt het in het middel bedoelde oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel klaagt dat het oordeel van het hof (wel) van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft, kan het dus niet tot cassatie leiden.

11. Aan de schriftuur is een afschrift gehecht van een uitspraak van de ABRvS van 29 mei 2015 met kenmerk 201406679/1/V2. Daaruit kan worden afgeleid dat de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het inreisverbod ten tijde van de beoordeling door het hof reeds met een onherroepelijke uitspraak was geëindigd en het tegen de verdachte uitgevaardigde inreisverbod door de bestuursrechter in stand is gelaten.

12. Voor zover in de toelichting op het middel ervan wordt uitgegaan dat het bestreden arrest, gelet op deze onherroepelijke bestuursrechtelijke uitspraak en de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad, aldus moet worden gelezen dat het hof kennelijk impliciet heeft geoordeeld dat sprake was van evidente strijd met Europees recht, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Blijkens zijn overwegingen is het hof er immers (expliciet) vanuit gegaan dat er nog geen onherroepelijk bestuursrechtelijk oordeel was.

13. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het hof dat uitgangspunt heeft gekozen en daarbij slechts op een mededeling van de raadsman van de verdachte is afgegaan, merk ik het volgende op. Een bestaat geen wettelijke verplichting voor de strafrechter om te onderzoeken of door een verdachte rechtsmiddelen tegen een bestuursrechtelijk besluit zijn aangewend en – indien daarvan blijkt – wat de uitkomst daarvan is. Het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een besluit heeft geen schorsende werking (6:16 Awb).

In een zaak als de onderhavige brengt dat mee, dat de strafrechter dus kan komen tot een bewezenverklaring wegens overtreding van art. 197 Sr ook al is het inreisverbod nog niet onherroepelijk. Dat neemt niet weg dat een latere vernietiging van een besluit door de bestuursrechter wel de basis onder een veroordeling op grond van art. 197 Sr doet vervallen en dan mogelijk tot herziening van de strafrechtelijke beslissing zal kunnen leiden. Strikt cassatietechnisch gezien, is er met het door het hof gekozen uitgangspunt dat er nog geen onherroepelijke bestuursrechtelijke beslissing was dan ook weinig mis.

In dat verband wijs ik erop dat blijkens pagina 3 van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2015 door de raadsman van de verdachte (inderdaad) enkel is aangevoerd dat hij niet wist of in de bestuursrechtelijke beroepsprocedure reeds uitspraak was gedaan en dat de advocaat-generaal bij het hof daarop slechts heeft gereageerd met de opmerking dat hij daarover ook geen informatie heeft.

14. In HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8273 was sprake van een veroordeling wegens art. 197 Sr en werd de ongewenstverklaring na de beslissing in de strafzaak in hoger beroep bij onherroepelijke bestuursrechtelijke beslissing vernietigd. In de cassatieprocedure werd deze beslissing door de raadsman van de verdachte overgelegd. De Hoge Raad sloeg niet alleen acht op deze voor het eerst in cassatie aangevoerde omstandigheid maar oordeelde op grond daarvan ook dat “na vernietiging van het thans bestreden arrest en terug- of verwijzing geen andere uitspraak [zou] kunnen volgen dan vrijspraak” en sprak de verdachte zelf vrij.

Waarop de bedoelde vernietiging in dat geval precies werd gebaseerd, liet de Hoge Raad in het midden. Ik neem evenwel aan dat de Hoge Raad groot belang heeft gehecht aan de leer van de formele rechtskracht. De hiervoor al genoemde behoorlijke taakverdeling tussen straf- en bestuursrechter komt immers in de knel wanneer de strafrechter een bestuursbesluit vol toetst, terwijl die toetsing al (met een andere uitkomst) heeft plaatsgevonden door de hoogste bestuursrechter. Ook al is die situatie strikt bezien niet “fout”, zij is wel hoogst onwenselijk.

Om dan van een verdachte te verwachten dat hij achteraf een herzieningsprocedure entameert om een einde aan die situatie te maken wanneer daarvan nog tijdens de strafprocedure blijkt, is dan op zijn zachtst gezegd nogal omslachtig.

15. Zouden dezelfde principiële bezwaren ook in het onderhavige geval tot een praktische oplossing kunnen leiden? Het belangrijkste verschil met de zaak uit 2012 is dat het in het onderhavige geval gaat om een vrijspraak. Het argument dat het niet op het bord van de verdachte moet worden gelegd om onjuistheden te herstellen, wanneer (de rechter) daarvan nog tijdens de strafprocedure blijkt te herstellen, gaat hier niet op. De verdachte heeft er immers belang bij dat de vrijspraak in stand blijft. Een onherroepelijke bestuursrechtelijke beslissing waarbij een besluit in stand wordt gelaten in zaken waarin een vervolging wegens art. 197 Sr tot een onherroepelijke vrijspraak heeft geleid levert geen grond voor herziening ten nadele in de zin van art. 482a Sv op.

Bezien vanuit het perspectief van de taakverdeling tussen straf- en bestuursrechter is de beslissing van het hof hoogst onwenselijk en leidt zij tot rechtsonzekerheid. Ook voor de verdachte. Als hij in een dergelijke geval opnieuw voor een (herhaalde) overtreding van hetzelfde inreisverbod wordt gedagvaard, is de dan oordelende strafrechter immers niet, in ieder geval niet zonder meer gehouden de beslissing van de eerder oordelende strafrechter te volgen.

16. De taakverdeling tussen strafrechter en bestuursrechter eist mijns inziens dat de strafrechter onder omstandigheden ambtshalve onderzoek doet naar het bestaan van een beslissing van de bestuursrechter op een voor de beslissing van de strafrechter bepalend punt. Dat kan het geval zijn indien uit de stukken van het geding een ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de bestuursrechter een uitspraak heeft gedaan die beslissend is of kan zijn voor de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen (hier: berust het inreisverbod op enig wettelijk voorschrift in de zin van art. 197 Sr) , althans beslissend is of kan zijn voor de indringendheid van de toetsing van de rechtmatigheid van het inreisverbod.

Er moet in een dergelijk geval bij de strafrechter gerede twijfel zijn gerezen over de rechtmatigheid van het inreisverbod. Bovendien moet blijken van duidelijke aanwijzingen dat geenszins valt uit te sluiten dat een procedure bij de bestuursrechter ten aanzien van dat inreisverbod is afgerond dan wel op afzienbare termijn wordt afgerond. Overigens sluit deze benadering niet uit dat de strafrechter ondanks de gerede twijfel en de duidelijke aanwijzingen als hier bedoeld niet ambtshalve aanhoudt, maar in dat uitzonderlijke geval ligt het voor de hand dat de redenen om niet aan te houden in proces-verbaal van de zitting of vonnis worden vermeld, althans daaruit duidelijk worden.

17. Dergelijke gerede twijfel en duidelijke aanwijzingen deden zich naar het mij voorkomt in het onderhavige geval kennelijk voor, terwijl het hof niet heeft beslist tot nader onderzoek en evenmin heeft geoordeeld dat en waarom zulks niet nodig was. Voor het geval dat na aanhouding blijkt dat de bestuursrechter reeds heeft beslist komt daarmee vast te staan dat de ruimte om het inreisverbod te toetsen uiterst beperkt is. Immers slechts in evidente gevallen zal de strafrechter ruimte hebben om te komen tot een ander oordeel dan de bestuursrechter.

Intussen realiseer ik mij de door mij voorgestelde benadering nog tal van vragen onbeantwoord laat. Ik stip ze slechts aan. Wat te doen indien na aanhouding blijkt dat er wel een procedure loopt, maar nog niet is beslist? Het komt mij voor dat het voor de hand ligt de uitkomst van de procedure af te wachten indien blijkt dat een beslissing van de bestuursrechter op overzienbare termijn is te verwachten. Ik sluit niet uit dat er in uitzonderlijke gevallen dringende redenen kunnen zijn om de uitkomst niet af te wachten en dan zal er meer ruimte zijn voor de toetsing van het inreisverbod.

Van de strafrechter kan in een dergelijke geval worden verwacht dat hij die dringende redenen expliciteert.

18. Denkbaar is dat het openbaar ministerie in gevallen als het onderhavige de instructie krijgt om in beginsel aanhouding te vorderen. Op die wijze zouden beslissingen op die vordering in ieder geval te toetsen zijn in cassatie. Dit sluit niet uit dat ook de strafrechter hier een eigen, ambtshalve, verantwoordelijkheid heeft. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 29 mei 2015 houd ik het er dan ook op dat het oordeel van het hof dat (telkens) geen sprake was van een rechtmatig inreisverbod onbegrijpelijk is nu ondanks duidelijke aanwijzingen als boven bedoeld nagelaten is onderzoek te doen naar de vraag of de procedure bij de bestuursrechter reeds was afgerond dan wel heeft geoordeeld dat en waarom dergelijk nader onderzoek niet noodzakelijk was.

19. Voor zover het middel klaagt over deze onbegrijpelijkheid slaagt het dan ook. Een bespreking van de overige deelklachten van het middel kan daarom achterwege blijven. Mocht de Hoge Raad tot een ander oordeel komen, ben ik bereid in een aanvullende conclusie op de overige klachten in te gaan.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A met parketnummer 13-701036-15 onder 2 en in zaak B met parketnummer 13-703377-14 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De volledige tekst van het arrest van het hof werd gepubliceerd: gerechtshof Amsterdam 17 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4751.

Hof van Justitie EU 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:V:2015:337 over de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven. De overwegingen zien op gevallen van ongewenstverklaring maar zijn ook van toepassing op het inreisverbod, zie de verwijzing van de Hoge Raad naar deze uitspraak in HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616, NJ 2016/387. Dat de strafrechter zich in een dergelijk geval (wel) een zelfstandig oordeel moet vormen over de vraag of een inreisverbod in overeenstemming is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht vloeit daaruit voort dat voor een strafrechtelijke veroordeling vast zal moeten komen te staan dat een inreisverbod berust op enig wettelijk voorschrift.

Zie in dat verband ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854, NJ 2010/573 ten aanzien van een ongewenstverklaring. Hetzelfde zal hebben te gelden ten aanzien een inreisverbod. Een uitzondering op dit uitgangspunt werd geformuleerd in HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266, NJ 2013/331 voor het geval een vreemdeling een beroep doet op de bescherming van het Vluchtelingenverdrag. De bijzonderheid van die materie heeft ertoe geleid dat de strafrechter zich daar geen zelfstandig oordeel over de vluchtelingstatus van de verdachte behoeft te vormen, maar dat het openbaar ministerie (tijdelijk) niet-ontvankelijk moet worden geacht in de vervolging ter zake van art. 231 Sr zolang op een met een beroep op een vluchtelingenstatus gedane aanvraag tot verblijf door de bestuursrechter nog niet onherroepelijk is beslist.

De beslissing van de ABRvS is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. Vgl. een geval waarin na een veroordeling wegens 197 Sr de bestuursrechtelijke procedure tijdens de cassatiefase werd afgerond HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8273. Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1702, NJ 2010/533 en HR 18 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9564, NJ 1987/491. Aangenomen mag worden dat hier hetzelfde geldt als in het geval waarin het oorspronkelijke besluit bij een later besluit met terugwerkende kracht wordt opgeheven HR 25 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3323 en HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5418.

Anders ligt het in gevallen waarin straf- en bestuursrechter een feitelijke beoordeling aanleggen en op basis daarvan tot afwijkende oordelen komen; zie HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2749, NJ 2008/170. De bewoordingen zijn ontleend aan (onder meer) HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR: BC3766, NJ 2008/482 m.nt. Klip. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616, NJ 2016/387.