Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:1422 ECLI:NL:PHR:2016:1422 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:1422 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:1422
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 10/04367 B Zitting: 6 december 2016 Mr. W.H. Vellinga Conclusie inzake: [klaagster] Bij beschikking van 22 september 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam het klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster van het onder [betrokkene] in beslag genomen geldbedrag van € 1.024.500,-. ongegrond verklaard. Namens de klaagster heeft mr. K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt dat het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer ontbreekt en dat de bestreden beschikking derhalve niet in stand kan blijven.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:1422 · Parket bij de Hoge Raad: Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat een proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, zo dat al is opgemaakt, in het ongerede is geraakt. Het ontbreken van een dergelijk proces-verbaal heeft betrekking op een zo wezenlijke vorm van de raadkamerprocedure dat het nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking meebrengt.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 10/04367 B Zitting: 6 december 2016 Mr. W.H. Vellinga Conclusie inzake: [klaagster] Bij beschikking van 22 september 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam het klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klaagster van het onder [betrokkene] in beslag genomen geldbedrag van € 1.024.500,-. ongegrond verklaard. Namens de klaagster heeft mr. K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt dat het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer ontbreekt en dat de bestreden beschikking derhalve niet in stand kan blijven.

Volgens art. 25, eerste lid, Sv moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat tevens voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken. Het in het middel bedoelde proces-verbaal ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Naar aanleiding van een door de raadsman op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen.

Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat een proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, zo dat al is opgemaakt, in het ongerede is geraakt. Het ontbreken van een dergelijk proces-verbaal heeft betrekking op een zo wezenlijke vorm van de raadkamerprocedure dat het nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gegeven beschikking meebrengt.

6. Het middel slaagt.

7. Het tweede middel kan na het voorgaande buiten bespreking blijven.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1343.