ECLI:NL:PHR:2016:1395 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 15/05905 Zitting: 22 november 2016 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 13 november 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens, onder 1, “verkrachting” en, onder 2, “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven” en “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden. Voorts heeft het hof met betrekking tot de verdachte enige in het arrest nader omschreven bijkomende beslissingen genomen.
Legislator headnote
AI generatedart. 435 Sv; ECLI:NL:PHR:2016:1395 · Parket bij de Hoge Raad: Deze zaak hangt samen met de zaak van medeverdachte [medeverdachte], die onder nr. 15/05480 bij de Hoge Raad aanhangig is. In de laatstgenoemde zaak zal ik vandaag eveneens concluderen. Namens de verdachte is tegen het arrest van het hof van 13 november 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend. De in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 9 mei 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Nr. 15/05905 Zitting: 22 november 2016 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 13 november 2015 door het gerechtshof Amsterdam wegens, onder 1, “verkrachting” en, onder 2, “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven” en “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden. Voorts heeft het hof met betrekking tot de verdachte enige in het arrest nader omschreven bijkomende beslissingen genomen.
Deze zaak hangt samen met de zaak van medeverdachte [medeverdachte], die onder nr. 15/05480 bij de Hoge Raad aanhangig is. In de laatstgenoemde zaak zal ik vandaag eveneens concluderen. Namens de verdachte is tegen het arrest van het hof van 13 november 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend. De in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 9 mei 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG