Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:1181 ECLI:NL:PHR:2016:1181 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:1181 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:1181
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 14/03716 Zitting: 4 oktober 2016 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 juni 2014 zich verenigd met het vonnis van de rechtbank Limburg van 3 april 2013, behoudens wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 en de opgelegde straffen (en de beslissing ten aanzien van het beslag). Het hof heeft de verdachte wegens 1. “in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 EVRM; ECLI:NL:PHR:2016:1181 · Parket bij de Hoge Raad: Het eerste middel – dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, nu het andere middel eveneens met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan.

Keywords

AI generated
art. 6 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 6 EVRM
Het eerste middel – dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2002:AE3728
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 11 november 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", 3 subsidiair "medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 5. "als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
NJ 2002/536
HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536.
ECLI:NL:HR:2011:BT2084
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.P. Nan, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
ECLI:NL:HR:2012:BX0132
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
NJ 2013/244
Zie voor het voorgaande HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt.
ECLI:NL:HR:2016:1005
7 juni 2016 Strafkamer nr. S 14/04187 ES Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's–Hertogenbosch van 23 juli 2014, nummer 20/004228–13, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 14/03716 Zitting: 4 oktober 2016 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 juni 2014 zich verenigd met het vonnis van de rechtbank Limburg van 3 april 2013, behoudens wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 en de opgelegde straffen (en de beslissing ten aanzien van het beslag). Het hof heeft de verdachte wegens 1. “in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal voorwerpen en de teruggave aan de verdachte bevolen van een in beslag genomen voorwerp, een en ander als in het arrest vermeld. Er bestaat samenhang met de zaak 14/03717. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek eerst het tweede middel. De klacht berust kennelijk op de opvatting dat bewezenverklaring van de tenlastegelegde periode van 20 november 2007 (in plaats van 1 januari 2008) tot en met 20 november 2008 met zich brengt dat de verdachte gedurende die gehele periode (beroeps- of bedrijfsmatig) hennep heeft verkocht (feit 1).

Die opvatting is op zichzelf reeds onjuist. Voor zover in de toelichting op het middel wordt bedoeld te betogen dat in een dergelijk geval de rechter in het kader van de strafmotivering uitdrukkelijk rekenschap van dat verschil en de consequenties daarvan dient af te leggen, stelt de klacht een eis die het recht niet kent en kan zij om die reden klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Overigens wijs ik erop dat het hof in zoveel woorden heeft overwogen dat “als aanvang van de periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van hennep als ten laste gelegd onder 1. de datum van 01 januari 2008 kan worden vastgesteld”.

Daar is het hof dus van uitgegaan, naar moet worden aangenomen ook in het kader van de strafoplegging. Aldus bezien kan tevens worden gezegd dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep heeft.

5. De klacht is evident kansloos en kan met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan.

6. Het eerste middel – dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, nu het andere middel eveneens met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan.

7. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie bijv. HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536. Zie bijv. HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2084. Zie voor het voorgaande HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005. Zie de in de vorige voetnoot aangehaalde arresten.