ECLI:NL:PHR:2016:1151 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 14/05238 Zitting: 4 oktober 2016 Mr. E.J. Hofstee Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014. Tegen deze uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaken 14/05232P, 15/00780 en 15/00784P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen. Onder verwijzing naar HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 meen ik dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en/of de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2016:1151 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 14/05238 Zitting: 4 oktober 2016 Mr. E.J. Hofstee Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014. Tegen deze uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaken 14/05232P, 15/00780 en 15/00784P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen. Onder verwijzing naar HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 meen ik dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en/of de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep.
Cited Case Law
AI generatedFull text
Nr. 14/05238 Zitting: 4 oktober 2016 Mr. E.J. Hofstee Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014. Tegen deze uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaken 14/05232P, 15/00780 en 15/00784P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen. Onder verwijzing naar HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 meen ik dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en/of de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep.
Wat betreft het eerste middel merk ik nog op dat het feitelijke grondslag mist; niet de ‘verklaring’ van de raadsman wordt voor het bewijs gebruikt, maar de verklaring van de medeverdachte, die iets heeft gezegd op een vraag van de advocaat-generaal bij het hof (zie arrest, blad 7). Bovendien is dit aspect van ondergeschikt belang, gelet op de bewijsconstructie voor het overige. Ik stel mij daarom op het standpunt dat het beroep in cassatie met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG