Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2016:113 ECLI:NL:PHR:2016:113 AI generated

ECLI:NL:PHR:2016:113 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2016:113
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

16/00080 Mr. F.F. Langemeijer 11 maart 2016 (art. 80a RO) Conclusie inzake: [de man] tegen [de vrouw] 1. Partijen zijn met elkaar gehuwd in 2004. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank Rotterdam op 9 januari 2015 echtscheiding uitgesproken. De man heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 7 oktober 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de beroepen beschikking bekrachtigd.

Legislator headnote

AI generated

art. 1:151 BW, art. 1:30 lid 2 BW; ECLI:NL:PHR:2016:113 · Parket bij de Hoge Raad: Verder klaagt de man dat het hof zijn (onder b en c genoemde) bezwaren heeft miskend omdat hij, met zijn betoog dat partijen ervoor hebben gekozen “een Goddelijk recht te volgen”, bedoelde dat partijen naar burgerlijk recht − dus niet: naar kerkelijk recht − een afwijking van art. 1:151 BW zijn overeengekomen. Ook deze klacht faalt: het hof behoefde dit niet in het betoog van de man te lezen. Overigens zou die stelling hem niet hebben gebaat: de openbare orde en de goede zeden brengen mee dat de wettelijke grond voor ontbinding van een burgerlijk huwelijk niet bij overeenkomst kan worden beperkt.

Keywords

AI generated
art. 1:151 BW art. 1:30 lid 2 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 1:151 BW
Het cassatiemiddel is gericht tegen de vaststelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht in de zin van art. 1:151 BW.
art. 1:30 lid 2 BW
Het cassatiemiddel is gericht tegen de vaststelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht in de zin van art. 1:151 BW.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1996:ZC2222
Het geding in feitelijke instanties Met een op 2 mei 1994 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank met het verzoek - kort samengevat - echtscheiding, althans scheiding van tafel en bed tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken. De vrouw heeft tegen het verzoek verweer gevoerd. Nadat de Rechtbank na een mondelinge behandeling bij tussenbeschikking van 8 februari 1995 een voortzetting daarvan had bepaald, en vervolgens de behandeling dienovereenkomstig had voortgezet, heeft zij bij eindbeschikking van 14 juni 1995 de echtscheiding uitgesproken.
NJ 1997/189
Zie onder meer: HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2222, NJ 1997/189, door het hof aangehaald; HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6720.
ECLI:NL:HR:2009:BG6720
Het geding in feitelijke instanties Bij verzoekschrift, gedateerd 5 januari 2007, heeft de vrouw zich gewend tot de rechtbank Haarlem en verzocht, kort gezegd, tussen partijen echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat de man een bijdrage zal betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en voorts de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen te bevelen. De man heeft de verzoeken van de vrouw bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2007 tussen partijen echtscheiding uitgesproken en de behandeling van de zaak voor het overige aangehouden. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 3 januari 2008 heeft het hof de beschikking waarvan beroep, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
ECLI:NL:HR:2002:AE4037
Het geding in feitelijke instanties Met een op 6 oktober 2000 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat partijen overgaan tot verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw heeft het verzoek bestreden en heeft subsidiair harerzijds verzocht een bijdrage voor haar levensonderhoud vast te stellen en voorts te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding.
NJ 2002/541
Zie: HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4037, NJ 2002/541; HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7389; Asser-de Boer, I, 2010, nr.s 587 – 596 en 603 - 604.
ECLI:NL:HR:2006:AV7389
Het geding in feitelijke instanties Met een op 11 mei 2003 ter griffie van de rechtbank te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en - voor zover in cassatie nog van belang - verzocht echtscheiding tussen haar en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken. De man heeft het verzoek bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 28 september 2004 onder meer echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tegen deze beschikking heeft de man wat de beslissing omtrent de echtscheiding betreft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij beschikking van 16 maart 2005 heeft het hof voormelde beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

16/00080 Mr. F.F. Langemeijer 11 maart 2016 (art. 80a RO) Conclusie inzake: [de man] tegen [de vrouw] 1. Partijen zijn met elkaar gehuwd in 2004. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank Rotterdam op 9 januari 2015 echtscheiding uitgesproken. De man heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 7 oktober 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de beroepen beschikking bekrachtigd.

2. De man heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Het cassatiemiddel is gericht tegen de vaststelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht in de zin van art. 1:151 BW. Met het hof (rov.

7) neemt de man tot uitgangspunt dat van duurzame ontwrichting sprake is indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden en geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen. Volgens onderdeel 1 heeft het hof dit niet behoorlijk onderzocht. Volgens het slot van deze klacht en onderdeel 2 is het hof ten onrechte voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van de man. Blijkens de toelichting op deze klachten zou het hof zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de medische aspecten, daar waar de man het standpunt had ingenomen dat de door de vrouw gestelde (en door hem betwiste) duurzame ontwrichting wordt veroorzaakt door een geestelijke stoornis van de vrouw.

3. Gezien eerdere rechtspraak hierover, heeft het hof een juiste maatstaf aangelegd. In het overwogene ligt besloten dat het hof de vrouw voldoende wilsbekwaam heeft geacht om in deze kwestie een gemotiveerd standpunt in te nemen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Het hof wijst (i) op het gemotiveerde standpunt van de vrouw en haar volharding daarbij in appel; (ii) op het feit dat partijen sinds september 2014 feitelijk gescheiden leven en (iii) op het ontbreken van uitzicht op herstel. Die redengeving kan de beslissing dragen. Het hof kon ook het bewijsaanbod verwerpen. Beslissend is óf sprake is van duurzame ontwrichting. Als die eenmaal is vastgesteld, behoeft de rechter de oorzaak daarvan niet te onderzoeken.

4. Onderdeel 3, kort samengevat, herhaalt de bezwaren van godsdienstige aard die de man tegen toewijzing van het echtscheidingsverzoek heeft en zijn argument dat de vrouw hem trouw heeft beloofd ‘tot de dood ons scheidt’ (zie rov. 4). Het hof heeft deze bezwaren onderkend en verworpen. Ook hier heeft het hof een juiste maatstaf aangelegd. Het argument van de man (onder a) dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan is door het hof genoegzaam weerlegd in rov. 7, laatste zin, en rov.

8. Verder klaagt de man dat het hof zijn (onder b en c genoemde) bezwaren heeft miskend omdat hij, met zijn betoog dat partijen ervoor hebben gekozen “een Goddelijk recht te volgen”, bedoelde dat partijen naar burgerlijk recht − dus niet: naar kerkelijk recht − een afwijking van art. 1:151 BW zijn overeengekomen. Ook deze klacht faalt: het hof behoefde dit niet in het betoog van de man te lezen. Overigens zou die stelling hem niet hebben gebaat: de openbare orde en de goede zeden brengen mee dat de wettelijke grond voor ontbinding van een burgerlijk huwelijk niet bij overeenkomst kan worden beperkt.

5. Onderdeel 4 komt neer op de klacht dat de overweging dat “een geloofsovertuiging niet maatgevend kan zijn voor het in de Nederlandse samenleving als geheel geldende recht met betrekking tot de mogelijkheid van ontbinding van een huwelijk” (rov.

6) in de zich “snel ontwikkelende multiculturele samenleving” oneerbiedig en discriminerend werkt. Volgens het middelonderdeel is handhaving van dit (aan HR 12 juli 2002 ontleende) uitgangspunt in strijd met het in diverse verdragen neergelegde discriminatieverbod.

6. Het cassatierekest noemt geen vindplaats in de gedingstukken in appel waarin de man zich op een discriminatieverbod zou hebben beroepen. Een grief van die strekking heb ik niet aangetroffen. Het gaat om een stelling (novum) die voor het eerst in cassatie naar voren is gebracht en daarom niet tot cassatie kan leiden. Dat door de toepassing van de wettelijke grond voor echtscheiding een verboden onderscheid wordt gemaakt (het cassatiemiddel doelt kennelijk op een onderscheid tussen personen die wel en die niet een bepaalde godsdienstige opvatting aanhangen) spreekt niet vanzelf: zoals het hof al opmerkt, beschouwt de wet het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen (art. 1:30 lid 2 BW).

7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, a. – g. Zie onder meer: HR 6 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2222, NJ 1997/189, door het hof aangehaald; HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6720. Rov. 7 en 8, waarin het hof respondeert op de in rov. 4 samengevatte grieven van de man. Vgl. Asser-de Boer, I, 2010 nr. 604. De indirecte verwijzing in het middel (via T&C BW) naar de parlementaire geschiedenis (MvT nieuw echtscheidingsrecht, Kamerstukken II 1968-1969, 10 213, nr. 3 blz. 15-16) mist doel. Het betoog aldaar dat de rechter ook op de medische aspecten moet letten, heeft betrekking op de omgekeerde situatie, te weten het geval waarin een echtgenoot wil scheiden van een partner met een geestelijke stoornis en de laatstgenoemde moet worden beschermd. Zie: HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4037, NJ 2002/541; HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7389; Asser-de Boer, I, 2010, nr.s 587 – 596 en 603 - 604. Rov. 4; appelrekest onder 7 en 8.