Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2015:955 ECLI:NL:PHR:2015:955 AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:955 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2015:955
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 13/05488 B Zitting: 21 april 2015 Mr. Knigge Conclusie inzake: [klager] 1. Nadat de Hoge Raad bij beschikking van 12 februari 2013 de zaak had teruggewezen naar de Rechtbank Den Haag, heeft deze Rechtbank bij beschikking van 16 juli 2013 het klaagschrift gegrond verklaard voor zover het ziet op de inbeslagneming van 22 patiëntendossiers van die patiënten die geen onderwerp zijn van het GVO, het beslag op die stukken opgeheven en het gebruik en/of de kennisneming daarvan verboden, en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

art. 448 lid 1 Sv; ECLI:NL:PHR:2015:955 · Parket bij de Hoge Raad: In het laatste geval gaat de inbreuk op het verschoningsrecht minder ver en valt de belangenafweging dus eerder in het voordeel van doorbreking uit. 6.14. Een andere oplossing zou zijn dat de Hoge Raad wel tot partiële vernietiging overgaat en vervolgens, zoals art. 448 lid 1 Sv hem voorschrijft, in zoverre beveelt wat had behoren te geschieden. De Hoge Raad doet dan dus opnieuw recht, waarbij hij zich kan baseren op het in cassatie overeind gebleven oordeel dat de Rechtbank met betrekking tot de tien patiëntendossiers gaf. De uitkomst waartoe dat leidt, dient mijns inziens te zijn dat het beklag opnieuw ongegrond wordt verklaard, maar dan omdat een doorbreking van het verschoningsrecht is gerechtvaardigd.

Keywords

AI generated
art. 448 lid 1 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 448 lid 1 Sv
Een andere oplossing zou zijn dat de Hoge Raad wel tot partiële vernietiging overgaat en vervolgens, zoals art. 448 lid 1 Sv hem voorschrijft, in zoverre beveelt wat had behoren te geschieden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:BV3004
Geding in cassatie Het beroep, dat niet is gericht tegen de beschikking van de Rechtbank voor zover daarbij het klaagschrift niet-ontvankelijk is verklaard, is ingesteld door de klager.
NJ 2013/505
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG ECLI:NL:HR:2013:BV3004, NJ 2013/505 m.nt.
ECLI:NL:RBDHA:2014:13243
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 27 juni 2009 te 's Gravenhage, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft mishandeld: [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] (hierna te noemen: patiënt(en)) met wie verdachte en/of de Citykliniek een geneeskundige behandelingsovereenkomst had gesloten, door bij (één of meerdere van de) voornoemde patiënt(en) een (of meer) (plastische en/of cosmetische) chirurgische/medische ingre(e)p(en) uit te voeren, waarbij hij, verdachte, niet, althans onvoldoende, heeft gehandeld als goed hulpverlener en/of daarbij niet, althans onvoldoende, in overeenstemming heeft gehandeld met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voorvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard, zoals omschreven in artikel 7:453 BW, en aldus geen beroep of aanspraak (meer) kon en/of kan doen op de 'medische exceptie', immers heeft hij, verdachte, zijn praktijkvoering en/of kliniekvoering niet voldoende, althans onvoldoende, op adequate wijze en/of conform de op de Nederlandse situatie toegespitste werkwijzen en/of protocollen georganiseerd en/of (daardoor) niet de randvoorwaarden en omstandigheden geschapen waaronder voornoemde (plastische en/of cosmetische) chirurgische/medische ingre(e)p(en) (medisch) verantwoord kon(den) worden uitgevoerd met vermijding van complicaties door: - voornoemde (plastische en/of cosmetische) chirurgische/medische ingre(e)p(en) niet plaats te laten vinden in een daartoe geschikte operatiekamer en/of - geen, althans onvoldoende, zorg te dragen voor een adequaat luchtbehandelingssysteem en/of een sluis tussen de omkleedruimte en de operatieruimte en/of - niet, althans onvoldoende, zorg te dragen voor de reiniging en/of desinfectie van de (operatie)ruimten en/of het meubilair en/of de medische hulpmiddelen en/of de zogenaamde 'Mamma-navigator' in de CityKliniek en/of - bij voornoemde (plastische en/of cosmetische) chirurgische/medische ingre(e)p(en) geen, althans onvoldoende, gebruik te maken van (bevoegd en/of bekwaam) assisterend (anesthesie)personeel bij deze ingre(e)p(en) en/of de verdere behandeling en/of de nazorg en/of - bij voornoemde patiënt(en) (een) (plastische en/of cosmetische) chirurgische/medische ingre(e)p(en) uit te voeren onder (lokale verdoving met) sedatie terwijl: * de juiste apparatuur voor zuurstoftoediening ontbrak en/of * een reanimatieteam ontbrak en/of * een schriftelijk vastgelegde noodverwijsprocedure naar een ziekenhuis ontbrak en/of * er geen (algemene) registratie van complicatie(s) was en/of * de jaarlijks herhaalde Basic Life Support training van de bij de zorg betrokken hulpverlener(s), waaronder verdachte, ontbrak en/of - een wijze van statusvoering en verslaglegging te hanteren die niet, althans onvoldoende, voldeed aan de eisen van de WGBO en/of (vervolgens) ten aanzien van het informed consent ten tijde van en/of bij en/of tijdens het verkrijgen en/of het bereiken en/of het tot stand komen van het 'informed consent' en/of ten behoeve van het sluiten en/of uitvoeren van de geneeskundige behandelovereenkomst(en) met voornoemde patiënt(en), in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 7:448 BW en/of artikel 7:450 BW door - ( vervolgens) aan voornoemde patiënt(en) geen, althans onvoldoende, informatie te geven over de aard en het doel van de behandeling en/of de te verwachten gevolgen en risico's daarvan voor de (toekomstige) gezondheid van de patiënt en/of andere operatietechniek(en) en/of wijze van hechten die in aanmerking zouden komen en/of de staat van en de vooruitzichten met betrekking tot de gezondheid van de patiënt voor wat betreft het terrein van het onderzoek of de behandeling en/of - zich tegenover vorengenoemde patiënt(en) ten onrechte voor te stellen en/of uit te geven en/of zich voor te doen als ware hij een volledig ter zake opgeleid en bekwaam plastisch en/of cosmetisch chirurg en daarbij geen, althans onvoldoende, informatie te verstrekken omtrent zijn genoten opleiding en/of nascholing en/of specialisatie en/of - aan voornoemde patiënten geen, althans onvoldoende, informatie te geven over het feit dat zijn kliniekvoering, daaronder begrepen het hygiëne- en/of infectiepreventiebeleid en/of het gebruik van de Mamma-navigator en/of het anesthesiebeleid en/of het gebruik van assisterend (anesthesie)personeel, niet, althans onvoldoende, voldeed aan de geldende richtlijnen en/of protocollen en/of professionele standaard en/of (vervolgens) ten aanzien van de medische uitvoering/nazorg ten tijde van het uitvoeren van de geneeskundige behandelovereenkomst(en) niet, althans onvoldoende, 'lege artis' , conform de professionele standaard, gehandeld door - bij de mamma-augmentaties gebruik te maken van de Mamma-navigator, in elk geval een apparaat zonder CE-goedkeuring, welk apparaat niet past binnen de voor (plastische en/of cosmetische) chirurgen geldende professionele standaard en/of waarvan het gebruik in combinatie met de dual-plane operatietechniek niet conform de voor (cosmetisch) artsen geldende professionele standaard was en/of is en/of - een zogenaamde 'Macslift' en/of een armliposuctie uit te voeren terwijl verdachte deze ingre(e)p(en) kwantitatief onvoldoende heeft gedaan om zichzelf redelijkerwijs voldoende bekwaam te (mogen) achten en/of - in strijd met de geldende protocollen en/of werkwijze(n), althans zonder specifieke kennis en/of bekwaamheid een borstvergroting bij een (genetische) man uit te voeren en/of - niet, althans onvoldoende, te voorzien in adequate nazorg voor de patiënt(en), en/of - geen (adequaat) (bron)onderzoek te doen toen verdachte constateerde, althans deze diagnose stelde, dat zich een of meerdere patiënten met door verdachte als zodanig genoemde afstotingsverschijnselen bij hem meldden, ten gevolge waarvan voornoemd(e) perso(o)n(en) bij de door verdachte verrichtte chirurgische/medische ingre(e)p(en) en/of bij de (door andere artsen) uitgevoerde hersteloperatie(s) zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden en/of de gezondheid van voornoemd(e) perso(o)n(en) opzettelijk is benadeeld, bestaande dit letsel uit: (telkens) het letsel en/of de pijn ontstaan door de operatie uitgevoerd door verdachte en/of (telkens) het letsel en/of de pijn ontstaan door een als gevolg van die (door verdachte uitgevoerde) operatie noodzakelijke hersteloperatie(s) en/of bij [slachtoffer 1] (borstvergroting beiderzijds met armlift) - een necrotiserende infectie en/of - een (ernstige) deformiteit van de rechterarm na (aanzienlijk) weefselverlies en/of - een asymmetrie van de borsten met een bottoming-out van de linker borst en/of - ( een) inadequaat geplaatst(e) (horizontale) litteken(s) (aan beide zijden van de borsten) en/of - een (veel) te grote afstand tussen de tepel en de inframammaire plooi links en/of bij [slachtoffer 2] (macslift gecombineerd met een onderkinliposuctie) - zenuwletsel van de nervus facialis rechts met uitval van een gedeelte van de aangezichtsspieren en/of - een asymmetrie van de bovenlip aan de rechterzijde en/of - een aangezichtsverlamming, namelijk paralyse van de heffers van de bovenlip en/of de neusplooi rechts en/of bij [slachtoffer 3] (borstvergroting beiderzijds) - ( een) transmamillair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of - ( een) litteken(s) in de inframammairplooi (aan beide zijden) en/of - een ingetrokken litteken in de rechtertepel en/of - een deformiteit ter hoogte van het transmamillaire litteken rechts en/of - een intrekking van het transmamillaire litteken links en/of - een depigmentatie van het trainsmamillaire litteken (links) en/of - fibrosering in het operatiegebied (aan beide zijden) en/of bij [slachtoffer 4] (borstvergroting beiderzijds) - ( een) transareolair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of - ( een) litteken(s) in de onderpool (van beide borsten) en/of - een intrekking van de linkertepel en/of - deformiteit en/of weefselverlies (van beide borsten) en/of bij [slachtoffer 5] (borstvergroting beiderzijds) - een litteken boven de inframammaire plooi (aan beide zijden) en/of - ( een) transareolair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of - een (geringe) dubble bubble deformiteit (aan beide zijden) en/of - ( een) inframammair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of bij [slachtoffer 6] (borstvergroting beiderzijds) - een (aanzienlijke) fibrosering in het borstweefstel en/of - ( aanzienlijke/enige) deformiteit van een of beide borst(en) in de onderpool en/of - een (aanzienlijke) animatiedeformiteit (aan beide zijden) en/of - een milde pincushioning in de tepel-areola complex(en) (aan beide zijden) en/of - een infectie en/of - een verminderde weefselkwaliteit en/of souplesse en/of bij [slachtoffer 7] (borstvergroting beiderzijds) - ( een) transareolair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of - ( een) inframammair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of - ( enige) deformiteit ter hoogte van de linkeronderpool en/of - ( versterkte en/of enige) animatiedeformiteit (aan beide zijden) en/of - het naar binnen intrekken van het transareolaire litteken aan de linkerzijde en/of - deformiteit van de borsten aan beide zijden en/of bij [slachtoffer 8] (man: borstvergroting beiderzijds) - ( een) litteken(s) in het tepel/areolacomplex (aan beide zijden) en/of - ( een) litteken(s) op de onderpool (van beide borsten) en/of - ( enige) bulging van de areola ter hoogte van het litteken (aan beide zijden) en/of bij [slachtoffer 9] (borstvergroting beiderzijds, opvullen plooien bij mond, opvullen lachrimpels) - een of meerdere blauwe plek(ken) onder de/het (o)og(en) en/of - ernstige, althans enige, mutilatie in het gezicht en/of - een (evidente) hoogstand van de rechterborst en/of - ( enig) weefselverlies aan de rechterzijde van de borst en/of - ( een) transareolair(e) litteken(s) (aan beide zijden van de borst(en)) en/of - ( een) litteken(s) in de inframammair(e) plooi (aan beide zijden van de borst(en)) en/of - een intrekking aan de mediale zijde van de rechter onderpool van de borst(en) (ten gevolge van inwendige verlittekening) en/of - volumeverlies in de rechter onderpool van de borst en/of - animatiedeformiteit aan de rechterzijde van de borst bij een retropectoraal gelegen prothese en/of bij [slachtoffer 10] (borstvergroting beiderzijds) - een hoogstand van de linkerprothese en/of (met als gevolg) - een dubble bubble fenomeen aan de linkerzijde en/of - een ingetrokken linker tepel en/of - animatiedeformiteit (aan beide zijden) en/of - ( een) transareolair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of - ( een) ingetrokken transareolair(e) litteken(s) (aan beide zijden) en/of - een (duidelijk) volumedeficit van de onderpool van de borst (aan beide zijden) en/of - verlies van volume in de beide onderpolen en/of - een (evident) ingetrokken tepel-areola complex van de linkerborst ter hoogte van transareolaire litteken;
ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4108
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector strafrecht Parketnummer: 09/758781-09 Kenmerk RK: 11/551 Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [klager], geboren op [geboortedatum] in 1959 te [geboorteplaats] (Suriname), wonende te [adres], te dezer zake domicilie kiezende te 's-Gravenhage, (2596 HX) 't Hoenstraat 5, ten kantore van advocaten mrs. C.W. Noorduyn en R.E. van Zijl, blijkens een daarvan opgemaakte akte op 24 november 2010 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot teruggave van medische patiëntendossiers aan klager.
ECLI:NL:HR:2013:BV9221
11/03125 B, ECLI:NL:HR:2013:BV9221 (niet op rechtspraak.nl gepubliceerd).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 13/05488 B Zitting: 21 april 2015 Mr. Knigge Conclusie inzake: [klager] 1. Nadat de Hoge Raad bij beschikking van 12 februari 2013 de zaak had teruggewezen naar de Rechtbank Den Haag, heeft deze Rechtbank bij beschikking van 16 juli 2013 het klaagschrift gegrond verklaard voor zover het ziet op de inbeslagneming van 22 patiëntendossiers van die patiënten die geen onderwerp zijn van het GVO, het beslag op die stukken opgeheven en het gebruik en/of de kennisneming daarvan verboden, en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.

2. Namens de klager heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het beroep richt zich kennelijk niet tegen de bestreden beschikking voor zover het klaagschrift daarbij gegrond is verklaard. 4Waarover het in deze beklagzaak gaat 4.1. De zaak heeft te maken met de strafrechtelijke vervolging van [klager] wegens – kort gezegd – mishandeling en oplichting van patiënten bij wie hij borstoperaties uitvoerde in zijn privékliniek “CityKliniek”. Met het aanhangig maken van de strafzaak is niet (langer) gewacht op de uitkomst van de onderhavige beklagzaak. De Rechtbank Den Haag heeft [klager] bij vonnis van 30 oktober 2014 vrijgesproken, waarbij een rol lijkt te hebben gespeeld dat het IGZ-dossier (waarop de onderhavige beklagzaak betrekking heeft) niet ter beschikking van de Rechtbank stond.

Tegen het vrijsprekende vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. 4.2. Op basis van de vaststellingen van de Rechtbank in de onderhavige beklagzaak kan als vaststaand worden aangenomen dat de Officier van Justitie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen [klager] op 16 februari 2010 bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) op basis van art. 126nf Sv de verstrekking heeft gevorderd van de tegen CityKliniek en [klager] ingediende tuchtklacht van 20 oktober 1999 en alle bijlage bij die klacht. De stukken zijn op 15 maart 2010 door de IGZ aan het onderzoeksteam verstrekt. 4.3.

Het aan het OM verstrekte IGZ-dossier bestaat uit de bij het regionaal tuchtcollege ingediende tuchtklacht tegen [klager] en diverse bijlagen bij deze klacht waaronder: a. meldingen van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) aan IGZ; b. verslag van het inspectiebezoek van de IGZ aan de CityKliniek; c. 32 patiëntendossiers; d. verslagen van een of meer gesprekken tussen klager en de inspecteur. 4.4. Naast de door de IGZ verstrekte stukken zijn tijdens een doorzoeking bij [klager] thuis op 16 november 2010 – dus negen maanden na de vordering aan de IGZ – 32 patiëntendossiers in beslag genomen.

Het klaagschrift dat [klager] tegen het beslag op deze 32 patiëntendossiers heeft ingediend, is door de Rechtbank Den Haag ongegrond verklaard. De Rechtbank overwoog in haar beschikking van 15 maart 2011 dat “hier sprake is van een situatie waarin het belang van waarheidsvinding dient te prevaleren boven de geheimhoudingsplicht”. De Hoge Raad heeft [klager] in het hiertegen ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen middelen van cassatie waren voorgesteld. 4.5. De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de inhoud van de 32 patiëntendossiers die door IGZ zijn verstrekt identiek is aan de inhoud van de patiëntendossiers die onder [klager] in beslag zijn genomen, ook al gaat het om dezelfde patiënten en heeft [klager] die dossiers zelf aan de IGZ verstrekt in het kader van de tuchtklacht. 4.6.

Na terugwijzing van de onderhavige zaak door de Hoge Raad is het klaagschrift opnieuw in raadkamer behandeld op 2 juli 2013. Tijdens die behandeling heeft de OvJ meegedeeld dat een nadere afbakening van het onderzoek heeft plaatsgevonden in die zin dat het GVO sinds september 2011 alleen nog betrekking heeft op (de behandeling door [klager] van) tien patiënten. Daarbij heeft de OvJ zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op de overige 22 patiënten niet langer een strafvorderlijk belang bestaat bij handhaving van het beslag.

Dat heeft ertoe geleid dat de Rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond heeft verklaard. 5Het eerste middel 5.1. Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering bij inzage in de (overige) inbeslaggenomen stukken nog altijd bestaat. 5.2. Bij de behandeling in raadkamer van 2 juli 2013, is namens de klager aangevoerd dat geen strafvorderlijk belang meer bestaat bij het gebruik van de gegevens uit het IGZ-dossier. De Rechtbank heeft met betrekking tot dit standpunt het volgende overwogen: “Het primaire standpunt van klager houdt nu in dat (volgens uitlatingen van de zaaksofficier van justitie) geen strafvorderlijk belang (meer) bestaat bij gebruik van de gegevens uit het IGZ-dossier, zodat om die reden het beslag moet worden opgeheven.

Klager heeft daartoe gewezen op een e-mail van de zaaksofficier van justitie van 11 februari 2013 waarin onder meer het volgende staat: 'Het OM heeft besloten (vooralsnog) geen gebruik te gaan maken van de IGZ stukken. De HR heeft de beslissing weer uitgesteld en dat zou zomaar nog enkele keren kunnen gebeuren. Uit het nieuw verstrekte verbaal kunt u opmaken dat gekozen is voor de uitspraak van het tuchtcollege als uitgangspunt voor onze zaak. ' Daarnaast heeft klager een stukje van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de rechtercommissaris van 13 februari 2013 aangehaald, voor zover daarin staat dat de zaaksofficier van justitie heeft medegedeeld dat de uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 2013 niet leidt tot wijziging van het standpunt van het Openbaar Ministerie dat (vooralsnog) geen gebruik zal worden gemaakt van de IGZ-stukken.

De officier van justitie bij de behandeling van het klaagschrift heeft gemotiveerd in welk licht die mededelingen van de zaaksofficier van justitie moeten worden bezien, namelijk dat de zaaksofficier van justitie er op 11 februari 2013 nog van uitging - kennelijk ten onrechte - dat de beschikking van de Hoge Raad op zich zou laten wachten en zij op 13 februari 2013 weliswaar de beschikking had over die beschikking maar nog geen enkel zicht had op (de planning van) een hernieuwde behandeling van het klaagschrift bij deze rechtbank. Dat heeft gemaakt dat de officier van justitie op dat moment en met de toevoeging 'vooralsnog' ervoor koos geen gebruik te maken van de IGZ-stukken.

Nu binnen afzienbare termijn alsnog uitzicht is gekomen op een (definitieve) beslissing van de rechtbank op dit klaagschrift, wil de officier van justitie alsnog inzage in de inbeslaggenomen stukken. De rechtbank heeft geen aanleiding aan die uitleg van de door de zaaksofficier van justitie gedane mededelingen te twijfelen, al is het maar omdat die uitleg strookt met de inhoud van de weergegeven mededelingen van de zaaksofficier van justitie en ook voorstelbaar is dat gedurende een (langlopend) strafrechtelijk onderzoek mede door procedures als deze steeds opnieuw en afhankelijk van de situatie belangen moeten worden afgewogen en keuzes, voorlopige of niet, moeten worden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat de zaaksofficier van justitie in elk geval door de constante toevoeging van het woordje 'vooralsnog' duidelijk heeft gemaakt dat niet uit te sluiten viel dat haar keuze van dat moment om geen gebruik te maken van de IGZ-stukken weer of nog kon veranderen. De rechtbank leest in geen van de mededelingen dat wat het Openbaar Ministerie betreft geen belang van strafvordering meer bestaat bij kennisneming van die stukken.” 5.3. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat het is gericht tegen een feitelijk oordeel van de Rechtbank dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. 5.4.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat het om een oordeel gaat van de Officier van Justitie dat “vooralsnog” is gegeven. Vooralsnog betekent volgens Van Dale: “voor het ogenblik”, waarbij “voorlopig” en “vooreerst” als synoniemen worden gegeven. De Officier van Justitie heeft op 11 mei 2013 een tijdgebonden oordeel gegeven – op basis van de haar toen ter beschikking staande gegevens, in het bijzonder het feit dat toen nog geen uitzicht bestond op een beslissing in de beklagprocedure – waarbij zij zich het recht heeft voorbehouden later op dit voorlopige standpunt terug te komen op basis van de haar dan ter beschikking staande gegevens.

Inderdaad heeft zij dat daadwerkelijk gedaan toen was gebleken dat de Hoge Raad twee dagen later de beschikking in de beklagprocedure had gegeven. 5.5. Het oordeel van de Rechtbank dat er geen reden is om te twijfelen aan de uitleg die door de Officier van Justitie aan de bedoelde uitlatingen is gegeven, acht ik niet onbegrijpelijk. Aan het – voor het eerst in cassatie gedane – beroep op het ‘nemo debet bis vexari’-beginsel kan daarom voorbij worden gegaan. 5.6. Het middel faalt. 6Het tweede middel 6.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sommige inbeslaggenomen stukken niet vallen onder het van verzoeker afgeleide verschoningsrecht van de IGZ. 6.2.

De vraag is op welke stukken het middel betrekking heeft. Van de vier categorieën stukken die hiervoor, onder 4.3 zijn weergegeven, vallen er in elk geval twee af. Ten aanzien van categorie a (de meldingen van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC) aan IGZ) heeft de Rechtbank het beklag ongegrond verklaard omdat klager (zoals de Hoge Raad al had geoordeeld) zich niet kan beroepen op een verschoningsrecht dat mogelijk aan anderen toekomt. Dat oordeel van de Rechtbank wordt door het middel niet aangevochten. Het middel heeft evenmin betrekking op categorie c (de 32 patiëntendossiers).

Ten aanzien van 22 dossiers is het beklag als gezegd gegrond verklaard, zodat moet worden aangenomen dat het cassatieberoep zich daartegen niet richt. Van de resterende tien dossiers wordt in het middel uitdrukkelijk gesteld dat het daarop geen betrekking heeft (“niet zijnde de tien patiëntendossiers”). 6.3. Dat laatste behoeft niet te verbazen. Met betrekking tot die tien patiëntendossiers heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij “evident” onder het van [klager] afgeleide verschoningsrecht vallen. Ik merk daarbij op dat de Rechtbank ten aanzien van deze dossiers heeft geoordeeld dat hier sprake is van een situatie waarin het belang van waarheidsvinding dient te prevaleren boven de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht.

Over dat oordeel wordt in cassatie niet geklaagd. 6.4. Wat aan stukken resteert, is, behalve de ingediende tuchtklacht, het verslag van het inspectiebezoek van de IGZ aan de CityKliniek (categorie b), verslagen van een of meer gesprekken tussen klager en de inspecteur (categorie d) en eventuele andere bijlagen. Met betrekking tot deze stukken blinkt de beschikking niet uit door duidelijkheid. Er lijkt zich een discrepantie voor te doen tussen het oordeel van de Rechtbank zoals dat uit haar overwegingen blijkt en de (formulering van) de vervolgens gegeven beslissing.

Ik licht dat toe. 6.5. Uit de aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer gehechte schriftelijke conclusie aan de hand waarvan de OvJ in raadkamer het woord voerde, blijkt dat het standpunt van het openbaar ministerie dat het strafvorderlijk belang ten aanzien van een deel van de stukken was komen te vervallen, niet alleen betrekking had op categorie c (de patiëntendossiers), maar op alle stukken die gegevens bevatten die specifiek betrekking hebben op de 22 patiënten die buiten het nader afgebakende GVO vielen. Zo wordt onder punt 10 geconcludeerd dat onder meer “overblijven” de gespreksverslagen (categorie d) “voor zover die betrekking hebben op de tien patiënten die onderwerp zijn van het GVO”.

Het oordeel van de Rechtbank sluit bij deze standpuntbepaling aan. Overwogen wordt: “De officier van justitie heeft betoogd dat nog steeds een belang van strafvordering bestaat bij inzage van stukken uit het IGZ-dossier, maar om andere redenen dan aangevoerd door klager het strafvorderlijk belang bij een deel van de stukken uit het IGZ-dossier prijs gegeven. Het Openbaar Ministerie heeft het onderzoek afgebakend en zal de rechtercommissaris uitsluitend nog vragen om toevoeging van die stukken uit het IGZ-dossier die betrekking hebben op (a.) de algemene zorgverlening door klager en (b.) de tien patiënten die onderwerp zijn van het GVO.

Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat - bij gebreke van een strafvorderlijk belang - het beslag op alle stukken die betrekking hebben op andere patiënten dan die tien en niet handelen over de algemene zorgverlening door klager dient te worden opgeheven en het klaagschrift in zoverre gegrond dient te worden verklaard. Zolang beslag rust op (ook) die stukken, behoudt klager belang bij zijn klacht. Het is daarom dat de rechtbank niet met de officier van justitie zal oordelen dat klager in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn klacht.” 6.6.

Uit deze overwegingen blijkt onmiskenbaar dat de bedoeling van de Rechtbank was om het klaagschrift gegrond te verklaren ten aanzien van “alle stukken” die betrekking hebben op andere dan de tien patiënten waarop het GVO zich richtte en bovendien ten aanzien van “alle stukken” die “niet handelen over de algemene zorgverlening door klager”. De gegrondverklaring beperkte zich derhalve niet tot de 22 buiten de boot van het GVO vallende patiëntendossiers van categorie c. In het dictum is dat echter niet, of althans niet duidelijk, tot uitdrukking gebracht.

Dat betekent tegelijkertijd dat de vraag rijst waarop de ongegrondverklaring – die “voor het overige” is gedaan – precies betrekking heeft. Ik kom daarop nog terug. 6.7. Hier verdient aandacht dat hetgeen de Rechtbank overweegt na de zojuist onder 6.5 weergegeven passage, gelezen moet worden in het licht van de onmiskenbare bedoeling die uit die passage blijkt. Het gaat in het vervolg alleen nog om stukken die betrekking hebben op de tien bedoelde patiënten en om stukken die zien op de algemene zorgverlening door klager. Zo overweegt de Rechtbank, na te hebben geoordeeld dat de klager geen beroep op een verschoningsrecht toekomt ten aanzien van NVPC-meldingen (categorie a), het volgende:

“Verder zal in elk geval het beslag op de 22 dossiers van die patiënten die geen onderwerp zijn van het GVO dienen te worden opgeheven. Voor alle andere resterende stukken geldt - voor zover hiervoor al volledig opgesomd - dat gelet op de aard daarvan niet valt uit te sluiten dat deze stukken informatie bevatten, over voornoemde tien patiënten en/of over de algemene zorgverlening door klager, die door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant wordt geacht. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voor die door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant geachte stukken uit het IGZ-dossier geldt dat een belang van strafvordering, te weten het belang van waarheidsvinding, bestaat bij inzage daarin.

De officier van justitie heeft het bestaan van dat belang ook onderbouwd, namelijk door aan te geven dat ze (naar alle waarschijnlijkheid) informatie bevatten over de algemene behandelmethoden die klager hanteerde, over zijn dossiervoering en over de behandeling van die tien patiënten, welke informatie relevant kan zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid in zijn strafzaak.” 6.8. Deze overwegingen zijn alleen begrijpelijk als aangenomen wordt dat de Rechtbank met de daarin genoemde 22 dossiers waarop het beslag dient te worden opgeheven, niet alleen het oog heeft op de dossiers van categorie c, maar op alle stukken die betrekking hebben op de desbetreffende 22 patiënten, dus bijvoorbeeld ook op de gespreksverslagen die over deze patiënten gaan.

Als dat anders zou zijn, valt niet goed te begrijpen waarom de Rechtbank ten aanzien van “alle andere resterende stukken” oordeelt dat niet uit te sluiten valt dat zij informatie bevatten over de tien overgebleven patiënten en/of over de algemene zorgververlening door klager. Niet uit te sluiten valt dan immers evenmin dat die stukken informatie bevatten over de bedoelde 22 patiënten. Bovendien valt dan niet te begrijpen dat de Rechtbank overweegt dat het hier gaat om “door het Openbaar Ministerie nog steeds relevant geachte stukken”. Stukken die betrekking hebben op de 22 bedoelde patiënten had de OvJ immers uitdrukkelijk niet langer relevant geacht. 6.9.

Ik meen derhalve te mogen concluderen dat de hierna weergegeven overweging waarin de Rechtbank haar oordeel over al de bedoelde “andere resterende stukken” geeft, alleen betrekking heeft op stukken die gegevens bevatten over de tien patiënten die tot het onderwerp van het GVO behoren en op stukken die zien op de algemene zorgverlening door klager. Bij een andere lezing zou die overweging weer niet goed te begrijpen zijn, nu daarin over stukken die betrekking hebben op de 22 andere patiënten niet wordt gerept. De bedoelde overweging luidt: “Dat de tien resterende patiëntdossiers medische informatie van patiënten kunnen bevatten, is evident, zodat die vallen onder het van klager afgeleide verschoningsrecht van IGZ.

Kennelijk heeft de officier van justitie met de andere door het Openbaar Ministerie gewenste stukken, de stukken uit het IGZ-dossier die betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager, gedoeld op andere stukken dan die welke medische informatie van specifieke patiënten bevatten, zodat die stukken naar het oordeel van de rechtbank niet vallen onder het van klager afgeleide verschoningsrecht van de IGZ. Ten aanzien van die stukken is het klaagschrift dan ook om die reden ongegrond.” 6.10. Op het eerste gezicht is het merkwaardig dat de Rechtbank een tweedeling maakt tussen de tien patiëntendossiers en de “andere door het Openbaar Ministerie gewenste stukken” en ten aanzien van die andere stukken oordeelt dat die (alleen) betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager.

De gespreksverslagen die op de tien patiënten betrekking hebben, lijken zo tussen de wal en het schip te zijn gevallen. Dat echter kan niet de bedoeling zijn. Aangenomen moet daarom worden dat voor de term ‘patiëntdossiers’ in deze overweging hetzelfde geldt als voor de term ‘dossiers’ in de onder 6.7 weergegeven overweging, namelijk dat daarmee alle stukken worden bedoeld die gegevens bevatten over de desbetreffende patiënten (vgl. hiervoor, onder 6.8). In diezelfde zin is de term ‘patiëntdossier’ dan kennelijk in het dictum gebezigd.

Bij die uitleg is de gesignaleerde discrepantie minder groot. 6.11. Wat betekent dit alles voor het voorgestelde middel? In de eerste plaats dat het feitelijke grondslag mist voor het zover het ervan uitgaat dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat stukken die specifieke informatie bevatten over patiënten (zoals mogelijk het geval is met betrekking tot de gespreksverslagen) niet onder het afgeleide verschoningsrecht vallen. Hetzelfde geldt voor zover het middel ervan uitgaat dat de Rechtbank zich over bepaalde stukken in het geheel niet heeft uitgelaten.

De overwegingen van de Rechtbank moeten immers zo worden verstaan dat het klaagschrift alleen ongegrond is verklaard voor zover het gaat om (i) stukken die specifiek betrekking hebben op de tien patiënten waarop het GVO zich richt en (ii) stukken die enkel betrekking hebben op de algemene zorgverlening door klager. Van alle onder (i) bedoelde stukken heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij onder het verschoningsrecht vallen. Van de onder (ii) bedoelde stukken heeft zij geoordeeld dat dit niet het geval is. Het voorgaande betekent daarom in de tweede plaats dat het middel enkel nog bespreking behoeft voor zover het betrekking heeft op het oordeel dat de Rechtbank gaf ten aanzien van de onder (ii) bedoelde stukken. 6.12.

De aan dit oordeel ten grondslag liggende opvatting van de Rechtbank dat deze stukken niet onder het verschoningsrecht vallen omdat zij geen “medische informatie van specifieke patiënten” bevatten, wordt in de toelichting op het middel niet bestreden met argumenten die zich speciaal daarop richten. Toch ga ik ervan uit dat het middel zich ook tegen het bedoelde oordeel richt. De algemene klacht dat de Rechtbank haar eigen oordeel niet voor dat van de klager in de plaats had mogen stellen, geldt voor dat oordeel evenzeer. Ik merk daarbij op dat, mocht de Rechtbank hebben bedoeld dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klager onjuist is, mij dit niet zonder meer begrijpelijk voorkomt.

Het gaat bij de bedoelde stukken niet om algemeen toegankelijke informatie over zorgverlening en behandelmethoden die in de gezondheidszorg gangbaar zijn, maar om de zorgverlening die door de klager in zijn kliniek werd gepraktiseerd en die – zo lijkt de verdenking in te houden – juist niet algemeen gangbaar was. Daarom valt niet redelijkerwijs uit te sluiten dat de bedoelde stukken informatie bevatten over de behandelingen die de patiënten in de kliniek ondergingen. 6.13. Het middel is in zoverre gegrond. De vraag is of dat tot cassatie moet leiden.

Ik meen van niet en wel omdat de klager daarbij onvoldoende belang heeft. Het kan er namelijk voor gehouden worden dat de Rechtbank, als zij wél had geoordeeld dat de bedoelde stukken onder het verschoningsrecht vallen, ook ten aanzien van die stukken zou hebben geoordeeld dat sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. Het zou immers vreemd zijn als de Rechtbank een inbreuk op het verschoningsrecht wel gerechtvaardigd zou achten ten aanzien van stukken die specifiek betrekking hebben op bepaalde patiënten, maar niet ten aanzien van stukken die dergelijke specifieke informatie niet bevatten.

In het laatste geval gaat de inbreuk op het verschoningsrecht minder ver en valt de belangenafweging dus eerder in het voordeel van doorbreking uit. 6.14. Een andere oplossing zou zijn dat de Hoge Raad wel tot partiële vernietiging overgaat en vervolgens, zoals art. 448 lid 1 Sv hem voorschrijft, in zoverre beveelt wat had behoren te geschieden. De Hoge Raad doet dan dus opnieuw recht, waarbij hij zich kan baseren op het in cassatie overeind gebleven oordeel dat de Rechtbank met betrekking tot de tien patiëntendossiers gaf. De uitkomst waartoe dat leidt, dient mijns inziens te zijn dat het beklag opnieuw ongegrond wordt verklaard, maar dan omdat een doorbreking van het verschoningsrecht is gerechtvaardigd.

Voor de klager komt dit op hetzelfde neer. Dat illustreert dat hij bij vernietiging onvoldoende belang heeft. 6.15. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

7. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering.

8. Ambtshalve en naar aanleiding van het tweede middel heb ik mij nog afgevraagd of de gesignaleerde onduidelijkheid waaraan de beslissing van de Rechtbank lijdt – die wordt veroorzaakt doordat de term ‘patiëntdossier’ door de Rechtbank in verschillende betekenissen wordt gebruikt en die de voedingsbodem lijkt te zijn geweest waaruit het tweede middel is voortgesproten – niet tot enigerlei vorm van correctie zou moeten leiden. Ik zie daarbij drie opties. De eerste is dat dat enigerlei vorm van verduidelijking achterwege wordt gelaten omdat het voor de goede verstaander – lees de rechter-commissaris die de stukken onder zich heeft en die uitvoering moet geven aan de gegeven beschikking – wel duidelijk zal zijn hoe de Rechtbank het allemaal heeft bedoeld.

De tweede optie is dat de Hoge Raad in de onduidelijkheid grond vindt om de bestreden beschikking voor zover die aan zijn oordeel is onderworpen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, specificeert op welke stukken de ongegrondverklaring van het klaagschrift betrekking heeft. De derde optie is dat de Hoge Raad onder woorden brengt hoe de bestreden beschikking voor zover die aan zijn oordeel is onderworpen, moet worden verstaan. Die laatste optie heeft mijn lichte voorkeur.

9. Ambtshalve heb ik ook geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG ECLI:NL:HR:2013:BV3004, NJ 2013/505 m.nt. J. Legemaate; GJ 2013/52 m.nt. T.M. Schalken. Rechtbank Den Haag 30 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13243, GJ 2015/11 m.nt. T.M. Schalken. Rb. Den Haag 15 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4108; GJ 2011/98. HR 12 februari 2013, nr. 11/03125 B, ECLI:NL:HR:2013:BV9221 (niet op rechtspraak.nl gepubliceerd). Geheel verdwenen is de discrepantie niet. De Rechtbank oordeelde dat het beklag ook gegrond was ten aanzien van stukken die geen specifieke informatie over bepaalde patiënten bevatten en evenmin betrekking hebben op de algemene zorgverlening. Deze categorie irrelevante stukken wordt door een ruime uitleg van de term ‘patiëntdossier’ niet gedekt.