Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2015:2410 ECLI:NL:PHR:2015:2410 AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:2410 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2015:2410
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Zaaknr: 15/0444 7 Mr. F.F. Langemeijer Zitting: 23 oktober 2015 (art. 80a RO) Conclusie inzake: [betrokkene] tegen Officier van Justitie Rotterdam 1Feiten en procesverloop 1.1. Op 10 juni 2015 heeft de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam een voorlopige machtiging verzocht om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren (art. 2 in verbinding met art. 31 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 8 juni 2015 gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

art. 5 lid 1 EVRM; ECLI:NL:PHR:2015:2410 · Parket bij de Hoge Raad: In een beschikking van 10 oktober 2014 overwoog de Hoge Raad: “(...) Mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming, kan verslaving aan middelen als drugs en alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.

Keywords

AI generated
art. 5 lid 1 EVRM

Cited Legislation

AI generated
art. 5 lid 1 EVRM
De eis van een psychiatrisch onderzoek wordt zowel in de Wet Bopz als in de rechtspraak van het EHRM over de toepassing van art. 5, lid 1 onder e, EVRM gesteld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2014:2937
10 oktober 2014 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:HR:2005:AU0372
Het geding in feitelijke instantie De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft op 21 februari 2005 onder overlegging van een op 10 februari 2005 ondertekende geneeskundige verklaring een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van het verblijf van [verweerster] - verder te noemen: de betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis. Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door haar raadsvrouwe, en de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige op 10 maart 2005 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum het verzoek afgewezen. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
NJ 2007/230
HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt.
ECLI:NL:HR:2007:BB3321
Het geding in feitelijke instantie De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft op 21 maart 2007, onder overlegging van een op 19 maart 2007 door de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis Parnassia te 's-Gravenhage en psychiater [betrokkene 1] als de niet bij de behandeling betrokken psychiater ondertekende geneeskundige verklaring, een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank heeft het verzoek ter terechtzitting van 27 maart 2007 mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en zijn advocaat en de behandelend arts [betrokkene 2]. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte (voorlopige) machtiging geweigerd. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
NJ 2007/541
Zie ook: HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, NJ 2007/541, «BJ» 2007/44 m.nt.
NJ 2014/439
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, «JVggz» 2014/37 m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Zaaknr: 15/0444 7 Mr. F.F. Langemeijer Zitting: 23 oktober 2015 (art. 80a RO) Conclusie inzake: [betrokkene] tegen Officier van Justitie Rotterdam 1Feiten en procesverloop 1.1. Op 10 juni 2015 heeft de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam een voorlopige machtiging verzocht om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren (art. 2 in verbinding met art. 31 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 8 juni 2015 gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. 1.2.

Op 29 juni 2015 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor het tijdvak tot uiterlijk 12 december 2015. 1.3. Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. Het middel komt op tegen het oordeel dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, erin bestaande dat betrokkene afhankelijk is van alcohol, diverse drugs en benzodiazepinen. Het middel klaagt dat de rechtbank niet duidelijk maakt waarom sprake zou zijn van een stoornis van de geestvermogens in de zin van art. 1 Wet Bopz, nu zij niet heeft vastgesteld met welke (andere) psychische stoornissen van zodanige aard de verslaving gepaard gaat, dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst.

Het citeren van (een deel van) de beschikking van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 is daartoe niet voldoende. Het oordeel is in ieder geval onbegrijpelijk gemotiveerd. 2.2. Voor een voorlopige machtiging vereist de Wet Bopz een stoornis van de geestvermogens die de betrokken patiënt gevaar doet veroorzaken, welk gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (zie art. 2, in verbinding met art. 1 Wet Bopz). De ‘geestvermogens’, bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz, zijn in de parlementaire geschiedenis omschreven als:

“de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen’. Zij worden bepaald door biologische, psychische en sociale factoren. Van een ‘ziekelijke stoornis’ van deze geestvermogens is sprake zodra deze tijdelijk of blijvend gestoord raken. Het vaststellen van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens vergt een onderzoek door een deskundige (psychiater). De eis van een psychiatrisch onderzoek wordt zowel in de Wet Bopz als in de rechtspraak van het EHRM over de toepassing van art. 5, lid 1 onder e, EVRM gesteld. 2.3.

In zijn beschikking van 23 september 2005 heeft de Hoge Raad overwogen: “(...) dat alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.” (rov. 3.3.5) 2.4.

In een beschikking van 10 oktober 2014 overwoog de Hoge Raad: “(...) Mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming, kan verslaving aan middelen als drugs en alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.

Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het bij afhankelijkheid van verslavende middelen veelal gaat om verschijnselen van chronische aard, zodat een daarop gebaseerde vrijheidsbeneming naar haar aard eveneens van lange duur zou kunnen zijn (zie de hiervoor [...] genoemde beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2005).” 2.5. Het enkele feit dat de betrokkene verslaafd is, is derhalve niet voldoende. Van belang is of de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat aan de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.

Deze, grotendeels aan de parlementaire geschiedenis van de Wet Bopz ontleende omschrijving dekt zowel gevallen van comorbiditeit als gevallen waarin alleen sprake is van alcoholafhankelijkheid, mits deze de bovengenoemde graad van ernst heeft bereikt. In zijn noot onder HR 10 oktober 2014 duidt Dijkers de beschikking van 23 september 2005 aldus dat hieruit niet moet worden afgeleid dat naast de verslaving altijd een andere stoornis aanwezig moet zijn. Een verslaving is slechts relevant wanneer deze gepaard gaat met dermate ernstige psychische stoornissen – dat wil zeggen: feitelijk aanwezige verstoringen van het “denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen” − dat betrokkene geen stuur over zijn gedragingen heeft.

Het is, anders gezegd, niet noodzakelijk om een afzonderlijke tweede ziekte te diagnosticeren; een allesoverheersende verslaving waarvan de consequenties op het psychisch functioneren van betrokkene evident aanwezig zijn, kan op zichzelf reden zijn voor dwangopneming (mits uiteraard ook het gevaar daarvoor ernstig genoeg is), aldus Dijkers. 2.6. De rechtbank heeft, blijkens haar verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 10 oktober 2014, de juiste maatstaf voor ogen gehad. Met de combinatie van haar verwijzing naar HR 10 oktober 2014, en de (feitelijke, in cassatie niet bestreden) vaststelling dat betrokkene de aanwezige, door de rechtbank beschreven risico’s zelf niet kan overzien (blz. 1), geeft de rechtbank op een inzichtelijke wijze aan dat bij betrokkene niet slechts sprake is van de genoemde verslavingen, maar óók dat zijn afhankelijkheid van deze middelen gepaard gaat met een stoornis van de geestvermogens van een zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor worden beïnvloed, in die mate dat deze stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.

Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het feit dat uit de geneeskundige verklaring blijkt dat betrokkene een dag nadat hij zijn nek had gebroken tegen medisch advies in uit het ziekenhuis is vertrokken en weer overmatig alcohol is gaan drinken. De klacht kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. 3Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden a.- g. Het cassatieverzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 29 september 2015.

ECLI:NL:HR:2014:2937. Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270, nr. 12, blz.

12. HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate, «BJ» 2005/35 m.nt. W. Dijkers. Zie ook: HR 5 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3321, NJ 2007/541, «BJ» 2007/44 m.nt. W. Dijkers. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, «JVggz» 2014/37 m.nt. W. Dijkers. Zie ook de losbladige Wet Bopz (Dijkers), art. 2, aant. C.2.4.8; R.B.M. Keurentjes, Alcoholverslaving en de Wet Bopz, Trema 2013, blz. 173 – 177. Zie rubriek 4a van de geneeskundige verklaring. Rubriek 5c. Zie ook de medische informatie in de bij de geneeskundige verklaring gevoegde behandelovereenkomst.