Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2015:2011 ECLI:NL:PHR:2015:2011 AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:2011 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2015:2011
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

14/04432 mr. J.C. van Oven 25 september 2015 Conclusie inzake: het Bureau Beheer Landbouwgronden eiser tot cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) tegen [verweerder] verweerder in cassatie (mr. J.A.M.A. Sluysmans) De zaak betreft de schadeloosstelling wegens onteigening van 06.14.08 ha weiland in de gemeente Lansingerland. Het middel (met klachten die grotendeels ook in de zaken 14/04378 (BBL/ […] ) en 14/04383 (BBL/ […] ) zijn aangevoerd) klaagt erover dat de rechtbank bij de waardebepaling van het onteigende ten onrechte niet alleen de op de peildatum vigerende planologische bestemming maar ook nog twee eerdere planologische bestemmingen met toepassing van art. 40c Onteigeningswet heeft weggedacht, waardoor aan het onteigende een te hoge waarde zou zijn toegekend, en over het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:2011 · Parket bij de Hoge Raad: BBL heeft hiertegen ingebracht dat deze eliminatie in strijd is met art. 41 Ow en dat het verlies van glastuinbouwmogelijkheden geen gevolg is van de onteigening, maar planschade. [verweerder] betoogde dat het onredelijk en in strijd met het onteigeningsrecht is om bij de berekening van de waardevermindering van het overblijvende de eliminatieregel toe te passen. Het gaat in wezen om planschade, maar deze vordering is inmiddels verjaard. [verweerder] stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen planschadeclaim heeft ingediend omdat in het vigerende bestemmingsplan de resterende grond nog wél op de nominatie stond om onteigend te worden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BL1634
Het geding in feitelijke instantie De Provincie heeft bij exploot van 28 februari 2006 [eiser 1] doen dagvaarden voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd bij vervroeging, ingevolge art.
ECLI:NL:RBROT:2014:4915
Rechtbank Rotterdam team handel zaak-/rolnummer: C/10/412648 / HA ZA 12-997 VONNIS van de meervoudige kamer van 18 juni 2014 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN, gevestigd te Den Haag, eiser, verweerder in het incident tot tussenkomst; advocaten mr. M. Rus-van der Velde en mr. J.S. Procee, - tegen - [gedaagde] , wonende te Berkel en Rodenrijs, gedaagde, verweerder in het incident tot tussenkomst, advocaat mr. J.J. van der Gouw, - en tegen - 1. de vennootschap onder firma [tussenkomende partij 1], gevestigd te Berkel en Rodenrijs en haar vennoten 2. [tussenkomende partij 2], wonende te [woonplaats] en 3. [tussenkomende partij 3] wonende te [woonplaats], verzoekers in het incident tot tussenkomst, advocaat mr. J.J. van der Gouw, - en tegen - [tussenkomende partij 2] , wonende te [woonplaats], verzoeker in het incident tot tussenkomst, advocaat mr. J.J. van der Gouw. Partijen worden hierna aangeduid als BBL en [gedaagde]. De vennootschap onder firma [tussenkomende partij 1] en haar vennoten [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 3] worden gezamenlijk als [tussenkomende partijen] aangemerkt. In persoon worden deze vennoten als [tussenkomende partij 2] en [tussenkomende partij 3] aangemerkt. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van descente en de daarin genoemde stukken; het tussenvonnis van 30 januari 2014 en de daarin genoemde stukken; de brief van mr. Rus-van der Velde van 27 februari 2013; het faxbericht van mr. Rus-van der Velde van 1 maart 2013; de brief van mr. Van der Gouw van 8 februari 2013; het concept-deskundigenbericht; de brief van mr. Van der Gouw van 10 mei 2013; de brief van mr. Procee van 13 mei 2013; de brief van mr. Procee van 28 mei 2013; het deskundigenbericht; het aanvullend deskundigenbericht; de brief van mr. Van der Gouw van 28 november 2013; het faxbericht van mr. Rus-van der Velde van 29 november 2013; de notitie van deskundigen voor de pleidooizitting van 2 december 2013; de pleitnota van BBL voor de pleidooizitting van 2 december 2013; de pleitaantekeningen van [gedaagde] voor de pleidooizitting van 2 december 2013; de brief van mr. Van der Gouw van 16 december 2013; het faxbericht van mr. Rus-van der Velde van 23 december 2013. 1.2. Tenslotte is vonnis bepaald. 2Het geschil en de verdere beoordeling 2.1. In voormeld tussenvonnis is de onteigening uitgesproken. In geschil is nog de hoogte van de schadeloosstelling vanwege de onteigening. Peildatum voor de schadeloosstelling is de dag van inschrijving in de openbare registers van het vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken (art. 40a Onteigeningswet, hierna: Ow). Deze peildatum is 21 februari 2013, blijkens de brief van BBL van 27 februari 2013. 2.2. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis als voorschot op de schadeloosstelling € 401.417,- aan [gedaagde] toegewezen. Aan [tussenkomende partijen] is geen voorschot toegewezen. 2.3. Het onteigende is gelegen in Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland) en bestaat, na kadastrale vernummering van het voormalige perceel C 3672, uit de volgende twee perceelgedeelten: - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 1] . - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] . De rechtbank zal de voormelde onteigende twee perceelsgedeelten, en in voorkomend geval ook het overblijvende daarvan, hierna ook wel aanduiden als de zuidwestelijke grond respectievelijk de noordoostelijke grond. 2.4. Eigenaar van het onteigende was voorheen [gedaagde]. 2.5. Op de locatie van het onteigende dreef [tussenkomende partijen] een boerenbedrijf gecombineerd met agritoerisme en met restaurant- en winkelfaciliteiten. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat [tussenkomende partijen] op de peildatum pachter was van [gedaagde]. Het verzoek van [tussenkomende partijen] om te mogen tussenkomen wordt daarom toegestaan. 2.6. [tussenkomende partij 2] heeft zich in het verzoek tot tussenkomst twee maal gesteld. Voor zover [tussenkomende partij 2] beoogt om ook buiten zijn hoedanigheid van vennoot in [tussenkomende partijen] schadeloosstelling te verkrijgen zal dit worden afgewezen, omdat niet valt in te zien en [tussenkomende partij 2] ook niet duidelijk maakt welke schade hij lijdt anders dan in zijn hoedanigheid van vennoot in [tussenkomende partijen]. 2.7. Het onteigende maakt onderdeel uit van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker, dat op zijn beurt onderdeel uitmaakt van de te realiseren Groenblauwe Slinger, een gebied van circa 200 km2 dat Midden-Delfland verbindt met het Groene Hart en dat bestaat uit onder meer 1.600 ha. nieuw natuur- en recreatiegebied en 125 km aan recreatieve routes. 2.8. De rechtbank heeft drie deskundigen benoemd. Deze deskundigen hebben op 9 september 2013 een (eerste) deskundigenrapport uitgebracht. In het rapport komen de deskundigen, samengevat, tot de navolgende bevindingen: a. toe te kennen aan [gedaagde] Waarde van het onteigende € 732.816,- Waardevermindering van het overblijvende € 246.217,- Bijkomende vergoedingen: -Inkomensschade nihil -Accountantskosten € 2.500,- -Belastingschade nihil -Kosten deskundige en juridische bij stand p.m. Tezamen € 981.533,- + 1 x p.m. De rechtbankdeskundigen hebben een aanvullend deskundigenrapport opgesteld, gedateerd 18 oktober 2013. In dit aanvullende deskundigenrapport zijn de rechtbankdeskundigen teruggekomen op hun bevinding voor wat betreft de post “waardevermindering van het overblijvende.” In hun aanvullende deskundigenrapport begroten de rechtbankdeskundigen deze waardevermindering primair op € 55.542,- en (eerst) subsidiair alsnog op het bedrag van € 246.217,- waarvan zij voorheen ook al uitgingen. b. toe te kennen aan de maatschap [gedaagde]-[tussenkomende partijen]: nihil c. toe te kennen aan [tussenkomende partijen] Inkomensschade € 96.718,- Omrijschade € 4.500,- Bijkomende vergoedingen: -Liquidatieschade versnelde afstoot € 2.500,- gedeeltelijke rundveestapel -Accountantskosten € 2.500,- -Belastingschade p.m. -Kosten deskundige en juridische bijstand p.m. Tezamen € 106.218,- + 2x p.m. Aan deze bedragen dient volgens de rechtbankdeskundigen te worden toegevoegd: -een rentevergoeding over het verschil tussen de door de rechtbank vast te stellen schadeloosstellingen en het bedrag van het betaalde voorschot over de periode tussen inschrijving van het onteigeningsvonnis in de openbare registers en de datum van het vonnis waarbij de schadeloosstelling wordt vastgesteld, en voorts -de wettelijke rente over het bedrag van de schadeloosstellingen vanaf de datum van laatstgenoemd vonnis tot de datum van betaling van het restant van de schadeloosstelling. 2.9. De rechtbank zal de vorderingen beoordelen in de volgorde die de rechtbankdeskundigen in voormeld overzicht hanteren, als eerste in de procedure tegen [gedaagde] (A), vervolgens in de procedure tegen de maatschap [gedaagde]-[tussenkomende partijen] (B) en ten slotte in de procedure tegen [tussenkomende partijen] (C). A de procedure tegen [gedaagde] Waarde van het onteigende (onbebouwde grond) 2.10. De rechtbank zal de beoordeling van deze kwestie in twee delen splitsen: 1) moet de waarde van de grond gerelateerd worden aan de mogelijkheid om deze als kastuinbouwgrond te verkopen (elimineren)? 2) waarde van de grond. 2.11. Het huidige bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Groenzone”, vastgesteld in februari 2006. Op basis daarvan rust thans op het onteigende de bestemming recreatie. Aan de orde is de vraag of niet alleen dit bestemmingsplan, maar ook de aan dit bestemmingsplan voorafgaande 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied bij de waardering van het onteigende moet worden geëlimineerd. De rechtbankdeskundigen rapporteren hierover: “Met inachtneming van de (…) door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten komen deskundigen tot de conclusie dat de invloed van de krachtens het bestemmingsplan “Groenzone” aan het onteigende gegeven recreatieve bestemming dient te worden geëlimineerd. Daartoe overwegen zij het volgende. Blijkens de tot de onteigeningstukken behorende zakelijke beschrijving en de inhoud van het KB van 8 november 2010 waarbij de onderhavige gronden ter onteigening zijn aangewezen maakt de omvorming van het gebied waarin het onteigende is gelegen deel uit van een sedert 1994 door de provincie Zuid-Holland ingezet beleid om doorlopende natuur- en recreatiegebieden te maken in de S-vormige open ruimte tussen de steden rond Den Haag en Rotterdam. Het programma, in de betrokken beleidsstukken aangeduid als de “Groenblauwe Slinger”, is gericht op het groen houden van deze gebieden en deze gebieden op sommige plekken uit te breiden met de functies natuur en recreatie. De reeds eerder in dit rapport geciteerde brief van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 13 juli 1999 aan B en W van Berkel en Rodenrijs maakt duidelijk dat anno 1999 sprake was van een reeds vrij duidelijk uitgekristalliseerd en op de realisering van de Groenblauwe Slinger gericht beleid, dat in de ogen van de provincie niet meer ter discussie stond en een einde diende te maken aan (volledige) glastuinbouwbestemmingen in het te transformeren gebied. Alleen een beperkte uitbreidingsmogelijkheid voor bestaande glastuinbouwbedrijven (de zogenaamde 2 hectare-regeling) zou voorlopig nog toelaatbaar zijn. Gemakshalve worden de citaten uit de betrokken brief waarin dit tot uitdrukking komt hierna nogmaals opgenomen: ‘Zoals u bekend is werkt de provincie al enige jaren voortvarend aan de realisering van de Groenblauwe Slinger, de ecologische recreatieve verbinding van Midden-Delfland naar het Groene Hart. De Groenzone Berkel-Pijnacker is onderdeel van de slinger dat de smalle, maar cruciaal verbindende schakel vormt tussen de qua omvang grotere gebieden van de Slinger. In februari van dit jaar hebben Provinciale Staten de nota “Stad en land in balans” vastgesteld, het ontwikkelingsperspectief van de Groenblauwe Slinger. Dit perspectief geeft het langetermijnbeeld voor de inrichting en de organisatie van uitvoering, financiering en verdere planvorming van het gebied weer. Daarmee staat voor de provincie de ambitie om tot realisering van dit groengebied gekomen niet meer ter discussie, de Groenblauwe Slinger komt er. Voor de provincie is de Groenblauwe Slinger in de Zuidvleugel van de Randstad veruit het belangrijkste groenproject, juist met name in de omgeving waar de komende tien jaar tienduizenden nieuwe bewoners zullen komen. Wij vinden het van cruciaal belang dat die bewoners in hun directe omgeving kunnen recreëren en dat de aangrenzende gebieden van de VINEX-locaties duurzaam worden ingericht.’ (------) ‘Wij hebben met waardering geconstateerd dat uw raad in 1998 een voorbereidingsbesluit heeft genomen voor het gebied in de Groenzone met een (volledige) glastuinbouwbestemming. Onzes inziens was dit besluit niet alleen noodzakelijk om als overheid geloofwaardig te blijven, maar ook om slagvaardig tot verdere besluitvorming met betrekking tot de realisering te kunnen komen. Wij hopen daarom ook dat dit voorbereidingsbesluit aaneensluitend gevolgd zal worden door het vaststellen van een bestemmingsplan waarin de zogenaamde 2 hectareregeling is opgenomen. Deze regeling is naar ons oordeel in de tussenfase van planvorming tot realisering een goede middenweg om enerzijds verdere “verglazing” tegen te gaan en anderzijds tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde belangen van de betrokken tuinders. In dit verband willen wij er nog op wijzen dat de agrarische sector naar ons oordeel niet wordt gedupeerd, mits er snel duidelijkheid komt.’ Deze brief is gevolgd door overleg tussen de rijksoverheid, de provincie en de gemeenten, welk overleg heeft geleid tot een intentieverklaring die op 22 november 2001 is ondertekend door het (toenmalige) ministerie van LNV, de provincie Zuid-Holland en de (toenmalige) gemeenten Berkel en Rodenrijs en Pijnacker. In deze intentieverklaring zijn vastgelegd de tussen de betrokken overheden gemaakte afspraken over het met het oog op de realisering van de Groenblauwe Slinger te voeren beleid inzake planologische invulling en grondverwerving. Blijkens de intentieverklaring werd onder meer afgesproken dat de provincie de doorwerking van de provinciale plannen in de gemeentelijke bestemmingsplannen zal bevorderen, en dat de betrokken gemeenten voor de beoogde groengebieden een aanvang zullen nemen met de planologische verankering van de benodigde “groene” aanduidingen door middel van herziening van bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluiten. Ook werd afgesproken dat de gemeenten zich in de periode voorafgaand aan het aanpassen van de bestemmingsplannen zullen inspannen om activiteiten te voorkomen die strijdig zijn met de beoogde groene doelstelling voor het gebied. Op streekplanniveau werden de plannen voor de realisering van de Groenblauwe Slinger vastgelegd in het streekplan Rijnmond van 1996, het streekplan Zuid-Holland West van 2003 en het streekplan/ structuurplan RR2020 van 2005 (zie de eerder in dit rapport opgenomen citaten uit deze streekplannen). In oktober 2004 werd in opdracht van de provincie het “Masterplan Groenzone” vervaardigd voor de inrichting van Groenzone Berkel en Bergboezem Oude Leede. Dit Masterplan moest blijkens de inleiding dienen als “onderlegger” voor de op groenbestemmingen gerichte herziening van de gemeentelijke bestemmingsplannen. In de inleiding wordt tevens vermeld dat het Masterplan met zijn schaalniveau van 1:10.000 nog niet de gedetailleerdheid van een inrichtingsplan heeft, maar wel voldoende informatie geeft voor “de planologische vertaling van de functieveranderingen in het gebied”. In september 2009 werd door de Dienst Landelijk Gebied een voorontwerp gemaakt voor de inrichting van de groenzone Berkel-Pijnacker met als startpunt het Masterplan Groenzone van 2004 en met verwerking van een aantal wijzigingen en detailleringen alsmede inpassing van enkele nieuwe ontwikkelingen in het gebied. Dit voorontwerp, dat ter inzage heeft gelegen ter voorbereiding van het onteigenings-KB van 8 november 2010, vormt blijkens de inleiding het eindpunt in het proces van planvorming op het schaalniveau van de hele Groenzone. In december 2011 is het voorontwerp voor wat betreft het gebiedsgedeelte waarin het onteigende is gelegen gevolgd door een Definitief Ontwerp voor het als “De Groenzoom” aangeduide (smalste) onderdeel binnen de Groenblauwe Slinger. Op gemeentelijke niveau vigeerde ter plaatse van het onteigende vanaf 1983 het in 1978 vast gestelde bestemmingsplan “Landelijk Gebied” van de toenmalige gemeente Berkel en Rodenrijs. In dit bestemmingsplan had een deel van het onteigende een agrarische bestemming die zonder meer glastuinbouw met kassenbouw toeliet. Blijkens de eerder in dit rapport weergegeven gemeentelijke planologische ontwikkelingen is deze bestemming gehandhaafd bij de 1e, 2e en 3e herziening van dit bestemmingsplan, en is de glastuinbouwmogelijkheid bij de 4e herziening in 2000 gedeeltelijk geschrapt en vervangen door de beperkte 2 hectareregeling. Aangezien de provincie een verdergaande beperking van de glastuinbouwmogelijkheid verlangde en daarom aan de 4e herziening (gedeeltelijk) goedkeuring onthield, is op 29 november 2001 door de gemeenteraad een 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied vastgesteld, waarin (in ieder geval voor wat betreft het onteigende) alle mogelijkheden voor de realisering van glastuinbouw binnen de agrarische bestemming werden gereduceerd tot de 2 hectareregeling. Voor gronden (zoals het onteigende) waarop nog geen glastuinbouw was gerealiseerd bracht dit met zich mee dat alleen een tot 2 ha (eventueel met vrijstelling tot 3 ha) gemaximeerd glastuinbouwareaal werd toegestaan als uitbreiding van een reeds op naastgelegen grond bestaand glasminbouwbedrijf. In het raadsvoorstel van 29 november 2001 werd deze beperking van de glastuinbouwmogelijkheden gemotiveerd met de overweging dat hiermee een effectief planologisch instrument voorhanden kwam om verdere dichtslibbing met glas van het gebied van de Groenzone te voorkomen. In februari 2006 werd het vigerende bestemmingsplan Groenzone vastgesteld, waarin de agrarische bestemming van het onteigende (annex de reeds eerder planologisch gereduceerde glastuinbouwmogelijkheid) werd vervangen door de vigerende recreatieve bestemming. In bij dit bestemmingsplan behorende toelichting, waarin wordt verwezen naar de provinciale en regionale planvorming, wordt vastgesteld dat de in het plan opgenomen Groenzone onderdeel uitmaakt van de Groenblauwe Slinger. Deskundigen concluderen dat zowel ten tijde van de vaststelling van de 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied als ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan “Groenzone” sprake was van een voor toepassing van art 40c 0w voldoende concreet plan, gericht op de aanleg van de Groenzone als werk waarvoor onteigend wordt. Dat na de vaststelling van de bestemmingsplannen het plan voor de aanleg van de Groenzone nog verder is geconcretiseerd, doet hieraan blijkens het arrest van de Hoge raad van 8 februari 2013 niet af. Dit leidt tot de slotsom dat zowel de op bescherming van de aanleg van de Groenzone gerichte beperking van de glastuinbouwmogelijkheden in de 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk gebied als de op aanleg van de Groenzone gerichte recreatiebestemming in het bestemmingsplan Groenzone niets anders zijn dan de juridisch-planologische onderbouwing en regelingen die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moeten maken, en dat de nadelige invloed daarvan bij de waardebepaling moet worden geëlimineerd. Dat brengt met zich mee dat voor de waardebepaling tot uitgangspunt moet worden genomen de planologische toestand, vastgelegd in het bestemmingsplan Landelijk Gebied van 1978 en de 1e, 2e en 3e herziening daarvan. Voor zover aan het onteigende krachtens deze bestemmingsplannen een agrarische bestemming met de onbeperkte mogelijkheid van glastuinbouw was gegeven (de bestemming “A” zonder letteraanduiding en tot de bestemming “A(zbkk)”, agrarische doeleinden waarbij blijkens de aanduiding “zbkk” op de plankaart zijn toegestaan gebouwen t.b.v. de tuintuinbouw en “kleine gebouwen” t.b.v. andere agrarische bedrijven), dient deze bestemming het richtsnoer voor de waardebepaling te vormen.” 2.12. BBL stemt in met de bevinding van de rechtbankdeskundigen dat het huidige bestemmingsplan Groenzone geëlimineerd moet worden. BBL stemt echter niet in niet met de bevinding van deze deskundigen dat ook de toenmalige 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied geëlimineerd moeten worden. Volgens BBL was onder vigeur van deze twee bestemmingsplannen nog geen sprake van een voldoende concreet plan voor uitvoering van het werk waarvoor is onteigend en vormen de 4e en 5e herziening niet de juridisch-planologische onderbouwing van het werk. Volgens BBL leidt eliminatie van de 4e en 5e herziening tot rechtsongelijkheid ten aanzien van eigenaren die onteigend zijn ten behoeve van de aanleg van de naastgelegen N470. 2.13. [gedaagde] onderschrijft de bevindingen van de rechtbankdeskundigen dat zowel het bestemmingsplan Groenzone als de 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied geëlimineerd moeten worden. 2.14. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bestemmingsplan Groenzone Berkel-Pijnacker moet worden geëlimineerd. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of ook de vorige twee bestemmingsplannen (de 4e en de 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied) moeten worden geëlimineerd. 2.15. Indien de in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken, dan moet dit bestemmingsplan onder toepassing van art. 40c Ow worden weggedacht (vgl. o.a. ECLI:NL:HR: 2010:BL1634 HR 09-07-2010). De vereiste mate van concreetheid van de plannen is, zoals valt af te leiden uit jurisprudentie, beperkt (HR 8 februari 2013, LJN: BY4119, Hof ’s-Gravenhage, 31 januari 2012, LJN: BY 1909, 1944,1932 en 1950 en TBR 2013,29 m.nt. E. van der Schans, rechtbank Arnhem 6 juli 1011, LJN: BR2030). 2.16. In het licht van de feiten die in voormeld rapport van de door de rechtbank benoemde deskundigen worden aangehaald, is de rechtbank, met partijen en de rechtbankdeskundigen, van oordeel dat het vigerende bestemmingsplan Groenzone Berkel-Pijnacker slechts is vastgesteld (in 2006) teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken. 2.17. Over eliminatie van de twee eerdere bestemmingsplannen (vastgesteld in 2000 en 2001) wordt als volgt geoordeeld. Peildatum voor de waardebepaling is ex art. 40a Onteigeningswet het ogenblik der onteigening. In acht wordt derhalve genomen het op de peildatum geldende -al dan niet te elimineren- bestemmingsplan. In deze procedure speelt dat de twee vorige bestemmingsplannen al vooruitlopen op het huidige bestemmingsplan: het huidige bestemmingsplan waarin aan de hier in geding zijnde gronden een recreatieve bestemming werd gegeven. In de 4e en 5e herziening van het voordien geldende bestemmingsplan werden de mogelijkheden voor glastuinbouw vooruitlopend op deze positieve bestemming al vergaand beperkt. 2.18. De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten die aangehaald worden in het rapport van de rechtbankdeskundigen eveneens blijkt dat óók al ten tijde van vaststelling van de vorige twee bestemmingsplannen sprake was een voldoende concreet plan, dat voorafgaande aan de 4e en 5e herziening tot stand was gekomen en de inhoud van de in herzieningen (en het bestemmingsplan Groenzone) aan het onteigende gegeven bestemming(en) heeft bepaald. Dat zijn het Streekplan Rijnmond uit 1996 en de Nota Groenblauwe Slinger Stad en land in balans Ontwikkelingsperspectief van maart 1999 (hierna “de Nota”). Met deze Nota heeft de provincie Zuid-Holland (hierna “de Provincie”) een ontwikkelingsperspectief gegeven voor het waterrijke, groene gebied (de Groenblauwe Slinger) dat tussen de grote steden in het westen van Zuid-Holland ligt voor de lange termijn. Volgens de Provincie vormt dit ontwikkelingsperspectief de basis voor de uitwerking van de deelgebieden binnen de Groenblauwe Slinger en biedt het een kader voor de noodzakelijke samenwerking tussen Rijk, provincie, gemeenten, waterschappen, belangenorganisaties en particulieren. Het ruimtelijk gebruik in de deelgebieden van de Groenblauwe Slinger bestaat uit tuinbouw, landbouw recreatie, natuur en combinaties daarvan. De verstedelijkingsdruk op deze deelgebieden is hoog en wanneer deze gebieden meer en meer een taak krijgen in de verzorging van het woon- en leefklimaat van de twee miljoen omwonenden moet er volgens de Provincie worden ingegrepen om te voorkomen dat het gebied in en rond de Groenblauwe Slinger ernstig aan kwaliteit inboet. Teneinde dat te voorkomen en het woon- en leefklimaat te verbeteren heeft de Provincie de volgende doelen geformuleerd: “- het ontwikkelen van een regionale, robuuste en natte groenstructuur, die aansluit op de stedelijke structuur; scheppen van een aantrekkelijk woon- en leefmilieu voor mens, plant en dier; ontwikkeling van vitale, recreatieve en ecologische verbindingen; vormgeven van goede verbindingen en aantrekkelijke overgangsgebieden tussen stad en land; versterken van de identiteit van het gebied met water als inrichtingsmiddel; creëren en beheren van een duurzame water- en milieu-inrichting.” Om deze doelen te kunnen realiseren streeft de Provincie naar de ontwikkeling van een concreet ontwikkelingsplan voor het gebied van de Groenblauwe Slinger. De vertaling van het Groenblauwe Slinger concept in het ruimtelijk beleid van de betrokken gemeenten is essentieel. De Provincie staat in dit verband een intensieve bestuurlijke samenwerking tussen Provincie en gemeenten voor. 2.19. Het deelgebied Groenzone Berkel – Pijnacker, waarin het onteigende is gelegen, is door de Provincie aangemerkt als een zeer smalle en kwetsbare zone, maakt deel uit van het gebied Groenblauwe Slinger en vormt daarom voor de Provincie aanleiding een speciaal plan van aanpak voor dit gebied op te stellen, waarbij de stadsregio’s Rotterdam en Haaglanden, de gemeenten Berkel en Pijnacker en het Hoogheemraadschap van Delfland met de Provincie gezamenlijk een inrichtingsplan voor de Groenzone ontwikkelen. De Groenzone is door de Provincie aangewezen als transformatiegebied om zo aan de verstedelijkingsdruk weerstand te kunnen bieden. In dat verband moest het verouderd planologisch beleid aangepast te worden en moet de glastuinbouw een halt worden toegeroepen. Ook uit de door de deskundigen aangehaalde brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan het college van B&W van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan. Dat er een concreet plan was blijkt afdoende uit het voorgaande. De 4e en 5e herziening van het voorheen geldende bestemmingsplan vormen – met de beperking van de (glastuin)bouwmogelijkheden – daarvan een eerste planologische uitwerking en vormen in zoverre wel de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk. Dat blijkt ook nog uit de omstandigheid dat de gedeeltelijk goedkeuring van de 4e herziening is ingegeven door de vrees van Gedeputeerde Staten dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de “theoretische” ruimte die deze herziening biedt voor nieuwbouw c.q. grotere glastuinbouwbedrijven dan de toegestane twee ha in het gebied van de Groenzone. 2.20. Eliminatie van de 4e en 5e herziening is overigens ook in overeenstemming met het doel van eliminatie van het bestemmingsplan. Het doel van die eliminatie is dat de onteigende geen profijt van of nadeel ondervindt van het plan waarvoor wordt onteigend en de daarmee samenhangende bestemmingsplannen die op realisatie van dat werk zijn gericht. Met het opstellen van die plannen is in veel gevallen langere tijd gemoeid. Het ligt dan voor de hand dat, zoals ook hier is gebeurd, mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen reeds in een vroeg stadium worden geblokkeerd. Het gevolg daarvan mag echter niet zijn dat de onteigeningsvergoeding daardoor lager (of in een omgekeerde situatie hoger) wordt. Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd. 2.21. De stelling van BBL dat eliminatie van de 4e en 5e herziening tot rechtsongelijkheid ten aanzien van eigenaren die onteigend zijn ten behoeve van de aanleg van de naastgelegen N470 leidt, noopt niet tot een ander oordeel, nu de rechtbank de onderhavige casus dient te beoordelen. 2.22. Over de waarde van de onteigende grond wordt als volgt geoordeeld. 2.23. De rechtbankdeskundigen gaan primair uit van een totale waarde van de onteigende grond van € 732.816,-. Dit bedrag bestaat uit: -€ 322.529,-, voor de noordoostelijke grond (zijnde: -1.36.50 ha. met de bestemming “A(zb)” à € 4,50 per m2 = € 61.425,- -1.63.19 ha. met de bestemming “A(zbkk)” à € 16,- per m2 = € 261.104,-); -€ 410.287,- voor de zuidwestelijke grond (zijnde: -1.57.19 ha. met de bestemming “A(zb)” à € 5,10 per m2 = € 80.167,- -1.57.20 ha. met de bestemming “A(zbkk)” à € 21,- per m2 = € 330.120,-). De rechtbankdeskundigen waarderen de grond in verpachte staat omdat de grond op de peildatum volgens hun bevindingen werd verpacht aan [tussenkomende partijen]. In het verleden was volgens de rechtbankdeskundigen nog sprake van een maatschap tussen [gedaagde] en [tussenkomende partijen] maar de rechtbankdeskundigen wijzen er op dat [gedaagde] economisch niet of nauwelijks meer actief is. [gedaagde] is geboren op 22 maart 1928 en hij verblijft in een verzorgingstehuis. De maatschapsovereenkomst is volgens de rechtbankdeskundigen “van kleur verschoten” doordat [tussenkomende partijen] de grond is gaan pachten van [gedaagde]. 2.24. BBL kan zich niet vinden in waardering van de grond op de basis dat de grond kan worden aangewend voor glastuinbouw. Volgens BBL mogen de 4e en de 5e herziening van het bestemmingsplan niet worden geëlimineerd. Daarom moet volgens BBL worden uitgegaan worden van de -lagere- agrarische waarde van de grond. 2.25. [gedaagde] stemt in met de bevindingen van de rechtbankdeskundigen over de waarde van het onteigende. 2.26. De rechtbank volgt, zoals hiervoor is overwogen, het standpunt van de rechtbank-deskundigen en van [gedaagde] over de wijze waarop moet worden geëlimineerd, en niet dat van BBL. Voor die situatie weerspreekt geen der partijen de bevindingen van de rechtbankdeskundigen over de waarde van de grond. De rechtbank zal van deze waarde uit gaan. De rechtbank zal derhalve aan [gedaagde] toewijzen € 732.816,- overeenkomstig de bevindingen van de rechtbankdeskundigen. De rechtbank acht deze bevindingen logisch en concludent en maakt ze tot de hare. In dit oordeel wordt betrokken dat de deskundigen in acht hebben genomen: -dat de onteigende gronden waren ingeklemd tussen reeds bestaande glastuinbouwbedrijven; -dat sprake is van een goede kavelvorm; -dat uitbreidingsmogelijkheden beperkt zijn doordat buurmans grond slechts éénmaal te koop is; -dat de markt voor (potentiële) glastuinbouwgronden er niet beter op geworden is. 2.27. De rechtbankdeskundigen begroten de waardevermindering van het overblijvende (uiteindelijk) primair op € 55.542,- en subsidiair op € 246.217,-. Aan de primaire berekening leggen zij het volgende ten grondslag. De rechtbankdeskundigen gaan er van uit dat de noordoostelijke grond en de zuidwestelijke grond op de peildatum niet meer één geheel vormden. Voorheen vormden zij volgens de rechtbankdeskundigen nog wel één geheel. Dit is echter veranderd door de aanleg van de provinciale weg N470. Daarvoor was al eerder grond van onder meer [gedaagde] onteigend. Gevolg van deze aanleg was dat de grond van [gedaagde] werd gesplitst in een noordoostelijk deel en een zuidwestelijk deel. Passage van het ene naar het andere areaalgedeelte was op de peildatum alleen nog mogelijk via de onder de provinciale weg gecreëerde landbouwtunnel. Volgens de rechtbankdeskundigen is bij de noordoostelijke grond (erf en bebouwing met achtergelegen moestuin en weiland) geen sprake van waardevermindering ten gevolge van de onteigening. Wel is volgens de rechtbankdeskundigen -deels- sprake van waardevermindering van de zuidoostelijke grond vanwege de onteigening. Primair berekenen zij dit als volgt: -totale waarde van de zuidoostelijke grond (perceel C 5250 en het -niet in de onteigening betrokken- perceel C 3375): € 741.191,- -waarde van het onteigende deel van de zuidwestelijke grond: € 410.287,- -waarde van het overblijvende € 275.362,- -waardevermindering van het overblijvende (het verschil tussen de € 741.191,- en de som van de waarde van het onteigende en het overblijvende): € 55.542,-. De overblijvende zuidwestelijke grond heeft volgens het bestemmingsplan Groenzone Berkel-Pijnacker de bestemming “recreatieve doeleinden en natuur” gekregen. In hun waardering gaan de rechtbankdeskundigen uit van de mogelijkheid om op een deel van de zuidwestelijke grond glastuinbouw uit te oefenen, namelijk op het deel waarop de bestemming A(zbkk) rustte (en niet de bestemming A(zb)). Volgens de rechtbankdeskundigen moet de door hen voorgestane wijze van eliminatie ex 40c Ow, dus inclusief eliminatie van de 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan, niet alleen worden toegepast op het onteigende, maar ook op het overblijvende, voor zover daarop de bestemming A(zbkk) rustte. Zou dit niet gedaan worden, dan zou volgens de rechtbankdeskundigen de -conform de jurisprudentie van de Hoge Raad- uit te voeren vermogensvergelijking ter vaststelling van de vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende, in het onderhavige geval neerkomen op het vergelijken van appels met peren. 2.28. BBL stemt in met de bevinding van de rechtbankdeskundigen dat de noordoostelijke grond geen waardevermindering ondergaat als gevolg van de onteigening. BBL stemt niet in met de bevinding van de rechtbankdeskundigen dat de zuidwestelijke grond wel een waardevermindering ondergaat als gevolg van de onteigening. BBL betwist wat betreft de primaire waardebepaling door de rechtbankdeskundigen dat de door de rechtbankdeskundigen voorgestane wijze van eliminatie bij de waardebepaling van het onteigende mag worden doorgetrokken naar de vaststelling van de waardevermindering van het overblijvende. BBL stelt daartoe dat op deze grond geen werk gerealiseerd wordt en dat evenmin sprake is van een plan voor dit werk. Volgens BBL levert eliminatie ter zake van het overblijvende strijd op met art. 41 Ow. BBL betwist dat bij de zuidwestelijke grond sprake is van een waardevermindering die het gevolg is van de onteigening. Verlies van glastuinbouwmogelijkheden is volgens BBL geen gevolg van de onteigening, maar planschade. Planschade komt volgens BBL in de onderhavige procedure niet voor vergoeding in aanmerking. 2.29. [gedaagde] betwist de bevindingen van de rechtbankdeskundigen dat de noordoostelijke grond en de zuidwestelijke grond separaat gewaardeerd moeten worden. Volgens [gedaagde] vormen beide gronden één geheel; de beide delen staan met elkaar in verbinding via een veetunnel. [gedaagde] stelt dat de rechtbankdeskundigen ten onrechte hebben nagelaten te onderzoeken of bij het overblijvende noordoostelijke grond sprake is van waardevermindering. Volgens [gedaagde] is het onredelijk en in strijd met het onteigeningsrecht om bij de berekening van de waardevermindering van het overblijvende de eliminatieregel toe te passen ten aanzien van de vaststelling van de waarde van de overblijvende zuidwestelijke grond. Deze waardevermindering is volgens [gedaagde] in feite planschade. [gedaagde] stelt dat hij echter geen planschade meer kan claimen omdat deze vordering is verjaard. Aan [gedaagde] kan niet worden tegengeworpen dat hij geen planschadeclaim heeft ingediend omdat in het vigerende bestemmingsplan de resterende grond nu juist nog wel op de nominatie stond om ook onteigend te worden, zij het dat die onteigening voor dat deel dus niet is doorgegaan. Volgens [gedaagde] moeten de rechtbankdeskundigen een nieuw deskundigenrapport uitbrengen. 2.30. De rechtbank onderschrijft de bevindingen van de rechtbankdeskundigen dat de overblijvende noordoostelijke grond geen waardevermindering heeft ondergaan. Bij dit oordeel wordt in acht genomen dat BBL instemt met deze bevinding en dat [gedaagde] niet onderbouwt waarom hier wél sprake zou kunnen zijn van waardevermindering. Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat de enkele aanwezigheid van een veetunnel ertoe zou moeten leiden dat de grond als één geheel moet worden beschouwd. De enkele stelling van [gedaagde] dat de rechtbankdeskundigen dit niet goed onderzocht zouden hebben vormt niet een voldoende rechtvaardiging om daar nader onderzoek te laten verrichten. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om te onderbouwen waarom in zijn visie wel sprake kon zijn van waardevermindering. [gedaagde] noemt geen enkel bedrag aan waardevermindering, hij stelt niet om welke reden sprake zou kunnen zijn van waardevermindering en evenmin op welk onderdeel van het overblijvende deze vermindering dan betrekking heeft. 2.31. De rechtbank onderschrijft eveneens de primaire bevindingen van de rechtbankdeskundigen inzake de waardevermindering van de overblijvende zuidwestelijke grond. Aan de orde is de vergoeding van schade die de onteigende lijdt doordat het geheel voor onteigening meer waard is dan thans, na de onteigening, het geval is. Zoals hiervoor aan de orde kwam is de waarde van het onteigende vastgesteld door uit te gaan van de mogelijkheid van glastuinbouw op de grond. Dat leidt tot een hogere waarde dan de waarde als agrarische grond – de bestemming die zou gelden als de 4e en 5e herziening niet zouden zijn geëlimineerd. Door, zoals [gedaagde] betoogt, in het kader van de vaststelling van de waardevermindering van het overblijvende, enerzijds uit te gaan van de waarde van het onteigende met de mogelijkheid van glastuinbouw, en anderzijds uit te gaan van agrarische grond ten aanzien van de waarde van het overblijvende, ontstaat een navenante verhoging van de vergoeding, waar naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke grond voor bestaat. De door de deskundigen toegepaste berekening is naar het oordeel van de rechtbank in lijn met zowel de gedachte van eliminatie als de achtergrond van de vergoeding van de waardevermindering van het overblijvende. De onteigening weggedacht zou immers over de gehele grond glastuinbouw mogelijk zijn geweest. Inkomensschade 2.32. De rechtbankdeskundigen begroten de inkomensschade op nihil. De rechtbankdeskundigen nemen aan dat de rente over het voor [gedaagde] vrijkomend vermogen de inkomensderving in ruim voldoende mate compenseert. Partijen weerspreken deze bevinding niet. De rechtbank ziet geen grond om ambtshalve tot een ander oordeel te komen, zodat de rechtbank deze bevinding overneemt. Accountantskosten 2.33. De rechtbankdeskundigen begroten de vanwege de onteigening te maken accountantskosten op € 2.500,-. Partijen weerspreken deze bevinding niet. De rechtbank ziet geen grond om ambtshalve tot een ander oordeel te komen, zodat de rechtbank deze bevinding overneemt. De rechtbank zal aan [gedaagde] € 2.500,- toewijzen. Belastingschade 2.34. De rechtbankdeskundigen begroten de belastingschade op nihil. Partijen weerspreken deze bevinding niet. De rechtbank ziet geen grond om ambtshalve tot een ander oordeel te komen, zodat de rechtbank deze bevinding overneemt. Resumé 2.35. Aan [gedaagde] komt derhalve toe aan schadeloosstelling, exclusief kosten van advocaat en deskundigenbijstand en belastingschade, een bedrag van (€ 732.816,-. + € 55.542,- + € 2.500,- =) € 790.858,-. 2.36. [gedaagde] heeft recht op schadeloosstelling over het gemis van de vergoeding, voor zover die hem (nog) niet is betaald. Deze schade moet worden vastgesteld naar rato van een marktconforme rente, samengesteld berekend. Naar het oordeel van de rechtbank is een marktconforme rente op de peildatum 2,25%. Het voorschot was € 401.417,- . Over het verschil ad € 389.441,- komt aan [gedaagde] rente toe vanaf de dag van inschrijving van het onteigeningsvonnis. Daarnaast heeft [gedaagde] vanaf heden recht op de wettelijke rente over het per saldo te betalen bedrag. Kosten deskundige en juridische bijstand 2.37. BBL stemt in met de vergoeding van kosten van advocaat en deskundigen die [gedaagde] en [tussenkomende partijen] gezamenlijk vorderen. De rechtbank zal deze kosten toewijzen, in een veroordeling van BBL in de gezamenlijke kosten van [gedaagde] en [tussenkomende partijen], nu geen splitsing is aangebracht in de advocaatkosten van [gedaagde] en die van [tussenkomende partijen]. De kosten van advocaat en deskundigen bedragen volgens opgave van [gedaagde] en [tussenkomende partijen] (€ 46.686,45 + 6.004,98 + € 7.707,70 + € 13.418,30 + € 8.226,97 + € 1.406,63 + € 7.368,90 + € 677,60 + € 931,70=) € 92.429,23. B de procedure tegen de maatschap [gedaagde]-[tussenkomende partijen] 2.38. Volgens de rechtbankdeskundigen was er op de peildatum geen sprake meer van een economische samenwerking tussen [gedaagde] en [tussenkomende partij 2] in maatschapsverband omdat [gedaagde] economisch toen niet meer actief was en [tussenkomende partij 2] toen met [tussenkomende partij 3] de onderneming [tussenkomende partijen] exploiteerde, als pachters van [gedaagde]. [tussenkomende partij 2] noch [gedaagde] stelt dat hij enige schadelosstelling verlangt in de hoedanigheid van maat in de maatschap. Bij deze stand van zaken bestaat geen aanleiding om aan [gedaagde] of [tussenkomende partijen] in hun hoedanigheid van maat in deze maatschap enige schadelosstelling toe te kennen. Een proceskostenveroordeling kan achterwege blijven omdat op dit onderdeel geen proceskosten zijn gemaakt. C de procedure tegen [tussenkomende partijen] Inkomensschade 2.39. De rechtbankdeskundigen beschrijven het bedrijf van [tussenkomende partijen] als volgt: [tussenkomende partijen] is pachter van [gedaagde]. Het bedrijf van [tussenkomende partijen] omvat veeteelt (16 runderen en een fokstier, een aantal lammeren, vleesvarkens en waterbuffels, een geit en verschillende soorten pluimvee), alsmede het drijven van een klein restaurant en een winkel waarin (ook eigen) ecologische producten worden geserveerd, respectievelijk verkocht. Omdat de bedrijfscijfers van [tussenkomende partijen] inconsistent zijn zien de rechtbankdeskundigen zich genoodzaakt de inkomensschade normatief te berekenen aan de hand van de KWIN-gegevens (Kwantitatieve Informatie (Lely-stad)) en deels ook aan de hand van eigen wetenschap. De rechtbankdeskundigen begroten de inkomensderving van [tussenkomende partijen] op € 1.750,- per ha. per jaar. Bij een onteigend oppervlakte van 6.14.08 ha. levert dit op jaarbasis een inkomensschade op van € 10.746,40,-. De pacht omvat mede bedrijfsgebouwen. Daarom dient volgens de rechtbankdeskundigen op de jaarlijkse inkomensschade de voor pachters van behuisd land geldende kapitalisatiefactor 9 te worden toegepast. Dat komt uit op € 96.718,-. Gelet op de substantiële omvang van het bedrijf van [tussenkomende partijen] achten de rechtbank-deskundigen dermate twijfelachtig dat [tussenkomende partijen] medewerking verkrijgt van de autoriteiten voor vestiging van een soortgelijk bedrijf elders, dat de rechtbankdeskundigen in hun schadeberekening niet van deze mogelijkheid uitgaan. De rechtbankdeskundigen rapporteren voorts dat het hen uit eigen wetenschap bekend is dat in het buitengebied een nieuwvestiging van de door [tussenkomende partijen] in de vorm van agroturismo uitgeoefende bedrijfsvoering op zeer grote problemen stuit en niet of nauwelijks op enige medewerking van plaatselijke overheden kan worden gerekend (vrees voor precedentwerking). Gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf ligt volgens de rechtbankdeskundigen het meest in de rede. De winkel en het restaurant kunnen, zo nodig aangepast, worden voortgezet ter plaatse. Dit is het deel van het bedrijf dat de meeste inkomsten genereert. De gemeente Lansingerland is voornemens het bestemmingsplan aan te passen zodat detailhandel wordt toegestaan. Er is geen vervangend weiland beschikbaar dat dichtbij genoeg ligt om op rendabele wijze als vervanging te kunnen dienen voor het onteigende weiland. De veestapel zal derhalve deels moeten worden ingekrompen. Dit kan worden opgevangen als [tussenkomende partijen] haar biologische/ ecologische rundvlees van derden gaat betrekken, maar dat levert dan wel lagere marges op. Het houden van schapen, varkens, geiten en pluimvee ter plaatse kan wel worden gecontinueerd. In hun berekening hebben de rechtbankdeskundigen voorts rekening gehouden met enige verzwaring van vaste lasten, een besparing van pachtpenningen en enige nuttig aan te wenden arbeid alsmede met enige omrijschade naar de door BBL opnieuw te ontsluiten zuidwestelijke grond. 2.40. BBL stemt in met de bevinding dat het bedrijf van [tussenkomende partijen] niet verplaatst hoeft te worden. BBL stemt ook -geheel- in met de door de rechtbankdeskundigen begrote totale schadeloosstelling voor [tussenkomende partijen] van € 106.218,- + 2 x p.m. 2.41. [tussenkomende partijen] stemt niet in met de bevinding dat zij haar agrarische activiteiten voor een groot deel moet staken. [tussenkomende partijen] stelt dat de maatman voor [tussenkomende partij 2] is: een boer in hart en nieren, wiens onderneming is het drijven van een agriturismo, bestaande uit een klein veehouderijbedrijf, waarvan het vlees en gevogelte worden geserveerd en verkocht in een klein restaurant en een winkeltje met beperkte openingstijden op de boerderij. Het uitoefenen van enkel een winkel- en horecabedrijf houdt volgens [tussenkomende partij 2] in dat hij eigenlijk een ander beroep moet gaan uitoefenen, want hij is in hoofdzaak boer. Bovendien was het volgens [tussenkomende partijen] op de peildatum nog in strijd met het bestemmingsplan om ter plaatse horeca en detailhandel uit te oefenen anders dan als agrarische nevenactiviteit. Er was toen ook geen concreet zicht op legalisatie in de vorm van een ter inzage gelegd ontwerp-bestemmingsplan ex art. 3.8 Wet Ruimtelijke Ordening jo. afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht waarin horeca en detailhandel als hoofdactiviteit wel wordt toegestaan. De rechtbankdeskundigen gaan er volgens [tussenkomende partijen] ten onrechte van uit dat vestiging van het bedrijf van [tussenkomende partijen] elders onwaarschijnlijk is. De rechtbankdeskundigen hebben niet eens onderzocht of geschikte of geschikt te maken vervangende objecten beschikbaar zijn. [tussenkomende partijen] beroept zich op meerdere beleidsdocumenten waarin wordt beschreven dat de aanwezigheid of vestiging van een bedrijf als dat van [tussenkomende partijen] van overheidswege juist wordt onderschreven respectievelijk gestimuleerd. 2.42. In een geval als dit noopt het beginsel dat de onteigende recht heeft op volledige schadeloosstelling de rechtbank ertoe allereerst vast te stellen welke oplossing - verplaatsen van het gehele bedrijf naar een nieuwe locatie dan wel voortzetting van het bedrijf in afgeslankte vorm op het overblijvende - met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval het meest in de rede ligt. De voorkeur van de onteigende is daarbij niet beslissend. Volgens de rechtbankdeskundigen werd het inkomen van [tussenkomende partijen] vooral gegenereerd uit haar winkel- en restaurantactiviteiten en juist niet uit haar agrarische activiteiten. Deze bevinding is niet weersproken en de rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen. Daarbij komt, naar ook volgt uit de eigen stellingname van [tussenkomende partijen], dat de arbeidstijd die gemoeid is met haar agrarische activiteiten hoger is dan de arbeidstijd die gemoeid is met haar winkel- en restaurantactiviteiten. Dan ligt, uitgaande van een redelijk handelend ondernemer, het meest in de rede dat wordt gekozen voor voortzetting van het bedrijf in afgeslankte vorm op het overblijvende. Van een redelijk handelend ondernemer mag ook worden verwacht dat hij zich aanpast aan veranderde omstandigheden. De stelling van [tussenkomende partijen] dat zij haar agrarische activiteiten gehéél dient te staken is feitelijk onjuist, althans [tussenkomende partijen] maakt niet duidelijk waarom de bevinding van de rechtbankdeskundigen dat [tussenkomende partijen] het houden van schapen, varkens, geiten en pluimvee nog wel kan voortzetten, onjuist is. Onder deze omstandigheden is de wens van [tussenkomende partijen] om haar agrarische activiteiten elders volledig voort te kunnen zetten, hoezeer ook begrijpelijk, niet voldoende zwaarwegend om tot het oordeel te komen dat de billijkheid vereist dat de schadeloosstelling wordt berekend op de grondslag van bedrijfsverplaatsing (vgl. HR 5 februari 1997, NJ 1997, 290). 2.43. Ter zitting heeft BBL onweersproken gesteld dat de raad van de gemeente Lansingerland op 27 juni 2013 een bestemmingsplan heeft vastgesteld dat toestaat dat [tussenkomende partijen] een bedrijf uitoefent in de voormelde afgeslankte vorm. Het is weinig aannemelijk dat de gemeente Lansingerland in de -korte- periode tussen de peildatum (21 februari 2013) en 27 juni 2013 opeens van mening is veranderd. [tussenkomende partijen] stelt dit ook niet. Bij gebreke van nadere onderbouwing op dit punt door [tussenkomende partijen] neemt de rechtbank dan ook aan dat de vaststelling van het bestemmingsplan op 27 juni 2013 voortvloeit uit een reeds op de peildatum bestaande bereidheid van de gemeente Lansingerland om in planologisch opzicht tegemoet te zullen gaan komen aan de mogelijkheid voor [tussenkomende partijen] om zijn bedrijf ter plaatse voort te zetten. De schadeloosstelling kan derhalve (mede) gebaseerd worden op de reeds op de peildatum bestaande voorzienbaarheid dat voortzetting van het bedrijf van [tussenkomende partijen] in afgeslankte vorm op het overblijvende niet op planologische bezwaren stuitte. 2.44. Zoals de rechtbankdeskundigen terecht tot uitgangspunt nemen dient bij inkomensschade van een pachter van behuisd land de kapitalisatiefactor 9 te worden toegepast (9 x de jaarlijkse inkomensschade ad € 10.746,40,- komt uit op, afgerond, € 96.718,-). [tussenkomende partijen] stelt geen feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de rechtbankdeskundigen ten onrechte rapporteren dat deugdelijke bedrijfscijfers ontbreken of dat de door de rechtbankdeskundigen gehanteerde berekeningsmethodiek onjuist zou kunnen zijn. Bij die stand van zaken bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door de rechtbankdeskundigen, op basis van hun kennis, ervaring en intuïtie gebaseerde, bedrag aan inkomensschade als door hen gerapporteerd. Omrijschade/ Liquidatieschade versnelde afstoot gedeeltelijke rundveestapel/ Accountantskosten 2.45. De rechtbankdeskundigen begroten de omrijschade op € 4.500,-, de liquidatieschade wegens versnelde afstoot van de veestapel op € 2.500,- en de accountantskosten op € 2.500,-. BBL stemt in met deze bevinding en [tussenkomende partijen] weerspreekt deze niet. De rechtbank ziet geen reden om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en zij zal deze bedragen, samen € 9.500,-, toewijzen. Belastingschade 2.46. BBL en [tussenkomende partijen] stemmen in met bevinding van de rechtbankdeskundigen dat deze schade p.m. kan worden vastgesteld. De rechtbank zal de Stichting Advisering Onroerende Zaken (SOAZ) te Rotterdam aanwijzen als organisatie die deze schade dient vast te stellen, dit tenzij partijen anders overeen komen. Resumé 2.47. Aan [tussenkomende partijen] komt derhalve toe aan schadeloosstelling van € 106.218,-, te vermeerderen met de voormelde kosten van advocaat en deskundigenbijstand. 2.48. [tussenkomende partijen] heeft recht op schadeloosstelling over het gemis van de vergoeding, voor zover die haar (nog) niet is betaald. Deze schade moet worden vastgesteld naar rato van een marktconforme rente, samengesteld berekend. Naar het oordeel van de rechtbank is een marktconforme rente op de peildatum 2,25%. Het voorschot was nihil. Aan [tussenkomende partijen] komt de rente toe over het totaal van € 106.218,- vanaf de dag van inschrijving van het onteigeningsvonnis. 3De beslissing De rechtbank [gedaagde] 3.1. stelt de schadeloosstelling voor [gedaagde] vast op € 790.858,-, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van € 401.417,- , alsmede op een samengestelde rente van 2,25% per jaar over € 389.441,- vanaf 21 februari 2013 tot heden; 3.2. veroordeelt BBL tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 389.441,- vermeerderd met de hiervoor onder 3.1. genoemde rente, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening; 3.3. verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. [tussenkomende partijen] 3.5. stelt de schadeloosstelling voor [tussenkomende partijen] vast op € 106.218,-, vermeerderd met een samengestelde rente van 2,25% per jaar over € 106.218,-, vanaf 21 februari 2013 tot heden; 3.6. veroordeelt BBL tot betaling aan [tussenkomende partijen] van een bedrag van € 106.218,-, (honderdzesduizend tweehonderdachttien euro) vermeerderd met een samengestelde rente van 2,25% per jaar, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening; 3.7. bepaalt dat de belastingschade van [tussenkomende partijen] moet worden begroot door de Stichting Advisering Onroerende Zaken te Rotterdam, tenzij partijen anders overeenkomen; 3.8. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.9. wijst het meer of anders gevorderde af. [gedaagde] en [tussenkomende partijen] 3.10. veroordeelt BBL in de kosten van bijstand van advocaat en deskundigen van [gedaagde] en [tussenkomende partijen], tot op heden begroot op € 92.429,23; 3.11. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; in alle zaken 3.12. wijst het Algemeen Dagblad aan als het nieuwsblad, waarin de griffier van deze rechtbank een uittreksel van dit vonnis zal doen plaatsen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, mr. R.P. Broeders en mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014. 2517/676/327/2148
NJ 2010/631
/ Provincie Zuid-Holland, ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 met noot P.C.E.
ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1944
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Zaaknummer: 200.071.487/01 Zaak- en rolnummer rechtbank: 256879 / HA ZA 06-685 Arrest van 31 januari 2012 inzake [X], wonende te [woonplaats], gedaagde in eerste aanleg, hierna afzonderlijk te noemen: [X], en MAASSTEDE BLEISWIJK B.V., gevestigd te Rotterdam, tussengekomen partij in eerste aanleg, hierna afzonderlijk te noemen: Maasstede BV, hierna te zamen met [X] te noemen: Maasstede, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans te 's-Gravenhage tegen PROVINCIE ZUID-HOLLAND, gevestigd te 's-Gravenhage, eiseres in eerste aanleg, hierna te noemen: de Provincie, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2013:BY4119
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende vonnissen in de zaak 162723/HA ZA 03-1170 van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2003, 30 juli 2003 en 21 september 2011 (eindvonnis). Het eindvonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
NJ 2013/318
Ballast Nedam / Staat, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

14/04432 mr. J.C. van Oven 25 september 2015 Conclusie inzake: het Bureau Beheer Landbouwgronden eiser tot cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) tegen [verweerder] verweerder in cassatie (mr. J.A.M.A. Sluysmans) De zaak betreft de schadeloosstelling wegens onteigening van 06.14.08 ha weiland in de gemeente Lansingerland. Het middel (met klachten die grotendeels ook in de zaken 14/04378 (BBL/ […] ) en 14/04383 (BBL/ […] ) zijn aangevoerd) klaagt erover dat de rechtbank bij de waardebepaling van het onteigende ten onrechte niet alleen de op de peildatum vigerende planologische bestemming maar ook nog twee eerdere planologische bestemmingen met toepassing van art. 40c Onteigeningswet heeft weggedacht, waardoor aan het onteigende een te hoge waarde zou zijn toegekend, en over het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende.

Aan de orde is de leer van Uw Raad in het arrest van 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1634 ( […] c.s./Zuid-Holland). Ik houd het ervoor dat de rechtbank inderdaad te ver is gegaan met elimineren en dat het cassatieberoep dan ook gegrond is. 1Procesverloop 1.1 Op verzoek van de publiekrechtelijke rechtspersoon Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL) heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 19 november 2012 op de voet van art. 54a Ow een rechter-commissaris en deskundigen (A.C. Rommelse, mr. E. van der Schans en ing. L.L.M. de Lorijn) benoemd.

Vervolgens heeft zij op vordering van BBL bij vonnis van 30 januari 2013 vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve en ten name van BBL van de onroerende zaken, omschreven als: - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A] nummer [001] , ter grootte van 02.99.69 ha, omschreven als terrein (grasland), grondplannummer [002] ; - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A] nummer [001] , ter grootte van 03.14.39 ha, omschreven als terrein (grasland), grondplannummer [003] . 1.2 In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank het voorschot op de schadeloosstelling voor [verweerder] , die in het Koninklijk onteigeningsbesluit als eigenaar van de voormelde onroerende zaken was aangewezen, bepaald op € 401.417, en een datum bepaald voor de neerlegging van het deskundigenrapport. 1.3 Het vonnis van vervroegde onteigening is op 21 februari 2013 in de openbare registers ingeschreven. 1.4 De deskundigen hebben bij rapport van 9 september 2013 geadviseerd de waarde van het onteigende te bepalen op € 732.816 en een vergoeding voor de waardevermindering van het overblijvende toe te kennen van € 246.217.

In een aanvullend rapport van 18 oktober 2013 zijn de deskundigen teruggekomen van hun bevindingen met betrekking tot de waardevermindering van het overblijvende en hebben zij deze post primair begroot op € 55.542, en pas subsidiair op € 246.217. Ter zitting van de rechtbank van 2 december 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten in aanwezigheid van de deskundigen. 1.5 Bij vonnis van 18 juni 2014 heeft de rechtbank de schadeloosstelling voor [verweerder] in het voetspoor van deskundigen vastgesteld op € 790.858, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van € 401.417, alsmede een samengestelde rente van 2,25% per jaar over € 389.442, vanaf 21 februari 2013 tot de datum van het vonnis.

Het vonnis is te vinden op Rechtspraak.nl als ECLI:NL:RBROT:2014:4915. 1.6 Bij akte van cassatie van 30 juni 2014 heeft BBL (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van 18 juni 2014. De cassatieverklaring heeft zij bij exploot van 11 augustus 2014 (tijdig) aan [verweerder] laten betekenen met dagvaarding in cassatie. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. De advocaten van BBL hebben gerepliceerd. De advocaat van [verweerder] heeft gedupliceerd.

2. Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissingen voor zover in cassatie van belang 2.1 De onderhavige onteigening is geschied ten behoeve van de uitvoering van de bestemmingsplannen ‘Groenzone Berkel – Pijnacker’ van de gemeenten Berkel en Rodenrijs (thans Lansingerland) en Pijnacker Nootdorp in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker Nootdorp. Het onteigende was voorheen weiland en maakt onderdeel uit van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker, dat op zijn beurt onderdeel uitmaakt van de te realiseren zogenaamde Groenblauwe Slinger, een gebied van circa 200 km2, dat Midden-Delfland verbindt met het Groene Hart en dat bestaat uit onder meer 1.600 ha nieuw natuur- en recreatiegebied en 125 km aan recreatieve routes.

De basis voor de onteigening is het Koninklijk Besluit van 8 november 2010, no. 10.003058 tot aanwijzing ter onteigening van onroerende zaken in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp krachtens art. 78 van Titel IV van de Onteigeningswet (Onteigeningsplan Groenzone), Stcrt. nr. 18957 van 8 december 2010. 2.2 De discussie over de vast te stellen schadeloosstelling betrof de aan de onteigende gronden toe te kennen werkelijke waarde en de waardevermindering van het overblijvende. De onteigende gronden liggen in het gebied van het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’, dat is vastgesteld in de maand februari 2006.

Naar de deskundigen hebben gerapporteerd, rust op basis daarvan op het onteigende de bestemming recreatie. De deskundigen hebben geadviseerd dat de invloed die deze (onrendabele) bestemming heeft op de waarde van het onteigende moet worden geëlimineerd, met consequentie dat het onteigende zou moeten worden gewaardeerd met inachtneming van de vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ vigerende agrarische bestemming die ook glastuinbouw toeliet. Zowel BBL als [verweerder] hebben in zoverre ingestemd met het advies van de deskundigen.

Ook de rechtbank heeft zich hierbij aangesloten (zie de rov. 2.14 en 2.16 van het rechtbankvonnis). De eliminatie van de op het onteigende rustende bestemming volgens het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ is in cassatie niet bestreden. 2.3 De rechtbank is echter verder gegaan door – in het voetspoor van de deskundigen – ook nog de vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ op het onteigende rustende planologische bestemmingen volgens vierde en vijfde herziening (uit resp. 2000 en 2001) van het in 1978 vastgestelde en vanaf 1983 ter plaatse van het onteigende vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ van de toenmalige gemeente Berkel en Rodenrijs te elimineren.

Dit bestemmingsplan gaf oorspronkelijk aan (een deel van) het onteigende een agrarische bestemming die zonder meer glastuinbouw toeliet. Bij de zojuist bedoelde vierde en vijfde herzieningen is deze toelating beperkt in dier voege dat op gronden (zoals het onteigende) waarop nog geen glastuinbouw was gerealiseerd alleen een tot 2 ha (eventueel met vrijstelling tot 3 ha) gemaximeerd glastuinbouwareaal werd toegestaan als uitbreiding van een reeds op naastgelegen grond bestaand glastuinbouwbedrijf. De eliminatie van de bestemmingen volgens de bedoelde vierde en vijfde herzieningen betekent dat de rechtbank de waarde van de betreffende gronden heeft vastgesteld als ware daarop – onbeperkt – glastuinbouw toegestaan.

Op die basis waardeerde de rechtbank het onteigende, in verpachte staat, op in totaal € 732.816. Zij volgde ook in dat opzicht de deskundigen. 2.4 In rov. 2.15. vermeldt de rechtbank haar juridische uitgangspunten bij de beoordeling van de eliminatieproblematiek: “2.15. Indien de in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken, dan moet dit bestemmingsplan onder toepassing van art. 40c Ow worden weggedacht (vgl. o.a.

ECLI:NL:HR: 2010:BL1634 HR 09-07-2010). De vereiste mate van concreetheid van de plannen is, zoals valt af te leiden uit jurisprudentie, beperkt (HR 8 februari 2013, LJN: BY4119, Hof ’s-Gravenhage, 31 januari 2012, LJN: BY 1909, 1944, 1932 en 1950 en TBR 2013,29 m.nt. E. van der Schans, rechtbank Arnhem 6 juli 1011, LJN: BR2030).” 2.5 In de rov. 2.17.-2.18. beredeneert de rechtbank, kort gezegd, dat reeds ten tijde van de vierde en vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ een voldoende concreet plan bestond voor het werk waarvoor thans onteigend wordt en dat dat plan de inhoud van de in die herzieningen aan het onteigende gegeven bestemmingen heeft bepaald (zie m.n. rov. 2.18.).

In rov. 2.19. oordeelt de rechtbank dat die vierde en vijfde herziening met de beperking van de glastuinbouwmogelijkheden een eerste (planologische) uitwerking en in zoverre de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk vormen: “2.19. Het deelgebied Groenzone Berkel – Pijnacker, waarin het onteigende is gelegen, is door de Provincie aangemerkt als een zeer smalle en kwetsbare zone, maakt deel uit van het gebied Groenblauwe Slinger en vormt daarom voor de Provincie aanleiding een speciaal plan van aanpak voor dit gebied op te stellen, waarbij de stadsregio’s Rotterdam en Haaglanden, de gemeenten Berkel en Pijnacker en het Hoogheemraadschap van Delfland met de Provincie gezamenlijk een inrichtingsplan voor de Groenzone ontwikkelen.

De Groenzone is door de Provincie aangewezen als transformatiegebied om zo aan de verstedelijkingsdruk weerstand te kunnen bieden. In dat verband moest het verouderd planologisch beleid aangepast te worden en moet de glastuinbouw een halt worden toegeroepen. Ook uit de door de deskundigen aangehaalde brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan het college van B&W van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan. Dat er een concreet plan was blijkt afdoende uit het voorgaande. De 4e en 5e herziening van het voorheen geldende bestemmingsplan vormen – met de beperking van de (glastuin)bouwmogelijkheden – daarvan een eerste planologische uitwerking en vormen in zoverre wel de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk.

Dat blijkt ook nog uit de omstandigheid dat de gedeeltelijk goedkeuring van de 4e herziening is ingegeven door de vrees van Gedeputeerde Staten dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de “theoretische” ruimte die deze herziening biedt voor nieuwbouw c.q. grotere glastuinbouwbedrijven dan de toegestane twee ha in het gebied van de Groenzone.” 2.6 In rov. 2.20.vervolgt de rechtbank: “2.20. Eliminatie van de 4e en 5e herziening is overigens ook in overeenstemming met het doel van eliminatie van het bestemmingsplan. Het doel van die eliminatie is dat de onteigende geen profijt van of nadeel ondervindt van het plan waarvoor wordt onteigend en de daarmee samenhangende bestemmingsplannen die op realisatie van dat werk zijn gericht.

Met het opstellen van die plannen is in veel gevallen langere tijd gemoeid. Het ligt dan voor de hand dat, zoals ook hier is gebeurd, mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen reeds in een vroeg stadium worden geblokkeerd. Het gevolg daarvan mag echter niet zijn dat de onteigeningsvergoeding daardoor lager (of in een omgekeerde situatie hoger) wordt. Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd.” 2.7 In de rov. 2.22.-2.26. heeft de rechtbank, in het voetspoor van de deskundigen de waarde van de onteigende gronden vastgesteld op in totaal € 732.816, bestaande uit: - € 322.529 voor de noordoostelijke grond (zijnde: - 1.36.50 ha. met de bestemming “A(zb)” à € 4,50 per m² = € 61.425 - 1.63.19 ha. met de bestemming “A(zbkk)” à € 16 per m² = € 261.104) - € 410.287 voor de zuidwestelijke grond (zijnde: - 1.57.19 ha. met de bestemming “A(zb)” à € 5,10 per m² = € 80.167 - 1.57.20 ha. met de bestemming “A(zbkk)” à € 21 per m² = € 330.120). 2.8 De rechtbank heeft daarnaast een vergoeding toegekend voor de waardevermindering van het overblijvende.

De niet-onteigende delen van de percelen C 5250 en C 5252 liggen respectievelijk ten zuidwesten en ten noordoosten van de provinciale weg N470 en hebben een oppervlakte van 0.31.33 ha en 0.39.28 ha. De rechtbank heeft (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat de grond van [verweerder] op de peildatum niet meer één geheel vormde door de aanleg van de provinciale weg N470 en dat daarom bij de noordoostelijke grond geen sprake is van een waardevermindering ten gevolge van de onteigening. Wat betreft de resterende zuidwestelijke grond is volgens de deskundigen wel sprake van een waardevermindering, die door hen (uiteindelijk) primair op € 55.4542 is begroot.

Volgens het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ heeft de zuidwestelijke grond de bestemming ‘recreatieve doeleinden en natuur’ gekregen. De deskundigen zijn in hun waardering uitgegaan van de mogelijkheid van glastuinbouw op het deel van deze grond waarop de bestemming A(zbkk) rustte. De eliminatie van de vierde en vijfde herziening van het bestemmingsplan moet volgens de deskundigen niet alleen worden toegepast bij de bepaling van de schadeloosstelling voor het onteigende, maar ook de vergoeding van de waardevermindering van het overblijvende voor zover daarop de bestemming A(zbkk) rustte.

BBL heeft hiertegen ingebracht dat deze eliminatie in strijd is met art. 41 Ow en dat het verlies van glastuinbouwmogelijkheden geen gevolg is van de onteigening, maar planschade. [verweerder] betoogde dat het onredelijk en in strijd met het onteigeningsrecht is om bij de berekening van de waardevermindering van het overblijvende de eliminatieregel toe te passen. Het gaat in wezen om planschade, maar deze vordering is inmiddels verjaard. [verweerder] stelt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen planschadeclaim heeft ingediend omdat in het vigerende bestemmingsplan de resterende grond nog wél op de nominatie stond om onteigend te worden.

De rechtbank overwoog: “2.31. De rechtbank onderschrijft eveneens de primaire bevindingen van de rechtbankdeskundigen inzake de waardevermindering van de overblijvende zuidwestelijke grond. Aan de orde is de vergoeding van schade die de onteigende lijdt doordat het geheel voor onteigening meer waard is dan thans, na de onteigening, het geval is. Zoals hiervoor aan de orde kwam is de waarde van het onteigende vastgesteld door uit te gaan van de mogelijkheid van glastuinbouw op de grond. Dat leidt tot een hogere waarde dan de waarde als agrarische grond - de bestemming die zou gelden als de 4e en 5e herziening niet zouden zijn geëlimineerd.

Door, zoals [verweerder] betoogt, in het kader van de vaststelling van de waardevermindering van het overblijvende, enerzijds uit te gaan van de waarde van het onteigende met de mogelijkheid van glastuinbouw, en anderzijds uit te gaan van agrarische grond ten aanzien van de waarde van het overblijvende, ontstaat een navenante verhoging van de vergoeding, waar naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke grond voor bestaat. De door de deskundigen toegepaste berekening is naar het oordeel van de rechtbank in lijn met zowel de gedachte van eliminatie als de achtergrond van de vergoeding van de waardevermindering van het overblijvende.

De onteigening weggedacht zou immers over de gehele grond glastuinbouw mogelijk zijn geweest.” 3Bespreking van het middel 3.1 Het middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende de (depreciërende) invloed van de vierde en vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ moet worden geëlimineerd. Het richt klachten tegen de rov. 2.17-2.21 van het bestreden vonnis. Het tweede onderdeel bestrijdt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende (rov. 2.31 jo rov. 2.27). 3.2 Onderdeel 1.1 opent met de klacht dat de beslissing van de rechtbank dat de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ moeten worden geëlimineerd, rechtens onjuist is.

Voor toepassing van art 40c Ow is volgens de klacht nodig (1) dat er een (concreet) plan voor het werk voorligt ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en (2) dat het bestemmingsplan in zoverre slechts is vastgesteld als juridisch-planologische onderbouwing en regeling voor de aanleg van het werk. De rechtbank heeft echter, aldus de klacht, miskend dat aan het vereiste (2) niet is voldaan, omdat (niet die vierde en vijfde herziening, maar) slechts het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ de juridisch-planologische onderbouwing en regeling vormt voor de aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van de arresten van Uw Raad van 9 juli 2010 en 8 februari 2013. 3.3 Over de arresten van Uw Raad van 9 juli 2010 (hierna: de 9 juli-arresten) en de commentaren daarop heb ik het een en ander geschreven in de nrs. 3.19-3.28 van mijn conclusie van 4 september j.l. in de zaak met nummer 14/03918 ( […] /Gorinchem), waarnaar ik gaarne verwijs. 3.4 Het lijkt mij goed om allereerst te bezien wat in deze zaak als ‘het werk waarvoor onteigend wordt’ valt aan te merken.

De rechtbank heeft zich daarover niet uitdrukkelijk uitgelaten. De deskundigen hebben het werk waarvoor naar hun mening onteigend wordt beschreven op blz. 48-50 van hun rapport, en spreken op blz. 43 van hun rapport (geciteerd in rov. 2.11 op blz. 6, onderaan, van het vonnis) over “een (…) plan, gericht op de aanleg van de Groenzone als werk waarvoor onteigend wordt”, en hebben dus, naar valt aan te nemen, (kort gezegd) ‘de aanleg van de Groenzone’ aangemerkt als het werk waarvoor onteigend wordt. Klaarblijkelijk heeft de rechtbank hetzelfde ‘werk waarvoor onteigend wordt’ voor ogen gestaan. 3.5 De klacht van het onderdeel dat de vierde en de vijfde herzieningen van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ niet kunnen worden aangemerkt als de juridisch-planologische onderbouwing en regeling die de aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moeten maken, lijkt mij gerechtvaardigd.

Het moge zo zijn dat de ratio van deze herzieningen daarin lag dat de gemeentelijke overheid de glastuinbouw ter plaatse wilde beteugelen teneinde (in de woorden van de rechtbank in rov. 2.20:) “mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen” – te weten de plannen voor de Groenblauwe Slinger – “reeds in een vroeg stadium” te blokkeren, maar dat kan niet meebrengen dat die herzieningen de aanleg van het werk waarvoor thans onteigend wordt (t.w. de aanleg van de Groenzone, die ter plaatse van het (zuidwestelijke deel van het) onteigende kennelijk zal moeten worden ingericht voor recreatieve doeleinden en natuur) toelieten, nu immers bij die twee herzieningen de agrarische bestemming van kracht bleef.

Deze herzieningen kunnen volgens mij dan ook, zoals onderdeel 1.2 terecht betoogt, niet zijn vastgesteld als de ‘juridisch-planologische onderbouwing’ voor het werk waarvoor thans is onteigend. Reeds daarom meen ik dat in de onderhavige zaak de vierde en vijfde herzieningen van het bestemmingsplan, die lang voor de onteigening van toepassing zijn geworden, niet behoren te worden geëlimineerd bij de waardering van de onteigende gronden. 3.6 De rechtbank heeft in rov. 2.20 een ratio gegeven voor haar verregaande elimineringsdrang. Het gevolg van bestemmingsplanwijzigingen die mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen reeds in een vroeg stadium voorkomen, mag niet zijn (aldus de redenering van de rechtbank) dat de onteigeningsvergoeding daardoor lager (of in een omgekeerde situatie hoger) wordt.

“Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel (of voordeel) ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van een plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd.”, aldus de rechtbank. 3.7 Deze ratio spreekt mij niet aan. De hoofdregel is nog steeds dat bij de waardering rekening moet worden gehouden met de ter plaatse geldende voorschriften (art. 40d lid 1 Ow; zie ook het historisch overzicht in de nrs. 3.35-3.43 van mijn onder 3.3 reeds genoemde conclusie van 4 september j.l. in de zaak […] /Gorinchem).

Eliminatie op de voet van Matser-Markus en/of de 9 juli-arresten is de uitzondering. Bestemmingsplanwijzigingen kunnen van invloed zijn op de waarde van de grond waarvoor die wijzigingen gelden. Een nieuwe bestemming die ten gevolge heeft dat grond minder lucratief kan worden geëxploiteerd, zal in het algemeen resulteren in een waardedaling van die grond. Die waardedaling blijft voor rekening van de eigenaar, behoudens diens eventuele aanspraak op planschade. De onteigeningsrechter die bij het vaststellen van de schadeloosstelling de op de peildatum op het onteigende rustende waardedrukkende planologische bestemming (op de voet van Matser-Markus dan wel van de 9 juli-arresten) wegdenkt, wijst een schadevergoeding toe waarin een vergoeding van planschade, veroorzaakt door de op de peildatum geldende bestemmingsplanvoorschriften, is inbegrepen.

Wanneer de rechter ook nog bestemmingplanvoorschriften uit kracht van eerdere bestemmingsplanwijzigingen wegdenkt, ontvangt de onteigende daarboven nog planschade in verband met die eerdere bestemmingsplanwijzigingen. De laatstbedoelde planschade staat, naar mijn mening, in een te ver verwijderd verband met de onteigening om nog te kunnen worden aangemerkt als schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak (art. 40 Ow) lijdt. 3.8 De onderdelen 1.1 en 1.2 acht ik dan ook gegrond. 3.9 Onderdeel 1.3 betoogt dat de rechtbank in rov. 2.18 rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, heeft geoordeeld dat reeds ten tijde van de vaststelling van de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (in de jaren 2000 en 2001) sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk waarvoor onteigend is, dat voorafgaande aan die vierde en vijfde herziening tot stand was gekomen en de inhoud van die herzieningen heeft bepaald.

De rechtbank wijst in de bestreden rov. 2.18 voor het door haar ontwaarde ‘voldoende concrete plan’ slechts naar een Streekplan uit 1996, een Nota uit 1999 over de wenselijk geachte Groenblauwe Slinger, een ontwikkelingsperspectief van de Provincie Zuid-Holland, doelstellingen van dezelfde provincie en het streven van die provincie ‘naar de ontwikkeling van een concreet ontwikkelingsplan’, in verband waarmee de Provincie ‘een intensieve bestuurlijke samenwerking tussen Provincie en gemeenten’ voorstond. Dit gaat onmiskenbaar allemaal over bestuurlijk planologisch beleid, hierin valt geen concreet plan te zien voor de aanleg (door BBL) van de Groenzone, die ter plaatse van het onteigende kennelijk zou moeten worden ingericht voor recreatieve doeleinden en natuur.

Trouwens de rechtbank spreekt zelf ook (in rov. 2.20) over ‘de realisatie van toekomstige plannen’ waarvoor hindernissen (door de beide bestemmingsplanwijzigingen) in een vroeg stadium zouden moeten worden geblokkeerd. 3.10 Zoals ik in de nrs. 3.7-3.10 van mijn hierboven bij 3.3 bedoelde conclusie in de zaak […] /Gorinchem heb uiteengezet, meen ik dat onder het in de 9 juli-arresten en in het arrest Ballast Nedam/Staat bedoelde (voldoende) concrete plan geen ander plan moet worden verstaan dan het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt als bedoeld in art. 40c, aanhef en onder 3o Ow.

De rechtbank heeft met haar verwijzing naar de in rov. 2.13 vermelde stukken duidelijk gemaakt dat (met name) de Provincie streefde naar de realisering van de Groenblauwe Slinger, maar kan volgens mij niet het oog hebben gehad op een (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van art. 40c, aanhef en onder 3o Ow. Ik acht de rechtsklacht van het onderdeel dan ook gegrond. 3.10 In het verlengde hiervan acht ik ook gegrond onderdeel 1.4, dat zich keert tegen de gevolgtrekking van de rechtbank in rov. 2.19 dat ook uit de aanwijzing door de Provincie van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker als transformatiegebied en een brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt. 3.11 Onderdeel 1.5 klaagt dat de rechtbank een essentiële stelling van BBL onbesproken heeft gelaten, en wel de stelling dat de Gemeente geheel los van het plan voor het werk op het onteigende al geruime tijd concentratie van glastuinbouw nastreeft in de Noordpolder en de Overbuurtse Polder.

Volgens het onderdeel doet die stelling, indien waar, afbreuk aan het oordeel van de rechtbank dat dat de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ de concrete planologisch-juridische onderbouwing vormen voor het plan waarvoor wordt onteigend en dus alleen was ingegeven door de wens het gebied te transformeren naar een natuur- en recreatiegebied. Indien Uw Raad, met mij, de hiervoor besproken onderdelen gegrond acht, behoeft deze klacht geen behandeling. Voor het geval Uw Raad toch aan deze klacht toekomt, meen ik dat die niet gegrond is omdat het niet gaat om een zodanig essentieel en klemmend argument dat de rechtbank, die dit argument kennelijk niet overtuigend vond, daarop met zoveel woorden had behoren in te gaan. 3.12 Onderdeel 1.6 klaagt over de reactie van de rechtbank in rov. 2.21 op het beroep van BBL op het gelijkheidsbeginsel.

Ook dit onderdeel kan buiten behandeling blijven indien Uw Raad zal oordelen dat de onderdelen 1.1-1.4 slagen. Overigens acht ik het onderdeel niet gegrond. De rechtbank had tot taak de schadeloosstelling voor de onderhavige onteigening vast te stellen. Als zij dat op juiste wijze heeft gedaan, is de schadeloosstelling correct vastgesteld, en daaraan kan naar mijn mening niet afdoen dat de in het kader van de aanleg van de N470 onteigenden een lagere (mogelijk te lage) schadeloosstelling hebben gekregen of hun gronden voor lagere (mogelijk te lage) prijzen aan de overheid hebben verkocht.

De vraag of BBL, zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon (zie art. 28 lid 3 Wet agrarisch grondverkeer), überhaupt een beroep op het gelijkheidsbeginsel (dat de burger tegen de overheid beschermt) kan doen, laat ik onbesproken. 3.13 Ook onderdeel 1.7 kan, tenslotte, buiten behandeling blijven indien Uw Raad de onderdelen 1.1-1.4 laat slagen. De door het onderdeel opgeworpen stelling dat ingevolge art. 40c Ow slechts één bestemmingsplan (het plan dat de grondslag vormt voor de onteigening) kan worden geëlimineerd en niet ook een of meer van de daaraan voorafgaande, lijkt mij in beginsel juist, maar er laten zich situaties denken, waarin het anders kan liggen.

Wanneer bijvoorbeeld het bestemmingsplan dat de juridisch-planologische grondslag moet opleveren voor de voorgenomen aanleg van een verkeersweg, al vóór de onteigening wordt vervangen door een nieuw bestemmingsplan, dat in dezelfde verkeersweg op dezelfde traject voorziet, lijkt het mij wel mogelijk dat bij de waardering van het onteigende de daarop volgens beide bestemmingsplannen rustende verkeersbestemming moet worden weggedacht. 3.14 Onderdeel 2.1 behelst een rechts- en een motiveringsklacht tegen het oordeel (rov. 2.31 jo rov. 2.27) dat de eliminatie van het bestemmingsplan dient te worden doorgetrokken naar het bepalen van de waardevermindering van de overblijvende zuidwestelijke grond (rov. 2.31).

Betoogd wordt dat bij de bepaling van de waarde van het overblijvende op de voet van art. 41 Ow art. 40c Ow niet kan worden toegepast (en dat de rechtbank dat heeft miskend). Volgens het onderdeel wordt het overblijvende (uiteraard) met de nieuwe bestemming geconfronteerd en kan, voor zover daardoor nadeel ontstaat, dat door middel van een planschadevergoeding worden gecompenseerd. 3.15 In hun schriftelijke toelichting (nr. 3.42) hebben de advocaten van BBL vooropgesteld dat dit onderdeel slechts aan de orde behoeft te komen indien het eerste onderdeel niet zou slagen.

Hiermee ben ik het eens. De deskundigen en de rechtbank hebben de, door mij niet juist geachte, eliminatie van de vierde en vijfde herzieningen van het bestemmingsplan ’Landelijk Gebied’ ook op het overblijvende toegepast, voor zover daarop vóór die herzieningen de bestemming ‘A(zbkk)’), die glastuinbouwmogelijkheden bood, rustte. Als Uw Raad het eerste onderdeel gegrond zal achten, kan het in onderdeel 2.1 bestreden oordeel van de rechtbank, dat voortbouwt op de in onderdeel 1 bestreden redenering, evenmin in stand blijven. 3.16 Hierbij wil het echter niet laten, zulks niet alleen omdat Uw Raad misschien onderdeel 1 ongegrond zal achten, maar ook omdat het onderdeel een principieel punt aan de orde stelt, dat – als ik het goed zie – nog steeds moet worden beslist indien Uw Raad onderdeel 1 wel gegrond acht.

Dat de rechtbank het bij de bepaling van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende verkeerd heeft gedaan, beantwoordt in dit geval nog niet hoe het wel moet. 3.17 Hoe zijn de deskundigen en de rechtbank op het punt van de minderwaarde van het overblijvende – uiteindelijk – te werk gegaan? Zoals de bij de inleidende dagvaarding als productie 1 gevoegde grondplantekening aanschouwelijk maakt, zijn er twee grondstukken onteigend, te weten de meergenoemde noordoostelijke grond (grondplannummer 94) en de zuidwestelijke grond (grondplannummer 118).

Op die tekening is ook te zien dat er zowel in het noordoosten als in het zuidwesten een perceelsgedeelte buiten de onteigeningsgrens ligt, perceelsgedeelten die dus niet zijn onteigend. De deskundigen zijn ervan uitgegaan dat de noordoostelijke grond en de zuidwestelijke grond al op de peildatum niet meer een geheel vormden, omdat die grondstukken al door een eerdere onteigening (n.l. ten behoeve van de aanleg van de provinciale weg N470, die daar inmiddels is gerealiseerd) van elkaar gescheiden zijn. Bij de bepaling van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende hebben de deskundigen alleen acht geslagen op het onteigende en het overblijvende in het zuidwesten (ten zuidwesten van de N470), omdat bij het overblijvende in het noordoosten (erf en bebouwing met achtergelegen moestuin en weiland) geen sprake is van waardevermindering ten gevolge van de onteigening.

Deze aanpak is in cassatie niet bestreden. 3.17 Ter bepaling van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende hebben de deskundigen de vergelijkingsmethode toegepast. Ik heb in mijn recente conclusie van 8 mei j.l. in de zaken 14/02051 en 14/02217, over die methode al het een en ander geschreven (zie nrs. 5.10 en 5.13-5.22) en acht het niet nodig om in herhaling te vallen. 3.18 De deskundigen hebben (zie rov. 2.27) met de volgende bedragen gewerkt: Totale waarde van de zuidwestelijke grond (t.w. het complex bestaande uit het gehele perceel 5250 en [verweerders] niet in de onteigening betrokken perceel 3375) € 741.191.

Waarde van de onteigende zuidwestelijke grond: € 410.287. Waarde van het overblijvende: € 275.362. De berekening gaat dan als volgt: ( a) waarde van het complex voor onteigening: € 741.191 ( b) vergoede werkelijke waarde onteigende: € 410.287 ( c) waarde van het overblijvende: € 275.362 + € 685.649 – te vergoeden waardevermindering van het overblijvende: € 55.542 3.19 De deskundigen hebben, zoals valt af te leiden uit hun uiteenzetting op blz. 5 van het aanvullende deskundigenrapport, zowel de hierboven bedoelde waarde (a) als de hierboven genoemde waarden (b) en (c) getaxeerd met eliminatie van de bestemming volgens het op de peildatum vigerende bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ en van de vierde en vijfde herzieningen van het eerder vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’.

Op basis van hetgeen ik hierboven met betrekking tot de onderdelen 1.1 en 1.2 heb geschreven, lijkt mij de eliminatie van de bestemmingen die (de bestemming ingevolge het bestemmingsplan ‘Groenzone’ weggedacht) ingevolge de vierde en vijfde herzieningen van het oude plan ‘Landelijk Gebied’ op de gronden van [verweerder] rustten, niet juist. In zoverre acht ik het onderdeel, als gezegd, gegrond. Het onderdeel lijkt echter nog een stap verder te willen gaan en betoogt, als ik het goed begrijp, dat art. 40c Ow (de eliminatiebepaling) in het geheel niet kan worden toegepast bij het begroten van de waardevermindering van het overblijvende.

Dit betoog lijkt mij in ieder geval onjuist voor zover het gaat om element (b). Zoals ik heb uiteengezet in nr. 5.10 van mijn eerdergenoemde conclusie in de zaken Staat/ […] en […] /Staat dient de thans in art. 41 Ow geregelde vergoeding van de mindere waarde van het overblijvende ertoe de onteigende in een vermogenstoestand te brengen gelijkwaardig aan die waarin hij zich zou hebben bevonden indien er van de onteigening nooit sprake zou zijn geweest. Naar mijn mening brengt dit mee dat bij de post (b) het bedrag moet worden ingevuld dat de onteigeningsrechter als vergoeding van de werkelijke waarde toekent, ook indien die waarde begroot is met toepassing van art. 40c.

Aldus ook Uw Raad in rov. 3.2.2 van het hierna te citeren arrest […] /Rivierenland. 3.20 Thans de vraag of (a) en (c) moeten worden gewaardeerd met of zonder eliminatie. Hierbij is van belang Uw oordeel in de zojuist genoemde zaak […]/Rivierenland. Ik citeer (met mijn cursivering van de meest relevante passage): “3.2.2 De in art. 41 Ow bedoelde vergoeding van de mindere waarde van het overblijvende, die een onderdeel is van de in art. 40 Ow bedoelde volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt, strekt ertoe te voorkomen dat de onteigende als gevolg van de onteigening in zijn vermogenspositie wordt aangetast doordat het overblijvende in waarde vermindert.

Het gaat er hierbij om dat de onteigende ook die schade vergoed krijgt die daarin bestaat dat het complex (het geheel van het onteigende en het overblijvende) voor de onteigening meer waard was dan de som van de aan hem vergoede werkelijke waarde van het onteigende en de verkoopwaarde van het overblijvende. De te vergoeden waardevermindering van het overblijvende moet dan ook volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden begroot op dat verschil. 3.2.3 In het kader van de hiervoor in 3.2.2 bedoelde begroting zal, naast de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende, zowel de waarde van het complex voor de onteigening als de waarde van het overblijvende moeten worden bepaald.

Het gaat daarbij, evenals bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende, telkens om de prijs, als in art. 40b lid 2 Ow bedoeld, die tot stand zou komen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper, zij het dat in bijzondere gevallen de waarde naar een andere objectieve maatstaf kan worden bepaald. De rechter zal daarbij de waarde van het complex moeten bepalen zonder rekening te houden met het werk waarvoor onteigend wordt (hierna: het werk) en de plannen daarvoor.

Bij de waardebepaling van het overblijvende moet hij daarentegen wel rekening houden met de toekomstige aanwezigheid van het werk, maar alleen voor zover dat op het onteigende wordt aangelegd. Tevens moet hij daarbij rekening houden met het gebruik van het werk overeenkomstig het doel waartoe dat werk strekt, maar zulks alleen indien dat gebruik op het onteigende plaatsvindt. De waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de aanwezigheid van het werk buiten het onteigende en van het gebruik daarvan dat niet op het onteigende plaatsvindt wordt niet vergoed omdat die waardevermindering geen schade is die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt.

Of ter zake daarvan wel aanspraak bestaat op planschadevergoeding, staat - uiteindelijk - ter beslissing aan de planschaderechter.” 3.21 Gezien de hierboven gecursiveerde woorden van Uw Raad meen ik dat element (a) (het complex) moet worden gewaardeerd met eliminatie van het (plan voor het) werk waarvoor onteigend wordt. Indien de aan het onteigende gegeven planbestemming te vereenzelvigen valt met het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, moet die bestemming eveneens worden weggedacht voor zover die op het complex rust. Ook in zoverre lijkt mij de opvatting van het onderdeel dat art. 40c niet mag worden toegepast bij het bepalen van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende onjuist. 3.22 Dan element (c).

Bij de waardebepaling van het overblijvende moet volgens de hiervoor in 3.20 geciteerde uiteenzetting van Uw Raad in de zaak […] /Rivierenland rekening worden gehouden met de nieuwe situatie, waarbij de waardeverminderende invloed van het werk, voor zover aangelegd op het onteigende, mede in aanmerking moet worden genomen (ik neem aan dat hetzelfde geldt voor een eventuele waardevermeerderende invloed van het werk voor zover dat op het onteigende is aangelegd). Ik meen dan ook, als reeds gezegd, dat onderdeel 2.1 doel treft. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Waarnemend Advocaat-Generaal Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 jo. art. 54t lid 1 Ow. Immers binnen de termijn van twee plus zes weken van art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1 Ow. Rov. 2.7. van het bestreden vonnis Rov. 2.11. van het bestreden vonnis. Zie het citaat uit het deskundigenrapport, blz. 6, voorlaatste alinea, van het vonnis. Rov. 2.23 en 2.26 van het bestreden vonnis. Bij de waardering is een splitsing gemaakt ten aanzien van de gronden die in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” van 1978 de bestemming hadden van “A(zb)” (Agrarische doeleinden, aan gebouwen alleen “kleine gebouwen” toegestaan) en van “A(zbkk)” (Agrarische doeleinden, aan gebouwen alleen toegestaan gebouwen t.b.v. de tuinbouw en “kleine gebouwen” t.b.v. andere agrarische bedrijven).

De bestemming A(zbkk) bood naar het oordeel van deskundigen glastuinbouwmogelijkheden, hetgeen een hogere waardering rechtvaardigt dan de andere hier genoemde bestemming, aldus blz. 69, eerste alinea, van het deskundigenrapport. Het voormalige perceel C 3672 is kadastraal vernummerd (zie rov. 2.3 van het bestreden vonnis) met gevolg dat de onteigende perceelsgedeelten in het bestreden vonnis anders zijn aangeduid dan in het vonnis van vervroegde onteigening. Rov. 2.27. en 2.30. van het bestreden vonnis. Op blz. 11, bovenaan spreekt de rechtbank twee maal van ‘zuidoostelijke grond’; ik ga ervan uit dat dit een vergissing is en dat de rechtbank bedoelde ‘zuidwestelijke grond’.

Rov. 2.27 van het bestreden vonnis. Zie ook het aanvullend deskundigenrapport, blz. 4, derde en vierde alinea. Rov. 2.28 van het bestreden vonnis. Rov. 2.29 van het bestreden vonnis. Zie ook de ter zitting van 2 december 2013 overgelegde pleitnota van mr. Van der Gouw, nrs. 12-14. Één van die arresten is dat in de zaak […] c.s. / Provincie Zuid-Holland, ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 met noot P.C.E. van Wijmen, TBR 2010/204 met noot E. van der Schans, BR 2011/11 met noot E.W.J. de Groot. Zie voor het vervolg van de zaak na verwijzing Hof Den Haag 31 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1944, TBR 2013/29 met noot E. van der Schans.

Ballast Nedam / Staat, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E. van Wijmen, BR 2013/110 met noot E.W.J. de Groot, TBR 2013/44 met noot E. van der Schans. Gepubliceerd op rechtspraak.nl, nr. ECLI:NL:PHR:2015:1701. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E. van Wijmen, TBR 2013/44 met noot E. van der Schans, BR 2013/110 met noot E.W.J. de Groot. Zie het deskundigenrapport blz. 69-70 en het laatste stuk van de door de rechtbank in rov. 2.12 geciteerde visie van de deskundigen. De deskundigen hebben de waardevermindering van het overblijvende aanvankelijk begroot op € 28.362 (zie blz. 70 van het deskundigenrapport en vervolgens (naar aanleiding van kritiek van BBL!) op € 246.217 (zie blz. 85 van het deskundigenrapport).

In hun aanvullende rapport (blz.

5) kwamen zij tenslotte uit op € 55.541. Zie het aanvullende deskundigenrapport blz.3-4 en rov. 2.27. Bij het aanvullende deskundigenrapport is een luchtfoto gevoegd die de onteigende en de overblijvende gronden aanschouwelijk maakt. Staat/ […] en […] /Staat; naar ik begrijp heeft Uw Raad in deze zaken op heden 25 september 2015 uitspraak gedaan. Nieuwe kadastrale aanduiding, zie noot 8 hierboven. Productie 3 bij de inleidende dagvaarding toont ook het bedoelde perceel 3375. Voor zover het onderdeel (slechts) wil betogen dat bij toepassing van de vergelijkingsmethode element (c) (de waarde van het overblijvende) moet worden bepaald zonder toepassing van enige eliminatie, zie hierna bij nr. 3.22. HR 21 december 1960, NJ 1961/115 (Van der Hoek/Ridderkerk). HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415, NJ 2009/303 met noot P.C.E. van Wijmen, BR 2009/18 met noot I.P.A. van Heijst.