Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2015:2010 ECLI:NL:PHR:2015:2010 AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:2010 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2015:2010
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

14/04383 mr. J.C. van Oven 25 september 2015 Conclusie inzake: het Bureau Beheer Landbouwgronden eiseres tot cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) tegen [verweerster], verweerster in cassatie (mr. J.P. van den Berg) De zaak betreft de schadeloosstelling wegens onteigening van 03.65.82 ha weiland in de gemeente Lansingerland. Het middel (met klachten die ook in de zaken 14/04378 (BBL/[…]) en 14/04432 (BBL/[…] zijn aangevoerd) klaagt erover dat de rechtbank bij de waardebepaling van het onteigende ten onrechte niet alleen de op de peildatum vigerende planologische bestemming maar ook nog twee eerdere planologische bestemmingen met toepassing van art. 40c Onteigeningswet heeft weggedacht, waardoor aan het onteigende een te hoge waarde zou zijn toegekend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:2010 · Parket bij de Hoge Raad: “Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel (of voordeel) ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van een plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd.”, aldus de rechtbank. 3.7 Deze ratio spreekt mij niet aan. De hoofdregel is nog steeds dat bij de waardering rekening moet worden gehouden met de ter plaatse geldende voorschriften (art. 40d lid 1 Ow; zie ook het historisch overzicht in de nrs. 3.35-3.43 van mijn onder 3.3 reeds genoemde conclusie van 4 september j.l. in de zaak […]/Gorinchem).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BL1634
Het geding in feitelijke instantie De Provincie heeft bij exploot van 28 februari 2006 [eiser 1] doen dagvaarden voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd bij vervroeging, ingevolge art.
ECLI:NL:RBROT:2014:4914
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/411733 / HA ZA 12-950 VONNIS van de meervoudige kamer van 18 juni 2014 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon HET BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN, gevestigd te Den Haag, eiser, advocaat mr. J.S. Procee te Den Haag, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaten mr. M.N. van Amersfoort en mr. G.J.I.M. Seelen te Leiden. Partijen zullen hierna BBL en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het proces-verbaal van descente en de daarin genoemde stukken, het tussenvonnis van 9 januari 2013 en de daarin genoemde stukken, de brief van mr. Procee van 7 januari 2013, met bijlage, het concept-deskundigenbericht van 27 maart 2013, - het deskundigenbericht van 11 juli 2013, met producties (met daarin opgenomen het schriftelijk commentaar van beide partijen op het concept-deskundigenrapport), - de notitie van deskundigen voor de pleidooizitting, - de pleitnota van mr. Procee, - de pleitnota van mr. Van Amersfoort. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. In voormeld tussenvonnis is de onteigening uitgesproken. In geschil is nog de hoogte van de schadeloosstelling voor het onteigende. Peildatum voor de schadeloosstelling is 26 februari 2013, als dag van inschrijving in de openbare registers van het vonnis waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken (art. 40a Ow). De rechtbank heeft in haar tussenvonnis het voorschot op de schadeloosstelling vastgesteld op het na te melden bedrag van € 256.074,-. 2.2. Het onteigende was voorheen weiland en maakt onderdeel uit van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker, dat op zijn beurt onderdeel uitmaakt van de te realiseren Groenblauwe Slinger, een gebied van circa 200 km2 dat Midden-Delfland verbindt met het Groene Hart en dat bestaat uit onder meer 1.600 ha. nieuw natuur- en recreatiegebied en 125 km aan recreatieve routes. deskundigenrapport 2.3. De rechtbank heeft drie deskundigen benoemd. Deze deskundigen hebben op 11 juli 2013 rapport uitgebracht. In het rapport komen de deskundigen, samengevat, tot de navolgende bevindingen: -de waarde van het onteigende perceel is € 823.095,- ( € 22,50 per m2). Dit bedrag is gelijk aan het bedrag waarvan deze deskundigen uitgingen in hun concept-deskundigenrapport. De deskundigen gaan bij hun waardering uit van de -waardeverhogende- mogelijkheid om ter plaatse van het onteigende glastuinbouw (kassen) te realiseren, zij het met inachtneming dat de onteigende grond nog geen bouwrijpe grond is maar slechts ruwe bouwgrond, waaraan nog wel het een en ander dient te geschieden alvorens het voor kastuinbouw in gebruik kan worden genomen. -indien de eliminatieregel niet zou worden toegepast begroten de deskundigen de waarde van de grond op € 10,- per m2. -waardevermindering van het overblijvende: nihil. -bijkomende vergoedingen (vervangende sloot, inkomensschade, belastingschade, boekhoud-/ accountantskosten): nihil. -kosten juridische en deskundige bijstand p.m. 2.4. Het huidige bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Groenzone Berkel-Pijnacker”, vastgesteld in februari 2006. Op basis daarvan rust thans op het onteigende de bestemming recreatieve doeleinden en natuur. Aan de orde is de vraag of niet alleen dit bestemmingsplan, maar ook de aan dit bestemmingsplan voorafgaande 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied bij de waardering van het onteigende moet worden geëlimineerd. De rechtbankdeskundigen rapporteren hierover: “Voor zover op het onteigende of een gedeelte daarvan krachtens het vigerende bestemmingsplan “Groenzone” de bestemming “Recreatieve doeleinden en natuur” (soms in combinatie met de bestemming “water”) rust, dient in beginsel voorafgaand aan de waardebepaling onderzocht te worden of de invloed van deze bestemming krachtens het bepaalde in artikel 40e 0w geëlimineerd moet worden. Aangezien de betrokken bestemming als een onrendabele bestemming moet worden aangemerkt, komt alleen de eventuele eliminatie van een nadelige invloed van deze bestemming aan de orde. Voorop staat hierbij, dat met eliminatie een ander resultaat voor de schadeloosstelling moet worden bereikt dan zonder eliminatie. Is dat niet het geval, bijvoorbeeld omdat de op de vigerende bestemming en bestaand gebruik gebaseerde waarde van de grond niet verandert wanneer de invloed van de vigerende bestemming bij de waardebepaling wordt geëlimineerd, dan bestaat geen belang bij beroep op de eliminatieregel en kan het soms gecompliceerde onderzoek naar de toepasselijkheid daarvan achterwege worden gelaten. Deze redenering kan worden afgeleid uit de negen Dowato-arresten van de Hoge Raad van 25 november 2011, LJN: BS1685, BS1686, BS8872, BS8804, BS8803, BS8802, BS8800, BS8799, BS8806 en BS88805. Bij waardering op basis van de vigerende recreatieve bestemming zou het onteigende de hoogste waarde ontlenen aan het bestaande agrarische gebruik. Bij waardering met eliminatie van de invloed van de recreatieve bestemming zou de waarde van het onteigende bepaald moeten worden op basis van de niet aan de invloed van de (komende) recreatieve bestemming onderworpen voorafgaande gemeentelijke planologische regeling waarin, zoals hierna zal worden uiteengezet, op het onteigende in het kader van de toen vigerende agrarische bestemming ook glastuinbouw was toegestaan. Een dergelijk planologisch regime leidt tot een hogere waarde dan alleen de agrarische waarde. Dat brengt met zich mee, dat belang bestaat bij beroep op, en onderzoek naar, de toepasselijkheid van de eliminatieregel. In de arresten van 9 juli 2010 (onder meer: Van Eijk en Maasstede/Zuid-Holland, TBR 20 10/204) heeft de Hoge Raad voor de uitkomst van dit onderzoek beslissend geacht, of de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven en mogelijk te elimineren bestemming is bepaald door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan voor de realisering van het werk ter plaatse van het onteigende, en of aldus het bestemmingsplan in zoverre slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken. In het arrest van 8 februari 2013 (LJN: BY4119) heeft de Hoge Raad aanvaard, dat een dergelijk plan niet reeds formeel hoeft te zijn vastgesteld ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan. Voldoende is, aldus de Hoge Raad, dat sprake is van een “voor toepassing van art. 40c 0w voldoende concreet plan”, en een verdere concretisering van dat plan na vaststelling van het bestemmingsplan doet daaraan dan niet af. Met inachtneming van de aldus door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten komen deskundigen tot de conclusie dat de invloed van de krachtens het bestemmingsplan “Groenzone” aan het onteigende gegeven recreatieve bestemming dient te worden geëlimineerd. Daartoe overwegen zij het volgende. Blijkens de tot de onteigeningstukken behorende zakelijke beschrijving en de inhoud van het KB van 8 november 2010 waarbij de onderhavige gronden ter onteigening zijn aangewezen maakt de omvorming van het gebied waarin het onteigende is gelegen deel uit van een sedert 1994 door de provincie Zuid-Holland ingezet beleid om doorlopende natuur- en recreatiegebieden te maken in de S-vormige open ruimte tussen de steden rond Den Haag en Rotterdam. Het programma, in de betrokken beleidsstukken aangeduid als de “Groenblauwe Slinger”, is gericht op het groen houden van deze gebieden en deze gebieden op sommige plekken uit te breiden met de functies natuur en recreatie. De reeds eerder in dit rapport geciteerde brief van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 13 juli 1999 aan B en W van Berkel en Rodenrijs maakt duidelijk dat anno 1999 sprake was van een reeds vrij duidelijk uitgekristalliseerd en op de realisering van de Groenblauwe Slinger gericht beleid, dat in de ogen van de provincie niet meer ter discussie stond en een einde diende te maken aan (volledige) glastuinbouwbestemmingen in het te transformeren gebied. Alleen een beperkte uitbreidingsmogelijkheid voor bestaande glastuinbouwbedrijven (de zogenaamde 2 hectare-regeling) zou voorlopig nog toelaatbaar zijn. Gemakshalve worden de citaten uit de betrokken brief waarin dit tot uitdrukking komt hierna nogmaals opgenomen: “Zoals u bekend is werkt de provincie al enige jaren voortvarend aan de realisering van de Groenblauwe Slinger, de ecologische recreatieve verbinding van Midden-Delfland naar het Groene Hart. De Groenzone Berkel-Pijnacker is onderdeel van de slinger dat de smalle, maar cruciaal verbindende schakel vormt tussen de qua omvang grotere gebieden van de Slinger. In februari van dit jaar hebben Provinciale Staten de nota “Stad en land in balans” vastgesteld, het ontwikkelingsperspectief van de Groenblauwe Slinger. Dit perspectief geeft het langetermijnbeeld voor de inrichting en de organisatie van uitvoering, financiering en verdere planvorming van het gebied weer. Daarmee staat voor de provincie de ambitie om tot realisering van dit groengebied gekomen niet meer ter discussie, de Groenblauwe Slinger komt er. Voor de provincie is de Groenblauwe Slinger in de Zuidvleugel van de Randstad veruit het belangrijkste groenproject, juist met name in de omgeving waar de komende tien jaar tienduizenden nieuwe bewoners zullen komen. Wij vinden het van cruciaal belang dat die bewoners in hun directe omgeving kunnen recreëren en dat de aangrenzende gebieden van de VINEX-locaties duurzaam worden ingericht.” (------) “Wij hebben met waardering geconstateerd dat uw raad in 1998 een voorbereidingsbesluit heeft genomen voor het gebied in de Groenzone met een (volledige) glastuinbouwbestemming. Onzes inziens was dit besluit niet alleen noodzakelijk om als overheid geloofwaardig te blijven, maar ook om slagvaardig tot verdere besluitvorming met betrekking tot de realisering te kunnen komen. Wij hopen daarom ook dat dit voorbereidingsbesluit aaneensluitend gevolgd zal worden door het vaststellen van een bestemmingsplan waarin de zogenaamde 2 hectareregeling is opgenomen. Deze regeling is naar ons oordeel in de tussenfase van planvorming tot realisering een goede middenweg om enerzijds verdere “verglazing” tegen te gaan en anderzijds tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde belangen van de betrokken tuinders. In dit verband willen wij er nog op wijzen dat de agrarische sector naar ons oordeel niet wordt gedupeerd, mits er snel duidelijkheid komt.” Deze brief is gevolgd door overleg tussen de rijksoverheid, de provincie en de gemeenten, welk overleg heeft geleid tot een intentieverklaring die op 22 november 2001 is ondertekend door het (toenmalige) ministerie van LNV, de provincie Zuid-Holland en de (toenmalige) gemeenten Berkel en Rodenrijs en Pijnacker. In deze intentieverklaring zijn vastgelegd de tussen de betrokken overheden gemaakte afspraken over het met het oog op de realisering van de Groenblauwe Slinger te voeren beleid inzake planologische invulling en grondverwerving. Blijkens de intentieverklaring werd onder meer afgesproken dat de provincie de doorwerking van de provinciale plannen in de gemeentelijke bestemmingsplannen zal bevorderen, en dat de betrokken gemeenten voor de beoogde groengebieden een aanvang zullen nemen met de planologische verankering van de benodigde “groene” aanduidingen door middel van Herziening van bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluiten. Ook werd afgesproken dat de gemeenten zich in de periode voorafgaand aan het aanpassen van de bestemmingsplannen zullen inspannen om activiteiten te voorkomen die strijdig zijn met de beoogde groene doelstelling voor het gebied. Op streekplanniveau werden de plannen voor de realisering van de Groenblauwe Slinger vastgelegd in het streekplan Rijnmond van 1996, het streekplan Zuid-Holland West van 2003 en het streekplan/ structuurplan RR2020 van 2005 (zie de eerder in dit rapport opgenomen citaten uit deze streekplannen). In oktober 2004 werd in opdracht van de provincie het “Masterplan Groenzone” vervaardigd voor de inrichting van Groenzone Berkel en Bergboezem Oude Leede. Dit Masterplan moest blijkens de inleiding dienen als “onderlegger” voor de op groenbestemmingen gerichte Herziening van de gemeentelijke bestemmingsplannen. In de inleiding wordt tevens vermeld dat het Masterplan met zijn schaalniveau van 1:10.000 nog niet de gedetailleerdheid van een inrichtingsplan heeft, maar wel voldoende informatie geeft voor “de planologische vertaling van de functieveranderingen in het gebied”. In september 2009 werd door de Dienst Landelijk Gebied een voorontwerp gemaakt voor de inrichting van de groenzone Berkel-Pijnacker met als startpunt het Masterplan Groenzone van 2004 en met verwerking van een aantal wijzigingen en detailleringen alsmede inpassing van enkele nieuwe ontwikkelingen in het gebied. Dit voorontwerp, dat ter inzage heeft gelegen ter voorbereiding van het onteigenings-KB van 8 november 2010, vormt blijkens de inleiding het eindpunt in het proces van planvorming op het schaalniveau van de hele Groenzone. In december 2011 is het voorontwerp voor wat betreft het gebiedsgedeelte waarin het onteigende is gelegen gevolgd door een Definitief Ontwerp voor het als “De Groenzoom” aangeduide (smalste) onderdeel binnen de Groenblauwe Slinger. Op gemeentelijke niveau vigeerde ter plaatse van het onteigende vanaf 1983 het in 1978 vast gestelde bestemmingsplan “Landelijk Gebied” van de toenmalige gemeente Berkel en Rodenrijs. In dit bestemmingsplan had een deel van het onteigende een agrarische bestemming die zonder meer glastuinbouw met kassenbouw toeliet. Blijkens de eerder in dit rapport weergegeven gemeentelijke planologische ontwikkelingen is deze bestemming gehandhaafd bij de 1e, 2e en 3e Herziening van dit bestemmingsplan, en is de glastuinbouwmogelijkheid bij de 4e Herziening in 2000 gedeeltelijk geschrapt en vervangen door de beperkte 2 hectareregeling. Aangezien de provincie een verdergaande beperking van de glastuinbouwmogelijkheid verlangde en daarom aan de 4e Herziening (gedeeltelijk) goedkeuring onthield, is op 29 november 2001 door de gemeenteraad een 5e Herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied vastgesteld, waarin (in ieder geval voor wat betreft het onteigende) alle mogelijkheden voor de realisering van glastuinbouw binnen de agrarische bestemming werden gereduceerd tot de 2 hectareregeling. Voor gronden (zoals het onteigende) waarop nog geen glastuinbouw was gerealiseerd bracht dit met zich mee dat alleen een tot 2 ha (eventueel met vrijstelling tot 3 ha) gemaximeerd glastuinbouwareaal werd toegestaan als uitbreiding van een reeds op naastgelegen grond bestaand glasminbouwbedrijf. In het raadsvoorstel van 29 november 2001 werd deze beperking van de glastuinbouwmogelijkheden gemotiveerd met de overweging dat hiermee een effectief planologisch instrument voorhanden kwam om verdere dichtslibbing met glas van het gebied van de Groenzone te voorkomen. In februari 2006 werd het vigerende bestemmingsplan Groenzone vastgesteld, waarin de agrarische bestemming van het onteigende (annex de reeds eerder planologisch gereduceerde glastuinbouwmogelijkheid) werd vervangen door de vigerende recreatieve bestemming. In bij dit bestemmingsplan behorende toelichting, waarin wordt verwezen naar de provinciale en regionale planvorming, wordt vastgesteld dat de in het plan opgenomen Groenzone onderdeel uitmaakt van de Groenblauwe Slinger. Deskundigen concluderen dat zowel ten tijde van de vaststelling van de 4e en 5e Herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied als ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan “Groenzone” sprake was van een voor toepassing van art 40c 0w voldoende concreet plan, gericht op de aanleg van de Groenzone als werk waarvoor onteigend wordt. Dat na de vaststelling van de bestemmingsplannen het plan voor de aanleg van de Groenzone nog verder is geconcretiseerd, doet hieraan blijkens het arrest van de Hoge raad van 8 februari 2013 niet af. Dit leidt tot de slotsom dat zowel de op bescherming van de aanleg van de Groenzone gerichte beperking van de glastuinbouwmogelijkheden in de 4e en 5e Herziening van het bestemmingsplan Landelijk gebied als de op aanleg van de Groenzone gerichte recreatiebestemming in het bestemmingsplan Groenzone niets anders zijn dan de juridisch-planologische onderbouwing en regelingen die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moeten maken, en dat de nadelige invloed daarvan bij de waardebepaling moet worden geëlimineerd. Dat brengt met zich mee dat voor de waardebepaling tot uitgangspunt moet worden genomen de planologische toestand, vastgelegd in het bestemmingsplan Landelijk Gebied van 1978 en de 1e, 2e en 3e Herziening daarvan. Voor zover aan het onteigende krachtens deze bestemmingsplannen een agrarische bestemming met de onbeperkte mogelijkheid van glastuinbouw was gegeven (de bestemming “A” zonder letteraanduiding en tot de bestemming “A(zbkk)”, agrarische doeleinden waarbij blijkens de aanduiding “zbkk” op de plankaart zijn toegestaan gebouwen t.b.v. de tuintuinbouw en “kleine gebouwen” t.b.v. andere agrarische bedrijven), dient deze bestemming het richtsnoer voor de waardebepaling te vormen. 2.5. BBL stemt in met de bevinding van de rechtbankdeskundigen dat het huidige bestemmingsplan Groenzone geëlimineerd moet worden. BBL stemt echter niet in niet met de bevinding van deze deskundigen dat ook de toenmalige 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied geëlimineerd moeten worden. Volgens BBL was onder vigeur van deze twee bestemmingsplannen nog geen sprake van een voldoende concreet plan voor uitvoering van het werk waarvoor is onteigend en vormen de 4e en 5e herziening niet de juridisch-planologische onderbouwing van het werk. Volgens BBL leidt eliminatie van de 4e en 5e herziening tot rechtsongelijkheid ten aanzien van eigenaren die onteigend zijn ten behoeve van de aanleg van de naastgelegen N470. 2.6. [gedaagde] onderschrijft de bevindingen van de rechtbankdeskundigen inzake eliminatie van zowel de bestemmingsplannen Groenzone als van de 4e en 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied. [gedaagde] beroept zich ter bepaling van de schadeloosstelling op een in haar opdracht opgesteld deskundigenrapport van Overwater Grondbeleid Adviesbureau B.V. “versie november 2012.” In dit rapport staan, samengevat, de volgende bevindingen: -de waarde van het onteigende bedraagt € 1.097.500,- (€ 30,- per m2) -waardevermindering overblijvende € 65.500,- (functieverlies bedrijfsopstallen) -inkomensschade nihil -bijkomende schaden: -aanpassingkosten overblijvende € 5.000,- -boekhoud- en accountantskosten € 11.900,- incl. BTW -belastingschade P.M. -deskundigenkosten € 23.600,- (2 % over € 1.179.900,-) -kosten juridische bijstand P.M. Totaal € 1.203.500,- + 2 x P.M. [gedaagde] verlangt vergoeding van de rente die zij misloopt over hetgeen haar toekomt boven het voorschot van € 256.074,- dat haar al is betaald uit hoofde van het tussenvonnis en [gedaagde] maakt aanspraak op een integrale vergoeding van juridische en deskundige bijstand. 2.7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bestemmings-plan Groenzone Berkel-Pijnacker moet worden geëlimineerd, dat wil zeggen dat bij dit bestemmingsplan toepassing moet worden gegeven aan art. 40 c (sub 3) Onteigeningswet (hierna: Ow). Partijen verschillen wel van mening over de vraag of ook de vorige twee bestemmingsplannen (de 4e en de 5e herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied) moeten worden geëlimineerd. 2.8. Indien de in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken, dan moet dit bestemmingsplan onder toepassing van art. 40c Ow worden weggedacht (vgl. o.a. ECLI:NL:HR:2010:BL1634 HR 09-07-2010). De vereiste mate van concreetheid van de plannen is, zoals valt af te leiden uit jurisprudentie, beperkt (HR 8 februari 2013, LJN: BY4119, Hof ’s-Gravenhage, 31 januari 2012, LJN: BY 1909, 1944,1932 en 1950 en TBR 2013, 29 m.nt. E. van der Schans, rechtbank Arnhem 6 juli 1011, LJN: BR2030). 2.9. In het licht van de feiten die in voormeld rapport van de door de rechtbank benoemde deskundigen worden aangehaald, is de rechtbank, met partijen en de rechtbankdeskundigen, van oordeel dat het vigerende bestemmingsplan Groenzone Berkel-Pijnacker slechts is vastgesteld (in 2006) teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken. 2.10. Over eliminatie van de twee eerdere bestemmingsplannen (vastgesteld in 2000 en 2001) wordt als volgt geoordeeld. Peildatum voor de waardebepaling is ex art. 40a Onteigeningswet het ogenblik der onteigening. In acht wordt derhalve genomen het op de peildatum geldende -al dan niet te elimineren- bestemmingsplan. In deze procedure speelt dat de twee vorige bestemmingsplannen al vooruitlopen op het huidige bestemmingsplan: het huidige bestemmingsplan waarin aan de hier in geding zijnde gronden een recreatieve bestemming werd gegeven. In de 4e en 5e herziening van het voordien geldende bestemmingsplan werden de mogelijkheden voor glastuinbouw vooruitlopend op deze positieve bestemming al vergaand beperkt. 2.11. De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten die aangehaald worden in het rapport van de rechtbankdeskundigen eveneens blijkt dat óók al ten tijde van vaststelling van de vorige twee bestemmingsplannen sprake was een voldoende concreet plan, dat voorafgaande aan de 4e en 5e herziening tot stand was gekomen en de inhoud van de in herzieningen (en het bestemmingsplan Groenzone) aan het onteigende gegeven bestemming(en) heeft bepaald. Dat zijn het Streekplan Rijnmond uit 1996 en de Nota Groenblauwe Slinger Stad en land in balans Ontwikkelingsperspectief van maart 1999 (hierna “de Nota”). Met deze Nota heeft de provincie Zuid-Holland (hierna “de Provincie”) een ontwikkelingsperspectief voor het waterrijke, groene gebied (de Groenblauwe Slinger) dat tussen de grote steden in het westen van Zuid-Holland gegeven voor de lange termijn. Volgens de Provincie vormt dit ontwikkelingsperspectief de basis voor de uitwerking van de deelgebieden binnen de Groenblauwe Slinger en biedt het een kader voor de noodzakelijke samenwerking tussen Rijk, provincie, gemeenten, waterschappen, belangenorganisaties en particulieren. Het ruimtelijk gebruik in de deelgebieden van de Groenblauwe Slinger bestaat uit tuinbouw, landbouw, recreatie, natuur en combinaties daarvan. De verstedelijkingsdruk op deze deelgebieden is hoog en wanneer deze gebieden meer en meer een taak krijgen in de verzorging van het woon- en leefklimaat van de twee miljoen omwonenden moet er volgens de Provincie worden ingegrepen om te voorkomen dat het gebied in en rond de Groenblauwe Slinger ernstig aan kwaliteit inboet. Teneinde dat te voorkomen en het woon- en leefklimaat te verbeteren heeft de Provincie de volgende doelen geformuleerd: “- het ontwikkelen van een regionale, robuuste en natte groenstructuur, die aansluit op de stedelijke structuur; scheppen van een aantrekkelijk woon- en leefmilieu voor mens, plant en dier; ontwikkeling van vitale, recreatieve en ecologische verbindingen; vormgeven van goede verbindingen en aantrekkelijke overgangsgebieden tussen stad en land; versterken van de identiteit van het gebied met water als inrichtingsmiddel; creëren en beheren van een duurzame water- en milieu-inrichting.” Om deze doelen te kunnen realiseren streeft de Provincie naar de ontwikkeling van een concreet ontwikkelingsplan voor het gebied van de Groenblauwe Slinger. De vertaling van het Groenblauwe Slinger concept in het ruimtelijk beleid van de betrokken gemeenten is essentieel. De Provincie staat in dit verband een intensieve bestuurlijke samenwerking tussen Provincie en gemeenten voor. 2.12. Het deelgebied Groenzone Berkel – Pijnacker, waarin het onteigende is gelegen, is door de Provincie aangemerkt als een zeer smalle en kwetsbare zone, maakt deel uit van het gebied Groenblauwe Slinger en vormt daarom voor de Provincie aanleiding een speciaal plan van aanpak voor dit gebied op te stellen, waarbij de stadsregio’s Rotterdam en Haaglanden, de gemeenten Berkel en Pijnacker en het Hoogheemraadschap van Delfland met de Provincie gezamenlijk een inrichtingsplan voor de Groenzone ontwikkelen. De Groenzone is door de Provincie aangewezen als transformatiegebied om zo aan de verstedelijkingsdruk weerstand te kunnen bieden. In dat verband moest het verouderd planologisch beleid aangepast te worden en moet de glastuinbouw een halt worden toegeroepen. Ook uit de door de deskundigen aangehaalde brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan het college van B&W van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan. Dat er een concreet plan was blijkt afdoende uit het voorgaande, de 4e en 5e herziening van het voorheen geldende bestemmingsplan vormen – met de beperking van de (glastuin)bouwmogelijkheden – daarvan een eerste planologische uitwerking en vormen in zoverre wel de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk. Dat blijkt ook nog uit de omstandigheid dat de gedeeltelijk goedkeuring van de 4e herziening is ingegeven door de vrees van Gedeputeerde Staten dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de “theoretische” ruimte die deze herziening biedt voor nieuwbouw c.q. grotere glastuinbouwbedrijven dan de toegestane twee hectare in het gebied van de Groenzone. 2.13. Eliminatie van de 4e en 5e herziening is overigens ook in overeenstemming met het doel van eliminatie van het bestemmingsplan. Het doel van die eliminatie is dat de onteigende geen profijt of nadeel ondervindt het plan waarvoor wordt onteigend en de daarmee samenhangende bestemmingsplannen die op realisatie van dat werk zijn gericht. Met het opstellen van die plannen is, zoals [gedaagde] terecht heeft betoogd, in veel gevallen langere tijd gemoeid. Het ligt dan voor de hand dat, zoals ook hier is gebeurd, mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen reeds in een vroeg stadium worden geblokkeerd. Het gevolg daarvan mag echter niet zijn dat de onteigeningsvergoeding daardoor lager (of in een omgekeerde situatie hoger) wordt. Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel (of voordeel) ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd. 2.14. De stelling van BBL dat eliminatie van de 4e en 5e herziening tot rechtsongelijkheid ten aanzien van eigenaren die onteigend zijn ten behoeve van de aanleg van de naastgelegen N470 leidt, noopt niet tot een ander oordeel, nu de rechtbank de onderhavige casus dient te beoordelen. waarde grond 2.15. De rechtbankdeskundigen gaan uit van een waarde van € 22,50 per m2. 2.16. De rechtbank acht de bevindingen van de rechtbankdeskundigen over de waarde per m2 concludent en maakt ze tot de hare. Blijkens het rapport hebben de deskundigen een grondige analyse gemaakt van 10 grondtransacties in de nabijheid, met vergelijking van de verschillen tussen die gronden en de onderhavige grond en met inachtneming van de betaalde koopsommen. Voorts leggen de deskundigen uit waarom andere grondtransacties geen reëel vergelijkingsalternatief vormen alsmede dat de hier onteigende gronden waren ingeklemd tussen reeds bestaande glastuinbedrijven, dat sprake is van een goede kavelvorm, dat uitbreidingsmogelijkheden beperkt zijn doordat buurmans grond slechts éénmaal te koop is en dat de markt er voor (potentiële) glastuinbouwbedrijven niet beter op is geworden. Deze waardering is, met inachtneming dat de deskundigen rapporteren op basis van hun kennis, ervaring en intuïtie, naar het oordeel van de rechtbank concludent. 2.17. BBL stemt – in geval de rechtbank de 4e en 5e herziening wel elimineert – in met de door de deskundigen gerapporteerde waarde van € 22,50 per m2. 2.18. [gedaagde] persisteert bij een waarde van € 30 m2 waarvan de door haar ingeschakelde deskundige uitgaat en stelt daartoe dat bij de berekening van de waarde per m2 moet worden uitgegaan van het gewogen gemiddelde van 6 door haar aangehaalde grondtransacties, met als wegingsfactor de hoeveelheid verkochte grond. Deze stelling noopt niet tot een ander oordeel. De waarde van grond wordt niet slechts bepaald door de oppervlakte. De rechtbank onderschrijft de reactie op deze stelling door de deskundigen. Deze reactie houdt in dat in vijf van de zes transacties waar [gedaagde] zich op beroept, geen sprake is van vergelijkbare gevallen. In die vijf gevallen gaat het om meer waardevolle grond, in reeds bestaande grote glastuinbouwcentra met goede infrastructurele voorzieningen zoals ontsluitingswegen en dergelijke. Bij het onteigende gaat het om grond die (slechts) ruwe bouwgrond is en waaraan nog het nodige moet gebeuren voordat het geschikt is voor glastuinbouw, waarbij te denken valt aan slootdempingen, opruimingskosten, saneringsrisico’s, ontsluitingen en capaciteitsvergroting van verschillende nutsvoorzieningen en dergelijke. 2.19. [gedaagde] stelt niet te kunnen beoordelen hoe de rechtbankdeskundigen tot een gemiddelde grondprijs van € 28,83 per m2 komen bij de door hen in acht genomen referentietransacties. Volgens [gedaagde] komen de door de rechtbankdeskundigen gehanteerde gegevens (rekenkundig) uit op € 29,01 per m2. De door de rechtbankdeskundigen in dit verband gegeven verklaring dat zij een kleine correctie hebben toegepast in verband met een aftrek voor erfverharding en andere voorzieningen acht de rechtbank juist. Overigens impliceert een verschil van € 0,18 per m2 niet zonder meer dat de waarde van € 22,50 per m2 navenant verhoogd moet worden. 2.20. Volgens [gedaagde] komen de rechtbankdeskundigen wellicht uit op (slechts) € 22,50 per m2 omdat zij hebben miskend dat glastuinbouw wél toegestaan was op de eerste strook vanaf de Noordersingel ter diepte van 160 m. Deze stelling is feitelijk onjuist nu de rechtbankdeskundigen expliciet hebben verklaard zij hier geen aftrek op de grondwaarde hebben toegepast. Waardevermindering van het overblijvende 2.21. Het overblijvende bestaat in dit geval uit een woning- en erfkavel met de zich daarop bevindende bebouwing alsmede een huisweide. 2.22. Volgens de rechtbankdeskundigen is geen sprake van waardevermindering van het overblijvende. De deskundigen motiveren dit als volgt: “Bij een waardering van de grond als potentiële glastuinbouwgrond dient er vanuit te worden gegaan dat de bedrijfsgebouwen geen relatie meer hebben tot het grasland. Dientengevolge hebben zij als gevolg van de te realiseren glastuinbouwpotentie een functieverandering ondergaan en hebben zij door dit functieverlies ten opzichte van het grasland geen grondgebonden verhouding meer. Een redelijk handelend eigenaar zal, indien hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn voor veehouderij in gebruik zijnd grasland te verkopen ten behoeve van glastuinbouwdoeleinden, waardoor een prijs gerealiseerd kan worden die een veelvoud vormt van de prijs bij voortgezet gebruik als grasland, kiezen voor het realiseren van die hogere prijs en daarbij een eventuele waardedaling van grondgebonden gebouwen voor liefnemen.” 2.23. BBL stemt in met de bevinding van de rechtbankdeskundigen. BBL heeft ter descente verklaard dat van waardevermindering van het overblijvend geen sprake is omdat er nog genoeg grasland overblijft waarop het hobbymatig gebruik kan worden voortgezet. 2.24. In haar pleitnota stelt [gedaagde], in afwijking van het deskundigenrapport waar zij zich op beroept, dat de waardevermindering van het overblijvende € 125.535,-. bedraagt, in plaats van het bedrag van € 65.500,- dat in het desbetreffende deskundigenrapport wordt genoemd. De onbebouwde huisweide van 0.88.69 ha. kon volgens [gedaagde] voorheen gebruikt worden voor glastuinbouw. Als gevolg van afsplitsing van het onteigende van het overblijvende kan dit na onteigening niet meer. Hooguit kan dit stuk grond nog hobbymatig worden gebruikt. Dit leidt volgens [gedaagde] tot een waardedaling van € 30,- per m2 naar € 15,- per meter. 2.25. De rechtbank onderschrijft de bevinding van de rechtbankdeskundigen dat een redelijk handelend verkoper vanwege de goede prijs die hij voor het (laagwaardigere) grasland kan verkrijgen omdat deze grond na verkoop de (hoogwaardigere) functie van kastuinbouw krijgt, een eventuele waardevermindering van het overblijvende -letterlijk- op de koop toe zal nemen. Aanpassingskosten overblijvende € 5.000,- 2.26. Het deskundigenrapport waar [gedaagde] zich op beroept voorziet in een vergoeding van € 5.000 voor het aanbrengen van een erfafscheiding (hek) aan de nieuwe erfgrens na onteigening, dit mede ter wering van waterrecreanten nu het project voorziet in kanorecreatievaart op dit water. 2.27. BBL is volgens mededeling ter descente niet bereid om [gedaagde] € 5.000,- te betalen voor een erfafscheiding omdat er al een sloot als erfafscheiding aangebracht zal worden, die zal worden onderhouden door BBL. Van schade is op dit punt volgens BBL geen sprake. 2.28. De rechtbank zal dit deel van de vordering afwijzen. Van waardevermindering zou sprake zijn als een reeds door [gedaagde] geplaatst hek vanwege de onteigening moet worden vervangen, maar dat stelt [gedaagde] niet. Evenmin stelt [gedaagde] dat het eventuele betreden van haar erf door waterrecreanten tot een waardedaling leidt. 2.29. De totale schadeloosstelling bedraagt mitsdien, afgezien van kosten van advocaat en deskundigenbijstand, € 823.095,-. Rente 2.30. [gedaagde] heeft recht op schadeloosstelling over het gemis van de vergoeding, voor zover die haar (nog) niet is betaald. Deze schade moet worden vastgesteld naar rato van een marktconforme rente, samengesteld berekend. Naar het oordeel van de rechtbank is een marktconforme rente op de peildatum 2,25%. Over het per saldo te betalen bedrag is BBL de wettelijke rente verschuldigd vanaf heden. proceskosten en buitengerechtelijke kosten 2.31. [gedaagde] vordert uiteindelijk in totaal € 116.244,55 inclusief BTW, zijnde: -€ 21.594,61 kosten deskundige [deskundige 1] van Flynth Adviseurs en Accountants, -€ 28.047,36 kosten deskundige [deskundige 2] van Overwater Grondbeleid Adviesbureau B.V., -€ 66.602,58 salaris raadsman/ advocaat mr. G.J.I.M. Seelen. 2.32. Volgens BBL is de vordering van [gedaagde] onredelijk hoog en moeten de kosten worden gematigd tot € 75.000,- in totaal. BBL stelt daarbij dat een andere partij die onteigend wordt in het zelfde project slechts circa € 90.000,- in totaal vordert terwijl die zaak qua complexiteit duidelijk ingewikkelder is. Volgens BBL was het voor [gedaagde] niet nodig geweest om zowel [deskundige 1] als [deskundige 2] als deskundige in te schakelen. 2.33. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover het redelijk was die kosten te maken en voor zover die kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven (vergelijk Hoge Raad 10-03-1993, LJN: AC1357). Bij de beoordeling wat redelijk is, is mede van belang of de kosten in redelijke verhouding staan met het geldelijk belang van het geschil. 2.34. De rechtbank stelt vast dat de in dit verband door [gedaagde] gevorderde kosten op alle drie de onderdelen deugdelijk zijn gespecifieerd. BBL betwist op zich ook niet de uurtarieven of de hoeveelheid in rekening gebrachte uren maar wel de uiteindelijke hoogte van de gevorderde kosten, zij het overigens zonder daarbij goed duidelijk te maken met welk deel van deze kosten, die toch uit verschillende kostenposten bestaan, zij met name niet instemt. De rechtbank leidt uit de overgelegde facturen af dat de accountant aan [gedaagde] kosten voor juridisch advies uitbrengt, dit terwijl [gedaagde] ook een advocaat heeft. Er wordt niet goed duidelijk gemaakt dat juridisch advies door zowel de accountant als door de advocaat steeds nodig was. Daarom zullen de accountantskosten naar redelijkheid en billijkheid enigszins worden gematigd, met een bedrag van € 2.000,-, derhalve tot € 19.594,61 (het exacte bedrag laat zich niet begroten, omdat facturen niet steeds alleen op juridische advieswerkzaamheden betrekking hebben). Voor het overige acht de rechtbank de gevorderde kosten redelijk, ook voor zover [gedaagde] zowel een gronddeskundige als een accountant heeft ingeschakeld. 2.35. De rechtbank begrijpt dat de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen inmiddels zijn voldaan door BBL. Hierover behoeft derhalve niet meer te worden beslist. 3De beslissing De rechtbank 3.1. stelt de schadeloosstelling voor [gedaagde] vast op € 823.095,-, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van € 256.074,-, alsmede op een samengestelde rente van 2,25% per jaar over € 567.021,- vanaf 26 februari 2013 tot heden; 3.2. veroordeelt BBL tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 567.021,- vermeerderd met de hiervoor onder 3.1. genoemde rente, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening; 3.3. veroordeelt BBL in de kosten van juridische en deskundigenbijstand van [gedaagde], tot op heden begroot op: -€ 19.594,61 kosten deskundige [deskundige 1] van Flynth Adviseurs en Accountants, -€ 28.047,36 kosten deskundige [deskundige 2] van Overwater Grondbeleid Adviesbureau B.V., -€ 66.602,58 kosten mr. G.J.I.M. Seelen; 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af; 3.5. wijst het Algemeen Dagblad aan als het nieuwsblad, waarin de griffier van deze rechtbank een uittreksel van dit vonnis zal doen plaatsen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, mr. R.P. Broeders en mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014. 2517/676/327/2148
NJ 2010/631
/ Provincie Zuid-Holland, ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 met noot P.C.E.
ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1944
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Zaaknummer: 200.071.487/01 Zaak- en rolnummer rechtbank: 256879 / HA ZA 06-685 Arrest van 31 januari 2012 inzake [X], wonende te [woonplaats], gedaagde in eerste aanleg, hierna afzonderlijk te noemen: [X], en MAASSTEDE BLEISWIJK B.V., gevestigd te Rotterdam, tussengekomen partij in eerste aanleg, hierna afzonderlijk te noemen: Maasstede BV, hierna te zamen met [X] te noemen: Maasstede, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans te 's-Gravenhage tegen PROVINCIE ZUID-HOLLAND, gevestigd te 's-Gravenhage, eiseres in eerste aanleg, hierna te noemen: de Provincie, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2013:BY4119
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende vonnissen in de zaak 162723/HA ZA 03-1170 van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2003, 30 juli 2003 en 21 september 2011 (eindvonnis). Het eindvonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
NJ 2013/318
Ballast Nedam / Staat, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

14/04383 mr. J.C. van Oven 25 september 2015 Conclusie inzake: het Bureau Beheer Landbouwgronden eiseres tot cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) tegen [verweerster], verweerster in cassatie (mr. J.P. van den Berg) De zaak betreft de schadeloosstelling wegens onteigening van 03.65.82 ha weiland in de gemeente Lansingerland. Het middel (met klachten die ook in de zaken 14/04378 (BBL/[…]) en 14/04432 (BBL/[…] zijn aangevoerd) klaagt erover dat de rechtbank bij de waardebepaling van het onteigende ten onrechte niet alleen de op de peildatum vigerende planologische bestemming maar ook nog twee eerdere planologische bestemmingen met toepassing van art. 40c Onteigeningswet heeft weggedacht, waardoor aan het onteigende een te hoge waarde zou zijn toegekend.

Aan de orde is de leer van Uw Raad in het arrest van 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1634 ([…] c.s./Zuid-Holland). Ik houd het ervoor dat de rechtbank inderdaad te ver is gegaan met elimineren en dat het cassatieberoep dan ook gegrond is. 1Procesverloop 1.1 Op verzoek van de publiekrechtelijke rechtspersoon Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL) heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 17 oktober 2012 op de voet van art. 54a Ow een rechter-commissaris en deskundigen (A.C. Rommelse, mr. E. van der Schans en ing. L.L.M. de Lorijn) benoemd.

Vervolgens heeft zij op vordering van BBL bij vonnis van 9 januari 2013 vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve en ten name van BBL van de onroerende zaken, omschreven als: - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A] nummer [001], ter grootte van 02.04.54 ha, omschreven als berging-stalling (garage-schuur) terrein (grasland), grondplannummer [002]; - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A] nummer [003], ter grootte van 00.51.98 ha, omschreven als wonen erf-tuin, grondplannummer [004]; - het perceel, kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A] nummer [005], ter grootte van 01.09.30 ha, omschreven als terrein (grasland), grondplannummer [006]. 1.2 In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank het voorschot op de schadeloosstelling voor [verweerster], die in het Koninklijk onteigeningsbesluit als eigenaar van de voormelde onroerende zaken was aangewezen, bepaald op € 256.074 en een datum bepaald voor de neerlegging van het deskundigenrapport. 1.3 Het vonnis van vervroegde onteigening is op 26 februari 2013 in de openbare registers ingeschreven. 1.4 De deskundigen hebben bij rapport van 11 juli 2013 geadviseerd de waarde van het onteigende te bepalen op € 823.095 (€ 22,50 per m²) en geen bijkomende vergoedingen vast te stellen.

Ter zitting van de rechtbank van 2 december 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten in aanwezigheid van de deskundigen. 1.5 Bij vonnis van 18 juni 2014 heeft de rechtbank de schadeloosstelling voor [verweerster] in het voetspoor van de deskundigen vastgesteld op € 823.095, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van € 256.074, alsmede op een samengestelde rente van 2,25% per jaar over € 567.021 vanaf 26 februari 2013 tot de datum van het vonnis. Het vonnis is te vinden op Rechtspraak.nl als ECLI:NL:RBROT:2014:4914. 1.6 Bij akte van cassatie van 30 juni 2014 heeft BBL (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van 18 juni 2014.

De cassatieverklaring heeft zij bij exploot van 11 augustus 2014 (tijdig) aan [verweerster] laten betekenen met dagvaarding in cassatie. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van partijen hebben de zaak ter zitting van de Hoge Raad van 23 januari 2015 bepleit en schriftelijk toegelicht. De advocaten van BBL hebben gerepliceerd.

2. Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissingen voor zover in cassatie van belang 2.1 De onderhavige onteigening is geschied ten behoeve van de uitvoering van de bestemmingsplannen ‘Groenzone Berkel – Pijnacker’ van de gemeenten Berkel en Rodenrijs (thans Lansingerland) en Pijnacker Nootdorp in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker Nootdorp. Het onteigende was voorheen weiland en maakt onderdeel uit van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker, dat op zijn beurt onderdeel uitmaakt van de te realiseren zogenaamde ‘Groenblauwe Slinger’, een gebied van circa 200 km², dat Midden-Delfland verbindt met het Groene Hart en dat bestaat uit onder meer 1.600 ha nieuw natuur- en recreatiegebied en 125 km aan recreatieve routes.

De basis voor de onteigening is het Koninklijk Besluit van 8 november 2010, no. 10.003058 tot aanwijzing ter onteigening van onroerende zaken in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp krachtens art. 78 van Titel IV van de Onteigeningswet (Onteigeningsplan Groenzone), Stcrt. nr. 18957 van 8 december 2010. 2.2 De discussie over de vast te stellen schadeloosstelling betrof voornamelijk de aan de onteigende gronden (totaal groot 03.65.82 ha) toe te kennen werkelijke waarde. Die gronden liggen in het gebied van het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’, dat is vastgesteld in de maand februari 2006.

Naar de deskundigen hebben gerapporteerd, rust op basis daarvan op het onteigende de bestemming ‘recreatieve doeleinden en natuur’. De deskundigen hebben geadviseerd dat de invloed die deze (onrendabele) bestemming heeft op de waarde van het onteigende moet worden geëlimineerd, met consequentie dat het onteigende zou moeten worden gewaardeerd met inachtneming van de vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ vigerende agrarische bestemming die ook glastuinbouw toeliet. Zowel BBL als [verweerster] hebben in zoverre ingestemd met het advies van de deskundigen.

Ook de rechtbank heeft zich hierbij aangesloten (zie de rov. 2.7 en 2.9 van het rechtbankvonnis). De eliminatie van de op het onteigende rustende bestemming volgens het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ is in cassatie niet bestreden. 2.3 De rechtbank is echter verder gegaan door – in het voetspoor van de deskundigen – ook nog de vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ op het onteigende rustende planologische bestemmingen volgens vierde en vijfde herziening (uit resp. 2000 en 2001) van het in 1978 vastgestelde en vanaf 1983 ter plaatse van het onteigende vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ van de toenmalige gemeente Berkel en Rodenrijs te elimineren.

Dit bestemmingsplan gaf oorspronkelijk aan (een deel van) het onteigende een agrarische bestemming die zonder meer glastuinbouw toeliet. Bij de zojuist bedoelde vierde en vijfde herzieningen is deze toelating beperkt in dier voege dat op gronden (zoals het onteigende) waarop nog geen glastuinbouw was gerealiseerd alleen een tot 2 ha (eventueel met vrijstelling tot 3 ha) gemaximeerd glastuinbouwareaal werd toegestaan als uitbreiding van een reeds op naastgelegen grond bestaand glastuinbouwbedrijf. De eliminatie van de bestemmingen volgens de bedoelde vierde en vijfde herzieningen betekent dat de rechtbank de waarde van de betreffende gronden heeft vastgesteld als ware daarop – onbeperkt – glastuinbouw toegestaan.

Op die basis kwam de rechtbank, conform het advies van de deskundigen, op een waarde van het onteigende, van € 22,50 per m². De deskundigen hebben overigens in hun advies ook nog een lagere waarde vermeld. Zij taxeerden het onteigende op € 10 per m² indien de eliminatieregel niet zou worden toegepast. 2.4 In rov. 2.8 vermeldt de rechtbank haar juridische uitgangspunten bij de beoordeling van de eliminatieproblematiek: “2.8 Indien de in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken, dan moet dit bestemmingsplan onder toepassing van art. 40c Ow worden weggedacht (vgl. o.a.

ECLI:NL:HR:2010:BL1634 HR 09-07-2010). De vereiste mate van concreetheid van de plannen is, zoals valt af te leiden uit jurisprudentie, beperkt (HR 8 februari 2013, LJN: BY4119, Hof ‘s-Gravenhage, 31 januari 2012, LJN: BY 1909, 1944,1932 en 1950 en TBR 2013, 29 m.nt. E. van der Schans, rechtbank Arnhem 6 juli 2011, LJN: BR2030).” 2.5 In de rov. 2.10-2.11 beredeneert de rechtbank, kort gezegd, dat reeds ten tijde van de vierde en vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ een voldoende concreet plan bestond voor het werk waarvoor thans onteigend wordt en dat dat plan de inhoud van de in die herzieningen aan het onteigende gegeven bestemmingen heeft bepaald (zie m.n. rov. 2.11).

In rov. 2.12 oordeelt de rechtbank dat die vierde en vijfde herziening met de beperking van de glastuinbouwmogelijkheden een eerste (planologische) uitwerking en in zoverre de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk vormen: “2.12. Het deelgebied Groenzone Berkel – Pijnacker, waarin het onteigende is gelegen, is door de Provincie aangemerkt als een zeer smalle en kwetsbare zone, maakt deel uit van het gebied Groenblauwe Slinger en vormt daarom voor de Provincie aanleiding een speciaal plan van aanpak voor dit gebied op te stellen, waarbij de stadsregio’s Rotterdam en Haaglanden, de gemeenten Berkel en Pijnacker en het Hoogheemraadschap van Delfland met de Provincie gezamenlijk een inrichtingsplan voor de Groenzone ontwikkelen.

De Groenzone is door de Provincie aangewezen als transformatiegebied om zo aan de verstedelijkingsdruk weerstand te kunnen bieden. In dat verband moest het verouderd planologisch beleid aangepast worden en moet de glastuinbouw een halt worden toegeroepen. Ook uit de door de deskundigen aangehaalde brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan het college van B&W van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan. Dat er een concreet plan was blijkt afdoende uit het voorgaande, de 4e en 5e herziening van het voorheen geldende bestemmingsplan vormen – met de beperking van de (glastuin)bouwmogelijkheden – daarvan een eerste planologische uitwerking en vormen in zoverre wel de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk.

Dat blijkt ook nog uit de omstandigheid dat de gedeeltelijk goedkeuring van de 4e herziening is ingegeven door de vrees van Gedeputeerde Staten dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de “theoretische” ruimte die deze herziening biedt voor nieuwbouw c.q. grotere glastuinbouwbedrijven dan de toegestane twee hectare in het gebied van de Groenzone.” In rov. 2.13 vervolgt de rechtbank: “2.13. Eliminatie van de 4e en 5e herziening is overigens ook in overeenstemming met het doel van eliminatie van het bestemmingsplan. Het doel van die eliminatie is dat de onteigende geen profijt of nadeel ondervindt (van) het plan waarvoor wordt onteigend en de daarmee samenhangende bestemmingsplannen die op realisatie van dat werk zijn gericht.

Met het opstellen van die plannen is, zoals [verweerster] terecht heeft betoogd, in veel gevallen langere tijd gemoeid. Het ligt dan voor de hand dat, zoals ook hier is gebeurd, mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen reeds in een vroeg stadium worden geblokkeerd. Het gevolg daarvan mag echter niet zijn dat de onteigeningsvergoeding daardoor lager (of in de omgekeerde situatie hoger) wordt. Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel (of voordeel) ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd.” 2.6 In de rov. 2.15-2.20 heeft de rechtbank de waarde van de onteigende gronden vastgesteld op € 22,50 per m². 3Bespreking van het middel 3.1 Het middel bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende de (depreciërende) invloed van de vierde en vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ moet worden geëlimineerd.

Het richt klachten tegen de rov. 2.10-2.14 van het bestreden vonnis. 3.2 Onderdeel 1.1 opent met de klacht dat de beslissing van de rechtbank dat de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ moeten worden geëlimineerd, rechtens onjuist is. Voor toepassing van art 40c Ow is volgens de klacht nodig (1) dat er een (concreet) plan voor het werk voorligt ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en (2) dat het bestemmingsplan in zoverre slechts is vastgesteld als juridisch-planologische onderbouwing en regeling voor de aanleg van het werk.

De rechtbank heeft echter, aldus de klacht, miskend dat aan het vereiste (2) niet is voldaan, omdat (niet die vierde en vijfde herziening, maar) slechts het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ de juridisch-planologische onderbouwing en regeling vormt voor de aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van de arresten van Uw Raad van 9 juli 2010 en 8 februari 2013. 3.3 Over de arresten van Uw Raad van 9 juli 2010 (hierna: de 9 juli-arresten) en de commentaren daarop heb ik het een en ander geschreven in de nrs. 3.19-3.28 van mijn conclusie van 4 september j.l. in de zaak met nummer 14/03918 ([…]/Gorinchem), waarnaar ik gaarne verwijs. 3.4 Het lijkt mij goed om allereerst te bezien wat in deze zaak als ‘het werk waarvoor onteigend wordt’ valt aan te merken.

De rechtbank heeft zich daarover niet uitdrukkelijk uitgelaten. De deskundigen hebben het werk waarvoor naar hun mening onteigend wordt beschreven op blz. 35-36 van hun rapport, en spreken op blz. 43 van hun rapport (geciteerd in rov. 2.4 op blz. 5 van het vonnis) over “een (…) plan, gericht op de aanleg van de Groenzone als werk waarvoor onteigend wordt”, en hebben dus, naar valt aan te nemen, (kort gezegd) ‘de aanleg van de Groenzone’ aangemerkt als het werk waarvoor onteigend wordt. Klaarblijkelijk heeft de rechtbank hetzelfde ‘werk waarvoor onteigend wordt’ voor ogen gestaan. 3.5 De klacht van het onderdeel dat de vierde en de vijfde herzieningen van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ niet kunnen worden aangemerkt als de juridisch-planologische onderbouwing en regeling die de aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moeten maken, lijkt mij gerechtvaardigd.

Het moge zo zijn dat de ratio van deze herzieningen daarin lag dat de gemeentelijke overheid de glastuinbouw ter plaatse wilde beteugelen teneinde (in de woorden van de rechtbank in rov. 2.13:) “mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen” – te weten de plannen voor de Groenblauwe Slinger – “reeds in een vroeg stadium” te blokkeren, maar dat kan niet meebrengen dat die herzieningen de aanleg van het werk waarvoor thans onteigend wordt (t.w. de aanleg van de Groenzone, die ter plaatse van het onteigende kennelijk zal moeten worden ingericht voor recreatieve doeleinden en natuur), toelieten, nu immers bij die twee herzieningen de agrarische bestemming van kracht bleef.

Deze herzieningen kunnen volgens mij dan ook, zoals onderdeel 1.2 terecht betoogt, niet zijn vastgesteld als de ‘juridisch-planologische onderbouwing’ voor het werk waarvoor thans is onteigend. Reeds daarom meen ik dat in de onderhavige zaak de vierde en vijfde herzieningen van het bestemmingsplan, die lang voor de onteigening van toepassing zijn geworden, niet behoren te worden geëlimineerd bij de waardering van de onteigende gronden. 3.6 De rechtbank heeft in rov. 2.13 een ratio gegeven voor haar verregaande elimineringsdrang. Het gevolg van bestemmingsplanwijzigingen die mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen reeds in een vroeg stadium voorkomen, mag niet zijn (aldus de redenering van de rechtbank) dat de onteigeningsvergoeding daardoor lager (of in een omgekeerde situatie hoger) wordt.

“Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel (of voordeel) ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van een plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd.”, aldus de rechtbank. 3.7 Deze ratio spreekt mij niet aan. De hoofdregel is nog steeds dat bij de waardering rekening moet worden gehouden met de ter plaatse geldende voorschriften (art. 40d lid 1 Ow; zie ook het historisch overzicht in de nrs. 3.35-3.43 van mijn onder 3.3 reeds genoemde conclusie van 4 september j.l. in de zaak […]/Gorinchem).

Eliminatie op de voet van Matser-Markus en/of de 9 juli-arresten is de uitzondering. Bestemmingsplanwijzigingen kunnen van invloed zijn op de waarde van de grond waarvoor die wijzigingen gelden. Een nieuwe bestemming die ten gevolge heeft dat grond minder lucratief kan worden geëxploiteerd, zal in het algemeen resulteren in een waardedaling van die grond. Die waardedaling blijft voor rekening van de eigenaar, behoudens diens eventuele aanspraak op planschade. De onteigeningsrechter die bij het vaststellen van de schadeloosstelling de op de peildatum op het onteigende rustende waardedrukkende planologische bestemming (op de voet van Matser-Markus dan wel van de 9 juli-arresten) wegdenkt, wijst een schadevergoeding toe waarin een vergoeding van planschade, veroorzaakt door de op de peildatum geldende bestemmingsplanvoorschriften, is inbegrepen.

Wanneer de rechter ook nog bestemmingplanvoorschriften uit kracht van eerdere bestemmingsplanwijzigingen wegdenkt, ontvangt de onteigende daarboven nog planschade in verband met die eerdere bestemmingsplanwijzigingen. De laatstbedoelde planschade staat, naar mijn mening, in een te ver verwijderd verband met de onteigening om nog te kunnen worden aangemerkt als schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak (art. 40 Ow) lijdt. 3.8 De onderdelen 1.1 en 1.2 acht ik dan ook gegrond. 3.9 Onderdeel 1.3 betoogt dat de rechtbank in rov. 2.11 rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, heeft geoordeeld dat reeds ten tijde van de vaststelling van de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (in de jaren 2000 en 2001) sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk waarvoor onteigend is, dat voorafgaande aan die vierde en vijfde herziening tot stand was gekomen en de inhoud van die herzieningen heeft bepaald.

De rechtbank wijst in de bestreden rov. 2.11 voor het door haar ontwaarde ‘voldoende concrete plan’ slechts naar een Streekplan uit 1996, een Nota uit 1999 over de wenselijk geachte Groenblauwe Slinger, een ontwikkelingsperspectief van de Provincie Zuid-Holland, doelstellingen van dezelfde provincie en het streven van die provincie ‘naar de ontwikkeling van een concreet ontwikkelingsplan’, in verband waarmee de Provincie ‘een intensieve bestuurlijke samenwerking tussen Provincie en gemeenten’ voorstond. Dit gaat onmiskenbaar allemaal over bestuurlijk planologisch beleid, hierin valt geen concreet plan te zien voor de aanleg (door BBL) van de Groenzone, die ter plaatse van het onteigende kennelijk zou moeten worden ingericht voor recreatieve doeleinden en natuur.

Trouwens de rechtbank spreekt zelf ook (in rov. 2.13) over ‘de realisatie van toekomstige plannen’ waarvoor hindernissen (door de beide bestemmingsplanwijzigingen) in een vroeg stadium zouden moeten worden geblokkeerd. 3.10 Zoals ik in de nrs. 3.7-3.10 van mijn hierboven bij 3.3 bedoelde conclusie in de zaak […]/Gorinchem heb uiteengezet, meen ik dat onder het in de 9 juli-arresten en in het arrest Ballast Nedam/Staat bedoelde (voldoende) concrete plan geen ander plan moet worden verstaan dan het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt als bedoeld in art. 40c, aanhef en onder 3o Ow.

De rechtbank heeft met haar verwijzing naar de in rov. 2.11 vermelde stukken duidelijk gemaakt dat (met name) de Provincie streefde naar de realisering van de Groenblauwe Slinger, maar kan volgens mij niet het oog hebben gehad op een (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van art. 40c, aanhef en onder 3o Ow. Ik acht de rechtsklacht van het onderdeel dan ook gegrond. 3.10 In het verlengde hiervan acht ik ook gegrond onderdeel 1.4, dat zich keert tegen de gevolgtrekking van de rechtbank in rov. 2.12 dat ook uit de aanwijzing door de Provincie van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker als transformatiegebied en een brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt. 3.11 Onderdeel 1.5 klaagt dat de rechtbank een essentiële stelling van BBL onbesproken heeft gelaten, en wel de stelling dat de Gemeente geheel los van het plan voor het werk op het onteigende al geruime tijd concentratie van glastuinbouw nastreeft in de Noordpolder en de Overbuurtse Polder.

Volgens het onderdeel doet die stelling, indien waar, afbreuk aan het oordeel van de rechtbank dat dat de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ de concrete planologisch-juridische onderbouwing vormen voor het plan waarvoor wordt onteigend en dus alleen was ingegeven door de wens het gebied te transformeren naar een natuur- en recreatiegebied. Indien Uw Raad, met mij, de hiervoor besproken onderdelen gegrond acht, behoeft deze klacht geen behandeling. Voor het geval Uw Raad toch aan deze klacht toekomt, meen ik dat die niet gegrond is omdat het niet gaat om een zodanig essentieel en klemmend argument dat de rechtbank, die dit argument kennelijk niet overtuigend vond, daarop met zoveel woorden had behoren in te gaan. 3.12 Onderdeel 1.6 klaagt over de reactie van de rechtbank in rov. 2.14 op het beroep van BBL op het gelijkheidsbeginsel.

Ook dit onderdeel kan buiten behandeling blijven indien Uw Raad zal oordelen dat de onderdelen 1.1-1.4 slagen. Overigens acht ik het onderdeel niet gegrond. De rechtbank had tot taak de schadeloosstelling voor de onderhavige onteigening vast te stellen. Als zij dat op juiste wijze heeft gedaan, is de schadeloosstelling correct vastgesteld, en daaraan kan naar mijn mening niet afdoen dat de in het kader van de aanleg van de N470 onteigenden een lagere (mogelijk te lage) schadeloosstelling hebben gekregen of hun gronden voor lagere (mogelijk te lage) prijzen aan de overheid hebben verkocht.

De vraag of BBL, zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon (zie art. 28 lid 3 Wet agrarisch grondverkeer), überhaupt een beroep op het gelijkheidsbeginsel (dat de burger tegen de overheid beschermt) kan doen, laat ik onbesproken. 3.13 Ook onderdeel 1.7 kan, tenslotte, buiten behandeling blijven indien Uw Raad de onderdelen 1.1-1.4 laat slagen. De door het onderdeel opgeworpen stelling dat ingevolge art. 40c Ow slechts één bestemmingsplan (het plan dat de grondslag vormt voor de onteigening) kan worden geëlimineerd en niet ook een of meer van de daaraan voorafgaande, lijkt mij in beginsel juist, maar er laten zich situaties denken, waarin het anders kan liggen.

Wanneer bijvoorbeeld het bestemmingsplan dat de juridisch-planologische grondslag moet opleveren voor de voorgenomen aanleg van een verkeersweg, al vóór de onteigening wordt vervangen door een nieuw bestemmingsplan, dat in dezelfde verkeersweg op dezelfde traject voorziet, lijkt het mij wel mogelijk dat bij de waardering van het onteigende de daarop volgens beide bestemmingsplannen rustende verkeersbestemming moet worden weggedacht. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Waarnemend Advocaat-Generaal Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 jo. art. 54t lid 1 Ow.

Immers binnen de termijn van twee plus zes weken van art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1 Ow. Rov. 2.2. van het bestreden vonnis Rov. 2.4 van het bestreden vonnis. Zie het citaat uit het deskundigenrapport, blz. 5, boven, van het vonnis. Vonnis rov. 2.3. Dit is dus, lijkt mij, de taxatie van het onteigende rekening houdende met de daaraan in het bestemmingsplan “Groenzone Berkel-Pijnacker” gegeven bestemming ‘recreatieve doeleinden en natuur’. De rechtbank heeft echter, onbestreden in cassatie, geoordeeld dat die bestemming wèl moet worden weggedacht.

Één van die arresten is dat in de zaak […] c.s. / Provincie Zuid-Holland, ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 met noot P.C.E. van Wijmen, TBR 2010/204 met noot E. van der Schans, BR 2011/11 met noot E.W.J. de Groot. Zie voor het vervolg van de zaak na verwijzing Hof Den Haag 31 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1944, TBR 2013/29 met noot E. van der Schans. Ballast Nedam / Staat, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E. van Wijmen, BR 2013/110 met noot E.W.J. de Groot, TBR 2013/44 met noot E. van der Schans. Gepubliceerd op rechtspraak.nl, nr. ECLI:NL:PHR:2015:1701.

HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E. van Wijmen, TBR 2013/44 met noot E. van der Schans, BR 2013/110 met noot E.W.J. de Groot.