Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2015:1377 ECLI:NL:PHR:2015:1377 AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:1377 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2015:1377
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Kunnen rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld ingevolge artikel 40 van de IW?; Is de aanslag Vpb 2007 terecht en tot het juiste bedrag aan [A] opgelegd?;

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:PHR:2015:1377 · Parket bij de Hoge Raad: Heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden? 2.3 In cassatie zijn met name de vragen 1, 3 en 4 relevant. De Rechtbank heeft omtrent de eerste vraag overwogen: (…) 4.5 (…) Uit de wettekst kan naar het oordeel van de rechtbank niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat artikel 40, eerste lid, van de IW slechts ziet op natuurlijke personen. In het spraakgebruik dient het woord “degene” ter aanduiding van een persoon die vervolgens nader wordt omschreven. Met het woord “persoon” wordt in het spraakgebruik weliswaar veelal op een natuurlijk persoon gedoeld, maar met dit woord kan tevens op een rechtspersoon worden gedoeld.

Keywords

AI generated
artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2014:1525
27 juni 2014 nr. 13/03045 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2013, nr. 12/00623, betreffende een ten aanzien van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) genomen beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
ECLI:NL:GHAMS:2014:485
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 12/00581 en 12/00582 20 februari 2014 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op de hogere beroepen van [X BV] te [Z], belanghebbende 1, en [Y] te [Z], belanghebbende 2, hierna tezamen ook aan te duiden als: belanghebbenden, gemachtigde: mr. drs. T.C. van Wagensveld (Van Wagensveld en Zonneveld B.V. advocaten en fiscalisten te Amsterdam), tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummers AWB 11/6583 en AWB 11/6585 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbenden en de ontvanger van de Belastingdienst/Rijnmond/kantoor Rotterdam, de ontvanger. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De ontvanger heeft bij afzonderlijke beschikkingen met dagtekening 23 september 2009 belanghebbenden aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven aanslag vennootschapsbelasting over het tijdvak 1 juli tot en met 31 december 2005 ten name van [A BV] (hierna: [A BV]). Deze aansprakelijkstelling beliep (telkens) een bedrag van € 564.403 waarin begrepen een bedrag van € 34.418 aan heffingsrente. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij afzonderlijke uitspraken, gedagtekend 27 oktober 2011, de aansprakelijkstellingen gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 10 juli 2012 heeft de rechtbank de door belanghebbenden ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en beide aansprakelijkstellingen met het daarin begrepen bedrag aan heffingsrente verminderd tot (telkens) € 529.985. 1.4. De tegen deze uitspraak ingestelde hogere beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 17 augustus 2012, aangevuld bij brieven van 19 september 2012. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend. 1.5. Van belanghebbenden zijn op 19 november 2013 nadere stukken ontvangen. Van de inspecteur zijn nadere stukken ontvangen op 19 november 2013 en op 25 november 2013. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2013; de zaken zijn daar gelijktijdig behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1.1 tot en met 2.11 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende 1 wordt daarin (evenals in de verderop in deze uitspraak geciteerde overwegingen van de rechtbank) aangeduid als ‘eiseres’, belanghebbende 2 als ‘eiser’ en de ontvanger als ‘verweerder’. “2.1.1. Eiseres was tot 30 december 2005 enig aandeelhouder van [A BV]. Eiser was enig aandeelhouder van eiseres. De activiteiten van [A BV] bestonden uit de verhuur van vastgoed. Het vastgoed dat [A BV] in eigendom had bestond uitsluitend uit de onroerende zaak gelegen aan de [a-weg 1] te [Z]. 2.1.2. Op 30 december 2005 had eiseres een schuld aan [A BV] in rekening courant van € 1.469.167. 2.2. Een e-mail bericht van 29 juni 2005 van eiser aan mr. [B], de belastingadviseur van de hierna te noemen [C], houdt onder meer in: “(…) Subject: Hir-vennootschap (…) ik krijg van U toegezonden een contract(je) en de nu reeds aan te kopen onroerende za(a)k(en) zullen door Uw cliënt (kosteloos) worden aangebracht en gefinancierd, waarbij ik het recht heb zonder opgaaf van reden(en) boete/kostenvrij betreffende aankoop te annuleren/ontbinden in welk geval geen der betrokkenen iets van elkaar te vorderen zullen hebben. (…) als ik het goed heb begrepen zal Uw relatie de BV van mij kopen, nadat er (een) nieuwe onroerende za(a)k(en) zal/zullen zijn ingebracht en de huidige onroerende zaak zal zijn verkocht en geleverd en dit alles voor 1.875.000 + eventuele verdere cash minus discount (maximaal 15% over 1.428.150). (…)” 2.3. [A BV] heeft bij overeenkomst van 17 augustus 2005 de onroerende zaak gelegen aan de [a-weg 1] te [Z] verkocht voor € 1.875.000. De levering vond plaats bij akte van 3 oktober 2005. Hierbij is een boekwinst gerealiseerd van € 1.685.737 (hierna: de boekwinst). [A BV] heeft voor dit bedrag een herinvesteringsreserve (hierna: de hir) gevormd. 2.4. Bij de stukken bevindt zich een purchase agreement met dagtekening 3 oktober 2005, inhoudende dat de vennootschap naar Zweeds recht [D KB] (hierna: [D KB]) op 3 oktober 2005 aan [A BV] verkoopt de onroerende zaak [onroerende zaak] voor € 2.041.645. Eiser heeft de purchase agreement ondertekend namens [A BV]. In de purchase agreement staat onder meer: “(…) “The Seller” is the sole owner of the real estate [onroerende zaak], which “the Buyer” wants to purchase. (…)” 2.5.1. Het verslag van het verhoor van [E], mede-eigenaar van [D KB], dat op 26 april 2011 heeft plaatsgevonden houdt onder meer in: “(…) Begin 2003 werd hij (lees: [E]) gebeld door [C] (…). Hij vertelde dat hij geïnteresseerd was in het kopen van panden in Zweden. Hij vroeg [E] en [F] of ze hem konden helpen. (…) Desgevraagd wordt aangegeven dat het bedrijf van [E] niet de eigenaar is van het pand op het moment dat de koopovereenkomst wordt gesloten. Het is de bedoeling dat het bedrijf fungeert als tussenpersoon als de koop uiteindelijk plaatsvindt. (…) Zijn er koopovereenkomsten gesloten met Nederlandse bedrijven in de portefeuille? Ja. Alle koopovereenkomsten werden geannuleerd omdat [C] geen financiering kon vinden. Dit geldt voor alle bedrijven in de portefeuille. (…) Alle koopovereenkomsten voor de betreffende Nederlandse bedrijven zijn door [C] opgesteld. (…)” 2.5.2. Het verslag van het verhoor van [F], mede-eigenaar van [D KB], dat op 27 april 2011 heeft plaatsgevonden houdt onder meer in: “(…) Heeft [F] contact gehad met de Nederlandse bedrijven die in de portefeuille worden genoemd? Nee, daar heeft hij geen contact mee gehad. [C] vertegenwoordigde deze bedrijven. Hij heeft alleen contact gehad met [C]. (…) Zijn er koopovereenkomsten gesloten met de Nederlandse bedrijven in de portefeuille? [C] stelde de koopcontracten op. Die had hij nodig om de financiering te regelen, om te kunnen laten zien. Hij had documenten nodig om de financiering rond te krijgen. (…) Geen van de transacties werd voltooid. (…)” 2.6. Een e-mail bericht van 19 oktober 2005 van mr. [B] aan [G], de belastingadviseur van eisers, houdt onder meer in: “(…) Ik zou volgens afspraak het stappenplan ter zake van de overdracht van de aandelen van [A BV] u doen toekomen. De vennootschap heeft in de loop van het jaar buiten fiscale eenheid vennootschapsbelasting onroerend goed verhuurd. Dit onroerend goed is inmiddels verkocht. Voor de boekwinst kan een herinvesteringsreserve worden gevormd of de ruilarresten worden toegepast. Inmiddels heeft de vennootschap vervangend Zweeds verhuurd onroerend goed aangekocht. De koopsom van de aankoop is schuldig gebleven. Tevens kan de koper de overeenkomst gedurende een bepaalde periode vrij van kosten ontbinden. Voor de vennootschap zal een overnamebalans worden opgesteld. Overnamebalans zal worden opgesteld per datum 1 november 2005. Op de balans staat de afgesproken latente belastingclaim. Dit bedrag wordt alvorens de aandelen worden overgedragen op de derdenrekening van de notaris gestort. Door de koper wordt o.a. een garantie afgegeven door de moedermij, een verklaring van de accountant dat de koper in staat is om de fiscale claim ter zake van de herinvesteringsreserve te kunnen voldoen, dat de vennootschap binnen een periode van vijf jaar niet zal worden geliquideerd en dat er geen dividenden zullen worden uitgekeerd gedurende deze periode. Voorts is een verklaring van de [Bank] overgelegd waaruit blijkt dat de koper te goeder naam en faam bekend staat. Deze maatregelen moeten naar mijn mening afdoende zijn om als verkoper niet aansprakelijk te worden gesteld voor belastingschulden. Hierna kunnen de aandelen in [A BV] worden overgedragen. (…)” 2.7.1. Bij akte van 30 december 2005, opgemaakt door notaris mr. [H], heeft eiseres haar aandelen in [A BV] geleverd aan [I BV] B.V. (hierna: [I BV]). De koopprijs van € 1.465.570 is voldaan door overname van de schuld in rekening courant en bijbetaling van € 3.597. Volgens de akte is het saldo op de bankrekeningen van [A BV] groot € 250.000 op de kwaliteitsrekening van de notaris gestort, teneinde onverwijld na het passeren van de akte op een door de nieuwe directeur van [A BV] op te geven rekening van [A BV] te worden overgemaakt. 2.7.2. Achter de akte is de volgende overnamebalans gevoegd: [A BV] 30-11-05 Gebouwen 2.006.777 AK 226.890 R/c [X BV] 1.469.167 WR 1.238.680 ----------- Eigen vermogen 1.465.570 Bank 250.000 Latente VPB 252.861 Lening [D KB] 612.447 Lening pand Zweden 1.394.330 Vpb 2005 736 ------------ ------------ 3.725.944 3.725.944 De belastinglatentie van € 252.861 is 15% van de boekwinst die bij de hiervoor onder 2.3 genoemde transactie is gerealiseerd. 2.7.3. De aandelen van [I BV] zijn in handen van [J AB]. De aandeelhouder van [J AB] is [C]. 2.7.4. Bij de stukken bevindt zich een invoice gedateerd 30 december 2005 van [D KB] aan [A BV] voor een te betalen bedrag van € 250.000 onder vermelding dat dit bedrag moet worden overgemaakt op de rekening van “[advocatenkantoor]” met als omschrijving “[D KB]/[I BV] – [A BV] loan 5.800”. 2.7.5. In een brief van 30 december 2005 van de notaris [H] aan [C] schrijft de notaris dat zij op verzoek van [C] na het passeren van voornoemde akte het bedrag van € 250.000 van haar kwaliteitsrekening telefonisch zal overmaken naar [advocatenkantoor]. 2.7.6. Op 22 juni 2009 heeft bij de Belastingdienst een hoorzitting plaatsgevonden naar aanleiding van het door [A BV] ingediende bezwaar tegen onder meer de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2005. Daarbij was onder andere aanwezig [C]. Het verslag dat van dit gesprek is opgemaakt houdt onder meer in: “(…) In een tweetal e-mailberichten van 30 december 2005 worden stukken aan de notaris verstrekt ten behoeve van de overmaking van een bedrag van € 250.000 aan een advocaat in Zweden. Volgens de heer [C] ziet deze betaling op een gedeeltelijke aflossing van de schuld aan de verkoper van het Zweedse vastgoed ([D KB]). Tevens geeft hij aan dat het geld waarschijnlijk niet geheel is doorbetaald aan de schuldeiser en dat hij is geconfronteerd met een gebrekkige administratie van de betreffende advocaat. (…)” 2.8.1. [A BV] maakte als dochtermaatschappij samen met eiseres als moedermaatschappij deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Bij brief van 13 juli 2005 heeft mr. [G], werkzaam bij [L] Belastingadviseurs voor en namens [A BV] en eiseres verzocht de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met ingang van 13 juli 2005 te verbreken. 2.8.2. Een uitdraai uit het geautomatiseerd systeem vennootschapsbelasting van de belastingdienst met betrekking tot [A BV] houdt onder meer in: “concernoverzicht ontvoegd miv 2005-07 verzoek via bel.consulent [L]. 21-07-2005 (…).” 2.8.3. Met dagtekening 28 maart 2008 heeft de inspecteur een beschikking beëindiging fiscale eenheid afgegeven per 13 juli 2005. 2.9. [A BV] is door de inspecteur uitgenodigd om vóór 1 augustus 2006 aangifte vennootschapsbelasting te doen over de periode juli tot en met december 2005. Vanwege het niet indienen van de aangifte is [A BV] aangemaand om uiterlijk op 7 september 2006 aangifte te doen. Ook daaraan is geen gevolg gegeven. Met dagtekening 14 april 2007 is een ambtshalve aanslag aan [A BV] opgelegd over het tijdvak juli tot en met december 2005 naar een belastbaar bedrag van € 2.000.000. 2.10. Bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2009 is de inspecteur deels aan het bezwaar van [A BV] tegen de aanslag tegemoet gekomen en is de aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van € 1.685.737, zijnde de boekwinst die bij de verkoop van de hiervoor onder 2.3 genoemde onroerende zaak is gerealiseerd. Voor de aldus verminderde aanslag zijn eisers bij de hiervoor onder 1.1 genoemde beschikkingen aansprakelijk gesteld. 2.11.[A BV] en [I BV] zijn op 27 april 2010 failliet verklaard.” 2.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit. Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe: 2.2.1. In het bedrag van € 564.403 waarvoor belanghebbenden bij de in 1.1 vermelde beschikkingen aansprakelijk zijn gesteld, was een bedrag van € 34.418 aan heffingsrente begrepen en was geen invorderingsrente begrepen. In die beschikkingen is voorts het volgende opgenomen: “Artikel 32, lid 2, van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat u aansprakelijk bent voor de kosten en invorderingsrente die verband houden met de belastingschuld, voor zover het ontstaan hiervan aan u is te wijten. (…) Ik stel u hierbij aansprakelijk voor een bedrag van € 564.403. (…) U moet het bedrag waarvoor ik u aansprakelijk heb gesteld, betalen vóór 4 november 2009. Als u na deze datum betaalt, is het belopen van invorderingsrente aan u te wijten en bent u daarom ook aansprakelijk voor de invorderingsrente die na deze datum verschuldigd wordt”. 2.2.2. De in 2.4 van de uitspraak van de rechtbank vermelde ‘Purchase agreement’ houdt voorts onder meer het volgende in: “1. Purchase date Purchase date is 3rd October 2005. 2. Purchase price Purchase price is SEK 19.000.000,-- (€ 2.041.645). 3. Terms of payment The payment should be done in the way prescribed below: a. Loan of SEK 13.200.000,-- (€ 1.418.406) assigned to the real estate, to be taken over by “The Buyer”. b. A promissory note, duly signed by “The buyer”, of SEK 5.800.000,-- ( ̴ € 623.239), to be attached to this agreement. (…) 7. Income and costs All income and costs concerning the real estate is due to receive and pay for on behalf of “The Seller” until the purchase date, and thereafter on behalf of “The Buyer”. 8. Conditions “The Buyer” have the right to cancel this purchase within three (3) months from the purchase date, if he can not fulfill the terms and conditions considering this transaction. The Buyer will then neither carry any costs or income achieved in this agreement. “The Seller” has the right to cancel this agreement within three (3) months”. 2.2.3. Belanghebbende 1 heeft ter zitting het volgende verklaard: “Ik wist niets van de fiscale materie. Ik moest mij op een adviseur verlaten. Als mij de kennis en ervaring ontbreekt, waarom zou ik dan iets aan het traject doen? Ik heb aan de belastingadviseur gevraagd hoe ik legaal iets fiscaal ‘zo optimaal mogelijk’ kon doen. Ik heb het gehele traject aan mijn adviseur overgelaten. Ik heb wel telefoongesprekken gevoerd met mijn adviseur. Ik ben geen fiscaal expert. Als ik had geweten wat ik nu weet, dan had ik aan de belastingadviseur gevraagd mij de hele constructie uit de doeken te doen. Ik wist niet dat er geld naar een Zweeds advocatenkantoor is gegaan. Ik kan me niet herinneren dat ik daar opdracht voor heb gegeven. Ik zal het op aanraden van mijn adviseur hebben gedaan. Ik zal hebben gedacht dat dit doodnormaal was. Ik heb in mijn dossier geen conceptakte van de verkoop van de aandelen in de BV aangetroffen. Ik denk daarom dat ik de conceptakte niet gezien of gelezen heb. Ik heb weinig besproken met mijn adviseur. Ik heb hem het hele traject in handen gegeven. Ik weet niet waarom het bedrag ad € 250.000 aan de notaris is betaald. U vraagt mij of ik de opdracht voor het overmaken van die € 250.000 heb getekend. Als ik het betaald heb, dan heb ik het betaald. Ik vond dat ik kon vertrouwen op mijn adviseur. Met de kennis van nu denk ik wellicht anders. Maar het is gebeurd. Ook als ik onderzoek had gedaan, dan zouden er een aantal dingen verborgen zijn gebleven. Kan je iemand verwijten dat hij zich heeft laten oplichten? Onder ‘opgelicht’ versta ik wat ik aan kennis heb gekregen over de waarde van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de koper. Als de informatie die door en over de koper was gegeven, juist was geweest, dan was er niets aan de hand geweest. Het is mij niet te verwijten dat ik ben opgelicht. Destijds was ik van de details niet op de hoogte, omdat ik dat heb overgelaten aan de adviseur. Ik ga ervan uit dat je mag vertrouwen op datgene, wat iemand doet die ervoor doorgeleerd heeft. Als ik degene ben die moet betalen, kan je zeggen dat ik ben opgelicht. Er wordt door de rechtbank veel belang gehecht aan de e-mail van 29 juni 2005. Die was van ene [B], die heeft mij gebeld. Hoe onbenullig het nu ook mag klinken, ik heb indertijd mijn lot in handen gelegd van iemand die zou moeten weten hoe het fiscaal werkte. Ik vond het prima, want ik liep geen risico. Achteraf constateer ik dat het anders is geweest. U vraagt mij of ik mij zorgen maakte over zo een grote transactie betreffende de aankoop van Zweeds onroerend goed. Ik zag geen gevaar in de transactie met het Zweedse onroerend goed. Ik zag dat ik er onderuit kon komen.” 2.2.4. De gemachtigde heeft ter zitting onder meer het volgende verklaard: “De wetswijziging van artikel 15e Wet VPB 1969 per 1 maart 2005 is bedoeld voor een volgorde van vervreemding en herinvestering die hier niet aan de orde is. Hier heeft vervreemding en herinvestering plaatsgevonden vóór de aandelenoverdracht. De herinvesteringsreserve wordt benut binnen het boekjaar zelf. Bij het opmaken van de balans ultimo boekjaar is er geen herinvesteringsreserve meer. Deze is op het moment van verkoop gevormd en afgeboekt met de herinvestering, dat is dus nog voor de vervreemding van de aandelen. In mijn optiek kan de herinvesteringsreserve direct na de vervreemding van het onroerend goed gevormd worden. Als u van oordeel bent van niet, dan ben ik van mening dat de ruilarresten kunnen worden toegepast. Er is geen opschortende voorwaarde in de overeenkomst van koop van het Zweedse onroerend goed, daarom is de overeenkomst perfect geworden. Een ontbindende voorwaarde staat aan het perfect worden van de overeenkomst niet in de weg.” 2.2.5. De ontvanger heeft ter zitting onder meer het volgende verklaard: “De aanslag heeft een dagtekening van 14 april 2007. Ik ben het niet met de stelling van belanghebbenden eens dat door de ontvanger geen invorderingsmaatregelen zijn getroffen. Er was geen aangifte gedaan en de aanslag was opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld bedrag. In de Leidraad Invordering staat dat in dat geval, wanneer tegen de ambtshalve aanslag een bezwaarschrift met daarbij alsnog de aangifte wordt ingediend, uitstel van betaling wordt verleend. Dat is beleid. In dit geval werd ook nog eens een verlies aangegeven. Ik weet verder niet in hoeverre de aangifte juist is; dat is voor de te nemen uitstelbeslissing ook niet van belang. (…) Op het moment dat de aanslag werd ingevorderd waren er geen activa in [A BV] aanwezig. Invordering via de [I BV] groep hebben we geprobeerd door middel van beslaglegging op de effecten die tot het groepsvermogen behoorden. Maar deze effecten bleken niets waard. (…) Het klopt dat pas in 2009 door de ontvanger informatie is ontvangen van de Zweedse belastingdienst. Vanaf dat moment wist de ontvanger hoe de vork in de steel zat. Toen heeft de ontvanger niet langer stilgezeten en is hij gaan invorderen. Dit heeft de ontvanger gedaan door middel van een artikel-40-beschikking. (…) Begin 2008 is de aangifte ingediend. Dat is bijna 2 jaar te laat. Het aangiftebiljet is uitgereikt in 2006. Het onderzoek naar de juistheid van de aanslag heeft lang geduurd, omdat de BV niet veel informatie kon geven. (…) De aangifte vennootschapsbelasting 2005 van de BV is ook pas laat gedaan. Ik meen dat in 2007 aangifte is gedaan. Dat was vóór de afgifte van de beschikking verbreking fiscale eenheid. In die aangifte is de winst van [A BV] vanaf het door belanghebbenden zelf aangeduide verbrekingsmoment niet opgenomen. De beschikking heffingsrente is er bij de rechtbank afgegaan. We hebben het alleen nog over de aansprakelijkheid voor de belasting en de invorderingsrente. U vraagt mij of artikel 40 van de Invorderingswet 1990 ook geschreven is voor rechtspersonen. Je kunt je inderdaad afvragen of artikel 40 ook voor rechtspersonen geldt. Ik ben van mening dat dit niet onmogelijk is. Er staat althans niet dat het artikel niet kan gelden voor rechtspersonen. In de Leidraad staat dat ook niet. Het is beleid om in gevallen als deze de beide personen, de achterliggende aandeelhouder en de tussenholding, aansprakelijk te stellen. U zegt: er staat ‘degene die’ en ‘tezamen met zijn partner en bloedverwanten’. Dat moge zo zijn, maar er staat ook ‘al dan niet’ tussen. Ik zou de wettekst anders hebben opgeschreven maar handhaaf mijn standpunt. (…) Wanneer de ontvanger op de hoogte is van het feit dat er iets niet helemaal in orde is, kunnen zekerheden worden gevraagd, en gesteld, bij het verlenen van uitstel van betaling. Het indienen van een aangifte naar een negatief bedrag is op zich geen reden om te betwijfelen dat de belastingschuld betaald zal worden. Er was niets te halen bij [A BV]. Ook [I BV] heeft grote belastingschulden. Naar mijn mening is de € 250.000 door [C] verduisterd. Er stond niets meer op de balans van [A BV].” 3Geschil in hoger beroep Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbenden terecht en tot het juiste bedrag aansprakelijk zijn gesteld voor door [A BV] niet-betaalde vennootschapsbelasting. Voor zover het gelijk op dit punt aan de ontvanger is, is verder niet in geschil dat ook aansprakelijkheid bestaat voor de invorderingsrente vanaf de datum vanaf 4 november 2009 tot – naar het Hof aanneemt – de datum van algehele voldoening. In hoger beroep is niet meer in geschil dat de aansprakelijkheid zich hoe dan ook niet uitstrekt tot de op de aanslag vermelde heffingsrente. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten, wordt overigens verwezen naar de stukken van het geding. 4Beoordeling van het geschil 4.1. Bij de in 1.1 vermelde beschikkingen zijn belanghebbenden 1 en 2 aansprakelijk gesteld voor de (niet-betaalde) aanslag vennootschapsbelasting ten name van [A BV], zoals deze bij uitspraak op bezwaar is verminderd – zie 2.9 van de uitspraak van de rechtbank (hierna: de aanslag). De aanslag heeft betrekking op de boekwinst die [A BV] heeft behaald op de verkoop van haar pand te [Z] – zie 2.3 van de uitspraak van de rechtbank. 4.2. Het Hof stelt ambtshalve voorop dat de aansprakelijkstelling van belanghebbende 1 (hierna: [X BV]) dient te worden vernietigd omdat zij geen grondslag vindt in een wettelijke bepaling. De bepaling op grond waarvan [X BV] aansprakelijk is gesteld, te weten artikel 40 van de Invorderingswet 1990 (hierna: Invorderingswet), laat naar haar duidelijke bewoordingen slechts toe, natuurlijke personen aansprakelijk te stellen. Het eerste lid is immers gericht op “Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap (…)” – welke bewoordingen redelijkerwijs alleen op natuurlijke personen betrekking kunnen hebben – en noch in dat eerste lid, noch elders, wordt de aldus gedefinieerde kring van aansprakelijk te stellen subjecten verruimd tot rechtspersonen en/of ‘lichamen’ in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Tegenover deze ondubbelzinnige wettekst biedt de wetsgeschiedenis van de met ingang van 1 januari 2001 geldende tekst onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat naast natuurlijke personen ook rechtspersonen (lichamen) op de voet van artikel 40 Invorderingswet aansprakelijk gesteld kunnen worden. Het met ingang van 1 juli 2004 - krachtens besluit van 24 juni 2004, nr. CPP2004/1444M, Stcrt. 2004, 122 - in artikel 40 Leidraad Invordering 1990 opgenomen standpunt van de staatssecretaris van Financiën, dat vervolgens in artikel 40.1 Leidraad Invordering 2008 is overgenomen (“Opgemerkt wordt dat artikel 40 niet alleen ziet op natuurlijke personen die aandelen of een belang vervreemden, maar ook op lichamen in de zin van de AWR”) heeft derhalve geen wettelijke grondslag. 4.3. Wat betreft de aansprakelijkstelling van belanghebbende 2 (hierna: belanghebbende) overweegt het Hof als volgt. 4.4.1. Als verst strekkend verweer heeft belanghebbende aangevoerd dat de aanslag vernietigd dient te worden omdat [A BV] ten tijde van de verkoop van het pand te [Z] onderdeel uitmaakte van een fiscale eenheid met [X BV] als moedermaatschappij, zodat de boekwinst – indien belast – slechts bij [X BV] doch in ieder geval niet bij [A BV] in de heffing kon worden betrokken. De in 2.8.3 van de uitspraak van de rechtbank vermelde beschikking doet daar naar het oordeel van belanghebbende niet aan af omdat deze beschikking pas is genomen toen de fiscale eenheid als gevolg van de verkoop van de aandelen in [A BV] al van rechtswege was beëindigd, en deze beschikking geen terugwerkende kracht heeft. 4.4.2. De ontvanger heeft daar onder meer tegenover gesteld dat de voor de heffing van vennootschapsbelasting van [X BV] en [A BV] bevoegde inspecteur ingevolge het door die vennootschappen op 13 juli 2005 gedane verzoek tot verbreking van de tussen hen bestaande fiscale eenheid, [A BV] met ingang van die datum in zijn administratie heeft opgenomen als zelfstandig belastingplichtige en aan [A BV] een aangiftebiljet vennootschapsbelasting voor het tijdvak 13 juli tot en met 31 december 2005 heeft uitgereikt. Nu de indieningsdatum van dit verzoek is gelegen vóór de datum van de verkoop van de aandelen in [A BV], en de inspecteur geen beleidsvrijheid heeft bij het nemen van een dergelijke beschikking op dit verzoek, houdt de – abusievelijk vertraagde – afgifte van de beschikking slechts de bevestiging in dat de fiscale eenheid tussen [X BV] en [A BV] op 13 juli 2005 is verbroken. [X BV] heeft het zelf ook zo begrepen, want in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2005 heeft zij het resultaat van de fiscale eenheid met [A BV] begrepen tot 13 juli 2005. Tegen de beschikking van 28 maart 2008 is ook geen bezwaar gemaakt. Aldus de ontvanger. 4.4.3. De rechtbank heeft omtrent dit geschilpunt als volgt overwogen: “Beëindiging fiscale eenheid vennootschapsbelasting 4.1. Ingevolge artikel 15, zesde lid, aanhef en onder d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2005) eindigt de fiscale eenheid op gezamenlijk verzoek van de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij met ingang van het in het verzoek genoemde tijdstip, doch niet eerder dan met ingang van de datum van indiening van het verzoek. Het achtste lid van dat artikel houdt in dat de inspecteur op dit verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. 4.2. De Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet van 11 december 2002 tot wijziging van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid) houdt onder meer in: “Ten aanzien van verbreking van de fiscale eenheid op verzoek wordt gevraagd om aan te geven of de inspecteur toetst of sprake is van zogenaamde onbedoelde fiscale voordelen of dat een verzoek altijd zal worden ingewilligd. (…) Indien wordt verzocht om ontvoeging van een dochtermaatschappij zal de inspecteur dit verzoek steeds honoreren.” (Kamerstukken II, 2000 - 2001, 26 854, nr. 6, p. 17) 4.3. Uit de hiervoor weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de inspecteur geen beleidsvrijheid heeft en dat een verzoek als het onder 2.8.1 genoemde door hem moet worden gehonoreerd. Uit de hiervoor onder 2.8.2 weergegeven systeemuitdraai blijkt dat dit verzoek ook is gehonoreerd en dat dit – zo begrijpt de rechtbank de systeemuitdraai – op 21 juli 2005 is geregistreerd in het systeem vennootschapsbelasting van de belastingdienst. Ook uit het feit dat de belastingdienst [A BV] heeft uitgenodigd en aangemaand aangifte vennootschapsbelasting te doen over de periode juli t/m december 2005, blijkt dat de beëindiging van de fiscale eenheid per juli 2005 had plaatsgevonden. Tevens had [A BV] daaruit kunnen en moeten begrijpen dat het verzoek was gehonoreerd. Dat de beschikking beëindiging fiscale eenheid eerst op 28 maart 2008 is afgegeven door de inspecteur, doet er niet aan af dat de fiscale eenheid overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, zesde lid, aanhef en onder d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is beëindigd met ingang van de datum van het verzoek. Zo de onder 2.3 bedoelde boekwinst moet worden belast, heeft dit derhalve terecht bij [A BV] plaatsgevonden.” 4.4.4. Het Hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en de gronden waarop het berust. Voor zover nodig voegt het Hof daaraan toe dat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat [X BV] en [A BV] door het uitblijven van de beschikking op het verkeerde been zijn gezet of anderszins nadeel hebben ondervonden. De overige verweren van de ontvanger op dit punt behoeven geen behandeling. 4.5.1. Subsidiair heeft belanghebbende betoogd dat [A BV] voor de op het pand te [Z] behaalde boekwinst een herinvesteringsreserve (hierna: HIR) mocht vormen en dat zij die in 2005 heeft aangewend voor de aankoop van de onroerende zaak [onroerende zaak] (hierna: de Zweedse onroerende zaak). Van een in 2005 te belasten boekwinst kan derhalve geen sprake zijn. Aldus belanghebbende. 4.5.2. De ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat van de vorming en afboeking van een HIR geen sprake kan zijn omdat de “Purchase agreement” van 3 oktober 2005 een schijnhandeling is; de daarbij betrokken partijen hadden niet werkelijk de bedoeling over en weer de in die overeenkomst genoemde verplichtingen aan te gaan. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een eventueel te vormen HIR ingevolge artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VPB) in 2005 vrijvalt in de winst van [A BV]. Belanghebbende heeft deze standpunten van de ontvanger betwist. 4.5.3. De rechtbank heeft omtrent dit geschilpunt het volgende overwogen: “Aanwenden herinvesteringreserve (…) 4.6. De hiervoor onder 2.3 genoemde purchase agreement houdt in dat [D KB] de enige eigenaar is van het in dat document genoemde onroerend goed en dat [A BV] dat onroerend goed van [D KB] wil kopen. Uit de hiervoor onder 2.5 weergegeven verklaringen van [E] en [F] blijkt echter dat [D KB] ten tijde van het tekenen van de purchase agreement geen eigenaar was van het onroerend goed waarop dat document betrekking had. Het was ook niet de bedoeling dat [D KB] de eigendom van het onroerend goed zou verkrijgen, omdat zij slechts als tussenpersoon zou fungeren bij de uiteindelijke koop. De purchase agreement is door [C] opgesteld enkel omdat hij dat document nodig had om de financiering voor de aankoop van het onroerend goed rond te krijgen. Anderzijds is door eiser ter zitting verklaard dat [A BV] geen opdracht of volmacht aan [C] heeft gegeven. Uit het hiervoor onder 2.2 genoemde e-mailbericht blijkt dat eiser zowel namens [A BV] afspraken vastlegde over de aankoop van niet nader benoemd onroerend goed, en dus optrad als bestuurder, als afspraken maakte over de prijs van de aandelen en dus optrad namens eiseres. De rechtbank concludeert daaruit dan ook dat eisers beiden wisten dat [C] het door [A BV] aan te kopen onroerend goed zou aanbrengen en financieren. Uit dit alles volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de betrokken partijen aan de tussen hen gesloten purchase agreement in werkelijkheid geen rechtsgevolgen wensten te verbinden en dat deze niet zou gelden, zodat deze moet worden aangemerkt als een schijnhandeling. Verweerder heeft de aanwending van de herinvesteringsreserve dan ook terecht geweigerd, zodat de boekwinst terecht bij [A BV] is belast in 2005. 4.7. De vraag of zich al dan niet de situatie voordoet als bedoeld in artikel 15e (met ingang van 1 januari 2007 vernummerd tot artikel 12a) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 behoeft gelet op het voorgaande geen beantwoording.” 4.5.4. In hoger beroep herhaalt belanghebbende zijn betoog dat [A BV] wel degelijk de intentie heeft gehad verplichtingen aan te gaan ter zake van de aankoop van de Zweedse onroerende zaak en dat zij daartoe door middel van de ‘Purchase agreement’ een perfecte koopovereenkomst is aangegaan. Op die grond mocht zij de gevormde HIR afboeken op de kostprijs van de Zweedse onroerende zaak. Artikel 15e (Hof: belanghebbende verwijst ten onrechte ook naar artikel 12a) van de Wet VPB doet hieraan volgens belanghebbende niet af. 4.5.5. De ontvanger heeft zich in zijn verweer tegen het hoger beroep aangesloten bij het oordeel van de rechtbank, en ook overigens zijn betwisting gehandhaafd. Bij pleidooi heeft hij daaraan toegevoegd dat voor het afboeken van de HIR op de kostprijs van de Zweedse onroerende zaak geen plaats is omdat belanghebbende daarvan niet de economische eigendom heeft verkregen. Daarnaast is hij van mening dat artikel 15e Wet VPB in de vanaf 1 maart 2005 geldende tekst het vormen, althans handhaven, van een HIR verhindert. 4.5.6.1. Bij zijn beoordeling van dit geschilpunt gaat het Hof veronderstellenderwijs uit van de juistheid van de door belanghebbende verdedigde stellingen (1) dat het mogelijk is een HIR binnen één en hetzelfde (boek)jaar te vormen en af te boeken en (2) dat het belang in [A BV] niet eerder dan op 30 december 2005 is overgegaan van [X BV] op [I BV]. 4.5.6.2. Naar ’s Hofs oordeel kan in het midden blijven of de partijen die de ‘Purchase agreement’ hebben gesloten de intentie hadden om de in die overeenkomst gestipuleerde verplichtingen aan te gaan. Ook indien, veronderstellenderwijs, wordt uitgegaan van de realiteit van die intentie, volgt uit de bepalingen van die overeenkomst dat [A BV] op 3 oktober 2005 niet het volledige economische belang bij de Zweedse onroerende zaak heeft verkregen. Tot dit oordeel leidt niet alleen de omstandigheid dat de als ‘Seller’ aangeduide partij [D KB] op 3 oktober 2005 niet in de positie was om [A BV] dat belang te verschaffen, maar ook de uit punt 8 van de ‘Purchase agreement’ voortvloeiende mogelijk-heid dat zowel [A BV] (‘Buyer’) als [D KB] de overeenkomst binnen drie maanden ongedaan kon maken. In artikel 8 is immers bepaald dat in dat geval geen kosten of inkomsten voor rekening van [A BV] komen, zodat de in punt 7 opgenomen clausule in geval van ontbinding geen effect heeft. Dat [A BV] alleen ingeval van het niet kunnen voldoen aan de transactievoorwaarden kon ontbinden, zoals in de overeenkomst is bepaald, acht het Hof te dezen zonder reële feitelijke betekenis. In samenhang beoordeeld met de overige feiten en omstandigheden, waaronder met name het in onderdeel 2.2. van de uitspraak van de rechtbank geciteerde e-mailbericht van 29 juni 2005, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [A BV] op 3 oktober 2005 het volledige econo-mische belang bij de Zweedse onroerende zaak heeft verkregen. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [A BV] ná 3 oktober 2005 (wel) het volledige economische belang bij de Zweedse onroerende zaak heeft verkregen, zijn niet gesteld of gebleken. Uit het voorgaande volgt dat [A BV] in 2005 de Zweedse onroerende zaak niet als bedrijfsmiddel heeft kunnen activeren, zodat zij ook geen HIR (of, voor zover zij een beroep op de ruilarresten heeft gedaan, geen boekwinst) heeft kunnen afboeken op de kostprijs van een vervangend bedrijfsmiddel. 4.5.6.3. Voor zover [A BV] geacht moet worden – subsidiair – te hebben willen stellen dat zij ultimo 2005 in ieder geval een herinvesteringsvoornemen had op grond waarvan zij de boekwinst op het pand te [Z] mocht (blijven) reserveren in een HIR, stuit dat af op het bepaalde in artikel 15e van de Wet VPB (tekst vanaf 1 maart 2005). In dat artikel is, voor zover van belang, het volgende bepaald: “1. Indien aannemelijk is dat op enig tijdstip het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, gelden in afwijking in zoverre van artikel 3.54 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 de volgende regels: a. een ten tijde van die wijziging reeds gevormde herinvesteringsreserve wordt direct voorafgaande aan die wijziging aan de winst toegevoegd; b. na die wijziging kan een herinvesteringsreserve slechts worden gevormd ter zake van vervreemde bedrijfsmiddelen, waarvan het besluit tot vervreemding is genomen na die wijziging. De eerste volzin is niet van toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende de laatste drie maanden voorafgaande aan de wijziging zijn bezittingen voor minder dan de helft hebben bestaan uit beleggingen. (…) 4. Voor de toepassing van dit artikel (…) worden onder beleggingen mede begrepen liquide middelen, alsmede onroerende zaken die zijn bestemd om direct of indirect ter beschikking te worden gesteld aan anderen dan met de belastingplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid.” Uit de stellingen van belanghebbende die het Hof veronderstellenderwijs tot uitgangspunt neemt, volgt dat het belang in [A BV] op 30 december 2005 in belangrijke mate is gewijzigd en dat het besluit tot vervreemding van het pand te [Z] (ruim) vóór die belangwijziging was genomen. Handhaving (letter a) dan wel vorming (letter b) van een HIR ter zake van de boekwinst op het pand te [Z] is derhalve ingevolge de eerste volzin van voornoemd artikel 15e uitgesloten, terwijl op de uitzondering van de tweede volzin geen beroep is gedaan en die uitzondering zich overigens gelet op de vaststaande feiten (het Hof verwijst met name naar 2.7.2 van de uitspraak van de rechtbank) te dezen niet voordoet. 4.5.6.4. Uit het voorgaande volgt dat het Hof - evenals de rechtbank, zij het op andere gronden – tot het oordeel komt dat de boekwinst op het pand te [Z] terecht tot de winst van [A BV] in 2005 is gerekend. 4.6.1. Nu de grieven van belanghebbende tegen de juistheid van de aan [A BV] opgelegde aanslag falen, komt de vraag aan de orde of de ontvanger belanghebbende terecht voor het bedrag van de op die aanslag onbetaald gebleven vennootschapsbelasting aansprakelijk heeft gesteld. In de eerste plaats is dan van belang of aan de in artikel 40, eerste lid, van de Invorderingswet gestelde voorwaarden is voldaan. Met betrekking tot die vraag heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Vermogenstoets 4.9. Van de in artikel 40, eerste lid, van de IW gestelde voorwaarden is tussen partijen enkel in geschil of het vermogen van [A BV] anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van die vennootschap is verminderd in het jaar van de vervreemding van de aandelen of in de drie daarop volgende jaren. 4.10. Blijkens de hiervoor onder 2.7.2 genoemde overnamebalans is het bedrag dat is gereserveerd om de vennootschapsbelasting over de bij de hiervoor onder 2.3 bedoelde transactie behaalde boekwinst te voldoen, gesteld op € 252.861. Op de datum van vervreemding van de aandelen in [A BV] is overeenkomstig de akte van levering een bedrag van € 250.000 op de kwaliteitsrekening van de notaris overgemaakt. Blijkens de akte van levering was het de bedoeling dat dit bedrag onverwijld na het passeren van die akte op een door de nieuwe directeur van [A BV] op te geven rekening van [A BV] zou worden overgemaakt. Uit de hiervoor onder 2.7.4 tot en met 2.7.6 weergegeven feiten blijkt echter dat [C] aan de notaris opdracht heeft gegeven om dit bedrag niet op een rekening van [A BV] te storten, maar om dit bedrag na het passeren van de akte naar de kwaliteitsrekening van de Zweedse advocaat [M] over te maken. Uit de stukken blijkt niet wat er met het bedrag is gebeurd. Wel blijkt uit de overgelegde balansen van [A BV] dat er geen schulden mee zijn afgelost. Nu met het bedrag geen schuld is afgelost, is de aanwending geschied buiten de normale bedrijfsvoering. Het bedrag van € 250.000 is, mede in aanmerking genomen dat het nagenoeg gelijk is aan het bedrag van de belastinglatentie, een dermate aanzienlijk deel van het vermogen van de vennootschap dat het voor de beoordeling van de vermogenstoets relevant is. Nu het bedrag van € 250.000 kort na het passeren van de akte van levering van de aandelen niet meer in [A BV] aanwezig was, is het vermogen van [A BV] in het jaar van de vervreemding van de aandelen danwel in een van de drie daarop volgende jaren anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering verminderd. 4.11. Aan de in artikel 40, eerste lid, van de IW voor de aansprakelijkheid van eisers gestelde vereisten is dus voldaan.” 4.6.2. Het Hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank inzake dit geschilpunt heeft overwogen. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd wat een nieuw of ander licht op dit geschilpunt werpt. 4.7.1. Vervolgens komt aan de orde de vraag of belanghebbende zich, zoals hij stelt en de ontvanger betwist, kan beroepen op de disculpatiemogelijkheid van artikel 40, zesde lid, van de Invorderingswet. 4.7.2. De rechtbank heeft omtrent dat geschilpunt als volgt overwogen: “Disculpatiegrond 4.12. Eisers hebben zich op de disculpatiemogelijkheid van artikel 40, zesde lid, van de IW beroepen, inhoudende dat degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is voor zover hij bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. 4.13. Een redelijke wetsuitleg brengt naar het oordeel van de rechtbank in een geval als het onderhavige mee, dat eisers moeten bewijzen niet alleen dat zij er op goede gronden vanuit mochten gaan dat [I BV] ervoor zorg zou dragen dat het vermogen van [A BV] nadat de aandelen [A BV] aan haar geleverd waren toereikend bleef om aan de ten tijde van de overname reeds bestaande fiscale verplichtingen van [A BV] te voldoen, maar ook dat zij er op goede gronden vanuit mochten gaan dat [I BV] bereid was om de fiscale verplichtingen van [A BV] na te komen en het vermogen dat nodig was om aan de fiscale verplichtingen te voldoen niet voor andere doeleinden zou aanwenden. 4.14. Eisers hebben er in dit verband op gewezen dat voorafgaand aan de levering van de aandelen [A BV] [I BV] een lijst met referenties heeft opgegeven, dat [K] van [Bank]. in een brief van 7 juli 2005 heeft verklaard dat [I BV] voldoende middelen heeft om verplichtingen tot € 33 miljoen aan te gaan en dat de jaarrekening van [I BV] over het eerste halfjaar van 2005 een positief saldo van bijna € 6 miljoen toont, terwijl zij zich in deze voorts hebben laten adviseren door hun belastingadviseur mr. [G]. 4.15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers zich niet kunnen disculperen, aangezien zij geen invulling hebben gegeven aan de op hen rustende zorgplicht. Nog daargelaten dat eisers zich op 29 juni 2005 al hadden gecommitteerd aan de transacties, blijkt niet dat de nadien opgegeven referenties zijn geraadpleegd of dat de verklaring van [K] is geverifieerd, terwijl bij de halfjaarstukken geen accountantsverklaring of samenstellingsverklaring is gevoegd. Aan deze stukken kan geen enkel vertrouwen worden ontleend aangaande de nakoming van de fiscale verplichtingen door [I BV], aldus verweerder. 4.16. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers zich niet disculperen. Uit het hiervoor onder 2.6 genoemde stappenplan blijkt dat eisers zich hebben verdiept in het nemen van maatregelen die in hun visie afdoende zouden zijn om aansprakelijkstelling voor belastingschulden van [A BV] te voorkomen. Gesteld noch gebleken is dat zij zich er in dat kader rekenschap van hebben gegeven of [I BV] ook bereid was de in [A BV] aanwezige belastingverplichtingen ordelijk af te wikkelen. Weliswaar is in het stappenplan opgenomen dat het bedrag van de latente belastingclaim voorafgaand aan de levering van de aandelen op de kwaliteitsrekening van de notaris wordt gestort, maar dit bedrag stond na het passeren van de akte ter vrije beschikking van [C]. Dit is dan ook niet voldoende om te oordelen dat het niet aan eisers te wijten is dat het vermogen van de [A BV] ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. 4.17. Dat eisers zich hebben laten bijstaan door een belastingadviseur kan hen evenmin baten. Eiser heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij [G] heeft gezegd dat hij het pand in [Z] wil verkopen en dat [G] moet kijken hoe dat fiscaal zo optimaal mogelijk kan worden gedaan. Op de vraag van de rechtbank of hij met [G] heeft besproken dat een en ander legitiem en op fiscaal correcte wijze moest worden afgehandeld zodat niemand, ook de fiscus niet, benadeeld zou worden, heeft eiser geantwoord dat hij dat niet met zoveel woorden gezegd heeft tegen [G]. Onder die omstandigheden kan het enkele feit dat een belastingadviseur eisers heeft bijgestaan, hen niet disculperen.” 4.7.3. In hoger beroep heeft belanghebbende zijn stellingen op dit punt herhaald en uitgebreid. Samengevat weergegeven, beroept belanghebbende zich erop dat hij zich heeft laten bijstaan door zijn vaste adviseur [G], die verbonden was aan een gerenommeerd kantoor en die, naar hij mocht aannemen, ter zake kundig was. Daarnaast stelt belanghebbende dat er voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar [I BV], de koper van de aandelen [A BV]. Op grond van dit een en ander meent belanghebbende aan zijn zorgplicht te hebben voldaan. Dat naderhand is gebleken dat de door [I BV] gepresenteerde cijfers onjuist waren, dat de ‘accountant’ die een verklaring op die cijfers had gegeven geen accountant was en dat de transactie met de Zweedse onroerende zaak in 2006 (kennelijk) is teruggedraaid, kan hem niet worden verweten. Als de Belastingdienst medio 2009 meende dat [I BV] de onderhavige fiscale verplichting kon nakomen, kan belanghebbende er geen verwijt van worden gemaakt dat zij in 2005 een onjuiste voorstelling van zaken had ten aanzien van de kopende partij. Belanghebbende heeft bij pleidooi voor het Hof voorts – subsidiair – een beroep gedaan op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 7 mei 2013, nr. 12/00623 (ECLI:NL:GHARL:2013:CA0898), en verdedigt op grond van analogie met de aldaar berechte casus dat hij zich in ieder geval kan disculperen voor het bedrag dat onder de notaris is gestort; dit bedrag was volgens belanghebbende (afgerond) € 254.000. 4.7.4. De inspecteur heeft, samengevat weergegeven, onder meer aangevoerd dat belanghebbende als ervaren advocaat de niet-fiscale risico’s van de transactie kon beoordelen, dat hij in ieder geval op de hoogte was van het bestaan van een aanzienlijke belastingclaim, dat hij geen enkele maatregel heeft getroffen om te waarborgen dat deze claim door [A BV] zou kunnen worden voldaan, dat uit niets blijkt dat belanghebbende en/of zijn adviseurs de door [I BV] verstrekte stukken en gegevens hebben geverifieerd, dat evenmin uit de stukken kan worden afgeleid dat [X BV] en [I BV] waren overeengekomen het bedrag van de latente vennootschapsbelasting aan te wenden voor (gedeeltelijke) financiering van de aankoop van de Zweedse onroerende zaak en dat omtrent de aanwending van het onder de notaris gestorte bedrag door of namens [A BV] geen enkele instructie is gegeven of voorwaarde is gesteld. 4.7.5.1. Bij zijn beoordeling van dit geschilpunt stelt het Hof voorop dat de door de rechtbank in 4.13 van haar uitspraak aan belanghebbende opgelegde bewijslast en de aldaar geformuleerde zorgplicht, naar ’s Hofs oordeel overeenstemmen met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 5 oktober 2012, nr. 11/01555 (ECLI:NL:HR:2012:BW6516), BNB 2012/312. Het Hof sluit zich hierbij aan. 4.7.5.2. Het Hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank vervolgens in 4.14 tot en met 4.17 van haar uitspraak heeft overwogen. Ook met inachtneming van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, acht het Hof belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat hij op goede gronden ervan uit mocht gaan dat [I BV] bereid was om de fiscale verplichtingen van [A BV] na te (doen) komen en dat het vermogen dat nodig was om aan de fiscale verplichtingen te voldoen niet voor andere doeleinden zou worden aangewend. Met name is het Hof van oordeel dat belanghebbende zich niet met succes erop kan beroepen dat hij (slechts) voer op het kompas van zijn adviseur [G]. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zelf contact heeft gehad met de belastingadviseur van [C] teneinde ‘een contract(je)’ ter zake van een – fiscaal gunstige – verkoop van de aandelen [A BV] op te (doen) stellen. Voorts is het belanghebbende – uitgaande van een reële ‘Purchase agreement’ – duidelijk geweest dat [A BV] voor een zeer groot bedrag verplichtingen zou (moeten) aangaan voor de aankoop van de Zweedse onroerende zaak, en moet hij hebben beseft dat daarmee zijn eigen financiële belang (als middellijk aandeel-houder) en zijn eigen verantwoordelijkheid (als middellijk bestuurder) gemoeid waren. De ter zitting gemaakte opmerking ‘Ik zag dat ik eronder uit kon komen’ doet hieraan onvoldoende af. Bij het voorgaande komt nog dat belanghebbende, naar op grond van zijn verklaring ter zitting en bij gebreke van enige aanwijzing van het tegendeel moet worden aangenomen, zelf opdracht heeft gegeven voor het overmaken van het bedrag van € 250.000 (of € 254.000) op een kwaliteitsrekening van de notaris, waarna [A BV], afgezien van een vordering op haar aandeelhouder [X BV], leeg was. De in acht te nemen zorgplicht betreft gelet op al deze omstandigheden (ook) belanghebbende zelf, en het Hof deelt het oordeel van de rechtbank dat (ook) belanghebbende in die zorgplicht is tekort geschoten. 4.7.5.3. Aan het vorenoverwogene doet niet af de in het nadere stuk van 18 november 2013 door belanghebbende geponeerde stelling dat [C] in maart 2009 namens [I BV] aan de Belastingdienst zekerheid voor de nakoming van de belastingschuld van [A BV] heeft aangeboden in de vorm van een pandrecht op obligaties ‘[obligaties]’. Die stelling is zonder nadere toelichting – die niet gegeven is – zonder belang voor de vraag in hoeverre belanghebbende zich ten tijde van de transacties in 2005 heeft vergewist van de financiële positie van [I BV]. Het Hof laat nog daar dat de ontvanger bij pleidooi voor het Hof gemotiveerd heeft betwist dat aan die obligaties enige waarde toekwam. 4.7.5.4. Voorts vermag het Hof niet in te zien dat de omstandigheid dat de Belastingdienst medio 2009 nog pogingen deed de onbetaald gebleven belasting bij [I BV] in te vorderen, een disculperende omstandigheid oplevert met betrekking tot het handelen (en nalaten) van belanghebbende in 2005. 4.7.5.5. Het subsidiaire beroep op (analoge toepassing van) de in 4.7.3 vermelde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem treft naar ’s Hofs oordeel evenmin doel. In de desbetreffende casus heeft dat gerechtshof op grond van de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geoordeeld dat de belanghebbende in die zaak erop kon vertrouwen dat het op een derden-rekening van de notaris gestorte bedrag bestemd was om rechtstreeks naar de fiscus te gaan. In de onderhavige zaak zijn evenwel geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat belanghebbende bij de overmaking van het bedrag van € 254.000 een soortgelijk vertrouwen kon hebben omtrent de bestemming van dat bedrag. Het Hof neemt in dat verband in aanmerking dat belanghebbende – die, naar moet worden aangenomen, zelf de overmaking naar de notaris heeft verricht – ter zake van de bestemming geen enkele instructie heeft gegeven en geen enkele voorwaarde heeft gesteld. 4.8.1. Ten slotte heeft belanghebbende, evenals voor de rechtbank, een beroep gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die – zijns inziens – meebrengen dat de ontvanger, althans de Belastingdienst, onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het benutten van alternatieve mogelijkheden om de belastingschuld van [A BV] te innen. De Belastingdienst heeft langdurig gewacht met het nemen van invorderingsmaatregelen jegens [A BV] en/of [I BV] en het is onbehoorlijk dat de Belastingdienst het daardoor belopen risico dat de aanslag onbetaald zou blijven volledig voor rekening van belanghebbende, als aansprakelijk gestelde, heeft gebracht. Voor zover dit onzorgvuldig handelen al niet dient te leiden tot algeheel verval van de aansprakelijkstelling, is er op grond van de eis van een evenredige belangenafweging aanleiding tot matiging van de aansprakelijkstelling, aldus belanghebbende. 4.8.2. De inspecteur heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. 4.8.3. De rechtbank heeft omtrent dit geschilpunt als volgt overwogen: “Schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur 4.22. Eisers hebben zich ten slotte op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door te lang te wachten met het nemen van invorderingsmaatregelen. Ultimo 2007 bezat [I BV] nog € 1.684.115 aan activa. Bij normale voortvarendheid had het bedrag van de belastingschuld nog kunnen worden verhaald op [A BV] of de verantwoordelijke bestuurder van [A BV]. 4.23. Verweerder heeft erop gewezen dat naar aanleiding van het bezwaar van [A BV] tegen de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2005 uitstel van betaling is verleend welk uitstel op 28 juli 2009 is beëindigd. Verweerder ging er vanuit dat [A BV] ‘goed was voor haar geld’ totdat er medio 2009 informatie uit Zweden van de belastingdienst aldaar werd ontvangen die een ander licht op de zaak wierp. Tot dat moment was er geen reden om in afwijking van de standaardprocedure geen uitstel van betaling te verlenen en met invordering te starten. 4.24. Eisers hebben, behoudens een redenering hoe een en ander mogelijk was verlopen als verweerder anders had gehandeld, geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verweerder anders had moeten handelen dan hij heeft gedaan. Anders dan eisers ter zitting hebben gesteld, kan niet worden gezegd dat verweerder met twee maten meet door – kort gezegd – de wetenschap waar hij zelf pas medio 2009 over komt te beschikken al eind 2005 bij eisers aanwezig te achten. Eisers verkeren als direct betrokkenen bij bovengenoemde transacties immers in een geheel andere positie dan verweerder, die niet uit eigen wetenschap over kennis omtrent die transacties beschikt maar afhankelijk is van informatie daarover van derden. Deze grief faalt derhalve.” 4.8.4. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de aansprakelijkstelling niet afstuit op enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en met de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden. Het Hof voegt daaraan toe dat artikel 40 Invorderingswet geen grondslag biedt voor een matiging van het bedrag van de aansprakelijkstelling. Slotsom 4.9. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende 1 gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep van belanghebbende 1 gegrond verklaren, de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende 1, alsmede de aansprakelijkstelling van belanghebbende 1, vernietigen. Met betrekking tot belanghebbende 2 is de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. 5Kosten Nu het hoger beroep van belanghebbende 1 gegrond is, heeft zij recht op een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten van beroepsmatig verleende juridische bijstand. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) wordt de vergoeding gesteld op 2 (proceshandelingen) x 1,5 (factor voor het gewicht van de zaak) x € 487 (waarde per punt), derhalve op € 1.461. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die de directeur van belanghebbende heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting van het Hof. Deze worden met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c van het Besluit gesteld op de kosten van het openbaar vervoer (2e klasse) [Z] – Amsterdam v.v. te weten op (afgerond) € 10. Verdere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld of gebleken. In de zaak van belanghebbende 2 zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof laat de proceskostenveroordeling van de rechtbank in stand. 6Beslissing op het hoger beroep van belanghebbende 1: Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht; - verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de aansprakelijkstelling; - veroordeelt de ontvanger in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.471; - gelast de ontvanger aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 466 te vergoeden. op het hoger beroep van belanghebbende 2: Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. E.F. Faase, voorzitter, J. den Boer en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, als griffier. De beslissing is op 20 februari 2014 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:RBGEL:2014:7446
Verweerder heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 4 februari 2014, AWB 13/165, ECLI:NL:RBGEL:2014:7446.
ECLI:NL:GHARL:2014:8846
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:RBGEL:2014:619
Kunnen rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld ingevolge artikel 40 van de IW ?; Is de aanslag Vpb 2007 terecht en tot het juiste bedrag aan [A] opgelegd?;
ECLI:NL:HR:2012:BW6516
Het geding in feitelijke instanties Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 24 oktober 2007 op grond van artikel 40, lid 1, van de IW 1990 aansprakelijk gesteld voor door A B.V.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 30 juni 2015 inzake: Nr. Hoge Raad: 14/06275 Staatssecretaris van Financiën Nr. Gerechtshof: 14/00209 Nr. Rechtbank: AWB 13/165 Derde Kamer A tegen Invorderingswet 1990 1 januari 2007 - 31 december 2007 [X] B.V. 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 14/06275 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2014, nr. 14/00209, V-N 2015/10.1.5. 1.2 [X] B.V. (hierna: belanghebbende) was tot 31 juli 2007 aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A] ).

Op 5 maart 2007 heeft laatstgenoemde een verhuurde kantoorvilla verkocht en daarbij een boekwinst behaald van € 973.227. Belanghebbende heeft het vervreemdingsvoordeel vervolgens in rekening courant bij [A] opgenomen. 1.3 Op 31 juli 2007 heeft belanghebbende voor een bedrag van € 869.570 de aandelen in [A] verkocht en geleverd aan [F] B.V. (hierna: [F] ). Bij de overdracht van de aandelen heeft belanghebbende een bedrag van € 273.250 gestort op de derdenrekening van de notaris waarna een rekening-courantschuld van belanghebbende aan [A] resteerde van € 743.048. 1.4 In de akte van levering van aandelen is onder meer voorzien in een vrijwaring van belanghebbende voor een eventuele aansprakelijkheid op grond van artikel 40 IW voor belastingschulden van [A] door het vestigen van een recht van hypotheek op nog door [A] te verwerven onroerende zaken. 1.5 Het overgrote deel van de koopsom voor de aandelen [A] is gefinancierd doordat [F] de rekening courantschuld van belanghebbende aan [A] heeft overgenomen.

Het restant van de koopsom ad € 126.522 is aan belanghebbende schuldig gebleven ten titel van geldlening. [F] heeft uiteindelijk een deel van het bedrag op de derdenrekening benut om de schuldig gebleven koopsom te voldoen. 1.6 Na de aandelenoverdracht heeft een aan [F] gelieerde vennootschap een aantal onroerende zaken verkocht aan [A] voor een bedrag van € 2.500.000. Op het merendeel van de onroerende zaken rustten hypothecaire inschrijvingen c.q. conservatoire beslagen die verband hielden met schulden van een andere aan [F] gelieerde vennootschap.

Diezelfde onroerende zaken waren eerder binnen het concern verkocht voor een bedrag van € 750.000. In 2008 zijn de onroerende zaken door de hypotheekhouder uitgewonnen voor een bedrag van € 907.400. 1.7 Nadat aangifte vennootschapsbelasting over 2007 door [A] uitbleef, heeft de Inspecteur een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd tot een bedrag van € 1.200.000. Hiertegen heeft [A] bezwaar gemaakt. Daarbij is het standpunt ingenomen dat de belastbare winst € 11.090 negatief zou zijn nu onder meer afboeking op de herinvesteringsreserve zou hebben plaatsgevonden.

De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. Het beroepschrift daartegen is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet-voldoen van het griffierecht. Nadat de aanslag onbetaald bleef, heeft de Ontvanger belanghebbende voor een bedrag ad € 250.432 aansprakelijk gesteld. Dit bedrag was gebaseerd op de vennootschapsbelasting ter zake van de boekwinst op het door [A] op 5 maart 2007 geleverde kantoorpand en de rente op de rekening-courantvordering die [A] vanaf 15 juli 2007 op belanghebbende had. 1.8 Belanghebbende is tegen de beschikking aansprakelijkstelling in bezwaar en (hoger) beroep gekomen.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de beschikking aansprakelijkstelling vernietigd omdat het van oordeel is dat rechtspersonen niet op grond van artikel 40 IW aansprakelijk kunnen worden gesteld en ook overigens aannemelijk is dat belanghebbende niet wist of behoorde te weten dat de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zouden worden gemaakt. De Staatssecretaris is met twee middelen tegen de oordelen van het Hof opgekomen. 1.9 De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 worden de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding in cassatie in onderdeel 3.

Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante regelgeving, beleid, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur. In onderdeel 5 vindt de beoordeling plaats van het door de Staatssecretaris voorgestelde cassatiemiddel, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties De feiten 2.1 Het Hof heeft de feiten als volgt vastgesteld: 2.1 Belanghebbende was tot 31 juli 2007 enig aandeelhouder en bestuurder van [A] BV (hierna: [A] ). Directeur van belanghebbende is [B] te [Z] (hierna: [B] ). 2.2 [A] heeft een haar toebehorende en verhuurde kantoorvilla, gelegen aan de [a-straat 1] te [Q] (hierna: het pand te [Q] ) verkocht en op 5 maart 2007 geleverd voor een bedrag van € 2.600.000.

Voor de boekwinst van € 973.227 die zij bij deze verkoop realiseerde heeft [A] een herinvesteringsreserve gevormd. Na de verkoop van het pand te [Q] heeft [A] zich georiënteerd op de aankoop van vervangend vastgoed. 2.3 Na de verkoop van het pand te [Q] heeft belanghebbende het vervreemdingsvoordeel in rekening courant bij [A] opgenomen. 2.4 Blijkens de jaarrekening over de periode van 1 januari tot en met 15 juli 2007 bedroeg het eigen vermogen van [A] op 15 juli 2007 € 869.570. Belanghebbende heeft op 31 juli 2007 haar aandelen in [A] verkocht en geleverd aan [F] BV te [R] (hierna: [F] ) voor een bedrag van € 869.570.

De schuld in rekening courant van belanghebbende aan [A] bedroeg toen € 1.016.298. Ter gelegenheid van de overdracht van de aandelen [A] aan [F] heeft belanghebbende een bedrag van € 273.250 gestort op de derdenrekening van het notariskantoor te [S] , waarna een schuld van belanghebbende aan [A] resteerde van € 743.048. 2.5 De betaling door [F] van de koopsom van de aandelen [A] heeft plaatsgevonden door overname door [F] van de schuld in rekening courant van belanghebbende aan [A] van € 743.048. [F] heeft het restant van € 126.522 in de akte van levering van aandelen, ten titel van geldlening schuldig erkend.

Nadien heeft [F] deze schuld voldaan onder aanwending van een deel van het bedrag van € 273.250 dat ten name van [A] op de derdenrekening bij de notaris was gestort. Hierna had [F] een schuld in rekening courant aan [A] van (€ 743.048 + € 126.522, ofwel) € 869.570. 2.6 In de akte van levering van aandelen is voorzien in een vrijwaring van belanghebbende voor een eventuele aansprakelijkheid op grond van artikel 40 IW voor belastingschulden van [A] door het vestigen van een recht van hypotheek op door [A] te verwerven onroerende zaken en vrijwaringen door rechtspersonen die behoren tot het concern waartoe ook [F] behoort. 2.7 [F] behoorde tot de zogenoemde [G] -groep waartoe ook behoorden [H] BV (hierna: [H] ) en [I] BV (hierna: [I] ). 2.8 [H] heeft op 31 juli 2007 een aantal met een hypothecaire inschrijving belaste onroerende zaken verkocht aan [F] voor € 750.000.

Op een aantal onroerende zaken lagen voorts conservatoire beslagen. De hypothecaire inschrijvingen en de beslagen hielden verband met schulden van [H] . [F] heeft deze onroerende zaken en enige percelen grond, ook op 31 juli 2007, verkocht aan [I] voor € 750.000. Na de in 2.4 bedoelde levering van aandelen heeft [A] op haar beurt op 31 juli 2007 de onroerende zaken van [I] gekocht voor € 2.500.000, Nadat de Kamer van Toezicht over notarissen en kandidaat-notarissen te [T] anders had beslist, heeft de Notariskamer van het gerechtshof te Amsterdam in hoger beroep geoordeeld dat de notarissen voor wie de desbetreffende akten van levering van onroerende zaken zijn gepasseerd geen plichtsverzuim kan worden verweten. 2.9 Behoudens enige percelen grond zijn in 2008 door de hypotheekhouder de door [A] gekochte onroerende zaken executoriaal verkocht voor een bedrag van € 907.400. [H] is failliet verklaard.

De curator in het faillissement heeft met [A] een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan de niet verkochte percelen grond om niet zijn geleverd aan een derde. 2.10 [A] heeft haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2007, ook na aanmaning daartoe, niet gedaan. De inspecteur heeft de aanslag ambtshalve vastgesteld, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.200.000. [A] heeft bij haar bezwaar tegen de opgelegde aanslag alsnog een aangifte ingediend waarin wordt geconcludeerd tot een belastbare winst van negatief € 11.090.

In de aangifte is voorzien in een afboeking van de herinvesteringsreserve op de nieuw verworven onroerende zaken. Na afwijzing door de inspecteur van het bezwaar heeft [A] een beroepschrift ingediend dat door de Rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard omdat het griffierecht niet is voldaan. 2.11 De aan [A] voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting is onbetaald gebleven. De Ontvanger heeft belanghebbende voor een gedeelte van de aanslag aansprakelijk gesteld. Dit gedeelte is vastgesteld op de vennootschapsbelasting die verschuldigd is over de door [A] bij de verkoop van het pand te [Q] gevormde herinvesteringsreserve en een rente over de rekening courantschuld van belanghebbende aan [A] .

Rechtbank 2.2 De Rechtbank heeft het geschil als volgt omschreven: In geschil is of eiseres op grond van artikel 40 IW 1990 terecht aansprakelijk is gesteld voor een gedeelte ter grootte van € 250.432 van de onbetaald gebleven aanslag Vpb 2007 ten name van [A] . In het bijzonder gaat het om het antwoord op de volgende vragen:

1. Kunnen rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld ingevolge artikel 40 van de IW?;

2. Is de aanslag Vpb 2007 terecht en tot het juiste bedrag aan [A] opgelegd?;

3. Heeft verweerder aannemelijk gemaakt i. dat het vermogen van [A] is verminderd; ii. en dat deze vermindering niet het gevolg was van de normale bedrijfsvoering;

4. Kan eiseres zich disculperen?;

5. Heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden? 2.3 In cassatie zijn met name de vragen 1, 3 en 4 relevant. De Rechtbank heeft omtrent de eerste vraag overwogen: (…) 4.5 (…) Uit de wettekst kan naar het oordeel van de rechtbank niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat artikel 40, eerste lid, van de IW slechts ziet op natuurlijke personen. In het spraakgebruik dient het woord “degene” ter aanduiding van een persoon die vervolgens nader wordt omschreven. Met het woord “persoon” wordt in het spraakgebruik weliswaar veelal op een natuurlijk persoon gedoeld, maar met dit woord kan tevens op een rechtspersoon worden gedoeld.

Het feit dat het begrip “degene” in het tweede zinsdeel wordt uitgebreid met “al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn” kan daar, reeds vanwege de woorden “al dan niet”, niet aan afdoen. 4.6 Nu de wettekst van artikel 40 van de IW onvoldoende houvast biedt bij de beantwoording van de vraag of rechtspersonen op grond van dit artikel aansprakelijk kunnen worden gesteld, dient naar het oordeel van de rechtbank te rade te worden gegaan bij de wetsgeschiedenis van het onderhavige artikel en dient tevens te worden gekeken naar doel en strekking van dit artikel. 4.7 Vaststaat dat tot 1 januari 2001 naast houders van een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ook lichamen die een deelneming bezaten aansprakelijk konden worden gesteld.

Uit de wetsgeschiedenis van het huidige artikel 40 van de IW kan worden afgeleid dat beoogd is de wet aan te scherpen, omdat de geldende bepalingen onvoldoende bleken te zijn om de handel in vennootschappen, waarop nog bepaalde fiscale claims rusten, tegen te gaan. Het wetsvoorstel strekte ertoe de aandeelhouder van een vennootschap waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, die zijn aandelen vervreemdt, aansprakelijk te doen zijn. Door de grens van een bezit van een derde van het geplaatste kapitaal wordt bewerkstelligd dat het artikel slechts van toepassing is op aandeelhouders die een belangrijke zeggenschap in de vennootschap hebben.

In de huidige wettekst is ten aanzien van het begrip “aandeelhouder” geen verwijzing meer opgenomen naar het aanmerkelijk belangregime in de Wet inkomstenbelasting 2001. 4.8 Uit het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd het toepassingsbereik van artikel 40 van de IW uit te breiden. Uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de IW met ingang van 1 januari 2001, in afwijking van artikel 40, eerste lid, van de IW (oud) te beperken tot natuurlijke personen die een belangrijke zeggenschap hebben in een vennootschap.

Dat in artikel 40, vijfde lid IW 1990, anders dan in artikel 40, eerste lid, IW 1990, naast het begrip “aandeelhouder” tevens het begrip “belanghouder” is opgenomen duidt weliswaar op een inconsistent gebruik van het eerste begrip, maar dit brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich mee dat onder “aandeelhouder” niet tevens een lichaam kan worden verstaan. Het gelijk is aan de zijde van verweerder. Met betrekking tot de derde vraag heeft de Rechtbank overwogen: 4.18 (…) Vaststaat dat [A] het vastgoed [I] op 31 juli 2007 heeft verkregen voor € 2.500.000 en dat dit vastgoed binnen een jaar, deels executoriaal en deels op verzoek van de curator van [H] , is verkocht voor in totaal € 907.400.

Hieruit volgt reeds dat het vermogen van [A] ten gevolge van de aankoop van het vastgoed [I] , hetzij reeds in 2007, maar in ieder geval door de verkoop ervan in 2008, met een aanzienlijk bedrag is verminderd. 4.19 Vaststaat dat op het vastgoed [I] op het moment van de levering aan [A] hypotheken en beslagen rustten tot een bedrag van ruim € 3.900.000 voor schulden van een derde en dat deze hypotheken en beslagen niet zijn doorgehaald bij de levering. De onroerende zaken waren derhalve tot een (potentieel) hoger bedrag bezwaard met hypotheken en beslagen dan de koopsom die [A] verschuldigd was.

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande reeds volgt dat ten aanzien van de aankoop van het vastgoed [I] geen sprake is geweest van een handelen in het kader van de normale bedrijfsvoering. Het is in de eerste plaats in het zakelijk verkeer niet gebruikelijk om onroerende zaken te kopen waarop nog hypotheken en/of nog beslagen voor schulden van een derde rusten. Dat [A] meende dat de hypotheken en beslagen zouden worden doorgehaald na herfinanciering van [H] maakt dat niet anders. Een redelijk handelend ondernemer zou deze herfinanciering hebben afgewacht of anderszins dit risico hebben afgedekt.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de verplichtingen van [H] uit hoofde van de leningen ultimo 2005 aanzienlijk minder waren dan de hypothecaire inschrijvingen. Eiseres miskent daarbij echter dat de verplichtingen uit hoofde van de leningen kunnen zijn toegenomen in de periode na 2005 en dat de hypotheeknemer zich kan verhalen op de onroerende zaken tot het bedrag van de hypothecaire inschrijvingen. Eiseres heeft daarnaast gesteld dat [A] meende dat de onroerende zaken meer dan € 2.500.000 waard waren, maar zij heeft dit niet aannemelijk gemaakt, laat staan dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat de overwaarde voldoende was om een risico van ruim €3.900.000 af te dekken.

De verkoopprijs van de onroerende zaken in 2008 (€ 907.400) was zelfs aanzienlijk lager dan € 2.500.000. 4.20 Uit het vorenstaande volgt dat het vermogen van [A] in 2007, dan wel in 2008 is verminderd en dat dit is veroorzaakt door een transactie die niet paste binnen de normale bedrijfsvoering van [A] . Met betrekking tot de vierde vraag heeft de Rechtbank overwogen: 4.21 Eiseres is aansprakelijk voor de door [A] over het jaar 2007 verschuldigde vennootschapsbelasting, tenzij zij aannemelijk maakt dat het niet aan haar te wijten is dat het vermogen van [A] ontoereikend is voor het voldoen van de aanslag. 4.22 Eiseres heeft daartoe gesteld dat het vermogen van [A] per 15 juli 2007 voldoende was om aan de belastingverplichtingen te voldoen.

Eiseres heeft voorts gesteld dat zij onderzoek heeft gedaan naar het realiteitsgehalte van de inbreng van het vastgoed van [H] in [A] en naar de financiële gegoedheid van [F] en [G] Holding B.V. Eiseres heeft een aantal garanties en waarborgen bedongen in geval zij op grond van artikel 40 van de IW zou worden aangesproken. Er is daartoe onder meer € 273.250 op een derdenrekening bij de notaris gestort. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat de koopsom van de aandelen berekend is met inachtneming van een latente belastingverplichting van € 137.189. 4.23 Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er weliswaar een bedrag van € 273.250 op de derdenrekening van de notaris is gestort maar dat uit de akte van levering van de aandelen blijkt dat van dit bedrag een bedrag groot € 126.522 direct na het passeren van de akte is teruggestort. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het resterende bedrag door [A] of eiseres is aangewend ter betaling van de aanslag Vpb 2007. Voorts blijkt uit hetgeen onder 4.19 is overwogen dat [A] het vastgoed [I] onder zodanige voorwaarden en omstandigheden heeft gekocht dat geen redelijk denkend ondernemer dat zou hebben gedaan en dat de aankoop van die onroerende zaken de oorzaak is geweest van de vermogensachteruitgang van [A] .

Eiseres heeft zelf verklaard dat zij reeds voor de levering van de aandelen [A] aan [F] volledig op de hoogte was van de voorwaarden en omstandigheden waaronder de aankoop van het vastgoed [I] zou plaatsvinden. De garanties en waarborgen die eiseres heeft bedongen in verband met het risico op aansprakelijkstelling op grond van artikel 40 van de IW betreffen de vermogenspositie van eiseres zelf en niet de vermogenspositie van [A] . 2.4 De Rechtbank heeft het beroep vervolgens ongegrond verklaard. Hof 2.5 Voor het Hof was in geschil of belanghebbende terecht op grond van artikel 40 IW aansprakelijk werd gesteld.

Het Hof heeft deze vraag opgedeeld in vijf deelvragen, te weten: 3.1.1 Of rechtspersonen op grond van het gestelde in artikel 40 IW aansprakelijk kunnen worden gesteld. 3.1.2. Of de aanslag tot het juiste bedrag aan [A] is opgelegd. 3.1.3. Of aannemelijk is dat het vermogen van [A] is verminderd ten gevolge van een niet normale bedrijfsvoering. 3.1.4 Of belanghebbende zich kan disculperen op grond van het gestelde in artikel 40, zesde lid, IW. 3.1.5 Of de Ontvanger het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. 2.6 Voor zover voor het onderhavige cassatieberoep van belang, heeft het Hof met betrekking tot de kring van aansprakelijken als volgt overwogen: 4.1 Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de tekst van artikel 40 IW zoals dat artikel voor het onderhavige jaar luidde, noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan voldoende houvast biedt aan het oordeel dat op grond van dat artikel ook een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor de vennootschapsbelasting die een lichaam waarvan zij aandeelhouder is geweest verschuldigd is, doch die geheel of gedeeltelijk onbetaald is gebleven.

Het Hof overweegt daartoe als volgt. 4.2 Naar haar bewoordingen richt artikel 40, eerste lid, IW zich op ’’Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte, lijn, direct of indirect voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap (...)”. In deze tekst kan “degene” in samenhang met de daarop volgende tussenzin die gelet op de bedoeling van de tekst onlosmakelijk is verbonden met dat begrip, niet anders worden geduid dan als een natuurlijk persoon. Anders dan de Ontvanger verdedigt kan in de tekst van de IW noch in de wetsgeschiedenis steun worden gevonden voor de opvatting dat die tussenzin, in geval van een niet-natuurlijk persoon, eenvoudig weggelaten kan worden.

Dit geldt temeer nu het gaat om een zeer ingrijpende rechtsregel waarbij personen aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschuld van een ander. Niet kan worden aanvaard dat onduidelijkheden over de uitleg van die regel worden opgeheven ten nadele van, in dit geval, een rechtspersoon. 4.3 Het vorenstaande wordt niet anders doordat, naar de Ontvanger heeft aangevoerd, in andere wettelijke bepalingen naast natuurlijke personen ook rechtspersonen worden begrepen onder “degene”. Temeer nu artikel 40 IW slechts geldt voor degene die, al dan niet met anderen, ten minste één derde van het aandelenkapitaal in een lichaam bezit, had mogen worden verwacht dat de wetgever, zo hij die bepaling ook had willen toepassen op rechtspersonen, een bepaling omtrent verbonden lichamen had opgenomen zoals elders in de belastingwetgeving. 2.7 Met betrekking tot de vraag of het aan belanghebbende is te wijten dat het vermogen van [A] ontoereikend was voor het voldoen van diens belastingschuld, overwoog het Hof: 4.6 Tussen partijen is niet in geschil dat het vermogen van [A] , ten tijde van de verkoop van de aandelen door belanghebbende, voldoende was voor het voldoen van de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting.

Evenmin is in geschil dat, zo het vermogen van [A] al is verminderd na de aandelenoverdracht, dit niet is gebeurd door toedoen van belanghebbende. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat aannemelijk is dat de betaling van € 126.522 (zie 2.5 hierboven) ten laste van de storting op de derdenrekening bij de notaris heeft plaatsgevonden door of vanwege [F] , althans de nieuwe bestuurder van [A] nu verondersteld mag worden dat de notaris op de rechtmatige besteding van dat bedrag zal hebben toegezien. 4.7 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 juni 2014, nr. 13/03045, ECLI:NL:HR:2014:1525 overwogen dat het in een geval waarin ten tijde van de vervreemding van de aandelen het vermogen van de vennootschap toereikend was voor de voldoening van de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting en het vermogen van de vennootschap in het jaar na de vervreemding van de aandelen buiten toedoen van belanghebbende door onzakelijke handelingen is verminderd, pas dan aan de verkopende aandeelhouder is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is in de zin van artikel 40, zesde lid, IW indien hij ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde, door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken. 4.8 Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk op grond waarvan kan worden geoordeeld dat van een dergelijk weten of behoren te weten in haar geval geen sprake is geweest.

Uit de stukken van het geding blijkt, althans kan worden afgeleid, dat belanghebbende zich bij de verkoop van de aandelen heeft laten adviseren door een fiscaal adviseur, juist en in het bijzonder in verband met haar voorgenomen investeringen ter aanwending van de verkoopopbrengst van het pand te [Q] . Zij heeft onderzoek gedaan naar het realiteitsgehalte van de investeringsplannen van [F] en de gegoedheid van de koper en de groep waartoe zij behoorde. Ter zitting heeft belanghebbende opgemerkt dat [B] van beroep accountant is, wist hoe hij de ter inzage gelegde jaarstukken moest lezen en, om zich van recentere cijfers te voorzien, meer recente jaarstukken dan de gedeponeerde stukken over 2005 heeft opgevraagd.

Dat gedeponeerde stukken niet door de Kamer van Koophandel worden gecontroleerd doet er niet aan af dat belanghebbende, in beginsel, van de juistheid van de gedeponeerde stukken mag uitgaan. Dat dit in dit geval anders zou zijn is het Hof niet gebleken. Voorts heeft belanghebbende in de stukken en ter zitting nog opgemerkt dat zij, in het licht van de jurisprudentie die in 2007 bekend was, ervan mocht uitgaan dat het aanwenden van de herinvesteringsreserve door [A] mogelijk was. De latere jurisprudentie van de Hoge Raad van 23 mei 2014 doet daaraan niet af.

Belanghebbende heeft voorts, ter aflossing van haar schuld aan [A] , ten behoeve van [A] een bedrag van € 273.250 op een derdenrekening van de notaris gestort. Dit bedrag is de door haar berekende, op 100 percent gestelde, vennootschapsbelasting over de herinvesteringsreserve. Het bedrag dat op de derdenrekening resteerde na de betaling van € 126.522 bestond uit de vennootschapsbelasting die verschuldigd was over de periode tot 15 juli 2007 en de contante waarde van de vennootschapsbelasting over de afgeboekte herinvesteringsreserve. Tot zekerheid van de nakoming van de fiscale verplichtingen heeft zij van de kopende partij en het concern waartoe zij behoorde garanties bedongen. 4.9 Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat naar zijn oordeel de Ontvanger, met hetgeen is aangevoerd, niet aannemelijk maakt dat door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen het vermogen van [A] ontoereikend is geworden.

Gelet op de door belanghebbende geschilderde, en naar het oordeel van het Hof aannemelijke, omstandigheden van het geval is naar het oordeel van het Hof voor de conclusie dat het vermogen van [A] is verminderd door handelingen die buiten de normale bedrijfsuitoefening liggen, onvoldoende dat [A] de onroerende zaken aankocht terwijl daarop een hypotheekrecht was gevestigd voor het voldoen van schulden van een derde, te weten [H] . Na herfinanciering, waarover onderhandelingen gaande waren, zouden die schulden kunnen worden afgelost. Ook de, naar het Hof wil aannemen, wetenschap van belanghebbende dat [F] een deel van de koopsom van de aandelen zou gaan voldoen uit het bedrag dat zij bij de notaris op de derdenrekening had gestort, maakt dit naar het oordeel van het Hof niet anders. 2.8 Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de beschikking aansprakelijkstelling vernietigd. 3Het geding in cassatie 3.1 De Staatssecretaris van Financiën heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 3.2 In de motivering van zijn beroepschrift in cassatie, heeft de Staatssecretaris twee middelen van cassatie voorgedragen. Het eerste middel ziet op de kring van aansprakelijken van artikel 40 IW en luidt als volgt: Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 40, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (hierna: Inv.), doordat het Hof heeft geoordeeld dat uit de tekst van voornoemde bepaling niet anders afgeleid kan worden dan dat deze alleen ziet op natuurlijke personen, waardoor het Hof de aansprakelijkstellingsbeschikking inzake belanghebbende, zijnde een vennootschap heeft vernietigd, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat: a. uit de wetssystematiek van andere aansprakelijkheidsbepalingen is af te leiden dat de term 'degene' ook in relatie tot vennootschappen wordt gebruikt; b. de wettekst van artikel 40, eerste lid, van de Inv. niet zodanig duidelijk is dat onder die tekst niet mede vennootschappen begrepen kunnen worden; c. uit doel en strekking van de bepaling, mede in het licht van de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de werking van artikel 40 Inv, in overeenstemming met de voor de wetswijziging geldende tekst ook van toepassing zou blijven op vennootschappen. 3.3 Ter toelichting op het middel heeft de Staatssecretaris onder meer opgemerkt dat het woord ‘degene’ door de wetgever op meerdere plaatsen binnen de Invorderingswet wordt gebruikt om rechtspersonen aan te wijzen.

Het lijkt dan ook niet voorstelbaar dat onder deze term belastingschuldige niet rechtspersonen worden begrepen. Het feit dat het begrip “degene” in het tweede zinsdeel wordt uitgebreid met “al dan niet tezamen met zijn partner en bloedverwanten in de rechte lijn” kan daar, aldus nog steeds de toelichting op het middel, reeds vanwege de woorden “al dan niet”, niet aan af doen. 3.4 Door de Staatssecretaris wordt voorts onder verwijzing naar onder andere rechtspraak en literatuur gesteld dat uit de wetsgeschiedenis bij, en strekking van, artikel 40 IW volgt ‘dat de opvatting van het Hof (uitsluitend natuurlijke personen zijn aansprakelijk) haaks staat op de lijn die blijkens de gewisselde stukken tijdens de parlementaire behandeling is gekozen’ nu het aangepaste artikel 40 robuuster moest zijn dan het oude, dat op een aantal fronten te kort schoot.

Bij de lezing van het Hof zou het, aldus de Staatssecretaris, wel héél makkelijk worden om de fiscus van het lijf te houden. Men zou dan immers de aandelen in een vennootschap met bedoelde reserves altijd in handen van rechtspersonen laten of die daarin tijdig parkeren. 3.5 Het tweede middel stelt de vraag aan de orde of belanghebbende zich kan disculperen voor aansprakelijkstelling. Het middel luidt: Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 40, zesde lid, Inv. en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich kan disculperen voor de aansprakelijkstelling, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat het Hof ten onrechte tot het oordeel komt dat het niet aan belanghebbende is te wijten dat het vermogen van [A] B.V. ontoereikend was om de verschuldigde vennootschapsbelasting te voldoen. 3.6 Ter toelichting op het tweede middel stelt de Staatssecretaris dat het Hof in diens beoordeling van de disculpatie van belanghebbende van belang heeft geacht dat belanghebbende ervan uit mocht gaan dat aanwending van de herinvesteringsreserve door [A] mogelijk was.

Naar de overtuiging van de Staatssecretaris zou het Hof daarbij echter ten onrechte zijn uitgegaan van de omstandigheid dat belanghebbende een herinvesteringsreserve had gevormd. Uit de stukken van het geding zou namelijk blijken dat belanghebbende zich steeds op het standpunt zou hebben gesteld dat geen herinvesteringsreserve gevormd kon worden maar dat de ruilarresten toepassing vonden. Nu in die arresten een striktere vervangingsnorm is opgenomen en de Ontvanger steeds heeft verdedigd dat niet aan die norm was voldaan, is deze stelling, aldus de toelichting op het tweede middel, ten onrechte onbehandeld gebleven. 3.7 Voor wat betreft de situatie waarin wel wordt uitgegaan van een gevormde herinvesteringsreserve, stelt de Staatssecretaris dat ook bij de toepassing van artikel 3.54 Wet IB 2001 sprake dient te zijn van vervanging door bedrijfsmiddelen met dezelfde economische functie.

Nu de Ontvanger zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende kon weten dat de vervanging van de verhuurde kantoorvilla door onverhuurde c.q. nog te bouwen bedrijfsgebouwen niet kwalificeerde, heeft het Hof ook verzuimd om deze stelling te bespreken. 3.8 Voorts stelt de Staatssecretaris in diens toelichting op het tweede middel dat uit de gedingstukken volgt dat op 31 juli 2007 éérst de akte van de aandelenoverdracht werd gepasseerd alvorens de vervangende onroerende zaken aan [A] werden geleverd. Gezien de letterlijke tekst van artikel 12a Wet Vpb moet voor belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de herinvesteringsreserve door de aandelenoverdracht zou vrijvallen en dus niet meer aangewend zou kunnen worden.

De door het Hof genoemde arresten van 23 mei 2014 hebben daar geen nieuwe duidelijkheid doen ontstaan nu die arresten zagen op het gebruik maken van de letterlijke tekst van de wet, door de volgorde van aandelenoverdracht en levering onroerende zaken om te keren. Het oordeel van het Hof zou in zoverre zijn gebaseerd op een onjuist uitgangspunt. 3.9 De overweging van het Hof in r.o. 4.6. dat niet in geschil is dat de vermindering van het vermogen van [A] na de aandelenoverdracht niet aan belanghebbende is te wijten, zou aldus nog steeds de toelichting op het tweede middel, onbegrijpelijk zijn in het licht van de door de Ontvanger steeds verdedigde aansprakelijkheid van belanghebbende.

In dat kader stelt de Staatssecretaris dat de Ontvanger steeds heeft aangegeven dat belanghebbende wist dat [A] vervangende onroerende zaken kocht waarop tot een bedrag van ruim € 1.000.000 meer hypothecaire inschrijvingen rustten dan de waarde van de onroerende zaken en die onroerende zaken bovendien waren bezwaard met beslagen van de Belastingdienst. Uit de tot de gedingstukken behorende mailwisseling met de notaris zou blijken dat belanghebbende die wetenschap bezat. Door niet te onderzoeken of de derden ten aanzien van wie de hypotheken waren ingeschreven zodanig gegoed waren om bij eventuele uitwinning van die hypotheken de regresvordering op hen te kunnen verhalen alsmede akkoord te gaan met een recht van hypotheek waarvan hij moest begrijpen dat die hypotheek geen of weinig betekenis had, heeft belanghebbende bewust aanvaard dat het vermogen van [A] na de verkoop afnam c.q. kon afnemen.

Uitwinning van de hypotheken zonder voldoende regresrecht op de schuldenaren leidt namelijk tot verarming van [A] Nu hypothecaire inschrijvingen ten behoeve van schulden van derden normaal gesproken een waarde drukkende factor op de waarde van de onroerende zaken vormen, hetgeen ook zou blijken uit de opbrengst bij de executoriale verkoop van de onroerende zaken in 2008, is het oordeel van het Hof, naar de overtuiging van de Staatssecretaris, onbegrijpelijk. Hiermee zou eveneens onbegrijpelijk zijn dat het Hof tot het oordeel kwam dat het vermogen van [A] na de verkoop niet afnam door andere redenen dat de normale bedrijfsuitoefening. 3.10 Voor wat betreft de garanties die zijn bedongen van het [G] concern, merkt de Staatssecretaris op dat het Hof uit het oog heeft verloren dat die garanties niet dienen tot zekerheid van [A] doch uitsluitend als zekerheid voor de aan belanghebbende verleende vrijwaring bij een eventuele aansprakelijkstelling.

Bij zakelijk handelen zou het bovendien voor de hand hebben gelegen dat [F] gevrijwaard zou worden nu die partij, als zijnde de koper van de aandelen, het risico loopt dat terstond het volle bedrag aan vennootschapsbelasting betaald zou moeten worden. 4Relevante regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur Wet-, regelgeving en beleid 4.1 Artikel 40 (oud) IW luidde:

1. Indien een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld haar onderneming geheel of nagenoeg geheel staakt, is degene die in het jaar van staking of in de drie daaraan voorafgaande jaren tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behorende aandelen in die vennootschap heeft vervreemd, aansprakelijk voor een gedeelte van de door de vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting over het jaar van staking en de daaraan voorafgaande jaren, indien hij wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat na de vervreemding van de aandelen alle of nagenoeg alle bezittingen van de vennootschap zouden worden verduisterd. De eerste volzin vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van het lichaam dat in het jaar van staking van de onderneming van de vennootschap of in de drie daaraan voorafgaande jaren tot een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 behorende aandelen in die vennootschap heeft vervreemd.

2. Voor toepassing van het eerste lid wordt met vervreemding van tot een aanmerkelijk belang onderscheidenlijk een deelneming behorende aandelen in de vennootschap gelijkgesteld de vervreemding van dergelijke aandelen in een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de vennootschap. 3. (…) 4.2 Artikel 40 IW luidt:

1. Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, daaronder begrepen liquide middelen, en die aandelen of een gedeelte daarvan vervreemdt, is aansprakelijk voor een gedeelte van de vennootschapsbelasting die de desbetreffende vennootschap is verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt en de vennootschapsbelasting die verschuldigd wordt over de drie jaren daarna in verband met de op het tijdstip van de vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van de vennootschapsbelasting toegelaten fiscale reserves indien het vermogen van de vennootschap anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd in de vijf jaren voorafgaande aan het jaar van de vervreemding, in het jaar van de vervreemding, dan wel in de drie jaren daarna. 3. (…) 4.Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vervreemder van een belang of een gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld kapitaal heeft.

Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder belang verstaan een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste een derde gedeelte van het vermogen of van het resultaat van het lichaam. 5.Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aandeelhouder of belanghouder in een lichaam ingeval dat lichaam een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geheel of voor een gedeelte vervreemdt en de aandeelhouder of belanghouder voldoet aan het kwantitatieve criterium van het eerste lid onderscheidenlijk vierde lid, tweede volzin. 6.Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voorzover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. 4.3 In de Leidraad Invordering 2008 wordt over artikel 40 IW opgemerkt:

Opgemerkt wordt dat artikel 40 niet alleen betrekking heeft op natuurlijke personen die aandelen of een belang vervreemden, maar ook op lichamen in de zin van de AWR. Wetsgeschiedenis 4.4 In de memorie van toelichting bij artikel 40 (oud) IW werd het volgende opgemerkt:, Geheel nieuw is de aansprakelijkheidsbepaling, opgenomen in artikel 41 van het wetsvoorstel. Ingevolge dit artikel kan onder bepaalde omstandigheden de verkoper van aandelen in een vennootschap die een onderneming drijft, aansprakelijk worden gesteld voor de door die vennootschap nog verschuldigde vennootschapsbelasting nadat de verkoop van de aandelen heeft plaatsgevonden. 4.5 In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 41 (oud) IW is opgemerkt:

In artikel 41 is een aansprakelijkheidsbepaling opgenomen die specifiek is gericht tegen misbruik op het terrein van de vennootschapsbelasting. De aanleiding voor opneming van deze bepaling is gelegen in het misbruik met zogenaamde vervangingsreserve-B.V.'s. Dit misbruik houdt in dat de aandelen in een B.V. met - veelal alleen - een vervangingsreserve worden verkocht aan een derde (veelal een buitenlander) die de B.V. vervolgens leeghaalt. Voor de door de B.V. verschuldigde vennootschapsbelasting over de stakingswinst (i.c. veelal die vervangingsreserve) zijn alsdan geen verhaalsmogelijkheden meer, waardoor de invordering illusoir wordt.

Zoals in antwoord op kamervragen over deze kwestie is meegedeeld zou worden nagegaan of in de invorderingssfeer wettelijke maatregelen zouden kunnen worden voorgesteld die het geconstateerde misbruik zouden tegengaan (Kamerstukken II 1983/84, Aanhangsel, nr. 721). Wij menen dat het onderhavige artikel een goede mogelijkheid biedt om het misbruik te voorkomen. Er zij daarbij op gewezen dat de bepaling zich niet alleen richt tegen misbruik van vervangingsreserve-B.V.'s; de opzet is zodanig dat alle vervreemdingen van aandelen die behoren tot een pakket van enige omvang in een vennootschap welke binnen vier jaren na de vervreemding wordt leeggehaald in beginsel door dit artikel worden bestreken; voor de vennootschapsbelasting die de vennootschap ten tijde van het leeghalen verschuldigd is, is degene die in de afgelopen vier jaren aandelen van een pakket in die vennootschap heeft vervreemd, aansprakelijk, indien hij wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de vennootschap zou worden leeggehaald.

Deze aansprakelijkheidsregel is opgenomen in het eerste lid van artikel 41. In de eerste volzin is de regeling opgenomen die geldt voor het geval de vervreemder een natuurlijk persoon is. Aangezien niet elke vervreemding van aandelen behoeft te worden getroffen maar alleen die welke een enigszins substantiële omvang kan hebben, is voor de omschrijving van de vervreemders die wij op het oog hebben, aangesloten bij hen die een zogenaamd aanmerkelijk belang bezitten. Ingevolge artikel 39 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 is daarvan sprake indien de belastingplichtige in de loop van de laatste vijf jaren, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot en zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie, voor ten minste een derde gedeelte, en, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, voor meer dan 7 percent van het nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is geweest.

Er zij op gewezen dat ook een aanmerkelijk belang op grond van artikel 40, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (het zogenaamde fictieve aanmerkelijk belang in het kader van een fusie) onder de werking van de omschrijving valt, daar heel algemeen wordt gesproken over een aanmerkelijk belang in de zin van de wet. Voor de omschrijving van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden is aangesloten bij de omschrijving die in het kader van de aanmerkelijk-belangregeling geldt. Het geheel of nagenoeg geheel staken van de onderneming is een feitelijk gebeuren; een formele liquidatie is derhalve niet vereist.

De aansprakelijkheid geldt, als is voldaan aan het hierna te bespreken vereiste van wetenschap van kwade bedoelingen bij de (opvolgende) koper(s), voor een gedeelte van de door de vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting over het jaar van staking en de daaraan voorafgaande jaren. (…) De tweede volzin bevat de bepaling dat de eerste volzin evenzeer geldt als de verkoper niet een natuurlijke persoon maar een lichaam is. Aangezien het aansluiten bij het aanmerkelijk-belangcriterium ten aanzien van een lichaam niet mogelijk is, is gekozen voor aansluiting bij het criterium voor een deelneming in de zin van de vennootschapsbelasting.

Ingevolge artikel 13, zesde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, is van een deelneming sprake indien een lichaam voor ten minste vijf percent van het nominaal gestorte kapitaal van de vennootschap aandeelhouder is. Indien aandelen van zo'n deelneming worden vervreemd en de verkrijger - of zijn opvolgers - halen daarna de vennootschap leeg geldt dezelfde aansprakelijkheid voor het lichaam dat de aandelen verkocht heeft als voor de natuurlijke persoon die aandelen heeft verkocht. Het tweede lid bevat een bepaling om het ontgaan van de aansprakelijkheidsregel tegen te gaan.

Wanneer de aanmerkelijk-belanghouder, c.q. het deelnemende lichaam een lichaam zou tussenschuiven, waardoor geen direct belang of directe deelneming in de vennootschap meer aanwezig zou zijn, zou aan de werking van de bepaling kunnen worden ontkomen, terwijl in wezen geen andere situatie is ontstaan. Derhalve is het tweede lid opgenomen waardoor het beoogde effect van het tussengeschoven lichaam wordt voorkomen. Voor de omschrijving van het begrip tussengeschoven lichaam hebben wij aansluiting gezocht bij de omschrijving die in het wetsvoorstel herziening deelnemingsvrijstelling ter zake wordt voorgesteld in artikel 13b, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Indien een dergelijk lichaam een belang heeft van een derde of meer in de desbetreffende vennootschap wordt de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang dan wel een vervreemding van dergelijke aandelen in de bedoelde vennootschap. Overigens werkt deze bepaling ook in situaties waarin geen sprake is van tussenschuiven van lichamen maar waarin wel sprake is van middellijk aandeelhouderschap, zoals indien de aandelen in een holding worden vervreemd en de onderliggende werkmaatschappij wordt leeggehaald. (…) 4.6 In de brief van 13 januari 1998 van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer wordt opgemerkt: (…) De evaluatie met betrekking tot artikel 40 van de Invorderingswet 1990, dat voorziet in een bepaling ter bestrijding van de handel in zogenoemde geldzakken met vennootschapsbelastingschuld, brengt aan het licht dat dit artikel in de praktijk moeilijk is toe te passen, met name gelet op de eisen die in artikel 40 zijn gesteld.

Ik stel mij voor ter oplossing van deze problematiek een werkgroep in het leven te roepen om daar waar nodig op dit punt de Belastingdienst ondersteuning te verlenen. Voorts zou deze werkgroep kunnen aangeven in hoeverre er aanleiding is wijziging van artikel 40 te overwegen. (…) Vermoed wordt dat artikel 40 in de praktijk moeilijk is te hanteren gelet op het feit dat in de periode 1993 en 1994 geen enkele maal een beroep op artikel 40 is gedaan en vanaf 1995 tot heden slechts 11 aansprakelijkstellingen zijn uitgegaan. De eisen die artikel 40 stelt zijn daaraan debet.

Op grond van de tekst van artikel 40 kunnen de volgende problemen worden gesignaleerd die zijn te verwachten bij toepassing van dat artikel: - ,,...haar onderneming geheel of nagenoeg geheel staakt...'' Er zijn vennootschappen die vanaf de oprichting (nagenoeg) uitsluitend beleggingsactiviteiten hebben, en derhalve nimmer een onderneming in fiscale zin hebben gedreven en die dus ook nooit een onderneming hebben kunnen staken. - ,,...in het jaar van staking of de drie daaraan voorafgaande jaren...aandelen vervreemdt...'' In veel gevallen heeft de vennootschap haar onderneming verkocht met uitzondering van het pand dat wordt verhuurd.

Dit verhuren kan vermoedelijk in het algemeen niet worden aangemerkt als het drijven van een onderneming. Het stakingstijdstip is dan het moment van verkoop van de onderneming. Echter zelfs indien de verkoop van het pand als stakingsmoment zou gelden dan behoeft maar korte tijd te worden gewacht: pand in december en aandelen in januari verkopen. Vrijwel alle gevallen betreffen dan ook verkoop van geldzakken waarvan het stakingstijdstip gelegen is in een jaar dat voor de verkoop ligt. - ,,...alle of nagenoeg alle bezittingen van de vennootschap worden verduisterd....''.

De tekst van artikel 40 ziet op de verkoop van BV's die nog een ,,echte'' onderneming drijven, waarbij vervolgens de koper overgaat tot staken en onttrekking van het vermogen. In werkelijkheid betreft het (vrijwel) uitsluitend BV's die op het moment van verkoop al zijn gereduceerd tot een geldzak, al of niet met vervangingsreserve. Het komt in de praktijk voor dat de verkoper het geld zelf al uit de BV heeft gehaald (veelal ten titel van ,,geldlening''). De BV wordt dan verkocht terwijl het enige actief op dat moment bestaat uit een vordering. De koper voldoet de door hem verschuldigde koopsom door overname van de schuld aan de BV.

Het is de vraag of dit als een verduistering door de koper kan worden aangemerkt. De BV had immers ten tijde van de verkoop slechts een vordering en heeft die nog, zij het op een andere debiteur. Dat tot op heden artikel 40 zo weinig is ingeroepen komt ook omdat op de ontvanger een (te) zware bewijslast is gelegd, aangezien hij wetenschap van benadeling aannemelijk moet maken. Voorts is een beperking voor de toepassing van de aansprakelijkheidsbepaling van artikel 40 gelegen in het feit dat de verduistering moet zijn geschied nadat de vervreemding van de aandelen heeft plaatsgevonden.

Dit betekent dat verduistering voorafgaande aan de vervreemding er aan in de weg staat dat artikel 40 kan worden toegepast. In alle gevallen waarin niet (geheel) voldaan werd aan de eisen die artikel 40 stelt, is een actie uit onrechtmatige daad ingesteld. Er kan echter niet in elke situatie materieel hetzelfde rechtsgevolg als bij artikel 40 is beoogd, worden bereikt met een onrechtmatige daad actie. De Hoge Raad heeft inmiddels op 28 juni 1996 in één zaak beslist dat de ontvanger ontvankelijk is in een op onrechtmatige daad gegronde vordering tot schadevergoeding, waarbij de onrechtmatigheid hierin bestaat dat door toedoen van een handelaar in geldzak-BV's de invordering niet (meer) mogelijk is, en dat de te vergoeden schade het bedrag beloopt van de niet ingevorderde belastingschulden van de verhandelde vennootschappen.

Er loopt nog een aantal andere ,,onrechtmatige-daad'' zaken, waarbij het gaat om in totaal tientallen miljoenen guldens. In het commentaar bij deze brief merkt de redactie Vakstudie-Nieuws op: Uit de evaluatie blijkt dat de wettelijke bepaling van art. 40 in de praktijk niet (goed) werkt, aangezien gedurende de jaren waarin de wet operationeel is (vanaf 1 juni 1990) slechts elf maal een beroep is gedaan op genoemde bepaling en voorts inmiddels is gebleken dat de ontvanger zijn toevlucht tot de onrechtmatige daad heeft gezocht. Dit ondanks het feit dat het misbruik van vervangingsreserve- (en andere) vennootschappen in de afgelopen jaren in ieder geval tot aan het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1996, V-N 1996, blz. 2733, punt 28, relatief groot geweest is.

Voorts wordt in het evaluatierapport aangegeven wat er precies mis is met die bepaling. Daaruit blijkt dat met name de bepaling dat de ontvanger aannemelijk moet maken dat de vervreemder van aandelen wist althans behoorde te weten dat door zijn handelwijze (de vervreemding) alle of nagenoeg alle bezittingen van de belastingschuldige vennootschap zouden worden verduisterd, een kernprobleem vormt. De praktische uitvoerbaarheid van de bepaling komt daardoor op de tocht te staan. Voorts zijn er andere onderdelen van het artikel als moeilijk toepasbaar gekwalificeerd.

Zie hoofdstuk IV van het evaluatierapport. De staatssecretaris kiest ter oplossing van de geschetste problemen een in Den Haag vaker beproefde weg, hij roept namelijk een werkgroep in het leven, hoewel het evaluatierapport precies aangeeft welke bepalingen niet goed toepasbaar blijken bij het bestrijden van het misbruik van vervangingsreserve- en andere vennootschappen. Met betrekking tot de termijn waarbinnen de werkgroep gerapporteerd moet hebben is niets vermeld. 4.7 Met invoering van de Wet ondernemerspakket 2001 is artikel 40 IW gewijzigd. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt:

De problematiek inzake de handel in vennootschappen met een vervangingsreserve ligt in het verlengde van de problematiek inzake de verliescompensatie. Ook bij de handel in vennootschappen met een vervangingsreserve gaat het erom om door overdracht van aandelen een belastingvoordeel te behalen. Het belastingvoordeel bestaat uit een uitstel van belastingheffing. Als een vervangingsreserve is gevormd en de bestaande aandeelhouders er weinig brood meer in zien om de vennootschap te laten herinvesteren, kunnen zij de vrijval van de reserve ten gunste van het fiscale resultaat voorkomen door de vennootschap te laten uitdragen dat nog steeds een vervangingsvoornemen aanwezig is en de aandelen vervolgens te verkopen.

Door de aandelen over te dragen en de reserve aan te wenden onder de nieuwe aandeelhouder, wordt de heffing over de reserve op een onbedoelde manier uitgesteld. Hetzelfde zou zich, zonder nadere maatregelen, kunnen voordoen bij de in dit wetsvoorstel voorgestelde herinvesteringsreserve. In beginsel kan de inspecteur zich tegen deze opzet verweren door de aanwezigheid van een vervangingsvoornemen te betwisten, maar dat blijkt in de praktijk zeer moeilijk. Daarom is in het voorstel opgenomen dat bij een vennootschap waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, de vervangingsreserve vrijvalt bij een belangrijke wijziging van de aandeelhouders.

De overweging achter deze benadering is, dat vennootschappen waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen veelal vennootschappen zijn waarvan de materiële onderneming geleidelijk wordt beëindigd, en waar na verloop van tijd slechts een kasgeldvennootschap overblijft. Daarnaast wordt er een maatregel in de invorderingssfeer voorgesteld. De maatregel bestaat uit een herziening, inhoudelijk een aanscherping, van de regeling in artikel 40 van de Invorderingswet 1990. Dit artikel wordt in de wandeling de maatregel in de invorderingssfeer tegen de handel in vervangingsreserve-bv’s genoemd.

Dit naar aanleiding van het verschijnsel dat indertijd aanleiding is geweest voor het opnemen van dit artikel. De strekking ervan is echter van meet af aan ruimer geweest, namelijk te voorkomen dat vennootschappen waarop nog bepaalde fiscale claims rusten, na de staking van de activiteiten worden leeggehaald en de aandelen vervolgens – al dan niet via tussenpersonen/handelaren – worden verkocht aan veelal buitenlandse katvangers. Een en ander met als gevolg dat de daadwerkelijke afwikkeling van de fiscale claims, uitmondend in feitelijk te betalen vennootschapsbelasting, illusoir wordt, doordat het de belastingontvanger feitelijk onmogelijk wordt gemaakt die belasting in te vorderen.

Een gang van zaken waarvan zowel de verkopers als de tussenpersonen en de uiteindelijke kopers van de aandelen profiteren. In het kader van de evaluatie van de Invorderingswet 1990 is aan het licht gekomen dat de ontvanger zelden de vervreemder van de aandelen aansprakelijk stelt op grond van artikel 40 van de Invorderingswet 1990, omdat dat artikel in de praktijk moeilijk is toe te passen. Naar aanleiding daarvan is een werkgroep in het leven geroepen die onder meer zou kunnen aangeven in hoeverre er aanleiding is wijziging van genoemd artikel 40 te overwegen.

In het algemeen overleg met de vaste Commissie voor Financiën over de evaluatie van de Invorderingswet 1990 is van verscheidene zijden bepleit door wijziging van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 tot een oplossing van de moeilijkheden inzake de toepassing van dat artikel te komen. De bevindingen van de werkgroep zijn als volgt samen te vatten. Met de handel in vervangingsreserve- en andere kasgeldvennootschappen is geen maatschappelijk wenselijk doel gediend. De malafide handel in dergelijke vennootschappen neemt toe ondanks de invoering van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 in zijn huidige vorm in 1990.

Een belangrijke reden waarom het artikel niet functioneert, is de koppeling aan de staking van de materiële onderneming. Echter, in veel gevallen is er van meet af aan door de desbetreffende BV géén materiële onderneming gedreven (met name bij in één pand beleggende onroerend-goed-BV’s) dan wel is de materiële onderneming reeds een aantal jaren vóór het jaar waarin de aandelen worden vervreemd, gestaakt. De werkgroep heeft geconstateerd dat het verschijnsel zich niet alleen met betrekking tot vervangingsreserves voordoet, doch ook met betrekking tot stille reserves.

De belangrijkste bottle neck is de in het algemeen te zware bewijslast die op de ontvanger rust om de wetenschap van benadeling van de fiscus bij de vervreemdende aandeelhouder aannemelijk te maken. Dat wil zeggen aannemelijk te maken dat de vervreemdende aandeelhouder feitelijk wist of moest vermoeden dat de vennootschap nadien zou worden leeggehaald, zonder dat de belastingschulden zouden worden voldaan. De in het voorliggende voorstel opgenomen wijziging van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 strekt ertoe de aandeelhouder van een vennootschap waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, die zijn aandelen vervreemdt, aansprakelijk te doen zijn voor de aan het einde van het jaar van de vervreemding verschuldigde vennootschapsbelasting en die welke in de drie jaren volgend op het jaar van de vervreemding verschuldigd wordt ter zake van de op het moment van de vervreemding aanwezige stille en fiscale reserves mits aan de volgende voorwaarde is voldaan.

Aansprakelijkheid bestaat slechts indien sprake is van andere handelingen dan die welke gebruikelijk zijn in het kader van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap. Dit element strekt ertoe het bereik van de regeling te beperken tot de gevallen waarin bewust, met het oog op het illusoir maken van de verhaalsmogelijkheid van de ontvanger op het vermogen van de vennootschap, middelen aan de vennootschap zijn onttrokken. Voorzover de vervreemder kan bewijzen dat deze onttrekking in het kader van de normale bedrijfsvoering is geschied, geldt een disculpatie. 4.8 In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 40 IW wordt opgemerkt:

In het algemene gedeelte van deze toelichting is ingegaan op de achtergrond van de hier voorgestelde herziening van artikel 40 van de Invorderingswet 1990. Het eerste lid betreft een aansprakelijkheidsbepaling voor de vennootschapsbelasting voor bepaalde vervreemders van aandelen in een vennootschap, te weten de aandeelhouder die, al dan niet tezamen met zijn partner of echtgenoot als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is.

Hierbij gaat het om aandelen in vennootschappen waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen. Door de grens van een bezit van één derde van het geplaatste kapitaal ziet het artikel slechts op de aandeelhouders die een belangrijke zeggenschap in de vennootschap hebben. Door bij het criterium van één derde de bloedverwanten in de rechte lijn mee te nemen, wordt voorkomen dat op eenvoudige wijze, namelijk door formeel kinderen als aandeelhouder te presenteren, de toepassing van artikel 40 illusoir zou worden gemaakt. (…) In het vierde lid is een bepaling opgenomen die het ontgaan van de regeling door het gebruik van andere lichamen dan aandelenvennootschappen onmogelijk maakt.

Te denken valt in dit verband met name – maar niet uitsluitend – aan coöperaties en verenigingen op coöperatieve grondslag. Het vijfde lid strekt ertoe de regeling voor aandeelhouders, evenals thans, van overeenkomstige toepassing te doen zijn ten aanzien van lichamen die in een aandelenvennootschap een deelneming hebben in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het zesde lid voorziet in een disculpatiemogelijkheid voor de vervreemdende aandeelhouder of belanghouder die op de voet van het eerste lid aansprakelijk is gesteld. Om zich met succes op deze disculpatiemogelijkheid te kunnen beroepen, zal de aandeelhouder of belanghouder dienen te bewijzen dat hem niet verweten kan worden dat het vermogen van de vennootschap anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd. 4.9 In de nota naar aanleiding van het verslag wordt opgemerkt:

De kring van personen die en het aantal handelingen dat valt onder de werking van het voorgestelde artikel 40 is echter aanzienlijk beperkter dan de kring van personen die en het aantal handelingen dat valt onder de heffing van winst uit aanmerkelijk belang. Alleen aandeelhouders die, al dan niet tezamen met hun partner of echtgenoot als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en hun bloedverwanten in de rechte lijn, die direct of indirect ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal van een vennootschap bezitten en die aandelen vervreemden in de hiervoor vermelde betekenis, vallen daaronder.

De aan het woord zijnde leden zien het dus goed dat het verlenen van koopopties of claims of de overgang van economische eigendom, anders dan op zodanige wijze dat van vervreemding moet worden gesproken, niet van belang is voor de toepassing van artikel 40 van de Invorderingswet 1990. (…) De verwijzing in artikel 40, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 naar artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, die de leden van de CDA-fractie signaleren, heeft de volgende functie: in algemene zin aansluiten bij het begrip aanmerkelijk belang in de Wet inkomstenbelasting 2001 en bij de omschrijving in die wet van degenen die de primaire doelgroep vormen van de aanmerkelijkbelangregeling in de inkomstenbelasting.

Dat is ieder die, direct of indirect, al dan niet tezamen met zijn partner of echtgenoot een aanmerkelijk belang bezit. Vervolgens worden in genoemd artikel 40, eerste lid, verscheidene beperkingen aangebracht. Uitbreiding van de doelgroep blijft beperkt tot bloedverwanten in de rechte lijn. Van de primaire doelgroep worden voorts alleen grootaandeelhouders in aanmerking genomen; de afgrenzing ten opzichte van degenen die vallen onder de omschrijving van genoemd artikel 4.6, onderdeel a, vindt plaats met behulp van het oude één-derde-criterium.

In de derde plaats telt alleen het aandelenbezit. De keuze voor deze beperkingen is verantwoord in de artikelsgewijze toelichting in de memorie van toelichting, blz.

65. De keuze voor het één-derde-criterium berust op de gedachte dat daarmee alleen aandeelhouders, die in het algemeen een belangrijke zeggenschap in de vennootschap hebben, onder de aansprakelijkheid worden gebracht, zoals dat onder het oude aanmerkelijkbelangregime ook het geval was. Om een eenvoudige wijze van het ontlopen van de aansprakelijkheid, met name door kinderen formeel aandeelhouder te maken, te elimineren, worden naast de eerdervermelde partner en echtgenoot ook de verwanten in de rechte lijn onder de reikwijdte van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 gebracht en is het gezamenlijke bezit van de desbetreffende aandelen doorslaggevend.

Jurisprudentie 4.10 In zijn arrest van 5 oktober 2012 heeft de Hoge Raad overwogen: 3.3.1. De tekst van artikel 40, lid 1, IW 1990 stelt voor aansprakelijkheid niet als voorwaarde dat de aangesproken persoon een verwijt te maken is, in welke vorm dan ook. De in die tekst vermelde objectieve omstandigheden zijn voldoende om aansprakelijkheid te vestigen. 3.3.2. De wetgever heeft ook niet beoogd aan de aansprakelijkheid van artikel 40, lid 1, IW 1990 de voorwaarde te stellen dat de aangesproken persoon een verwijt te maken is, in welke vorm dan ook, omdat hij er voor gekozen heeft de aansprakelijkheid van artikel 40 IW 1990 zo vorm te geven dat verwijtbaarheid slechts van belang is in het kader van de door de op grond van artikel 40, lid 6, IW 1990 aansprakelijke persoon te bewijzen afwezigheid van een bepaald verwijt, te weten dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. 3.3.3.

Het Hof heeft de bepaling van artikel 40, lid 6, IW 1990 (disculpatiegrond) kennelijk zo uitgelegd dat degene die op grond van het eerste lid van dat artikel aansprakelijk is, van aansprakelijkheid bevrijd wordt, indien hij bewijst dat hij niet bewust verwijtbaar gehandeld heeft. Aldus is het Hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. De bedoelde bepaling brengt mee dat een andere bewijslast rust op degene die aansprakelijk is op grond van artikel 40, lid 1, IW 1990 dan de last te bewijzen dat hij niet "bewust" verwijtbaar gehandeld heeft. Die andere bewijslast houdt in dat hij bevrijd is van aansprakelijkheid indien "hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting".

In de noot bij dit arrest schrijft Raaijmakers:

11. In art. 40 lid 6 Invorderingswet 1990 is een disculpatiemogelijkheid opgenomen. In dat verband is ook van belang dat een dergelijke disculpatiemogelijkheid in meer aansprakelijkheidsartikelen is opgenomen. Rechtspraak over die disculpatiemogelijkheden is spaarzaam. Veelal is de slotsom dat de aansprakelijkgestelde er niet in is geslaagd om zich te disculperen.

12. De gedachte dat de bedoelingen van de koper bonafide moesten zijn, zoals in sommige lagere rechtspraak naar voren is gekomen, is dus niet relevant. Bovendien was een dergelijk bewijs ook moeilijk te leveren. Tevens was niet duidelijk vanuit wiens perspectief dat moest worden beoordeeld; vanuit de ontvanger of vanuit de verkoper. Daarnaast bestaat bij een dergelijk criterium het risico dat een en ander met kennis achteraf én vanuit het oogpunt van de ontvanger wordt beoordeeld.

13. Hoewel uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat een beroep op de disculpatie van art. 40 lid 6 Invorderingswet 1990 alleen slaagt indien de aansprakelijkgestelde bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is om de verschuldigde vennootschapsbelasting te betalen, is wel van belang om vast te stellen dat het aan de ontvanger is om te stellen en, bij betwisting van die stelling, te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden van art. 40 lid 1 Invorderingswet 1990.

14. Door de invulling van art. 40 Invorderingswet 1990 door de Hoge Raad wordt in mijn optiek wel afgeweken van de achterliggende gedachte van het artikel: aanpak van fraude en misbruik van vennootschappen met herinvesteringreserves en stille reserves. Hoewel de wetgever bij de invoering van het nieuwe art. 40 Invorderingswet 1990 een ruime(re) toepassing voor ogen stond dan art. 40 (oud) Invorderingswet 1990, is in de parlementaire geschiedenis een aantal aanwijzingen te vinden die er voor pleiten dat art. 40 (nieuw) Invorderingswet 1990 geen risicoaansprakelijkheid inhoudt.

In dit arrest heeft de Hoge Raad echter gekozen voor een interpretatie conform de wettekst en geen daarvan afwijkende bedoeling van de wetgever aangenomen, waarbij die bedoeling niet in de wettekst zelf is vastgelegd. In feite is er nu een risicoaansprakelijkheidsbepaling voor de aandeelhouder voor de niet-betaalde vennootschapsbelasting. In art. 40 (oud) Invorderingswet 1990 was het voor de ontvanger moeilijk om tot aansprakelijkstelling te kunnen overgaan; onder art. 40 (nieuw) Invorderingswet 1990 is het voor de aandeelhouder, ook voor de bonafide aandeelhouder, moeilijk om zich te disculperen voor een aansprakelijkstelling op grond van dat artikel.

De redactie Vakstudie-Nieuws schrijft in de noot bij dit arrest: Wil de vervreemder van aandelen zich met succes beroepen op de disculpatiemogelijkheid van het zesde lid dan moet hij bewijzen dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting of, anders geformuleerd, hij moet bewijzen dat de afname van het vermogen niet aan hem kan worden toegerekend. Nu in casu door de vervreemder van de aandelen een greep in de kas was gedaan, waardoor slechts een vordering van de vennootschap op de vervreemder overbleef en de vennootschap vervolgens werd doorverkocht en betaling geschiedde door schuldoverneming, is sprake van een situatie waarin de vervreemder met betrekking tot de vermogensafname een verwijt kan worden gemaakt.

Het criterium dat het hof hanteerde, namelijk dat wanneer de vervreemder bewijst dat hij niet bewust verwijtbaar heeft gehandeld, hij alsdan van zijn aansprakelijkheid is bevrijd, sneuvelt derhalve. Het zou voor de Belastingdienst ook wel heel ingewikkeld zijn geworden wanneer bewezen zou moeten worden dat een vervreemder iets bewust zou hebben gedaan. Vragen als: ‘hoe naïef mag een vervreemder zijn’ en andere meer subjectief getinte aspecten zouden alsdan een rol kunnen spelen waar men in de praktijk van de rechtstoepassing beter verre van kan blijven.

De Hoge Raad gaat dus terug naar de wettekst en benadrukt daardoor dat de bepaling van het zesde lid goed toepasbaar is in de praktijk. De door de Hoge Raad gegeven uitleg sluit ook aan bij de bedoeling van de Raad van State die bij de beoordeling van het voorstel tot wijziging van art. 40 (oud) heeft geadviseerd een bepaling als die van het zesde lid in art. 40 op te nemen. (…) Van der Voort Maarschalk schrijft in het commentaar bij dit arrest: De uitspraak stelt wel en opnieuw de vraag aan de orde hoe een verkoper zich kan disculperen. De wetsgeschiedenis is daarover niet duidelijk.

De staatssecretaris doet er in zijn cassatiemiddel vrij luchtig over. Volgens hem hoefde belanghebbende ‘slechts het bedrag van de mogelijke belastingschuld bij de notaris in depot te geven totdat komt vast te staan dat de vennootschap geen belasting is verschuldigd’. Dat heeft weinig met disculpatie (als bedoeld in art. 40, lid 6, IW 1990) te maken. Het is meer een vorm van het stellen van zekerheid (geregeld in art. 40, lid 2, IW 1990); dat heeft tot gevolg dat überhaupt geen aansprakelijkheid bestaat en aan disculpatie niet eens wordt toegekomen.

Hetzelfde geldt voor de opmerking van de staatssecretaris dat belanghebbende de vennootschapsbelasting vast vooruit kon betalen. Hij schrijft in het cassatiemiddel: ‘Belanghebbende behoefde slechts te verzoeken om het opleggen van een voorlopige aanslag tot het bedrag van de mogelijk verschuldigde belasting. (…) In dat geval zou de verschuldigde belasting bij de ontvanger in depot hebben gestaan en had de vennootschap bij optreden van latere verliezen deze belasting terug kunnen claimen.’ Nog afgezien van het feit dat de staatssecretaris ook hier het onderscheid tussen belanghebbende en de verkochte vennootschap uit het oog lijkt te verliezen, heeft ook deze oplossing weinig met disculpatie te maken.

In het cassatiemiddel erkent de staatssecretaris dat het vrijwel nimmer zal voorkomen dat een verkoper kan onderkennen dat hij met een malafide koper te doen heeft, laat staan dat de ontvanger dat kan bewijzen. Volgens het middel kan en mag de koper wel aangerekend worden dat hij onvoldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de vennootschap in de situatie geraakt waarin zij haar belastingschuld niet kan betalen. Dat lijkt mij (ook) geen juist criterium. Mij lijkt dat ten minste sprake moet zijn van voor de verkoper voorzienbare ontoereikendheid van het vermogen van de vennootschap. 4.11 In zijn arrest van 27 juni 2014 heeft de Hoge Raad overwogen: 4.3.1.

Bij de beoordeling van de vraag of degene die op grond van artikel 40, lid 1, van de IW 1990 aansprakelijk is gesteld, het in artikel 40, lid 6, van de IW 1990 vereiste bewijs heeft geleverd dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting, heeft het volgende te gelden. De wetgever heeft met artikel 40, lid 6, van de IW 1990 enerzijds willen ontmoedigen dat men zwicht voor de verleiding de aandelen van in feite lege vennootschappen, waarop een – al dan niet latente – vennootschapsbelastingclaim rust, tegen een verhoudingsgewijs aantrekkelijke prijs te verkopen aan handelaren in vervangingsreserve-BV’s en dergelijke en anderzijds willen voorkomen dat bonafide burgers het ‘slachtoffer’ zouden worden van de aansprakelijkheidsregeling van artikel 40, lid 1, van de IW 1990 (zie Kamerstukken II 2000 /2001, 27 209, nr. 6, p. 46).

Voorts heeft de wetgever het stellen van zekerheid welbewust niet opgenomen als vereiste om niet aansprakelijk te worden gehouden (zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 209, nr. 6, p. 83). Meer in het algemeen heeft de wetgever voor ogen gestaan dat op de voet van artikel 40 van de IW 1990 aansprakelijk zijn de grootaandeelhouders die weten of behoren te beseffen dat op onverantwoorde wijze afbreuk wordt gedaan aan de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger, door uitgesproken onzakelijk handelen ten detrimente van de vennootschap en ten gunste van een of meer grootaandeelhouders of van aan hen gelieerde personen en lichamen (zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 209, nr. 6, p. 47). 4.3.2.

In het onderhavige geval staat in cassatie vast dat ten tijde van de vervreemding van de aandelen het vermogen van de vennootschap toereikend was voor het voldoen van de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting en dat het vermogen van de vennootschap in het jaar na de vervreemding van de aandelen buiten toedoen van belanghebbende door onzakelijke handelingen is verminderd. In een zodanig geval is het, gelet op de hiervoor in 4.3.1 weergegeven bedoeling van de wetgever, pas dan aan de verkopende aandeelhouder te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is in de zin van artikel 40, lid 6, van de IW 1990, indien hij ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken.

Uit het bepaalde in artikel 40, lid 6, van de IW 1990 volgt dat de bewijslast dat hiervan geen sprake is geweest, rust op de aansprakelijkgestelde. 4.3.3. Het in het principale beroep voorgestelde middel dat is gericht tegen de hiervoor in 4.1, eerste alinea, weergegeven oordelen van het Hof, kan niet tot cassatie leiden. In hetgeen het Hof in onderdeel 4.10 van zijn uitspraak heeft overwogen omtrent het door belanghebbende gedane onderzoek naar de betrouwbaarheid van de koper van de aandelen en de wijze waarop hij een deel van de in verband met de verkoop te verrichten betalingen heeft afgewikkeld ligt besloten het oordeel van het Hof dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de vervreemding van de aandelen niet wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken.

Dit oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. 4.3.4. Het in het incidentele beroep voorgestelde middel, dat is gericht tegen het hiervoor in 4.1, tweede alinea, weergegeven oordeel, slaagt. Uit hetgeen hiervoor in 4.3.3 is overwogen volgt dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende als verkopende grootaandeelhouder ten tijde van de vervreemding van de aandelen niet wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken.

Daarvan uitgaande kan belanghebbende niet op de voet van artikel 40, lid 1, van de IW 1990 aansprakelijk worden gesteld. 4.4. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3.4 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. In de noot bij dit arrest heeft Vetter geschreven:

9. Mijn scepsis ten aanzien van het arrest BNB 2012/312c* wordt echter ruimschoots goedgemaakt in het thans voorliggende arrest. Thans volgt een meer uitgebreide uitleg van de disculpatiebepaling.

10. Een aantal richtinggevende verduidelijkingen van de Hoge Raad. R.o. 4.3.1: het stellen van zekerheid is welbewust niet opgenomen als vereiste voor disculpatie.

11. R.o. 4.3.2: allereerst moet worden bezien of ten tijde van de vervreemding van de aandelen het vermogen toereikend is voor het voldoen van de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting, alsmede of dat vermogen van die verkochte vennootschap in het jaar na de vervreemding buiten toedoen van de verkoper door onzakelijke handelingen is verminderd.

12. Als die situatie aan de orde is, dan is de verkoper van de aandelen volgens de Hoge Raad alleen aansprakelijk in het licht van de disculpatiebepaling “indien hij ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken”. Kortom: wist de verkoper of behoorde de verkoper te weten dat de koper een verduisteraar was? Wel rust de bewijslast op dit punt op de aansprakelijkgestelde. Deze dient zijn goede intenties aan te tonen.

13. Hof Arnhem-Leeuwarden had in r.o. 4.10 geoordeeld dat de aansprakelijkgestelde zich kon disculperen voor € 83.515 doch niet voor de volledige vennootschapsbelastingschuld van € 144.112. Het incidentele cassatieberoep van de aansprakelijkgestelde, dat zich richt op de beperking van de disculpatie tot het door de verkoper bij de notaris gestorte bedrag ad € 83.515, blijkt te slagen. Uit hetgeen het Hof aan feitelijke omstandigheden heeft vastgesteld in r.o. 4.10 volgt namelijk volgens de Hoge Raad dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat aan de op de aansprakelijkgestelde rustende bewijslast is voldaan. De redactie Vakstudie-Nieuws schrijft in de noot bij dit arrest: Weliswaar oordeelt de Hoge Raad in dit arrest dat het aan de verkoper van de aandelen is om aannemelijk te maken dat hij niet “wist, of behoorde te beseffen, dat op onverantwoorde wijze afbreuk wordt gedaan aan [de] verhaalsmogelijkheden [van de ontvanger]”, maar in casu was voor disculpatie kennelijk al voldoende dat:

1. belanghebbende onderzoek heeft gedaan naar de betrouwbaarheid van de koper van de aandelen; en 2. gedurende een korte periode een bedrag van circa € 85.000 bij de notaris werd gestald, dat vrijwel terstond na overdracht op de rekening van de vennootschap werd gestort. Kortom, disculpatie ligt al snel binnen handbereik. Ervan uitgaande dat de Hoge Raad met de zinsnede “de wijze waarop hij een deel van de in verband met de verkoop te verrichten betalingen heeft afgewikkeld” niet heeft bedoeld dat ook de overname van een rekeningcourantschuld kan bijdragen aan de disculpatie als zodanig, vragen wij ons af waarom de Hoge Raad niet slechts komt (zoals het hof) tot een partiële disculpatie tot het bedrag van € 85.000.

Dit zal toe te schrijven zijn aan het door belanghebbende verrichte ‘onderzoek’. Het komt ons voor dat de ontvanger de facto nog steeds met een moeizame last wordt opgezadeld. Weliswaar niet meer met betrekking tot het aannemelijk maken van het weten, of behoren te weten, van art. 40 (oud) IW, maar nu bij het weerleggen van het door de belastingschuldige gedane beroep op disculpatie. Dit geldt temeer als wordt bedacht dat aan de in r.o. 4.3.2. voor disculpatie geformuleerde voorwaarden (vermogen op moment vervreemding toereikend voor belastingbetaling en onzakelijke vermindering van het vermogen niet door toedoen vervreemder) relatief eenvoudig kan worden voldaan.

Het toereikende vermogen bestond in casu immers uit een vordering van de vennootschap op de koper van de aandelen, die was ontstaan door overname van een rekening-courantschuld van de vennootschap op de verkoper van de aandelen. De conclusie dat de ontvanger met dit arrest weer ‘terug bij af’ is, is wellicht te sterk uitgedrukt. Verwacht mag echter worden dat fiscale deugnieten de feiten in volgende gevallen zorgvuldig langs de door dit arrest geschetste lijnen zullen rangschikken. Het gevolg lijkt wel degelijk te zijn dat het in dergelijke gevallen feitelijk toch weer aan de ontvanger is om aannemelijk te maken dat de vervreemder “wist of behoorde te beseffen”. 4.12 In zijn arrest van 8 augustus 2014 heeft de Hoge Raad overwogen: 2.4.2. (…) Uit de feiten waarvan in cassatie moet worden uitgegaan volgt dat ten tijde van de vervreemding van de aandelen het vermogen van de vennootschap toereikend was voor het voldoen van de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting en dat het vermogen van de vennootschap in het jaar na de vervreemding van de aandelen buiten toedoen van belanghebbende door onzakelijke handelingen is verminderd. 2.4.3.

In een zodanig geval is het pas dan aan de verkopende aandeelhouder te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is in de zin van artikel 40, lid 6, van de Wet, indien hij ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken. Uit het bepaalde in artikel 40, lid 6, van de Wet volgt dat de bewijslast dat hiervan geen sprake is geweest, rust op de aansprakelijkgestelde (zie HR 27 juni 2014, nr. 13/03045, ECLI:NL:HR:2014:1525). 2.4.4.

Indien het Hof aan zijn hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel de juiste, met het hiervoor in 2.4.3 overwogene overeenstemmende, rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd, is dit oordeel niet naar behoren gemotiveerd. Belanghebbende heeft voor het Hof een aantal, in onderdeel 4.10 van ‘s Hofs uitspraak vermelde, feiten aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in artikel 40, lid 6, van Wet. Over de juistheid van deze door belanghebbende gestelde feiten heeft het Hof geen oordeel gegeven, zodat in cassatie veronderstellenderwijze van de juistheid ervan moet worden uitgegaan.

Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt dan niet in te zien dat belanghebbende met de door haar gestelde feiten niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet wist en niet behoorde te weten dat [E] door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken. Indien het Hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn oordeel in zoverre onjuist. Middel 4 slaagt derhalve eveneens. De redactie Vakstudie-Nieuws schrijft bij dit arrest: Op grond van art. 40 lid 6 IW 1990 geldt de aansprakelijkheid van de gewezen aandeelhouder niet voor zover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de VPB.

In HR 27 juni 2014, nr. 13/03045, V-N 2014/34.25, heeft de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak geoordeeld dat in het geval de vennootschap ten tijde van de vervreemding van de aandelen over voldoende vermogen beschikte voor het voldoen van de op dat moment verschuldigde VPB, pas dan sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van de verkopende aandeelhouder (ex art. 40 lid 6 IW 1990), indien hij ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken.

Uit het bepaalde in art. 40 lid 6 IW 1990 volgt dat de bewijslast dat hiervan geen sprake is geweest, rust op de aansprakelijkgestelde. Ter zake heeft belanghebbende bij het hof (samengevat) gesteld dat het niet aan haar is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de VPB en dat zij daarom niet aansprakelijk is (art. 40 lid 6 IW 1990). Ze heeft onderzocht wat de concrete plannen van de koper van haar aandelen waren, ze heeft daarvoor bewijsstukken gevraagd (van de herinvestering), ze heeft het vermogen getoetst (is de groep solvabel genoeg), ze heeft onafhankelijke deskundigen ingeschakeld en ze heeft in haar netwerk geïnformeerd of het wel een nette partij was.

Zij stelt dat zij op het moment van de transactie absoluut niet hoefde te twijfelen aan de gegoedheid van de koper. De koper maakte deel uit van een concern dat volgens de laatste jaarstukken een balanstotaal had van meer dan € 40 mln. en een eigen vermogen van ruim € 7 mln. Belanghebbende stelt verder dat bij de beoordeling van de disculpatie in aanmerking dient te worden genomen dat de verkoop van de aandelen is geschied onder voorwaarden die bij een dergelijke transactie gangbaar zijn. Daarenboven heeft belanghebbende zich zeer goed laten informeren over de kopende partij en pas toen van verschillende kanten de mededeling kwam dat het om een normale zakelijke transactie ging met een vermogende en bonafide partij, heeft belanghebbende opdracht gegeven de verkoop in gang te zetten.

Belanghebbende stelt al het mogelijke te hebben gedaan teneinde zich er zeker van te stellen dat de koper een bonafide partij betrof. Voorts wijst belanghebbende erop dat in de akte van aandelenoverdracht diverse verklaringen van de koper zijn opgenomen. Ook hier geldt dat het hof heeft volstaan met de overweging dat belanghebbende slechts beperkt voorafgaand onderzoek heeft gedaan en in verband daarmee aannemelijk heeft geacht dat belanghebbende slechts op zoek is geweest naar een partij die, met inachtneming van het voornemen het beleggingspand aan haar echtgenoot te verkopen, bereid was een zo hoog mogelijke prijs voor de aandelen te betalen, zonder de stellingen van belanghebbende dienaangaande (zie hiervoor) te hebben onderzocht en naar aanleiding van de uitkomsten van dat onderzoek een oordeel te hebben gegeven.

Ook dit punt dient het verwijzingshof dan ook alsnog te onderzoeken. Uit de overwegingen van de Hoge Raad leiden wij af dat indien bij het verwijzingshof inderdaad komt vast te staan dat belanghebbende het gestelde onderzoek heeft uitgevoerd en op basis daarvan mocht concluderen als gesteld, zij met vrucht een beroep kan doen op de disculpatiebepaling. Voor de ontvanger valt te vrezen dat het risico van wanbetaling staat of valt bij de mate waarin de verkoop van aandelen is voorbereid en gedocumenteerd. Slotsom is dat het niet heel ingewikkeld hoeft te zijn om aan aansprakelijkstelling te ontkomen, ook als de verkopende aandeelhouder op zoek is geweest naar de fiscaal meest vriendelijke manier zijn geld uit de vennootschap op te nemen en de ontvanger met de gebakken peren laat zitten. 4.13 In zijn arrest van 27 februari 2015 heeft de Hoge Raad overwogen: 2.4.1.

Middel III richt zich met onder meer een rechtsklacht tegen de verwerping door het Hof van belanghebbendes beroep op de in artikel 40, lid 6, van de Wet geboden disculpatiemogelijkheid. Het Hof heeft die verwerping gestoeld op zijn oordeel dat belanghebbende aan de in voormeld zesde lid bedoelde bewijslast voldoet als hij aannemelijk maakt dat hij voorafgaand aan de verkoop van de aandelen in voldoende mate onderzoek heeft gedaan om zich ervan te vergewissen dat [B] de in de BV ten tijde van de verkoop aanwezige fiscale claim ordelijk afwikkelt.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aan die bewijslast voldaan, omdat hij zich onvoldoende van zijn zorgplicht heeft gekweten om aan te nemen dat het niet aan hem is te wijten dat de vennootschapsbelasting niet kon worden voldaan. 2.4.2. Op grond van de hiervoor in 2.1 vermelde feiten en de in cassatie niet of tevergeefs bestreden oordelen van het Hof in onderdeel 5.7 van zijn uitspraak moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat ten tijde van de vervreemding van de aandelen het vermogen van de BV toereikend was voor het voldoen van de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting en dat het vermogen van de BV na de vervreemding van de aandelen buiten toedoen van belanghebbende is verminderd anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsuitoefening van de BV.

In een dergelijk geval is het pas dan aan de verkopende aandeelhouder te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is in de zin van artikel 40, lid 6, van de Wet, indien hij ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken. Uit het bepaalde in artikel 40, lid 6, van de Wet volgt dat de bewijslast dat hiervan geen sprake is geweest, op de aansprakelijkgestelde rust (zie HR 27 juni 2014, nr. 13/03045, ECLI:NL:HR:2014:1525, BNB 2014/204).

Gelet op het vorenstaande is het Hof met zijn hiervoor in 2.4.1 weergegeven oordelen uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Middel III slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. In de noot bij dit arrest schrijft Zwemmer:

1. De regeling van de aansprakelijkstelling van art. 40 Invorderingswet 1990 houdt in dat een verkopende aandeelhouder aansprakelijk kan worden gesteld voor de vennootschapsbelastingschuld van de BV waarvan de aandelen worden verkocht. In casu stond vast dat het vermogen van de desbetreffende BV ten tijde van de verkoop toereikend was om de vennootschapsbelastingschuld van de BV te voldoen. Uit HR 27 juni 2014, nr. 13/03045, BNB 2014/204, m.nt. J.J. Vetter, vloeit dan voort dat de verkopende aandeelhouder in zo’n geval gedisculpeerd is als het vermogen van de BV na de verkoop van de aandelen buiten toedoen van de verkoper is verminderd anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsuitoefening van de BV.

Aangezien het Hof een andere maatstaf had aangelegd, moest verwijzing volgen. De redactie Vakstudie-Nieuws schrijft bij dit arrest: Het hof is bij de beoordeling van het disculpatieberoep van belanghebbende uitgegaan van een andere maatstaf (vide r.o. 5.10 voorafgaande arrest van het Hof Amsterdam d.d. 18 juli 2013, nr. 11-00937): in het kader van art. 40 lid 6 IW 1990 is het “aan belanghebbende om te bewijzen dat hij ten tijde van de verkoop van de aandelen heeft voldaan aan zijn zorgplicht dat de vennootschap over voldoende vermogen kon beschikken voor het voldoen van de verschuldigde vennootschapsbelasting, in casu over de fiscale claim die voortvloeit uit de hir ten bedrage van € 214.308.

Aan deze bewijslast voldoet belanghebbende als hij aannemelijk maakt dat hij voorafgaand aan de verkoop van de aandelen is nagegaan of de koper geacht kon worden de in de BV ten tijde van de verkoop aanwezige fiscale claim ordelijk af te wikkelen.” Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat (r.o. 5.11): “Door geen verder onderzoek te doen naar de actuele gegoedheid van de koper, de betrouwbaarheid van de jaarstukken en naar het realiteitsgehalte van de herinvesteringsplannen van de koper en de gestelde aankoop van bedrijfsruimte en genoegen te nemen met een vrijwaring door de koper, belanghebbende zich onvoldoende van zijn zorgplicht heeft gekweten om aan te nemen dat het niet aan hem is te wijten dat de vennootschapsbelasting niet kon worden voldaan”.

Nu er in cassatie van wordt uitgegaan dat het vermogen van de vennootschap ten tijde van de aandelenvervreemding toereikend was om de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting te voldoen en het vermogen eerst na die vervreemding is verminderd, had het hof van een andere maatstaf moeten uitgaan dan het heeft gedaan. Het hof had namelijk moeten onderzoeken of de vervreemder van de aandelen ten tijde van de vervreemding behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken.

Het is aan de vervreemder van de aandelen te bewijzen dat hij op dat punt onwetend was en zulks ook niet behoorde te weten. Castelijn schrijft in het commentaar bij dit arrest: Onder verwijzing naar het arrest HR 27 juni 2014, nr. 13/03045, NTFR 2014/1804 heeft de Hoge Raad beslist dat het pas aan de verkopende aandeelhouder (lees: de aansprakelijkgestelde) is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is om de vennootschapsbelastingclaim op de herinvesteringsreserve te voldoen, indien hij ten tijde van de verkoop wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde door het entameren van buiten de normale bedrijfsvoering liggende handelingen de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir zou maken.

De bewijslast daarvoor rust dan wel op de aansprakelijkgestelde, maar van deze mag dus niet – zoals het gerechtshof overwoog – worden verwacht dat hij aannemelijk maakt dat hij voorafgaand aan de verkoop van de aandelen voldoende mate van onderzoek heeft gedaan om zich ervan te vergewissen dat de belastingschuldige die vennootschapsbelastingclaim fatsoenlijk afwikkelt. Een belangrijk nuanceverschil. Het weten of behoren te weten dat verhaalsmogelijkheden van de ontvanger illusoir worden gemaakt, verschilt immers van een onderzoek naar de ordentelijke afwikkeling van een belastingclaim.

De klaarblijkelijke voortzetting van bedrijfsactiviteiten tot 22 juni 2009, dus zelfs na het faillissement door de belastingschuldige, lijkt er niet op te duiden dat de aansprakelijkgestelde belanghebbende kon en moest bevroeden dat door buiten de normale bedrijfsuitoefening gelegen handelingen de koper de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger in rook zou doen opgaan. De verwijzingsprocedure zal daarover uitsluitsel moeten geven. 4.14 Op 20 februari 2014 overwoog Hof Amsterdam omtrent de aansprakelijkheid van rechtspersonen onder artikel 40 IW: 4.2 Het Hof stelt ambtshalve voorop dat de aansprakelijkstelling van belanghebbende 1 (hierna: [X BV]) dient te worden vernietigd omdat zij geen grondslag vindt in een wettelijke bepaling.

De bepaling op grond waarvan [X BV] aansprakelijk is gesteld, te weten artikel 40 van de Invorderingswet 1990 (hierna: Invorderingswet), laat naar haar duidelijke bewoordingen slechts toe, natuurlijke personen aansprakelijk te stellen. Het eerste lid is immers gericht op “Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap (…)” – welke bewoordingen redelijkerwijs alleen op natuurlijke personen betrekking kunnen hebben – en noch in dat eerste lid, noch elders, wordt de aldus gedefinieerde kring van aansprakelijk te stellen subjecten verruimd tot rechtspersonen en/of ‘lichamen’ in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Tegenover deze ondubbelzinnige wettekst biedt de wetsgeschiedenis van de met ingang van 1 januari 2001 geldende tekst onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat naast natuurlijke personen ook rechtspersonen (lichamen) op de voet van artikel 40 Invorderingswet aansprakelijk gesteld kunnen worden. Het met ingang van 1 juli 2004 - krachtens besluit van 24 juni 2004, nr. CPP2004/1444M, Stcrt. 2004, 122 - in artikel 40 Leidraad Invordering 1990 opgenomen standpunt van de staatssecretaris van Financiën, dat vervolgens in artikel 40.1 Leidraad Invordering 2008 is overgenomen (“Opgemerkt wordt dat artikel 40 niet alleen ziet op natuurlijke personen die aandelen of een belang vervreemden, maar ook op lichamen in de zin van de AWR”) heeft derhalve geen wettelijke grondslag. 4.15 In haar uitspraak van 5 februari 2015 ziet rechtbank Gelderland in de onderhavige Hofuitspraak aanleiding om terug te komen van haar eerdere opvatting:

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het, gelet op bovengenoemde tekst van artikel 40 van de IW, niet mogelijk is een rechtspersoon aansprakelijk te stellen. Zij verwijst hiervoor naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:485. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat artikel 40 van de IW zich mede uitstrekt tot rechtspersonen. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 4 februari 2014, AWB 13/165, ECLI:NL:RBGEL:2014:7446.

8. In het hoger beroep tegen laatstgenoemde uitspraak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (18 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8846) geoordeeld: “4.1 Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de tekst van artikel 40 IW zoals dat artikel voor het onderhavige jaar luidde, noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan voldoende houvast biedt aan het oordeel dat op grond van dat artikel ook een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor de vennootschapsbelasting die een lichaam waarvan zij aandeelhouder is geweest verschuldigd is, doch die geheel of gedeeltelijk onbetaald is gebleven.

Het Hof overweegt daartoe als volgt. 4.2 Naar haar bewoordingen richt artikel 40, eerste lid, IW zich op ”Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap (…)”. In deze tekst kan “degene” in samenhang met de daarop volgende tussenzin die gelet op de bedoeling van de tekst onlosmakelijk is verbonden met dat begrip, niet anders worden geduid dan als een natuurlijk persoon. Anders dan de Ontvanger verdedigt kan in de tekst van de IW noch in de wetsgeschiedenis steun worden gevonden voor de opvatting dat die tussenzin, in geval van een niet-natuurlijk persoon, eenvoudig weggelaten kan worden.

Dit geldt temeer nu het gaat om een zeer ingrijpende rechtsregel waarbij personen aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschuld van een ander. Niet kan worden aanvaard dat onduidelijkheden over de uitleg van die regel worden opgeheven ten nadele van, in dit geval, een rechtspersoon. 4.3 Het vorenstaande wordt niet anders doordat, naar de Ontvanger heeft aangevoerd, in andere wettelijke bepalingen naast natuurlijke personen ook rechtspersonen worden begrepen onder “degene”. Temeer nu artikel 40 IW slechts geldt voor degene die, al dan niet met anderen, ten minste één derde van het aandelenkapitaal in een lichaam bezit, had mogen worden verwacht dat de wetgever, zo hij die bepaling ook had willen toepassen op rechtspersonen, een bepaling omtrent verbonden lichamen had opgenomen zoals elders in de belastingwetgeving.” 9.

De rechtbank neemt dit oordeel over en komt thans tot het oordeel dat het gelijk aan eiseres is. Literatuur 4.16 Van der Voort Maarschalk schrijft in het NDFR commentaar bij artikel 40 IW: De aansprakelijkheid geldt mijns inziens alleen voor natuurlijke personen. Art. 40.1 Leidraad Invordering 2008 lijkt mij op dit punt dan ook onjuist. Met de in de eerste volzin van lid 1 bedoelde aansprakelijke persoon ('Degene die …') kan immers geen lichaam bedoeld zijn omdat een lichaam geen partner of bloedverwanten kan hebben. Bovendien geldt de aansprakelijkheid voor degene die 'direct of indirect' een belang van ten minste een derde heeft in de vennootschap of het lichaam waarin het belang wordt vervreemd, dus de uiteindelijke aandeelhouder c.q. belanghouder.

Voor aansprakelijkheid van de vervreemdende rechtspersoon bestaat dan geen aanleiding; uit de wetsgeschiedenis is in elk geval niet af te leiden dat de vervreemdende rechtspersoon aansprakelijk is naast de natuurlijke persoon die de uiteindelijke aandeelhouder c.q. belanghouder is. Dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat (ook) de vervreemdende rechtspersoon aansprakelijk is volgt ook uit (het moeilijk te lezen) lid 5. Daarin is bepaald dat in geval een lichaam een deelneming vervreemdt die de door haar verschuldigde vennootschapsbelasting niet voldoet, de aandeelhouder c.q. belanghouder in het vervreemdende lichaam aansprakelijk is (en dus niet het vervreemdende lichaam zelf).

Op grond van het oude art. 40, lid 1, tweede volzin (de voorloper van het huidige lid 5) was het lichaam dat een deelneming vervreemdde overigens wel aansprakelijk, maar de aandeelhouder van dat lichaam niet. De (oude) wettekst is niet erg duidelijk maar de wetsgeschiedenis wel zie kamerstukken 20 588 nr. 3, p. 106. Onder de oude regeling bestond dus (ook) niet de situatie dat aandeelhouder en lichaam naast elkaar aansprakelijk waren. 4.17 Asbreuk en Van der Tempel schrijven: 3.1. Aansprakelijkheid alleen voor natuurlijke personen Op grond van art. 40, lid 1 (nieuw) kan aansprakelijkheid alleen ontstaan bij (ex-) aandeelhouders/natuurlijke personen.

Vereist voor het ontstaan van aansprakelijkheid is dat de natuurlijke persoon direct of indirect voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is of is geweest van de vennootschap waarvan de aandelen worden of zijn vervreemd. De grens van het bezit van één derde deel van het geplaatste kapitaal zorgt er volgens de MvT voor dat alleen aansprakelijkheid kan ontstaan bij aandeelhouders die een belangrijke zeggenschap in de vennootschap hebben. Bij het bepalen of sprake is van het vereiste belang worden de belangen van een partner of echtgenoot als bedoeld in art. 4.6 Wet IB 2001 alsmede die van bloedverwanten in de rechte lijn meegeteld. (…) Aansprakelijkheid kan ook ontstaan als een natuurlijk persoon niet zelf de aandelen vervreemdt, maar als een lichaam, waarin hij een belang heeft, een deelneming in de zin van art. 13 Wet Vpb vervreemdt.

Art. 40, lid 5 (nieuw), verklaart in die situatie de eerste vier leden van het artikel van overeenkomstige toepassing. Voorwaarde voor het ontstaan van aansprakelijkheid bij de aandeelhouder/ natuurlijke persoon is volgens het vijfde lid dat wordt voldaan aan het 'kwantitatieve criterium' zoals genoemd in het eerste en vierde lid. Er moet dus sprake zijn van een belang van ten minste één derde gedeelte. Niet duidelijk is echter of dit slaat op het belang dat de natuurlijke persoon heeft in het lichaam dat vervreemdt (hetgeen het meest logisch zou zijn), het belang dat het lichaam dat vervreemdt houdt in de vennootschap waarvan de aandelen worden vervreemd of het indirecte belang van de aandeelhouder in de vervreemde vennootschap.

De toelichting op het wetsvoorstel schept op dit punt ook geen duidelijkheid. In de MvT wordt volstaan met de opmerking dat het vijfde lid ertoe strekt de regeling voor aandeelhouders, evenals thans, van overeenkomstige toepassing te doen zijn ten aanzien van lichamen die in een aandelenvennootschap een deelneming hebben. 4.18 Booij schrijft met betrekking tot artikel 40 IW (oud): De aansprakelijkheid strekt zich ook uit tot lichamen die tot vervreemding van aandelen overgaan mits die lichamen op enig tijdstip gedurende de in het eerste lid van art. 40 genoemde termijn een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in de stakende vennootschap hebben of hebben gehad. (…) 4.19 Booij schrijft met betrekking tot het huidige artikel 40 IW:

Het gaat om een direct of indirect aandeelhoudersbelang. Indien iemand dus 100% houdt in vennootschap A en deze vennootschap houdt één derde van de aandelen van vennootschap B, kan de uiteindelijke aandeelhouder ook voor de vennootschapsbelastingschulden van vennootschap B worden aangesproken, mits aan de overige criteria wordt voldaan. Het vijfde lid strekt ertoe de regeling voor aandeelhouders, evenals voorheen, van overeenkomstige toepassing te doen zijn ten aanzien van lichamen die in een aandelenvennootschap een deelneming hebben in de zin van art. 13 Wet Vpb 1969.

Het is vreemd dat hierbij het aandelenpercentage van 5% (deelnemingsvrijstelling) doorslaggevend is, terwijl voor het houden van het directe belang een percentage van 33,33% doorslaggevend is. 4.20 Van Oers schrijft: De verkoper dient al dan niet tezamen met zijn partner en bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder te zijn. Het gaat namelijk om aandeelhouders die een belangrijke zeggenschap in de vennootschap hebben. Daarom is het criterium van een derde zwaarder dan het criterium dat geldt voor de aanmerkelijkbelangregeling, want daar is 5% van het geplaatste kapitaal al voldoende om aanmerkelijkbelanghouder te zijn. (…) Door te spreken van “direct of indirect” werkt de invorderingsmaatregel ook bij het ‘tussenschuiven’ van lichamen.

Indien A dus 100% van de aandelen in X BV houdt, terwijl X BV een derde houdt van de aandelen in Y BV en A de aandelen in X BV verkoopt, dan kan A aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelastingschulden van X BV en Y BV. A heeft immers een direct belang in X BV en een indirect belang in Y BV. Indien in dit voorbeeld het X BV zou zijn die de aandelen in Y BV vervreemdt, dan is art. 40, eerste lid, Inv. niet van toepassing, omdat A niets vervreemdt. Toch kan A aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelastingschulden van Y BV, want in art. 40, vijfde lid, Inv. is bepaald dat het eerste lid ook toepassing vindt bij vervreemding van een deelneming in de zin van de Wet Vpb 1969.

Een deelneming is er in beginsel vanaf 5%. Booij verwondert zich over dit lagere percentage en vindt dat het meer voor de hand had gelegen hier ook als voorwaarde een derde te stellen. Zijn kritiek is begrijpelijk, omdat door deze voorwaarde het kan voorkomen dat art. 40 Inv. toepassing vindt, terwijl er geen (doorslaggevende) zeggenschap van de natuurlijk persoon in die deelneming is. Men kan zich ook nog afvragen of X BV aansprakelijk kan worden gesteld, indien X BV de aandelen in Y BV vervreemdt. Art. 40 Inv. voorziet in tegenstelling tot art. 40-oud Inv. niet uitdrukkelijk in aansprakelijkheid voor een lichaam.

Anderzijds blijkt uit de wetsgeschiedenis ook niet expliciet dat de reikwijdte van art. 40, eerste en vierde lid, Inv. is beperkt tot natuurlijke personen. Het blijft dan ook de vraag of een lichaam dat ten minste een derde van de aandelen in een ander lichaam houdt, aansprakelijk kan worden gesteld op grond van art. 40, eerste of vierde lid, Inv. indien die aandelen worden vervreemd. 4.21 Vissers schrijft: Het lijkt erop dat de wetgever bij invoering van het thans geldende art. 40 Invorderingswet 1990 de oude regeling in stand wilde laten met dien verstande dat het belang zou moeten worden verhoogd naar één derde.

De wetgever heeft echter in het eerste lid de woorden “direct of indirect” opgenomen, waarmee feitelijk de situatie die voorheen in het tweede lid (huidige vijfde lid) was geregeld, nu reeds in het eerste lid is vervat. Het middellijk houden van de aandelen, oftewel het tussenschuiven van een lichaam, lijkt hiermee te zijn ondervangen. Verwarrend is dat de wetgever ook hetgeen werd bepaald in het tweede lid van art. 40 Invorderingswet 1990 (oud) heeft overgenomen in het thans geldende lid 5. Wellicht dat het in het vijfde lid opgenomen begrip “deelneming” dan slechts het gevolg is van het slordig redigeren van de oude bepaling.

Gevolg is wel dat er nu twee bepalingen gelden die naar de letterlijke tekst van de wet van toepassing zijn op eenzelfde situatie, maar waarvoor verschillende voorwaarden hebben te gelden. Met het oog op de leer van de rechtsvinding kan getracht worden te redeneren volgens de lijn die de wetgever vermoedelijk voor ogen stond bij invoering van art. 40 Invorderingswet 1990 (nieuw). Ik zou in dat licht aansluiting willen zoeken bij hetgeen bij de invoering van art. 40 Invorderingswet 1990 expliciet is opgemerkt: “door de grens van een bezit van één derde van het geplaatste kapitaal ziet het artikel slechts op de aandeelhouder die een belangrijke zeggenschap in de vennootschap heeft.” Als deze overweging tot uitgangspunt wordt genomen dan kan daaruit allereerst worden afgeleid dat zowel een lichaam als een natuurlijk persoon, direct of indirect, ten minste een één derde belang moet hebben in de vennootschap waarin de reserve aanwezig is.

Gevolg hiervan is dat de “kwantitatieve toets” moet plaatsvinden op het niveau van de vervreemde vennootschap. Voor deze interpretatie pleit tevens dat, indien dit niet het geval zou zijn, degene die zijn aandelen indirect houdt in een “slechtere” positie wordt gebracht dan degene die zijn aandelen direct houdt. Dit kan de bedoeling van de wetgever toch ook niet geweest zijn? Tevens is duidelijk dat de wetgever heeft getracht zowel natuurlijke personen als lichamen onder de regeling van deze aansprakelijkstelling te brengen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat ten aanzien van lichamen andere voorwaarden hebben te gelden dan die welke gelden voor natuurlijke personen.

In zijn algemeenheid geldt dat “gaten” in de regeling van de aansprakelijkstelling onwenselijk zijn. In dat licht kan worden vastgesteld dat de wetgever zowel de “tweetrapsraket” als de “drietrapsraket” onder de aansprakelijkheidsregeling heeft willen brengen. Hoe het ook zij, door middel van interpretatie alleen komen we er niet. Het woord is aan de wetgever. Een mogelijke oplossing kan worden gevonden in het ruim uitleggen van het eerste lid van art. 40 Invorderingswet 1990. Hieronder kunnen dan zowel natuurlijke personen als lichamen worden begrepen.

Doordat in het eerste lid van art. 40 Invorderingswet 1990 thans de woorden “direct of indirect” zijn opgenomen zal, zowel de tweetraps- als de drietrapsraket onder de regeling vallen. Door steeds de eis te stellen dat sprake moet zijn van een één derde belang in de vennootschap waarin de reserves aanwezig zijn, zullen slechts aandeelhouders die een belangrijke zeggenschap in de vennootschap hebben met deze aansprakelijkheid kunnen worden geconfronteerd. Tegenover deze ruime interpretatie van het eerste lid zou het vijfde lid vervolgens kunnen komen te vervallen.

Een andere mogelijkheid is om aansluiting te zoeken bij de redactie van art. 40 Invorderingswet 1990 (oud). Het schrappen van de woorden “direct of indirect” zal tot gevolg hebben dat het eerste lid slechts heeft te gelden voor de situatie waarin lichamen of personen een direct belang houden in de vennootschap die wordt vervreemd. Een ruimer opgezet vijfde lid kan dan voorzien in de situatie waarin de aandelen middellijk worden gehouden, oftewel waarin sprake is van een “tussengeschoven” lichaam. Hierbij zal steeds moeten gelden dat het criterium van een één derde belang doorslaggevend is zodat wordt voorkomen dat ongelijkheid ontstaat. 4.22 De Vries en Reijnen schreven:

Het is niet duidelijk of onder artikel 40, lid 1, IW 1990 alleen natuurlijke personen of ook rechtspersonen vallen. De wettekst lijkt alleen geschreven te zijn voor natuurlijke personen. Omdat artikel 40 IW 1990 echter naar de inhoud noch naar de ratio noodzakelijkerwijs beperkt is tot natuurlijke personen, moet rekening worden gehouden met de toepasselijkheid van artikel 40 IW 1990 op rechtspersonen (…). 4.23 Niet veel later schrijven De Vries en Reijnen: In ons eerdere artikel merkten wij op dat artikel 40 IW 1990 alleen lijkt te zijn geschreven voor natuurlijke personen, maar dat de inhoud en ratio van deze bepaling zich er niet tegen verzetten dat ook rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van dit artikel.

Rechtbank Gelderland oordeelde op 4 februari 2014 (nr. AWB-13/165, ECLI:NL:RBGEL:2014:619) in gelijke zin. De rechtbank onderbouwt haar oordeel door te verwijzen naar de Leidraad Invordering 2008, de parlementaire toelichting en doel en strekking van artikel 40 IW 1990. In de Leidraad Invordering 2008 wordt opgemerkt dat artikel 40 IW 1990 ‘niet alleen betrekking heeft op natuurlijk personen die aandelen of een belang vervreemden, maar ook op lichamen in de zin van de AWR’ (bedoeld is artikel 2, lid 1, onder b, AWR). De rechtbank overweegt verder dat vaststaat dat tot 1 januari 2001 naast houders van een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 1964 ook lichamen die een deelneming bezaten aansprakelijk konden worden gesteld, terwijl in de wettekst tot 1 januari 2001 nog werd verwezen naar een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 1964.

Met de wijziging per 1 januari 2001 heeft de wetgever bedoeld om het toepassingsbereik van artikel 40 IW 1990 uit te breiden. Uit de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid dat de wetgever in afwijking van voor 1 januari 2001 de werking van artikel 40 IW 1990 heeft willen beperken tot natuurlijke personen die een belangrijke zeggenschap hadden in de vennootschap. In hoger beroep heeft Hof Arnhem-Leeuwarden op 18 november 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:8846) het oordeel van de rechtbank vernietigd. Volgens het hof kan het woord ‘degene’ in artikel 40, lid 1, IW 1990 in samenhang met de daarop volgende tussenzin niet anders worden geduid dan als een natuurlijk persoon.

Het hof merkt verder op dat niet kan worden aanvaard dat onduidelijkheden over de uitleg van artikel 40 IW 1990 worden afgewenteld op een belastingplichtige, in dit geval een rechtspersoon. Tevens had het meer voor de hand gelegen dat als de wetgever artikel 40 IW 1990 ook op rechtspersonen van toepassing had willen laten zijn, een bepaling over verbonden lichamen was opgenomen zoals elders in de belastingwetgeving. Ook Hof Amsterdam (20 februari 2014, nr. 12/00581 en 12/00582, ECLI:NL:GHAMS:2014:485) heeft geoordeeld dat uit de duidelijke bewoording van artikel 40 IW 1990 volgt dat alleen natuurlijke personen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor niet betaalde vennootschapsbelasting op grond van dat artikel.

Volgens het hof kunnen de woorden ‘Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap (...)’ redelijkerwijs alleen betrekking hebben op natuurlijke personen en wordt nergens de kring van aansprakelijk te stellen subjecten verruimd tot rechtspersonen en/of lichamen in de zin van de AWR. De parlementaire toelichting biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat ook rechtspersonen op grond van artikel 40 IW 1990 aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Het door de Staatssecretaris van Financiën in de Leidraad Invordering 2008 ingenomen standpunt heeft geen wettelijke grondslag. Derhalve oordeelt het hof dat artikel 40 IW 1990 niet geldt voor rechtspersonen. Of tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden cassatie is ingesteld was op het moment van schrijven van dit artikel nog niet bekend. Tegen de uitspraak van Hof Amsterdam is cassatie ingesteld (nr. 14/01684). Wij zijn benieuwd of de oordelen in cassatie standhouden. In onze ogen heeft Rechtbank Gelderland terecht opgemerkt dat met ‘degene’ in het spraakgebruik doorgaans een natuurlijke persoon wordt bedoeld, maar kan hiermee evenwel ook een rechtspersoon worden bedoeld.

In ons genoemde eerdere artikel in dit blad namen wij de stelling in dat artikel 40 IW 1990 ook geldt voor rechtspersonen. Als extra argument daarvoor kan gelden dat het illusoir maken van verhaalsmogelijkheden door de Ontvanger niet alleen is voorbehouden aan natuurlijke personen, maar dat dit ook kan door handelingen van rechtspersonen. Aansprakelijkheid zou anders eenvoudig kunnen worden ontlopen door je als natuurlijk persoon achter een rechtspersoon te verschuilen. 4.24 In de Fiscale Encyclopedie De Vakstudie is vermeld: (…) Uit de wetsgeschiedenis blijkt dus niet expliciet dat de reikwijdte van artikel 40 (nieuw), eerste en vierde lid, Invorderingswet 1990 is beperkt tot natuurlijke personen.

Als een lichaam (dat ten minste 33,33% aandeelhouder c.q. belanghouder is) de aandelen c.q. het belang vervreemdt, is het derhalve de vraag of dat lichaam op grond van artikel 40 (nieuw), eerste of vierde lid, Invorderingswet 1990 aansprakelijk kan worden gehouden voor de belastingschuld van het lichaam waarin de deelnemer de aandelen c.q. het belang hield. Indien de conclusie zou moeten zijn dat niet ook lichamen, maar alleen natuurlijke personen de doelgroep van artikel 40 (nieuw), eerste en vierde lid, Invorderingswet 1990 vormen, zou zonder nadere voorziening de natuurlijk persoon door het 'tussenschuiven' van een lichaam aan de werking van artikel 40 (nieuw) Invorderingswet 1990 kunnen ontkomen.

Omdat de wetgever het voorkomen van aansprakelijkheid door 'tussenschuiven' van lichamen onwenselijk achtte, was al in artikel 40 (oud), tweede lid, Invorderingswet 1990 een voorziening daartegen opgenomen. Ook in artikel 40 (nieuw), vijfde lid, Invorderingswet 1990 is een dergelijke maatregel opgenomen.

5Beschouwing en beoordeling van het middel

Het eerste middel 5.1 In het cassatiemiddel van de Staatssecretaris wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat uit de tekst van artikel 40 IW niet anders kan worden afgeleid dan dat deze bepaling ziet op natuurlijke personen. Het bestreden oordeel van het Hof in rechtsoverweging 4.2 en 4.3 luidt: 4.2 Naar haar bewoordingen richt artikel 40, eerste lid, IW zich op ’’Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte, lijn, direct of indirect voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap (...)”.

In deze tekst kan “degene” in samenhang met de daarop volgende tussenzin die gelet op de bedoeling van de tekst onlosmakelijk is verbonden met dat begrip, niet anders worden geduid dan als een natuurlijk persoon. Anders dan de Ontvanger verdedigt kan in de tekst van de IW noch in de wetsgeschiedenis steun worden gevonden voor de opvatting dat die tussenzin, in geval van een niet-natuurlijk persoon, eenvoudig weggelaten kan worden. Dit geldt temeer nu het gaat om een zeer ingrijpende rechtsregel waarbij personen aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschuld van een ander.

Niet kan worden aanvaard dat onduidelijkheden over de uitleg van die regel worden opgeheven ten nadele van, in dit geval, een rechtspersoon. 4.3 Het vorenstaande wordt niet anders doordat, naar de Ontvanger heeft aangevoerd, in andere wettelijke bepalingen naast natuurlijke personen ook rechtspersonen worden begrepen onder “degene”. Temeer nu artikel 40 IW slechts geldt voor degene die, al dan niet met anderen, ten minste één derde van het aandelenkapitaal in een lichaam bezit, had mogen worden verwacht dat de wetgever, zo hij die bepaling ook had willen toepassen op rechtspersonen, een bepaling omtrent verbonden lichamen had opgenomen zoals elders in de belastingwetgeving. 5.2 Het Hof baseert zich kennelijk op de bewoordingen van artikel 40 IW als gericht op beperking tot natuurlijke personen, terwijl de wetsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten biedt voor uitbreiding tot rechtspersonen. 5.3 In het algemeen is het mij opgevallen dat het niet zelden voorkomt dat andere interpretatiemethoden, zoals interpretatie op basis van wetsgeschiedenis en/of wetssystematiek, erbij moeten worden gehaald om te kunnen beoordelen of en hoe de bewoordingen van een bepaalde wettekst ‘duidelijk’ zijn.

In dat licht bezien is het begrijpelijk dat in de toelichting bij het middel van de Staatssecretaris wordt betoogd dat hier de wettekst anders kan worden gelezen, terwijl uit de wetsgeschiedenis en de wetssystematiek zou zijn af te leiden dat artikel 40 IW zich mede uitstrekt tot aansprakelijk te stellen rechtspersonen. 5.4 Het komt mij voor dat de tekst van artikel 40, lid 1, IW nog wel enige ruimte laat om ook aansprakelijk gestelde rechtspersonen te kunnen omvatten. Daarin wordt immers genoemd: ‘Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte (…) aandeelhouder is in een vennootschap (…) waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen (…).’ Dat hier onder ‘degene’ natuurlijke personen kunnen worden verstaan is duidelijk, maar ik zou niet willen zeggen dat de tekst ondubbelzinnig uitsluit dat onder ‘degene’ ook een rechtspersoon zou kunnen vallen. 5.5 De passage ‘al dan niet tezamen met’ zou men dan kunnen lezen als een uitbreiding van de kring van aansprakelijke natuurlijke personen ingeval slechts in combinatie met nabije anderen wordt gekomen tot het belang van ‘ten minst één derde’. 5.6 Anderzijds heeft het Hof mijns inziens terecht overwogen dat indien dat anders was ‘(…) had mogen worden verwacht dat de wetgever, zo hij die bepaling ook had willen toepassen op rechtspersonen, een bepaling omtrent verbonden lichamen had opgenomen zoals elders in de belastingwetgeving’.

Dat lijkt mij als tekstueel en wetssystematisch argument niet zonder betekenis. 5.7 Een ruimere uitleg van de kring van aansprakelijken lijkt in overeenstemming met de algehele doelstelling van de herziening van artikel 40 (oud) IW. Die doelstelling was immers om inhoudelijk tot een aanscherping van het artikel te komen, aangezien dat om diverse redenen in de praktijk moeilijk toepasbaar bleek. Onder artikel 40 (oud) IW konden ook een deelneming houdende rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld. Het ligt weinig voor de hand dat de wetgever bij de herziening heeft willen komen tot een beperking van de kring van mogelijk aansprakelijken tot natuurlijke personen.

Dat kan dan ook niet uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid. 5.8 Wetssystematisch kan worden opgemerkt dat in de Invorderingswet verscheidene artikelen voorkomen waarin onder ‘degene’ ook een rechtspersoon wordt verstaan. Dat lijkt mij weliswaar niet zonder betekenis, maar weinig specifiek ten opzichte van artikel 40 IW. 5.9 Wanneer meer specifiek wordt gekeken naar de totstandkoming van het eerste lid van artikel 40 IW, blijkt de wetgever, evenals bij de invoering van artikel 40 (oud) IW het geval was, de aanmerkelijkbelanghouder in de inkomstenbelasting als uitgangspunt te hebben genomen.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel is namelijk telkenmale gesproken over ‘degene die, al dan niet tezamen met zijn partner of echtgenoot als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is (…)’. De verwijzing naar artikel 4.6 Wet IB 2001 diende ertoe in algemene zin aan te sluiten bij het begrip aanmerkelijk belang in de Wet inkomstenbelasting 2001 en bij de omschrijving in die wet van degenen die de primaire doelgroep vormen van de aanmerkelijkbelangregeling in de inkomstenbelasting, te weten een ieder die, direct of indirect al dan niet tezamen met zijn partner of echtgenoot een aanmerkelijk belang bezit.

Vervolgens heeft de wetgever daarop een aantal uitbreidingen (bloedverwanten in de rechte lijn) en beperkingen (minimaal één derde belang) aangebracht. Een expliciete uitbreiding naar rechtspersonen met een deelneming zoals die in de tweede volzin van artikel 40 (oud) IW voorkwam, is echter niet langer in het eerste lid opgenomen. 5.10 Overigens kan worden gewezen op het vijfde lid van artikel 40 IW. Dit ziet op het geval dat een lichaam een deelneming vervreemdt welke in gebreke blijft vennootschapsbelasting te voldoen als bedoeld in het eerste lid.

Dan kan ook de aandeelhouder in het vervreemdende lichaam aansprakelijk worden gesteld op grond van het vijfde lid. Het gaat dus om die aandeelhouder, niet om het vervreemdende lichaam zelf. Dat zou er op kunnen wijzen dat de wetgever als achterliggende aandeelhouder niet heeft gezien een rechtspersoon, maar een natuurlijke persoon. Hetgeen met het vijfde lid wordt ondervangen is aldus dat een natuurlijke persoon/aandeelhouder aan aansprakelijkheid zou kunnen ontkomen door een lichaam, zoals een B.V., tussen te plaatsen. 5.11 Een en ander brengt mij tot de opvatting dat de tot stand gekomen tekst van artikel 40, lid 1, IW in het licht van de overige leden van artikel 40 IW en de wetsgeschiedenis, aldus moet worden gelezen dat de kring van op grond van artikel 40 IW aansprakelijk te stellen personen is beperkt tot natuurlijke personen. 5.12 Dat neemt niet weg dat het zou kunnen dat in het proces van herziening van wetgeving enige vorm van omissie is ontstaan, waar de aansprakelijkheid van rechtspersonen buiten beeld is geraakt.

Echter, ik meen dat uitgegaan moet worden van de wettekst(en) zoals tot stand gekomen en de specifieke wetsgeschiedenis. 5.13 Als slotargument zou ik willen noemen dat het naar mijn mening minder voor de hand ligt eventueel bestaande onduidelijkheid over de reikwijdte van artikel 40 IW te brengen voor rekening van een aansprakelijk gestelde rechtspersoon, zoals belanghebbende. Aansprakelijkstelling kan zeer ingrijpende gevolgen hebben. Dat betekent mijns inziens dat de wetgever er zorg voor moet dragen dat degenen die het risico kunnen lopen aansprakelijk te worden gesteld voor de belastingschulden van een derde, dat risico kunnen lezen in een heldere wettekst. 5.14 Het eerste middel faalt.

Het tweede middel 5.15 Het, naar ik meen, falen van het eerste middel, betekent reeds dat dit beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard, zodat er geen belang meer is bij de behandeling van het tweede middel. 5.16 In zoverre ten overvloede ga ik thans inhoudelijk in op het tweede middel. Daarin wordt met een aantal motiveringsklachten opgekomen tegen belanghebbendes disculpatie, doordat het Hof is gekomen tot het oordeel dat belanghebbende voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er geen sprake van is geweest dat belanghebbende ten tijde van de vervreemding van de aandelen in [A] wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken. 5.17 Hierbij zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken om aandacht te vragen voor het algemene kader waarin motiveringsklachten in cassatie kans van slagen kunnen hebben en voor de aan de formulering van motiveringsklachten naar mijn mening te stellen eisen. 5.18 Om te beginnen merk ik op dat het Hof heeft vastgesteld dat het vermogen van [A] , ten tijde van de verkoop van de aandelen door belanghebbende, voldoende was voor het op dat moment verschuldigde bedrag aan vennootschapsbelasting en dat het vermogen van [A] niet is verminderd door toedoen van belanghebbende.

Het Hof heeft vervolgens met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014 de bewijslast aldus geformuleerd dat het ‘pas dan aan de verkopende aandeelhouder is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is in de zin van artikel 40, zesde lid, IW indien hij ten tijde van de vervreemding wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde, door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken.’ Dat lijkt als maatstaf juist te achten. 5.19 Het Hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat belanghebbende voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt ‘op grond waarvan kan worden geoordeeld dat van een dergelijk weten of behoren te weten in haar geval geen sprake is geweest’. 5.20 Met het tweede middel wordt tegen het oordeel van het Hof opgekomen.

Het middel luidt: Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 40, zesde lid, Inv. en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich kan disculperen voor de aansprakelijkstelling, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat het Hof ten onrechte tot het oordeel komt dat het niet aan belanghebbende is te wijten dat het vermogen van [A] B.V. ontoereikend was om de verschuldigde vennootschapsbelasting te voldoen. 5.21 In de toelichting op het tweede middel wordt vervolgens ingegaan op een aantal overwegingen van het Hof.

Waar met name feitelijke overwegingen van het Hof worden bestreden, lijkt het mij nuttig om hier enkele eerdere opmerkingen over de relevante mogelijkheden en beperkingen van een beroep in cassatie te memoreren. 5.22 In cassatie beoordeelt de Hoge Raad vooral of, kort gezegd, door een hof rechtens de juiste maatstaven zijn aangelegd. Indien de Hoge Raad oordeelt dat er in een of meerdere opzichten door een hof geen juiste maatstaven zijn aangelegd, volgt in beginsel vernietiging van de hofuitspraak. 5.23 De door een hof (c.q. rechtbank) gemaakte feitelijke afwegingen en oordelen worden in principe overgelaten aan het hof (of de rechtbank) als feitenrechter.

De Hoge Raad houdt daarvan afstand, omdat hij zelf geen feitenrechter is. Dergelijke feitelijke oordelen zijn in cassatie slechts aantastbaar indien de Hoge Raad van oordeel is dat bepaalde overwegingen in een hofuitspraak ‘onbegrijpelijk’ zijn in cassatietechnische zin. Van onbegrijpelijkheid is bijvoorbeeld sprake als door een hof gegeven oordelen innerlijk tegenstrijdig zijn, relevante stellingen geheel onbesproken zijn gelaten of een hof is gekomen tot een conclusie die nooit had kunnen worden getrokken op basis van de eerder vastgestelde feiten.

De Hoge Raad casseert pas als een gevolgtrekking niet uit de vaststaande feiten kan volgen. 5.24 Ik voeg daar thans aan toe dat in het algemeen kan worden gesteld dat de Hoge Raad (zeer) terughoudend is met het ambtshalve casseren van Hofuitspraken wegens vormverzuimen, waaronder motiveringsgebreken. Hij doet dat in beginsel alleen nadat daarover is geklaagd. In dat kader mag worden verwacht dat een motiveringsklacht op zijn minst vermeldt welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Net als in civiele cassaties het geval is, meen ik dat meer in het bijzonder van een professionele partij mag worden verwacht dat indien een motiveringsklacht (mede) is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, in het middel de vindplaats(en) worden vermeld van die stellingen in de stukken van het geding. 5.25 In de toelichting op het tweede middel wordt van bedoelde vindplaatsen geen melding gemaakt maar wordt in zijn algemeenheid gerefereerd aan stellingnames van de Ontvanger en belanghebbende.

Dat bemoeilijkt mijns inziens het begrip en de beoordeling van de motiveringsklachten. Niettemin pak ik een en ander op. 5.26 In de toelichting op het tweede middel merkt de Staatssecretaris allereerst op dat de vaststelling van het Hof in r.o. 2.2. dat [A] voor de gerealiseerde boekwinst bij de verkoop van het pand te [Q] een herinvesteringsreserve vormde, ‘opmerkelijk’ is ‘omdat uit de gedingstukken naar voren zou komen dat belanghebbende zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat geen herinvesteringsreserve gevormd kon worden en door haar een beroep werd gedaan op toepassing van de ruilarresten’.

Nu de Ontvanger steeds zou hebben verdedigd dat belanghebbende kon weten dat niet aan de striktere vervangingsnorm werd voldaan, zou het Hof hebben verzuimd die stelling te behandelen. 5.27 Uit de stukken van het geding kan mijns inziens niet worden afgeleid dat de discussie met betrekking tot de vennootschapsbelastingschuld zich expliciet heeft beperkt tot de toepassing van de ruilarresten. Ik wijs bijvoorbeeld op de motivering van het hoger beroepschrift van 16 april 2014 waarin wordt opgemerkt: [X] heeft subsidiair gesteld dat aan het einde van het boekjaar 2007 een herinvesteringsreserve zou kunnen worden gevormd voor de in maart van dat jaar door [A] met de vervreemding van de onroerende zaken gerealiseerde boekwinst, zij het dat die boekwinst nog in hetzelfde boekjaar is aangewend voor afboeking op de kostprijs van de in juli van dat jaar door [A] aangekochte onroerende zaken.

In r.o. 4.12 heeft de Rechtbank daaromtrent overwogen dat te gelden heeft dat een herinvesteringsreserve tot de belastbare winst over 2007 moet worden gerekend, aangezien voor het moment van herinvesteren sprake is van een belangenwijziging als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, Wet vennootschapsbelasting 1969. [X] stelt daar tegenover dat in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, gesproken wordt over een ‘ten tijde van die wijziging reeds gevormde herinvesteringsreserve’ en die herinvesteringsreserve ten tijde van die belangenwijziging, op 31 juli 2007, nog niet is gevormd, in het boekjaar 2007 zelfs niet meer wordt gevormd, aangezien voor het jaareinde reeds geherinvesteerd is.

In gelijke zin (uw) Hof Arnhem in uw uitspraak van 4 december 2012, nr. 11/00501, rechtsoverweging 4.6.(…) [X] meent aldus dat de belangenwijziging op 31 juli 2007, in hetzelfde boekjaar als dat van de vervreemding en de herinvestering niet leidt tot toepassing van artikel 12a Wet vennootschapsbelasting 1969 en (ook subsidiair) de in maart 2007 door [A] met de vervreemding van onroerende zaken gerealiseerde boekwinst niet tot belastbare winst over 2007 hoeft te worden gerekend. (…) 5.28 Daarnaast kan worden gewezen op de volgende passage in de aanvullende motivering van 3 oktober 2014: [X] stelt zich op het standpunt dat tot op de uitspraak van de Hoge Raad van 23 mei 2014, 13/00280, er van uit mocht worden gegaan dat de in maart 2007 door [A] met de vervreemding van onroerende zaken gerealiseerde boekwinst niet op grond van artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, Wet Vpb tot de belastbare winst over 2007 zou behoeven te worden gerekend, aangezien herinvestering had plaatsgevonden in het jaar van de vervreemding zelf en derhalve geen herinvesteringsreserve zou worden gevormd. (…) 5.29 Gezien vorenstaande komt de bestreden overweging van het Hof mij niet onbegrijpelijk voor.

De opmerking van de Ontvanger ‘dat de gemachtigde in het onderdeel “ad 4 Disculpatie” van zijn hoger beroepschrift (bladzijde 18/26) alleen rept over toepassing van de ruilarresten’ doet daar mijns inziens niet aan af. 5.30 In de toelichting op het tweede middel wordt voorts opgemerkt dat indien en voor zover wordt uitgegaan van een wél gevormde herinvesteringsreserve, het oordeel van het Hof in r.o. 4.8. gebaseerd zou zijn op onjuiste uitgangspunten dan wel onvoldoende zou zijn gemotiveerd nu een essentiële stelling onbesproken zou zijn gebleven.

Zo zou het Hof het standpunt van de Ontvanger dat belanghebbende ‘kon weten dat de vervanging van de verhuurde kantoorvilla door onverhuurde c.q. nog te bouwen bedrijfsgebouwen niet kwalificeerde’, ten onrechte onbehandeld hebben gelaten. Daarnaast wijst de Staatssecretaris erop dat de onroerende zaken werden geleverd nadat de overdracht van de aandelen [A] had plaatsgevonden. Bij toepassing van de letterlijke tekst van artikel 12a Wet Vpb zou duidelijk moeten zijn geweest dat de herinvesteringsresrve door de aandelenoverdracht zou vrijvallen.

De door het Hof genoemde arresten van de Hoge Raad van 23 mei 2014 zouden daarover geen nieuwe duidelijkheid hebben doen ontstaan. Aldus de klachten. 5.31 Ik merk op dat het Hof in r.o. 4.8. heeft overwogen dat belanghebbende is geslaagd in de op haar rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat zij niet wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken. Het Hof heeft daarbij een zekere waarde toegekend aan het feit dat belanghebbende zich bij de verkoop van de aandelen heeft laten adviseren door een fiscaal adviseur, dat die advisering juist en in het bijzonder zag op de voorgenomen investeringen ter aanwending van de verkoopopbrengst van het pand in [Q] , dat belanghebbende onderzoek heeft gedaan naar de realiteitsgehalte van de investeringsplannen van [F] , de gegoedheid van de koper en de groep waartoe zij behoorde, dat de directeur van belanghebbende accountant van beroep is en wist hoe hij de ter inzage gelegde jaarstukken moest lezen, dat recentere jaarstukken bij de Kamer van Koophandel werden opgevraagd, dat belanghebbende er toentertijd van mocht uitgaan dat het aanwenden van de herinvesteringsreserve door [A] mogelijk was, dat belanghebbende ter aflossing van haar schuld aan [A] , ten behoeve van [A] een bedrag van € 273.250 op de derdenrekening van de notaris stortte en dat tot zekerheid van de nakoming van de fiscale verplichtingen garanties zijn bedongen bij de kopende partij en het concern waartoe zij behoorde. 5.32 Met name in de overweging van het Hof dat belanghebbende ‘in het licht van de jurisprudentie die in 2007 bekend was, ervan mocht uitgaan dat het aanwenden van de herinvesteringsreserve door [A] mogelijk was’, ligt mijns inziens een reactie op de stellingen van de Ontvanger besloten.

Dat het Hof niet afzonderlijk op de door de Staatssecretaris gememoreerde argumenten is ingegaan, doet daar naar mijn mening niet aan af. Voor het overige heeft het Hof zich uitgelaten over hetgeen belanghebbende ten tijde van de verkoop wist althans had moeten weten. De door het Hof gemaakte overwegingen komen mij, in het licht van het voorgaande, niet onbegrijpelijk voor. 5.33 In de toelichting op het tweede middel wordt verder opgemerkt ‘dat het Hof de zorgplicht van belanghebbende in het licht van de disculpatiemogelijkheid onjuist heeft ingevuld’.

De overweging van het Hof in r.o. 4.6. ‘dat, zo het vermogen van [A] al is verminderd na aandelenoverdracht, dit niet is gebeurd door toedoen van belanghebbende’ zou namelijk onbegrijpelijk zijn in het licht van de door de Ontvanger steeds verdedigde aansprakelijkheid van belanghebbende. In de toelichting wordt verder opgemerkt: De ontvanger heeft steeds aangegeven dat belanghebbende wist dat [A] B.V. vervangende onroerende zaken kocht waarop tot een bedrag van ruim € 1.000.000 meer hypothecaire inschrijvingen rusten dan de waarde van de onroerende zaken en dat er daarnaast ook nog beslagen op die onroerende zaken rusten van de Belastingdienst.

Uit de tot de gedingstukken behorende mailwisseling met de notaris blijkt dat belanghebbende deze wetenschap bezat. Ondanks deze wetenschap heeft belanghebbende niet onderzocht of de derden ten behoeve van wie de hypotheken waren ingeschreven zodanig gegoed waren om bij eventuele uitwinning van die hypotheken de regresvordering op hen te kunnen verhalen. Gelet op de omvang van de hypothecaire inschrijvingen en beslagen heeft belanghebbende ook moeten begrijpen dat de ten behoeve van haar gevestigde 2e hypotheek geen of weinig betekenis had. Belanghebbende heeft hiermee ook bewust aanvaard dat het vermogen van [A] B.V. na de verkoop afnam c.q. kon afnemen.

Uitwinning van de hypotheken zonder voldoende regresrecht op de schuldenaren leidt namelijk tot verarming van [A] B.V. Ook zijn de hypothecaire inschrijven ten behoeve van schulden van derden normaal gesproken een waardedrukkende factor op de waarde van de onroerende zaken. Dit blijkt ook uit de opbrengst bij de verkoop van de onroerende zaken in 2008 (…) ’s Hofs andersluidende oordeel is wat dat betreft onbegrijpelijk. 5.34 Ik merk op dat het Hof in r.o. 4.6. het volgende heeft overwogen: Tussen partijen is niet in geschil dat het vermogen van [A] , ten tijde van de verkoop van de aandelen door belanghebbende, voldoende was voor het voldoen van de op dat moment verschuldigde vennootschapsbelasting.

Evenmin is in geschil dat, zo het vermogen van [A] al is verminderd na de aandelenoverdracht, dit niet is gebeurd door toedoen van belanghebbende. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat aannemelijk is dat de betaling van € 126.522 (…) ten laste van de storting op de derdenrekening bij de notaris heeft plaatsgevonden door of vanwege [F] , althans de nieuwe bestuurder van [A] nu verondersteld mag worden dat de notaris op de rechtmatige besteding van dat bedrag zal hebben toegezien. 5.35 Het komt mij voor dat het Hof met de laatste volzin doelt op het feit dat [F] een deel van het bedrag ad € 273.250 dat ten name van [A] op de derdenrekening bij de notaris was gestort, heeft benut om het schuldig gebleven deel van de koopsom af te lossen.

Het Hof heeft zijn oordeel daarmee niet alleen gebaseerd op de afname van het vermogen door uitoefening van het recht van hypotheek op de onroerende zaken maar ook op de gang van zaken ten aanzien van het depotbedrag bij de notaris. Die overwegingen van het Hof lijken mij in ieder geval niet aan te merken als onbegrijpelijk. 5.36 In de toelichting op het middel wordt voorts opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat het vermogen van [A] na de verkoop niet afnam door andere redenen dan de normale bedrijfsuitoefening. De Staatssecretaris wijst er in dat kader nog op dat de Ontvanger diverse malen heeft betoogd dat belanghebbende ten nadele van [A] onzakelijk handelde door geen zekerheden te bedingen voor de schuldconversie, waardoor [A] [F] als schuldenaar kreeg. 5.37 Ik stel bij de beoordeling van deze klacht voorop dat het Hof in r.o. 4.9. heeft overwogen:

Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat naar zijn oordeel de Ontvanger, met hetgeen is aangevoerd, niet aannemelijk maakt dat door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen het vermogen van [A] ontoereikend is geworden. Gelet op de door belanghebbende geschilderde, en naar het oordeel van het Hof aannemelijke, omstandigheden van het geval is naar het oordeel van het Hof voor de conclusie dat het vermogen van [A] is verminderd door handelingen die buiten de normale bedrijfsuitoefening liggen, onvoldoende dat [A] de onroerende zaken aankocht terwijl daarop een hypotheekrecht was gevestigd voor het voldoen van schulden van een derde, te weten [H] .

Na herfinanciering, waarover onderhandelingen gaande waren, zouden die schulden kunnen worden afgelost. Ook de, naar het Hof wil aannemen, wetenschap van belanghebbende dat [F] een deel van de koopsom van de aandelen zou gaan voldoen uit het bedrag dat zij bij de notaris op de derdenrekening had gestort, maakt dit naar het oordeel van het Hof niet anders. 5.38 Ook hier komt het mij voor dat de bestreden overweging ziet op waardering van bewijsmiddelen en daarmee op feitelijke beoordelingen die in principe aan het Hof moeten worden gelaten. Die beoordelingen zijn niet aan te merken als onbegrijpelijk, hetgeen betekent dat daarop in cassatie niet nader kan worden ingegaan. 5.39 De Staatssecretaris gaat in de toelichting op het middel ten slotte nog in op de garanties c.q. vrijwaringen die bij verkoop van het [G] concern zijn bedongen.

Deze garanties zouden uitsluitend dienen tot zekerheid voor de aan belanghebbende verleende vrijwaring bij een eventuele aansprakelijkstelling op grond van artikel 40 IW. Bovendien zou het in zakelijke verhoudingen voor de hand hebben gelegen dat [F] , als koper van de aandelen in een vennootschap waarop mogelijk nog een fiscale claim rust, een vrijwaring van de verkoper zou hebben geëist en niet andersom. 5.40 In de akte van levering van aandelen is de volgende vrijwaring opgenomen: a. Koper vrijwaart verkoper en haar uiteindelijke aandeelhouder voor alle financieel nadelige gevolgen, waaronder boetes, rente en overige kosten, voortvloeiend uit een eventuele aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 40 Invorderingswet negentienhonderdnegentig, uitsluitend indien en zover voortvloeiend uit de verschuldigde vennootschapsbelasting over het jaar tweeduizendzeven en over de boekwinst terzake van de vervreemde registergoederen, waarvoor op de overnamebalans een belastinglatentie is gevormd. b.

Ter meerdere zekerheid van verkoper vestigt koper per heden een hypotheekrecht ten behoeve van verkoper op de per heden aan de vennootschap over te dragen registergoederen. c. Koper heeft kennis genomen van het investeringsplan van de vennootschap welke onder het bestuur van verkoper is aangegaan. Koper garandeert jegens verkoper en jegens het (middellijke en onmiddellijke) bestuur van de vennootschap voor alle gevolgen van het wel of niet correct en adequaat uitvoeren van gemeld investeringsplan. d. Koper garandeert jegens verkoper dat zij zal zorgdragen voor het tijdig opstellen en indienen van de aangifte vennootschapsbelasting ten name van de vennootschap over het fiscale boekjaar eindigend op éénendertig december tweeduizend zeven.

Koper zal van deze aangifte een kopie aan verkoper doen toekomen. e. Verkoper is niet aansprakelijk voor mogelijk fiscale consequenties van deze transactie voor koper. Koper garandeert jegens verkoper dat zij de vennootschap niet zal liquideren noch zal vervreemden voordat de definitieve vaststelling heeft plaatsgevonden van de aangifte van vennootschapsbelasting over het jaar tweeduizend en tien. f. De voormelde garanties vinden toepassing tot en met het tijdstip waarop de definitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar tweeduizend en tien onherroepelijk is geworden en deze aanslag feitelijk is betaald, doch in ieder geval tot en met een en dertig december tweeduizend twaalf vermeerderd met de periode waarvoor uitstel is verleend voor het doen van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar tweeduizendzeven. g.

Met betrekking tot voormelde hypotheek ten behoeve van verkoper garandeert verkoper dat deze wordt geroyeerd direct na het in lid f gemelde tijdstip. h. Partijen zullen elkaar op de hoogste stellen in het geval er bij één van beiden een vordering vanwege de Belastingdienst wordt ingediend de vennootschap betreffende. Indien de vordering wordt ingesteld jegens de vennootschap aangaande de vennootschapsbelasting, verschuldigd over het jaar tweeduizendzeven en die terzake van de verkoop van de registergoederen van de vennootschap waarvoor op de overnamebalans een voorziening belastinglatentie is getroffen komen de kosten voor het bestrijden van de vordering voor rekening van koper.

De kosten voor het bestrijden van andere fiscale claims casu quo vorderingen welke betrekking hebbende op tijdvakken gelegen voor de datum van onderhavige akte en welke niet zijn genoemd in deze akte of voorzien in de overnamebalans, komen voor rekening van verkoper. In voorkomend geval zullen koper en verkoper gezamenlijk optreden namens de vennootschap. 5.41 De nakoming van deze vrijwaring is gelijktijdig met de leveringsakte gegarandeerd door, kort gezegd, het [G] concern. 5.42 Uit de strekking van de vrijwaringen en garanties volgt dat nakoming van de fiscale verplichtingen door de koper werd beoogd.

In zoverre zijn de vrijwaringen en garanties dienstig aan de beoogde nakoming van de fiscale verplichtingen door [A] . Het feit dat de garanties zijn gegeven aan de verkoper, doet daar mijns inziens niet aan af. Ik acht het oordeel van het Hof dan ook geenszins onbegrijpelijk. 5.43 Het tweede middel faalt eveneens. 6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Heden neem ik eveneens conclusie in de samenhangende zaken met zaaknummers 14/02700 en 14/01684.

De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. Rechtbank Gelderland 4 februari 2014, nr. 13/165, ECLI:NL:RBGEL:2014:619, V-N 2014/10.20. Tekst 2000. Kamerstukken II 1987/88, 20588, nr. 3, p. 104. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd nog gesproken over artikel 41 IW. Gaandeweg de behandeling van dat wetsvoorstel, is de bepaling ondergebracht in artikel 40 IW.

Kamerstukken II 1978/88, 20588, nr. 3, p. 105-106 Brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 januari 1998, AFZ97/3935M. Redactie Vakstudie-Nieuws, V-N 1998/7.20. Kamerstukken II 1999/2000, 27209, nr. 3, p. 13-15. Kamerstukken II 1999/2000, 27209, nr. 3, p. 65-66. Kamerstukken II 2000/01, 27209, nr. 6, p. 83 en 86 Hoge Raad 5 oktober 2012, nr. 11/01555, ECLI:NL:HR:2012:BW6516, BNB 2012/312. J.H.P.M. Raaijmakers, BNB 2012/312. Redactie Vakstudie-Nieuws, V-N 2012/51.26 A.E.H. van der Voort Maarschalk, NTFR 2012/2462.

Hoge Raad 27 juni 2014, nr. 13/03045, ECLI:NL:HR:2014:1525, BNB 2014/204. J.J. Vetter, BNB 2014/204. Redactie Vakstudie-Nieuws, V-N 2104/34.25. Hoge Raad 8 augustus 2014, nr. 13/04659, ECLI:NL:HR:2014:2150, V-N 2014/41.15 Redactie Vakstudie-Nieuws, V-N 2104/41.15. Hoge Raad 27 februari 2015, nr. 13/04128, ECLI:NL:HR:2015:468, BNB 2015/80. In gelijke zin en gelijktijdig oordeelde de Hoge Raad in het arrest met nr. 13/04289. J.W. Zwemmer, BNB 2015/80. Redactie Vakstudie-Nieuws, V-N 2015/13.20. M.J.A. Castelijn, NTFR 2015/1108. Hof Amsterdam 20 februari 2014, nr. 15/00582, ECLI:NL:GHAMS:2014:485, V-N 2014/20.1.4.

In die zaak neem ik heden tevens conclusie (14/02700). Rechtbank Gelderland 5 februari 2015, 14/1693, ECLI:NL:RBGEL:2015:605. NDFR aantekening 2.1. bij 40 IW. J.H. Asbreuk en Y. van der Tempel, Enkele opmerkingen bij de herziening van artikel 40 Invorderingswet, MBB 2000/320. J.A. Booij, Aansprakelijkheid van bestuurders voor belastingschulden, Fiscale Monografiën nr. 104, Kluwer Deventer: 2003, p. 226 A.w., p. 230. M.H.M. van Oers, De fiscale aansprakelijkheid van de grootaandeelhouder bij verkoop van aandelen, WPNR 2007/6695. A.B. Vissers, De ene persoon is de andere rechtspersoon niet, WFR 2013/7008.

A.C.M. de Vries en T.F.H. Reijnen, Aansprakelijkheid aandeelhouder voor niet-betaalde vennootschapsbelasting, FBN 2014/3, 13. A.C.M. de Vries en T.F.H. Reijnen, Artikel 40 IW 1990: als het eerste arrest over de dam is…, FBN 2014/12, 58. Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Invorderingswet, art. 40 Invorderingswet 1990, aant. 6.1.2. Zie onderdeel 2.6 van deze conclusie. Zie over artikel 40 IW onderdeel 4.2 en 4.7, alsmede mijn conclusies van 7 mei 2012 (11/01555) en 4 juni 2014 (13/04128 en 13/04289). Zie 3.2-3.4. Zie 4.2. Zie 4.8: ‘Door bij het criterium van één derde de bloedverwanten in de rechte lijn mee te nemen, wordt voorkomen dat op eenvoudige wijze, namelijk door formeel kinderen als aandeelhouder te presenteren, de toepassing van artikel 40 illusoir zou worden gemaakt.’ Zie 2.6, r.o. 4.3.

Zie 4.6 en 4.7. Zie 4.1 en 4.5.: “De tweede volzin bevat de bepaling dat de eerste volzin evenzeer geldt als de verkoper niet een natuurlijke persoon maar een lichaam is”. Zie 3.3. Zie 4.5: “In de eerste volzin is de regeling opgenomen die geldt voor het geval de vervreemder een natuurlijk persoon is. Aangezien niet elke vervreemding van aandelen behoeft te worden getroffen maar alleen die welke een enigszins substantiële omvang kan hebben, is voor de omschrijving van de vervreemders die wij op het oog hebben, aangesloten bij hen die een zogenaamd aanmerkelijk belang bezitten.” Zie 4.7-4.8.

De verwijzing naar artikel 4.6 Wet IB 2001 is als gevolg van een latere wijziging van de Wet IB 2001 komen te vervallen (Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001, Stb. 2000, 570). Dit doet echter niet af aan de beoogde aansluiting bij het aanmerkelijkbelangbegrip in artikel 40, lid 1, IW. Zie 4.9., in antwoord op de volgende vragen in het verslag van 29 september: “De leden van de CDA-fractie merken voorts nog op dat in dit artikel weliswaar wordt verwezen naar een aanmerkelijkbelangartikel in de Wet IB 2001 maar dat de aanmerkelijkbelang-omschrijving uit die wet hier niet geldt.

Het betreft een eigen omschrijving die ook afwijkt van bijvoorbeeld art. 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Kan dat nader worden toegelicht?” (Kamerstukken II 2000/01, 27209, nr. 5, p. 33.) Zie 4.8-4.9. Zie 4.1. Zie 4.17, 4.18, 4.23. Zie 4.16. Dat wordt ook al tegengegaan doordat in lid 1 sprake is van ‘direct of indirect’ aandeelhouderschap. Vgl. 3.4. Wat aldus overeind blijft is de mogelijkheid om directe of indirecte aandeelhouders/natuurlijke personen aansprakelijk te stellen. Ik merk op dat de Ontvanger over het algemeen beter een opeisbare vordering kan hebben op een natuurlijke persoon die aansprakelijk is met zijn gehele vermogen inclusief aandelen, dan (enkel) op de aandelenvennootschap.

Vgl. 2.6: ‘Dit geldt temeer nu het gaat om een zeer ingrijpende rechtsregel waarbij personen aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschuld van een ander. Niet kan worden aanvaard dat onduidelijkheden over de uitleg van die regel worden opgeheven ten nadele van, in dit geval, een rechtspersoon.’ Zie 2.7, r.o. 4.6. Zie 4.10-4.13. Zie 2.7, r.o. 4.8. Zie mijn conclusie van 9 juli 2014, nr. 12/05864, onderdeel 5.15. M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Fiscale Monografiën nr. 142, Kluwer Deventer:2014, p. 124-125. Vgl. Hoge Raad 12 juli 2013, nr. 12/01190, ECLI:NL:HR:2013:CA1727.

Zie 2.1, r.o. 2.2. Motivering van het hoger beroepschrift d.d. 16 april 2014, p. 12-13. Aanvullende motivering d.d. 3 oktober 2014, p.

7. Verweerschrift d.d. 15 mei 2014, p.

7. Vgl. Hoge Raad 12 januari 1977, nr. 18.077, BNB 1977/74 en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Fiscale Monografiën nr. 142, Kluwer Deventer:2014, p. 137. Zie 2.1, r.o. 2.5. Akte levering van aandelen d.d. 31 juli 2007, artikel 4. Garantie d.d. 31 juli 2007.