ECLI:NL:PHR:2015:1370 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 14/03173 Zitting: 2 juni 2015 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] Verdachte is bij arrest van 20 december 2013 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens verschillende levensdelicten, verboden wapenbezit en het deelnemen aan een criminele organisatie, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 jaren en 9 maanden. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/01796, 14/03171 en 14/03174. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 30 december 2013.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2015:1370 · Parket bij de Hoge Raad: Op 16 juli 2014 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
Full text
Nr. 14/03173 Zitting: 2 juni 2015 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] Verdachte is bij arrest van 20 december 2013 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens verschillende levensdelicten, verboden wapenbezit en het deelnemen aan een criminele organisatie, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 jaren en 9 maanden. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/01796, 14/03171 en 14/03174. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 30 december 2013.
Op 16 juli 2014 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG