Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2015:1131 ECLI:NL:PHR:2015:1131 AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:1131 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2015:1131
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Bij dagvaarding van 13 april 2015 heeft EOO (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof Den Haag van 17 februari 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:255). Het geschil tussen VEOB en SUEPO enerzijds en EOO anderzijds heeft onder meer betrekking op de per 1 juli 2013 door EOO in de ‘Service Regulations for Permanent Employees’ (het Dienstreglement) ingevoerde bepalingen inzake het stakingsrecht. VEOB en SUEPO klagen dat EOO door de invoering van deze regels het recht op staking te zeer beperkt en het vakbondswerk belemmert, alsmede dat EOO hen niet toelaat tot collectieve onderhandelingen. Het hof Den Haag heeft, kort gezegd, beslist dat (i) VEOB en SUEPO onbelemmerde toegang tot het e-mailsysteem van EOO moet worden gegeven, (ii) EOO wordt verboden toepassing te geven aan art. 30a lid 2 en lid 10 Dienstreglement, en (iii) dat VEOB en SUEPO moeten worden toegelaten tot collectieve onderhandelingen.

Legislator headnote

AI generated

Art. 217 Rv, art. 1 Rv, art. 218 Rv; ECLI:NL:PHR:2015:1131 · Parket bij de Hoge Raad: Ik ben van oordeel dat de vordering van de Staat tot voeging in de onderhavige cassatieprocedure voor toewijzing in aanmerking komt. Ik licht dit als volgt toe. Art. 217 Rv bepaalt dat ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. In het arrest van 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voeging in cassatie op de voet van art. 217 Rv kan plaatsvinden: ‘3.3 (…) omdat de partij die zich aan de zijde van een van de partijen in cassatie voegt, zich bij het standpunt van die partij aansluit en dit ondersteunt en aldus geen nieuwe feitelijke grondslag (…) introduceert.

Keywords

AI generated
Art. 217 Rv art. 1 Rv art. 218 Rv

Cited Legislation

AI generated
Art. 217 Rv
Art. 217 Rv bepaalt dat ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen.
art. 1 Rv
13a Wet Algemene Bepalingen, de verwijzing naar dat artikel in art. 1 Rv en uit art.
art. 218 Rv
Tot slot wijs ik erop dat in art. 218 Rv is bepaald dat de vordering tot voeging (resp.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2015:255
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.141.812/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/453749/KG ZA 13-1239 arrest van 17 februari 2015 inzake 1 Vakbondsunie van het Europees Octrooibureau (VEOB, Afdeling Den Haag), zetelend te Rijswijk, hierna te noemen: VEOB, 2 SUEPO (Staff Union of the European Patent Office), zetelend te Den Haag, hierna te noemen: SUEPO, appellanten, hierna tezamen ook wel aan te duiden als: VEOB c.s., advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen Europese Octrooi Organisatie, gevestigd te München, alsmede te Rijswijk, hierna te noemen:
ECLI:NL:HR:2008:BC6692
Het geding in feitelijke instanties [Verweerder] heeft bij exploot van 12 april 2002 [eiseres 2] gedagvaard voor de rechtbank Breda en gevorderd, kort gezegd, [eiseres 2] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 17.333,24, alsmede een bedrag van € 1.542,85, met rente en kosten. [Eiseres 2] heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen om ten titel van schadevergoeding aan [eiseres 2] te voldoen een bedrag van € 42.050,32, subsidiair, € 59.383,54, met rente en kosten. De rechtbank heeft bij vonnis van 24 september 2003 in conventie [eiseres 2] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 18.066,85 en in reconventie de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [eiseres 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Na een tussenarrest van 11 januari 2005 heeft het hof bij eindarrest van 2 mei 2006 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het tussenarrest en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
NJ 2008/168
In het arrest van 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voeging in cassatie op de voet van art.
ECLI:NL:HR:2015:1602
TENNET TSO B.V., gevestigd te Arnhem, 2.
ECLI:NL:HR:2014:768
FIAR CONSUMER ELECTRONICS (FIAR CE),gevestigd te Amsterdam, 2.
NJ 2015/206
Zie ook HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

15/02186 Mr. P. Vlas Zitting, 10 juli 2015 Conclusie in het incident tot voeging in cassatie: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken), (hierna: de Staat), eiser in het incident tot voeging inzake Europese Octrooi Organisatie, gevestigd te München, alsmede te Rijswijk, (hierna: EOO) tegen 1. Vakbondsunie van het Europees Octrooibureau (VEOB, Afdeling Den Haag), zetelend te Rijswijk, (hierna: VEOB), 2. SUEPO (Staff Union of the European Patent Office), zetelend te Den Haag, (hierna: SUEPO).

1. Bij dagvaarding van 13 april 2015 heeft EOO (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof Den Haag van 17 februari 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:255). Het geschil tussen VEOB en SUEPO enerzijds en EOO anderzijds heeft onder meer betrekking op de per 1 juli 2013 door EOO in de ‘Service Regulations for Permanent Employees’ (het Dienstreglement) ingevoerde bepalingen inzake het stakingsrecht. VEOB en SUEPO klagen dat EOO door de invoering van deze regels het recht op staking te zeer beperkt en het vakbondswerk belemmert, alsmede dat EOO hen niet toelaat tot collectieve onderhandelingen. Het hof Den Haag heeft, kort gezegd, beslist dat (i) VEOB en SUEPO onbelemmerde toegang tot het e-mailsysteem van EOO moet worden gegeven, (ii) EOO wordt verboden toepassing te geven aan art. 30a lid 2 en lid 10 Dienstreglement, en (iii) dat VEOB en SUEPO moeten worden toegelaten tot collectieve onderhandelingen.

2. Op 23 februari 2015 heeft de Minister van Justitie een aanzegging gedaan overeenkomstig art. 3a, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet, waarin de Minister, na consultatie van de Minister van Buitenlandse Zaken, heeft verklaard de ambtshandeling van de betekening van voornoemd arrest alsmede van de aangekondigde executiemaatregelen in strijd te achten met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat en dat uitvoering daarvan moet worden geweigerd.

3. Bij incidentele conclusie heeft de Staat gevorderd te worden toegelaten als gevoegde partij in de onderhavige cassatieprocedure om het standpunt van EOO als eiser tot cassatie te ondersteunen. De Staat heeft aangevoerd belang bij voeging te hebben, omdat het bestreden arrest in strijd is met de immuniteit (van jurisdictie en van executie) die aan EOO als internationale organisatie toekomt. Op de Staat rust de verplichting de naleving te waarborgen van de volkenrechtelijke verplichtingen van de door de Staat met EOO gesloten verdragen. Eén van die verplichtingen voortvloeiend uit de desbetreffende verdragen is de immuniteit van jurisdictie en van executie van EOO.

4. EOO heeft bij conclusie van antwoord in het incident tot voeging geconcludeerd zich aan het oordeel van de Hoge Raad te refereren ter zake van de vordering tot voeging. VEOB en SUEPO hebben in het voegingsincident geen conclusie genomen.

5. Ik ben van oordeel dat de vordering van de Staat tot voeging in de onderhavige cassatieprocedure voor toewijzing in aanmerking komt. Ik licht dit als volgt toe. Art. 217 Rv bepaalt dat ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. In het arrest van 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voeging in cassatie op de voet van art. 217 Rv kan plaatsvinden: ‘3.3 (…) omdat de partij die zich aan de zijde van een van de partijen in cassatie voegt, zich bij het standpunt van die partij aansluit en dit ondersteunt en aldus geen nieuwe feitelijke grondslag (…) introduceert.

Daarom kan een derde die daarbij belang heeft in cassatie vorderen zich te mogen voegen. Voor het aannemen van dat belang – ook bij voeging in de feitelijke instanties – is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden. De aard van de cassatieprocedure verzet zich, zoals gezegd, niet tegen voeging, met dien verstande dat de derde die zich heeft mogen voegen gebonden is aan de rechtsstrijd zoals die door de middelen is bepaald.

Hij kan niet zelf middelen tegen de bestreden uitspraak aanvoeren ook al mocht de cassatietermijn nog niet zijn verstreken’. In het recente arrest van 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, heeft de Hoge Raad herhaald dat voor het aannemen van belang voldoende is dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. De Hoge Raad heeft voorts overwogen: ‘3.2 (…) Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.

In de mogelijke precedentwerking van die uitspraak is dus niet reeds een voldoende belang gelegen, ook niet indien sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen’.

6. De Staat heeft belang zich in de onderhavige zaak te voegen. Het geschil heeft immers ten gronde betrekking op het beginsel van immuniteit van jurisdictie (en van executie) en raakt daarmee direct de door de Staat aangegane volkenrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 en het daarbij behorende Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie en uit het door de Staat gesloten zetelverdrag met de EOO ten aanzien van het in Nederland gevestigde onderdeel van het Europees Octrooibureau.

Immuniteit van internationale organisaties is gestoeld op de gedachte dat dergelijke organisaties onafhankelijk moeten kunnen functioneren. Dat de Staat tot taak heeft de nakoming van de uit het volkenrecht voortvloeiende verplichtingen te waarborgen blijkt ook uit art. 13a Wet Algemene Bepalingen, de verwijzing naar dat artikel in art. 1 Rv en uit art. 3a Gerechtsdeurwaarderswet. In art. 3a Gerechtsdeurwaarderswet is de verplichting geregeld dat de gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling waarbij hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten van die handeling in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, de Minister van Justitie daarvan in kennis moet stellen.

In art. 3a, tweede lid, Gerechtsdeurwaarderswet is bepaald dat de Minister van Justitie een gerechtsdeurwaarder kan aanzeggen dat een ambtshandeling die aan hem is of zal worden opgedragen, dan wel door hem reeds is verricht, in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat. In de onderhavige zaak heeft een dergelijke aanzegging plaatsgevonden (zie onder 2).

7. Schending van een op de Staat rustende volkenrechtelijke verplichting, zoals het waarborgen van de immuniteit van een in Nederland gevestigde internationale organisatie, kan aanleiding geven tot staatsaansprakelijkheid. Ook daarin is een eigen belang van de Staat gelegen om zich in deze cassatieprocedure te voegen.

8. Tot slot wijs ik erop dat in art. 218 Rv is bepaald dat de vordering tot voeging (resp. tot tussenkomst) wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen. In het onderhavige geval is aan de eis van art. 218 Rv voldaan, nu de conclusie tot voeging in cassatie door de Staat is ingediend op de eerste roldatum waarop de zaak op de rol van de Hoge Raad stond, namelijk op 22 mei 2015.

9. De conclusie strekt tot toewijzing van de incidentele vordering tot voeging. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Deze aanzegging is als bijlage opgenomen bij de cassatiedagvaarding. Zie ook HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, m.nt. H.B. Krans, rov. 5.3. Zie voor het Europees octrooiverdrag en het Protocol: Trb. 1975, 108 (Franse en Engelse tekst) en Trb. 1976, 101 (Nederlandse vertaling). Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ’s-Gravenhage, inclusief Afzonderlijke overeenkomst, gesloten te Den Haag op 27 juni 2006, Trb. 2006, 155 (Nederlandse en Engelse tekst).

Zie Niels Blokker, Recht van internationale organisaties, in: Nathalie Horbach, René Lefeber, Olivier Ribbelink (red.), Handboek Internationaal Recht, 2007, p. 446. Deze bepaling luidt: ‘De regtsmagt van den rechter en de uitvoerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend’. Zie hierover Rosanne van Alebeek, in: Handboek Internationaal Recht, 2007, p. 268-271.