Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2015:1013 ECLI:NL:PHR:2015:1013 AI generated

ECLI:NL:PHR:2015:1013 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2015:1013
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 14/02985 Zitting: 16 juni 2015 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 mei 2014 de verdachte ter zake van “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 435 Sv, art. 437 Sv; ECLI:NL:PHR:2015:1013 · Parket bij de Hoge Raad: De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 29 januari 2014 aan de verdachte in persoon betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 31 maart 2014. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

Keywords

AI generated
art. 435 Sv art. 437 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 435 Sv
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 29 januari 2014 aan de verdachte in persoon betekend.
art. 437 Sv
De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 31 maart 2014.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 14/02985 Zitting: 16 juni 2015 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 mei 2014 de verdachte ter zake van “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 14/02986. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

4. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 29 januari 2014 aan de verdachte in persoon betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 31 maart 2014. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

6. Namens de benadeelde partij heeft mr. W.M. Chung, advocaat te Amsterdam, een ‘middel van cassatie’ voorgesteld.

7. Nu de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen, is de Hoge Raad niet bevoegd tot de beoordeling van de op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van de benadeelde partij. Overigens betreft het middel geen klacht- laat staan een stellige en duidelijke klacht - over de schending van een rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift bij het beslissen op de door de benadeelde partij ingediende vordering. Daarom is geen sprake van een cassatiemiddel in de zin van art. 437, derde lid, Sv. Het voorgestelde ‘middel’ dient derhalve ook om die reden onbesproken te blijven.

8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329 en HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6052. Het middel luidt: “Cliënte verzoekt uw College om het arrest zoals in deze zaak op 22 mei 2014 gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam te bevestigen”.