Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:82 ECLI:NL:PHR:2014:82 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:82 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:82
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

14/00641 Mr. F.F. Langemeijer 21 februari 2014 Conclusie inzake: [verzoeker] tegen Ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland 1. Verzoeker tot cassatie is door de Ontvanger op grond van art. 36 Invorderingswet aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een vennootschap. De procedure is geëindigd met de verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2007.

Legislator headnote

AI generated

art. 385 Rv, Art. 69 lid 1 Rv, art. 123 Rv, art. 69 Rv, art. 353 Rv, art. 362 Rv; ECLI:NL:PHR:2014:82 · Parket bij de Hoge Raad: Bij brief van 30 november 2013, gericht aan de Hoge Raad, heeft verzoeker bezwaren ingebracht tegen het arrest van 24 september 2013 en verzocht deze zaak (in cassatie) te behandelen. De griffier heeft verzoeker bij brief van 12 december 2013 gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft dit verzuim niet hersteld. Gelet op het bepaalde in art. 426a lid 1 (en art. 407 lid 3) Rv, is het verzoek niet ontvankelijk.

Keywords

AI generated
art. 385 Rv Art. 69 lid 1 Rv art. 123 Rv art. 69 Rv art. 353 Rv art. 362 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 385 Rv
In het onderhavige geval doet zich de complicatie voor, dat tevens een verkeerde rechtsingang is gekozen: cassatieberoep had in dit geval bij dagvaarding moeten worden ingesteld (art. 385 Rv).
Art. 69 lid 1 Rv
Het komt mij voor, dat de cassatierechter aan toepassing van de “wissel”-bepaling in art. 69 Rv, waarmee de zaak “op het juiste spoor wordt gezet”, eerst toekomt nadat het verzoekschrift in cassatie op de juiste wijze is ingediend.
art. 123 Rv
In herinnering wordt gebracht dat art. 123 Rv voor het verzuim om een advocaat te stellen voor de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg (titel 2 van Boek 1 Rv) een bijzondere regel geeft.
art. 69 Rv
Het komt mij voor, dat de cassatierechter aan toepassing van de “wissel”-bepaling in art. 69 Rv, waarmee de zaak “op het juiste spoor wordt gezet”, eerst toekomt nadat het verzoekschrift in cassatie op de juiste wijze is ingediend.
art. 353 Rv
Deze bepaling is in hoger beroep van overeenkomstige toepassing: zie art. 353 Rv.
art. 362 Rv

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2005:AT6017
Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 1 juli 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: te verklaren voor recht dat [verweerder] als bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk is voor de in het lichaam van de dagvaarding onder punt 1 genoemde belastingschuld tot het in het lichaam van de dagvaarding onder punt 5 genoemde bedrag van ƒ 581.728,28 of, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ingevolge art. 50 Invorderingswet 1990 een ander bedrag wordt vastgesteld, tot dat andere bedrag, alsmede voor de daarover verschuldigde invorderingsrente, over de bedragen en vanaf de data als omschreven in punt 4 van het lichaam van de dagvaarding, althans de vroegst mogelijke, door de rechtbank te bepalen, datum; 2. [verweerder] te veroordelen in de kosten van dit geding. [Verweerder] heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd: - te verklaren voor recht dat de Ontvanger door de beslaglegging ten laste van [verweerder] en door het nemen van disproportionele maatregelen onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor door [verweerder] geleden en nog te lijden schade; - de Ontvanger te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot opheffing van het door hem ten laste van [verweerder] gelegde beslag; - de Ontvanger, eveneens bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding aan [verweerder], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
NJ 2006/30
Zie HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6017, NJ 2006/30, gevolgd door HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0855.
ECLI:NL:HR:2009:BK0855
Het geding in voorgaande instanties Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 14 oktober 2005, nr.
ECLI:NL:HR:2005:AS5824
Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij twee exploten van 10 november 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. primair een verklaring voor recht dat partijen in juli/augustus 2000 een overeenkomst hebben gesloten met de navolgende inhoud:
NJ 2005/348
Zie ook: HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5824, NJ 2005/348.
ECLI:NL:HR:2009:BI0773
Het geding in feitelijke instanties De rechter-commissaris heeft op 28 april 2008 een voordracht aan de rechtbank 's-Hertogenbosch gedaan de toepassing van de schuldsanering ten aanzien van [verzoeker] voortijdig te beëindigen. De rechtbank heeft, na een mondelinge behandeling van de zaak, bij vonnis van 11 juli 2008 de toepassing van de schuldsaneringsregeling geëindigd. Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 22 oktober 2008 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, onder verbetering van gronden, bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

14/00641 Mr. F.F. Langemeijer 21 februari 2014 Conclusie inzake: [verzoeker] tegen Ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland 1. Verzoeker tot cassatie is door de Ontvanger op grond van art. 36 Invorderingswet aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een vennootschap. De procedure is geëindigd met de verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2007.

2. Bij arrest van 24 september 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot herroeping van het arrest van 30 oktober 2007.

3. Bij brief van 30 november 2013, gericht aan de Hoge Raad, heeft verzoeker bezwaren ingebracht tegen het arrest van 24 september 2013 en verzocht deze zaak (in cassatie) te behandelen. De griffier heeft verzoeker bij brief van 12 december 2013 gewezen op de noodzaak van procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoeker heeft dit verzuim niet hersteld. Gelet op het bepaalde in art. 426a lid 1 (en art. 407 lid 3) Rv, is het verzoek niet ontvankelijk.

4. In zijn toelichting en in opeenvolgende brieven van 2 december 2013, 18 december 2013 en 23 januari 2014 heeft verzoeker te kennen gegeven, geen advocaat bij de Hoge Raad bereid te hebben gevonden om zijn zaak in cassatie te behandelen. Dit argument kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten. Op grond van art. 13 Advocatenwet kan de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Indien verzoeker voor een toevoeging in aanmerking komt, kan rechtsbijstand worden verleend op de voet van art. 12 Wet op de rechtsbijstand door toevoeging van een advocaat bij de Hoge Raad.

5. In het onderhavige geval doet zich de complicatie voor, dat tevens een verkeerde rechtsingang is gekozen: cassatieberoep had in dit geval bij dagvaarding moeten worden ingesteld (art. 385 Rv). Art. 69 lid 1 Rv, ook in cassatie van toepassing, schrijft voor dat indien een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding (of omgekeerd), de rechter zo nodig de aanlegger beveelt binnen een door de rechter te bepalen termijn, op kosten van de aanlegger, het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen.

De procedure geldt dan als aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening. Het is niet helemaal duidelijk hoe, ingeval van cumulatie van fouten, de “wissel”-bepaling van art. 69 lid 1 Rv zich verhoudt tot de hersteltermijn van 14 dagen, zoals deze volgt uit de jurisprudentie over gevallen waarin de juiste rechtsingang was gekozen (een verzoekschrift) maar ondertekening door een advocaat (hier: een advocaat bij de Hoge Raad) was nagelaten. In herinnering wordt gebracht dat art. 123 Rv voor het verzuim om een advocaat te stellen voor de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg (titel 2 van Boek 1 Rv) een bijzondere regel geeft.

6. Het komt mij voor, dat de cassatierechter aan toepassing van de “wissel”-bepaling in art. 69 Rv, waarmee de zaak “op het juiste spoor wordt gezet”, eerst toekomt nadat het verzoekschrift in cassatie op de juiste wijze is ingediend. Deze volgtijdelijke uitleg brengt mee dat eerst aan alle vereisten voor indiening van een verzoekschrift in cassatie moet zijn voldaan (zoals de ondertekening door een advocaat, betaling griffierecht enz.). Indien het cassatieverzoekschrift reeds afstuit op een van die ontvankelijkheidsvereisten, zoals in dit geval, komt de cassatierechter niet meer toe aan toepassing van art. 69 Rv.

7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, a. - g. Zie HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6017, NJ 2006/30, gevolgd door HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0855. Vgl. Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 2 en 6 bij artikel 69 (A. Knigge). Zie ook: HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5824, NJ 2005/348. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586. Deze bepaling is in hoger beroep van overeenkomstige toepassing: zie art. 353 Rv. Zie voor de verzoekschriftprocedure: art. 281 resp. art. 362 Rv.