Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:75 ECLI:NL:PHR:2014:75 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:75 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:75
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

13/05545 Mr. E.B. Rank-Berenschot Zitting: 14 februari 2014 CONCLUSIE inzake art. 80a RO [de man] verzoeker tot cassatie tegen: [de vrouw] verweerster in cassatie 1. Deze zaak betreft het verzoek van [de man] (hierna: de man) tot wijziging (nihilstelling) wegens gewijzigde omstandigheden (art. 1:401 lid 1 BW) van de bij echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 4 april 2007 ten behoeve van [de vrouw] (hierna: de vrouw) met ingang van 18 april 2007 op € 598,- per maand bepaalde partneralimentatie. Bij beschikking van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Legislator headnote

AI generated

art. 1:401 lid 1 BW, art. 1:395a BW; ECLI:NL:PHR:2014:75 · Parket bij de Hoge Raad: De rechtsklacht in onderdeel 1a luidt dat het hof aldus heeft miskend (i) dat de als kinderalimentatie te kwalificeren bijdrage voor [de zoon] in mindering moet worden gebracht op de draagkracht en niet, zoals in casu is geschied, moet worden meegewogen bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen, en (ii) dat kinderalimentatie voor jongmeerderjarigen (art. 1:395a BW) voorrang heeft boven alle onderhoudsgerechtigden, waaronder de gewezen partner.

Keywords

AI generated
art. 1:401 lid 1 BW art. 1:395a BW

Cited Legislation

AI generated
art. 1:401 lid 1 BW
art. 1:395a BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2007:BA5803
Het geding in feitelijke instanties Bij verzoekschrift van 26 juli 2004 heeft de man zich gewend zich gewend tot de rechtbank Rotterdam en verzocht, kort gezegd, echtscheiding tussen hem en de vrouw uit te spreken, met nevenvoorzieningen. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en tevens zelfstandige verzoeken gedaan. De rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2005, voorzover in cassatie van belang, echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk tussen partijen geboren (destijds) minderjarige [de zoon] een bedrag van € 488,-- per maand zal uitkeren, alsmede bepaald dat de man aan de uit het huwelijk tussen partijen geboren jong-meerderjarige [de dochter] als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie een bedrag van € 745,-- per maand zal uitkeren en tevens ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.500,-- per maand.
NJ 2007/563
HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563).
ECLI:NL:HR:1983:AG4619
NJ 1984/35
ECLI:NL:HR:1991:ZC0400
Het geding in feitelijke instanties Met een op 27 oktober 1989 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie — verder te noemen de vrouw — zich gewend tot de Rechtbank Almelo met verzoek de bij vonnis van deze Rechtbank van 11 augustus 1982 vastgestelde alimentatiebijdrage te wijzigen in die zin dat verzoeker tot cassatie — verder te noemen de man — aan haar als bijdrage in het levensonderhoud zal betalen een bedrag van ƒ 3.000,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met de wettelijke indexering, vanaf 1 november 1989 althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren en aan haar zal betalen de tot 1 november 1989 opgelopen achterstand ad ƒ 6.613,88.
NJ 1992/30
79 RO (HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, NJ 1992/30).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

13/05545 Mr. E.B. Rank-Berenschot Zitting: 14 februari 2014 CONCLUSIE inzake art. 80a RO [de man] verzoeker tot cassatie tegen: [de vrouw] verweerster in cassatie 1. Deze zaak betreft het verzoek van [de man] (hierna: de man) tot wijziging (nihilstelling) wegens gewijzigde omstandigheden (art. 1:401 lid 1 BW) van de bij echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 4 april 2007 ten behoeve van [de vrouw] (hierna: de vrouw) met ingang van 18 april 2007 op € 598,- per maand bepaalde partneralimentatie. Bij beschikking van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof bij beschikking van 18 juli 2013 de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op € 653,- per maand met ingang van 1 mei 2012. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. In het cassatieverzoekschrift is een voorbehoud gemaakt tot het indienen van een aanvullend verzoekschrift naar aanleiding van de ontvangst van het proces-verbaal van mondelinge behandeling bij het hof. De man heeft na ontvangst van het proces-verbaal te kennen gegeven van het voorbehoud geen gebruik te maken. De vrouw is op haar verzoek uitstel verleend voor het indienen van een verweerschrift in afwachting van de beslissing over de toepassing van art. 80a RO (art. 9a.8 Reglement rekestzaken).

2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat laat zich als volgt toelichten.

3. Het middel is gericht tegen de aan de beschikking van het hof gehechte, aan de hand van de Tremanormen (INA alimentatietool) opgestelde draagkrachtberekening, voor zover het hof daarin de door de man ten behoeve van de jongmeerderjarige zoon van partijen ([de zoon], geboren [geboortedatum] 1994) betaalde bijdrage ad € 315,- per maand (waarover rov. 5.22) heeft vermeld onder post 134 ‘Overige kosten’.

4. De rechtsklacht in onderdeel 1a luidt dat het hof aldus heeft miskend (i) dat de als kinderalimentatie te kwalificeren bijdrage voor [de zoon] in mindering moet worden gebracht op de draagkracht en niet, zoals in casu is geschied, moet worden meegewogen bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen, en (ii) dat kinderalimentatie voor jongmeerderjarigen (art. 1:395a BW) voorrang heeft boven alle onderhoudsgerechtigden, waaronder de gewezen partner.

5. Deze rechtsklacht stuit af op vaste rechtspraak volgens welke de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen, zijn voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst (vgl. HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563). Voor zover beoogd is te klagen over onjuiste toepassing van de Tremanormen, ziet de klacht eraan voorbij dat het aan de feitenrechter is overgelaten te beslissen of en in hoeverre deze normen in een concreet geval moeten worden toegepast (HR 17 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4619, NJ 1984/35) en voorts dat deze normen geen recht zijn in de zin van art. 79 RO (HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, NJ 1992/30). Ten slotte ziet de klacht eraan voorbij dat (ook) in de berekeningswijze van het hof voorrang wordt verleend aan de alimentatie voor de jongmeerderjarige [de zoon].

6. Onderdeel 1b klaagt dat de beschikking van het hof onvoldoende is gemotiveerd, nu het hof niet heeft aangegeven waarom het in dit geval is afgeweken van de geldende alimentatienormen. Deze klacht ziet eraan voorbij dat de rechter niet behoeft te motiveren waarom hij van de Tremanormen afwijkt (HR 7 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9688, NJ 1986/545).

7. Ten slotte bevat onderdeel 1b de klacht dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden, nu de allocatie van de betalingen van de man in de door hem overgelegde draagkrachtberekening (prod. 5 bij inleidend verzoekschrift) geen onderwerp is geweest van het partijdebat. Nog daargelaten dat het onderdeel niet aangeeft wat die allocatie inhield, faalt deze klacht omdat het hof de partneralimentatie zelfstandig mocht vaststellen (HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2264, NJ 1988/348) en (zonder motivering) mocht afwijken van de door de man uitgevoerde draagkrachtberekening (HR 5 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4871, NJ 1985/87).

8. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1. Verwezen wordt naar het Rapport alimentatienormen versie juli 2012, blz. 11 en versie juli 2013, blz.

13. Kennelijk wordt gedoeld op de alinea beginnend met “Alle onderhoudsverplichtingen dienen in beginsel ten laste van de draagkracht te worden gebracht”, welke zinsnede op haar beurt ziet op o.m. de posten 138 (‘Alimentatieverplichtingen eerdere ex-partner) en 141 (‘Kinderalimentatie’) aan de hand waarvan de beschikbare draagkracht over de verschillende alimentatiegerechtigden wordt verdeeld.