Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:713 ECLI:NL:PHR:2014:713 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:713 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:713
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 28 maart 2013 op verzoek van ABN AMRO Bank N.V. verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) in staat van faillissement verklaard. Bij vonnis van 17 maart 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoekster] om ex art. 15b Fw haar faillissement op te heffen en om te zetten in een schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe ex art. 288 lid 1 sub b Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van (een deel van) haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. 3. [verzoekster] is van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank bij het hof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen.

Legislator headnote

AI generated

art. 15b Fw, art. 426a lid 1 Rv, art. 407 lid 2 Rv; ECLI:NL:PHR:2014:713 · Parket bij de Hoge Raad: Voornoemd verzoekschrift is ondertekend en ingediend door mr. S.M. Singh, advocaat te Amsterdam. Mr. Singh is echter geen advocaat bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, ingevolge welke bepaling beroep in cassatie wordt ingesteld bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek brengt in beginsel mee dat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Keywords

AI generated
art. 15b Fw art. 426a lid 1 Rv art. 407 lid 2 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 15b Fw
Bij vonnis van 17 maart 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoekster] om ex art. 15b Fw haar faillissement op te heffen en om te zetten in een schuldsaneringsregeling afgewezen.
art. 426a lid 1 Rv
Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, ingevolge welke bepaling beroep in cassatie wordt ingesteld bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
art. 407 lid 2 Rv
Gelet op het voorgaande ten overvloede merk ik op dat het cassatiemiddel niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv daaraan te stellen eisen, aangezien het nalaat met bepaaldheid en precisie te vermelden tegen welke oordelen van het hof het is gericht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2009:BI0773
Het geding in feitelijke instanties De rechter-commissaris heeft op 28 april 2008 een voordracht aan de rechtbank 's-Hertogenbosch gedaan de toepassing van de schuldsanering ten aanzien van [verzoeker] voortijdig te beëindigen. De rechtbank heeft, na een mondelinge behandeling van de zaak, bij vonnis van 11 juli 2008 de toepassing van de schuldsaneringsregeling geëindigd. Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 22 oktober 2008 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, onder verbetering van gronden, bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2009:BJ1009
Het geding in feitelijke instanties Bij beschikking van 24 juli 2008 heeft de rechtbank 's-Gravenhage op verzoek van Bureau Jeugdzorg Haaglanden, kort gezegd, de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [het kind], geboren op [geboortedatum] 2001, verlengd van 29 juli 2008 tot 23 oktober 2008. Tegen deze beschikking hebben de pleegouders hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij beschikking van 3 december 2008 heeft het hof de pleegouders niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
ECLI:NL:HR:2011:BT7586
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2012:BU9887
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2012:BX6713
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2012:BY2239
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

14/02595 Mr. L. Timmerman Zitting 13 juni 2014 Conclusie inzake: [verzoekster], verzoekster tot cassatie Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.

1. De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 28 maart 2013 op verzoek van ABN AMRO Bank N.V. verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) in staat van faillissement verklaard.

2. Bij vonnis van 17 maart 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoekster] om ex art. 15b Fw haar faillissement op te heffen en om te zetten in een schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe ex art. 288 lid 1 sub b Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van (een deel van) haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. 3. [verzoekster] is van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank bij het hof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen.

4. Bij arrest van 8 mei 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 5. [verzoekster] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 16 mei 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.

6. Voornoemd verzoekschrift is ondertekend en ingediend door mr. S.M. Singh, advocaat te Amsterdam. Mr. Singh is echter geen advocaat bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, ingevolge welke bepaling beroep in cassatie wordt ingesteld bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek brengt in beginsel mee dat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7. Bij arrest van 10 juli 2009 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen, kan worden hersteld doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. In dat geval zal als de dag waarop de zaak is aangebracht gelden de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.

8. In casu heeft een medewerker van de griffie van de Hoge Raad op 20 mei 2014 telefonisch contact opgenomen met mr. Singh en haar op voornoemde herstelmogelijkheid gewezen. De termijn van twee weken na 16 mei 2014 is echter verstreken zonder dat herstel heeft plaatsgevonden, zodat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

9. Gelet op het voorgaande ten overvloede merk ik op dat het cassatiemiddel niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv daaraan te stellen eisen, aangezien het nalaat met bepaaldheid en precisie te vermelden tegen welke oordelen van het hof het is gericht.

10. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Er is in cassatie geen dossier overgelegd. Slechts het verzoekschrift in cassatie en het bestreden arrest van het hof zijn bij de Hoge Raad ingediend. In dit verband wordt aan het eind van het verzoekschrift in cassatie vermeld dat het procesdossier nog steeds niet compleet is en verzoekt [verzoekster] de Hoge Raad om haar een termijn te gunnen voor het indienen van een akte overlegging nadere producties en eventueel een akte aanvulling gronden.

HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773. Naderhand bevestigd in HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1009; HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586; HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9887; HR 7 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6713; HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2239; HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3710; HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:269. In het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2012 is tevens uitgemaakt dat de eis van in cassatie wettelijk verplichte vertegenwoordiging van partijen door een advocaat bij de Hoge Raad ex art. 426a lid 1 Rv niet in strijd is met het Europese mededingingsrecht.