Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:379 ECLI:NL:PHR:2014:379 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:379 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:379
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

14/01423 Mr. F.F. Langemeijer 2 mei 2014 Conclusie inzake: [verzoeker 1] en [verzoekster 2] tegen de minister van Buitenlandse Zaken 1. Bij brief van 29 januari 2012 (later verbeterd in: 2013) hebben eisers tot cassatie aan de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om realisatie van aanspraken op sociale voorzieningen voor het militair personeel van het K.N.I.L., zoals die op 26 december 1949 en 24 juli 1950 golden.

Legislator headnote

AI generated

art. 8:54 lid 1 Algemene wet bestuursrecht, art. 1:3 lid 1 Awb, art. 1:3 lid 3 Awb, art. 6:2 Awb, art. 8:55 Awb; ECLI:NL:PHR:2014:379 · Parket bij de Hoge Raad: Op 18 november 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het door eisers (op de voet van art. 8:55 Awb) gedane verzet tegen de uitspraak van 29 juli 2013 ongegrond verklaard.

Keywords

AI generated
art. 8:54 lid 1 Algemene wet bestuursrecht art. 1:3 lid 1 Awb art. 1:3 lid 3 Awb art. 6:2 Awb art. 8:55 Awb

Cited Legislation

AI generated
art. 8:54 lid 1 Algemene wet bestuursrecht
Op 29 juli 2013 heeft die rechtbank het beroep niet ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 8:54 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
art. 1:3 lid 1 Awb
Samengevat was de rechtbank van oordeel dat een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen ontbreekt en aan de minister geen bevoegdheid toekomt tot het nemen van een ‘besluit’ in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb op het door eisers op 29 januari 2013 ingediende verzoek.
art. 1:3 lid 3 Awb
Het verzoek kan niet worden aangemerkt als een ‘aanvraag’ in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb.
art. 6:2 Awb
Het uitblijven van een reactie op dit verzoek kan voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep niet op grond van art. 6:2 Awb met een ‘besluit’ worden gelijkgesteld.
art. 8:55 Awb
Op 18 november 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het door eisers (op de voet van art. 8:55 Awb) gedane verzet tegen de uitspraak van 29 juli 2013 ongegrond verklaard.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2008:BD0117
07/5636 AW en 07/5637 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), [Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 20 augustus 2007, 06/3317 en 06/4728 (hierna: aangevallen uitspraken), in de gedingen tussen: appellanten en de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister) Datum uitspraak: 27 maart 2008 I. PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroep ingesteld. Namens de minister zijn verweerschriften ingediend.
ECLI:NL:RVS:2002:AL2398
De rechtbank verwees onder meer naar: CRvB 27 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0117, ABRvS 13 februari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL2398 en ABRvS 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737.
ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737
Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2005 heeft appellant het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 28 januari 2005, aangevuld bij brieven van 1 en 18 maart 2005, om realisatie van de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger (hierna: KNIL) zoals van toepassing op 26 december 1949 en 24 juli 1950, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 31 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen.
ECLI:NL:HR:2012:BY3946
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de uitspraak in de zaak 09/2873 AWB van de rechtbank Arnhem van 27 mei 2010.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

14/01423 Mr. F.F. Langemeijer 2 mei 2014 Conclusie inzake: [verzoeker 1] en [verzoekster 2] tegen de minister van Buitenlandse Zaken 1. Bij brief van 29 januari 2012 (later verbeterd in: 2013) hebben eisers tot cassatie aan de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om realisatie van aanspraken op sociale voorzieningen voor het militair personeel van het K.N.I.L., zoals die op 26 december 1949 en 24 juli 1950 golden.

2. Bij brief van 28 maart 2013 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering van de minister om een besluit te nemen op dit verzoek. Bij brief van 21 mei 2013 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaar. De rechtbank heeft, nadat de minister verweer had gevoerd, het beroep ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

3. Op 29 juli 2013 heeft die rechtbank het beroep niet ontvankelijk verklaard met toepassing van art. 8:54 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Samengevat was de rechtbank van oordeel dat een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen ontbreekt en aan de minister geen bevoegdheid toekomt tot het nemen van een ‘besluit’ in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb op het door eisers op 29 januari 2013 ingediende verzoek. Het verzoek kan niet worden aangemerkt als een ‘aanvraag’ in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb. Het uitblijven van een reactie op dit verzoek kan voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep niet op grond van art. 6:2 Awb met een ‘besluit’ worden gelijkgesteld.

4. Op 18 november 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het door eisers (op de voet van art. 8:55 Awb) gedane verzet tegen de uitspraak van 29 juli 2013 ongegrond verklaard.

5. Bij schrijven van 7 maart 2014, diezelfde dag ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, hebben eisers beroep in cassatie ingesteld. Het beroep richt zich zowel tegen de uitspraak van 29 juli 2013 als tegen die van 18 november 2013. Samengevat stellen eisers zich op het standpunt dat slechts de meervoudige militaire kamer van de rechtbank Den Haag bevoegd is over het door hen ingestelde beroep te beslissen. Voor de overige beroepsgronden, die betrekking hebben op de materiële aanspraken van eisers en de wijze waarop deze zaak in eerste aanleg is behandeld, verwijs ik naar het beroepschrift in cassatie.

6. De zienswijze van eisers dat tegen de uitspraak van 29 juli 2013 beroep in cassatie openstaat is niet juist. Het daartegen openstaande rechtsmiddel, verzet, is door eisers reeds aangewend, zij het zonder succes. De zienswijze van eisers dat tegen de uitspraak op verzet van 18 november 2013 beroep in cassatie openstaat is evenmin juist. Zelfs indien de klacht van eisers dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht gegrond zou zijn, de beslissing van de rechtbank in strijd is met geldend recht en/of de motivering van die beslissing niet aan de eisen voldoet, dan nog kan het beroep in cassatie niet tot een vernietiging door de Hoge Raad van de bestreden uitspraak leiden.

Het aan de orde gestelde competentievraagstuk is behandeld in een reeks eerdere uitspraken over dit onderwerp. Art. 118 lid 2 Grondwet bepaalt dat de Hoge Raad in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, is belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht. Art. 78 lid 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) bepaalt dat het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is op de handelingen en uitspraken van de rechtbanken waarvan zij als bestuursrechter kennis nemen. Art. 78 lid 4 RO voegt hieraan toe dat de Hoge Raad kennis neemt van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald.

In dit geval, waarin de rechtbank als bestuursrechter heeft geoordeeld, ontbreekt een wettelijke bepaling die de Hoge Raad bevoegd maakt tot kennisneming van het beroep in cassatie. In de zaken, aangehaald in voetnoot 2, heb ik de niet-ontvankelijkverklaring van de toen ingestelde cassatieberoepen voorgesteld. In een bespreking van een van die zaken in de vakliteratuur is op een voor mij overtuigende wijze betoogd dat een onbevoegdverklaring van de Hoge Raad beter aansluit bij art. 118 lid 2 Grondwet dan een niet-ontvankelijkverklaring.

7. De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zich onbevoegd zal verklaren van dit cassatieberoep kennis te nemen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, a. - g. De rechtbank verwees onder meer naar: CRvB 27 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0117, ABRvS 13 februari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL2398 en ABRvS 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737. Zie HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY3946 (zie ook de nummers BY3954, BY3956, BY3961, BY3973, BY3977 en BY0486), met verdere vindplaatsen in de daaraan voorafgaande conclusies. Zie over het achterliggende geschil: C.N.J. Kortmann en A.A. al Khatib, De Molukse kwestie en de Wet nadeelcompensatie. Over de demobilisatie van de Ambonese KNIL-militairen, RM Themis 2013, blz. 208 - 220. C.N.J. Kortmann, noot bij HR 23 november 2012, JBPr 2013/16.