Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:2840 ECLI:NL:PHR:2014:2840 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:2840 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:2840
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 14/01681 P Zitting: 25 november 2014 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 17 maart 2014 de beslissing van politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 6 januari 2014, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag van € 62.269,60 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, bevestigd met overneming van gronden.

Legislator headnote

AI generated

art. 328 Sv; ECLI:NL:PHR:2014:2840 · Parket bij de Hoge Raad: Het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman van de betrokkene tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv, art. 415, eerste lid, Sv en art. 511g, tweede lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv en art. 511g, tweede lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

Keywords

AI generated
art. 328 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 328 Sv
281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BK4179
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.G.J. Knoops en mr. J.M. Eelman, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 1.2. De raadsman mr. G.G.J. Knoops heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2002:AD8903
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 29 december 1999, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1. primair en 2. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.
NJ 2002/448
81 RO) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903, NJ 2002/448, rov.
ECLI:NL:HR:2014:1614
8 juli 2014 Strafkamer nr. 12/05457 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 november 2012, nummer 23/005516-11, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. 2Beoordeling van het eerste en het tweede middel 2.1. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
ECLI:NL:HR:2014:972
22 april 2014 Strafkamer nr.
NJ 2014/258
2.4.1, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 14/01681 P Zitting: 25 november 2014 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 17 maart 2014 de beslissing van politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 6 januari 2014, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag van € 62.269,60 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, bevestigd met overneming van gronden.

2. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verzoek van de raadsman van de betrokkene om de behandeling van de zaak aan te houden ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: (i) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 januari 2014 zijn de betrokkene en diens raadsman verschenen. De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft aan de betrokkene op diezelfde datum een betalingsverplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens (onder meer) het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep. (ii) Op 15 januari 2014 is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de politierechter. (iii) De oproeping van de betrokkene in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het hof van 3 maart 2014 is op 14 februari 2014 uitgereikt aan een huisgenoot van de betrokkene op diens GBA-adres ([a-straat 1] in Hilversum), waarbij is voldaan aan de GBA-controle. (iv) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2014, is de betrokkene zelf niet verschenen maar is ter terechtzitting wel aanwezig mr.

J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam, die heeft verklaard uitdrukkelijk door de betrokkene te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. (v) Het proces-verbaal houdt ten aanzien van het door de raadsman van de betrokkene gedane aanhoudingsverzoek het volgende in: “De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven: Ik verzoek om de zaak vandaag aan te houden. Ik werd gebeld door cliënt dat zijn zus door haar ex-man zwaar is mishandeld. Hij zit nu bij haar. Hij kan absoluut niet weg daar maar hij wil graag bij de behandeling van zijn zaak zijn.

Hij zou ook nog wat stukken meenemen met betrekking tot zijn financiële positie. Primair verzoek ik om aanhouding. Subsidiair ben ik gemachtigd om namens hem het woord te voeren. De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven: Ik verzet mij tegen aanhouding. Het gaat niet om een ingewikkelde zaak. Het is een betrekkelijk eenvoudige kwestie.” (vi) Het hof heeft het aanhoudingsverzoek op de terechtzitting afgewezen. Het heeft daartoe het volgende overwogen: “Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat er onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat veroordeelde [geen] gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Om hem moverende redenen is hij afwezig. Het verzoek tot aanhouding zal dan ook worden afgewezen.” (vii) Na de afwijzing van het aanhoudingsverzoek heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarbij de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging heeft gevoerd, en is het onderzoek gesloten. Het hof heeft op 17 maart 2014 uitspraak gedaan. Het hof heeft de beslissing van de politierechter bevestigd.

5. Het op de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman van de betrokkene tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv, art. 415, eerste lid, Sv en art. 511g, tweede lid, Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv en art. 511g, tweede lid, Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

6. In de hiervoor onder 4 sub vi weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat het hof het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft afgewezen, omdat het belang van het onderzoek de schorsing niet vorderde. Aldus heeft het hof in zoverre de juiste maatstaf toegepast.

7. Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding (schorsing) van het onderzoek dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de betrokkene, het belang dat niet alleen de betrokkene maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.

8. Het hof heeft ter motivering van zijn oordeel dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen enkel overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht en dat de betrokkene om hem moverende redenen afwezig is. Uit deze motivering blijkt niet dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen het aanwezigheidsrecht van de betrokkene aan de ene kant en het belang van een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging aan de andere kant. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsman ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de betrokkene bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn, in welk verband de raadsman ook heeft opgemerkt dat de betrokkene stukken met betrekking tot zijn financiële positie wenste over te leggen.

Tegen deze achtergrond is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de verdachte de terechtzitting wilde bijwonen. Bovendien is het hof niet ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. De raadsman heeft aangevoerd dat de betrokkene niet op de terechtzitting aanwezig kon zijn, omdat hij op dat moment vanwege de (zware) mishandeling van zijn zus bij haar moest zijn.

9. Gelet op het voorafgaande is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend gemotiveerd. Hieraan doet niet af dat de gemachtigde raadsman van de betrokkene in de gelegenheid is gesteld namens de betrokkene de verdediging te voeren en dat deze ook daadwerkelijk van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt.

10. Het middel slaagt.

11. Nu het eerste middel slaagt, laat ik de bespreking van het tweede middel, dat de klacht behelst dat het hof ten onrechte de beslissing van de politierechter heeft bevestigd, aangezien uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg niet blijkt dat aan de betrokkene de gelegenheid is gegeven het laatst het woord te voeren, en de bespreking van het derde middel, dat klaagt over het niet beslissen door het hof op een namens de betrokkene aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, achterwege. Uiteraard ben ik desgewenst bereid aanvullend te concluderen indien Uw Raad anders mocht oordelen.

12. Het eerste middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Uit de aan de oproeping gehechte ID-staat SKDB betreffende de betrokkene van 28 februari 2014 volgt dat de betrokkene op de dag van de uitreiking van de oproeping op dat adres stond ingeschreven in de GBA. Met de steller van het middel neem ik aan dat de vermelding van het woord “geen” een kennelijke verschrijving behelst.

Vgl. HR 4 januari 2011, nr. 09/00785 (niet gepubliceerd, art. 81 RO, middel 1), HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4179, rov. 2, HR 2 december 2003, nr. 00541/03 P (niet gepubliceerd, art. 81 RO) en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903, NJ 2002/448, rov. 4.3. Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614, rov. 2.4.1, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov. 2.3, HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:138, NJ 2014/351 m.nt. rov. 2.6.2, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5709, NJ 2013/74, rov. 2.3, HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6732, NJ 2012/641, rov. 2.5, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, NJ 2012/325, rov. 2.3, HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6482, rov. 2.3, HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, NJ 2011/48, rov. 2.3, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt.

Schalken, rov. 2.3, HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1758, NJ 2005/416, rov. 3.3, HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0625, NJ 2003/177, rov. 3.3, HR 2 maart 1999, NJ 1999/330, rov. 3, HR 26 januari 1999, NJ 1999/294, rov. 3.3, HR 16 januari 1990, NJ 1990/419, rov. 5.2 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 713-716. Vgl. HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1614, rov. 2, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, NJ 2014/258, rov. 2, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, NJ 2012/325, rov. 2 en HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, NJ 2011/48, rov. 2.