Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:2706 ECLI:NL:PHR:2014:2706 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:2706 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:2706
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 14/03057 Mr. Vegter Zitting 16 december 2014 Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] 1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2014. Er is tijdig een schriftuur ingekomen. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van doodslag. Anders dan de steller van het middel meent is het uitgangspunt in het bevestigde vonnis van de Rechtbank niet dat de verdediging een reële mogelijkheid heeft aangedragen, maar dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid nader is onderzocht en dat de gedane (technische) onderzoeken het alternatieve scenario niet zonder meer uitsluiten. Dat is veel zuiniger uitgedrukt dan de steller van het middel wil en de kennelijk naar het oordeel van de veroordelende rechter hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid is in een uitvoerige bewijsoverweging ter zijde gesteld. Dat is toereikend en anders dan de steller van het middel meent is niet vereist dat de alternatieve lezing door bewijsmiddelen wordt uitgesloten (Corstens/Borgers, 2014, p. 849 en 856). Voor zover al sprake zou zijn van louter ‘circumstantial evidence’ valt niet in te zien dat en waarom dergelijk bewijs niet toereikend kan zijn.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:2706 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 14/03057 Mr. Vegter Zitting 16 december 2014 Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] 1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2014. Er is tijdig een schriftuur ingekomen. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van doodslag. Anders dan de steller van het middel meent is het uitgangspunt in het bevestigde vonnis van de Rechtbank niet dat de verdediging een reële mogelijkheid heeft aangedragen, maar dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid nader is onderzocht en dat de gedane (technische) onderzoeken het alternatieve scenario niet zonder meer uitsluiten. Dat is veel zuiniger uitgedrukt dan de steller van het middel wil en de kennelijk naar het oordeel van de veroordelende rechter hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid is in een uitvoerige bewijsoverweging ter zijde gesteld. Dat is toereikend en anders dan de steller van het middel meent is niet vereist dat de alternatieve lezing door bewijsmiddelen wordt uitgesloten (Corstens/Borgers, 2014, p. 849 en 856). Voor zover al sprake zou zijn van louter ‘circumstantial evidence’ valt niet in te zien dat en waarom dergelijk bewijs niet toereikend kan zijn.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 14/03057 Mr. Vegter Zitting 16 december 2014 Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] 1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2014. Er is tijdig een schriftuur ingekomen.

2. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van doodslag. Anders dan de steller van het middel meent is het uitgangspunt in het bevestigde vonnis van de Rechtbank niet dat de verdediging een reële mogelijkheid heeft aangedragen, maar dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid nader is onderzocht en dat de gedane (technische) onderzoeken het alternatieve scenario niet zonder meer uitsluiten. Dat is veel zuiniger uitgedrukt dan de steller van het middel wil en de kennelijk naar het oordeel van de veroordelende rechter hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid is in een uitvoerige bewijsoverweging ter zijde gesteld. Dat is toereikend en anders dan de steller van het middel meent is niet vereist dat de alternatieve lezing door bewijsmiddelen wordt uitgesloten (Corstens/Borgers, 2014, p. 849 en 856). Voor zover al sprake zou zijn van louter ‘circumstantial evidence’ valt niet in te zien dat en waarom dergelijk bewijs niet toereikend kan zijn.

3. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG