Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:263 ECLI:NL:PHR:2014:263 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:263 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:263
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 12/05143 Zitting: 11 februari 2014 Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 17 oktober 2012 verdachte wegens “1: bedreiging met zware mishandeling”, “3 primair: zware mishandeling” en “4 en 5: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Ten slotte heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.

Legislator headnote

AI generated

art. 27 Sr, Art. 82 Sr; ECLI:NL:PHR:2014:263 · Parket bij de Hoge Raad: De middelen falen, waarbij het tweede middel in ieder geval met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering kan worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

Keywords

AI generated
art. 27 Sr Art. 82 Sr

Cited Legislation

AI generated
art. 27 Sr
Art. 82 Sr
82 Art. 82 Sr bevat een opsomming van hetgeen onder zwaar lichamelijk letsel is begrepen, waarbij in het tweede lid is bepaald dat ook een storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd, tot zulk zwaar lichamelijk letsel gerekend kan worden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:BX9407
De bestreden uitspraak Bij de bestreden uitspraak, waartegen een gewoon rechtsmiddel niet meer openstaat, is - voor zover hier van belang - de veroordeelde ter zake van zedenmisdrijven en gewelddadige vermogensdelicten, begaan in de periode van 24 april 1996 tot en met 24 juli 1996, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.
NJ 2013/436
uit HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407, NJ 2013/436 m.nt.
ECLI:NL:HR:2006:AU8055
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd - met aanvulling en verbetering van gronden - een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Middelburg van 8 april 2003, waarbij de verdachte ter zake van "zware mishandeling" is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
ECLI:NL:RBZUT:2011:BP7634
RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer: 06/940378-10 Uitspraak d.d.: 15 maart 2011 Tegenspraak / oip Na aanhouding: verschenen / onip VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [plaats] (Spanje) op [1986], wonende te [adres en plaats]. Raadsman: A.W. Syrier, advocaat te Utrecht. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 januari 2011 en 1 maart 2011. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 september 2010 te Harderwijk, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken oogkas en/of jukbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans éénmaal, (met kracht) in en/of op en/of tegen het gezicht en/of het hoofd te stompen en/of te slaan; art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 23 september 2010 te Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer], meermalen, althans éénmaal, (met kracht) in en/of tegen en/of op het gezicht en/of het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht ALTHANS, dat hij op of omstreeks 23 september 2010 te Harderwijk opzettelijk mishandelend [slachtoffer], meermalen, althans éénmaal, (met kracht) in en/of tegen en/of op het gezicht en/of het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of elders op het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken oogkas en/of jukbeen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.
ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2071
Rolnummer: 22-003464-09 Parketnummer: 10-662029-08 Datum uitspraak: 29 april 2010 Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2009 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedag] 1946 te [geboorteplaats], [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 december 2009 en 15 april 2010.
ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ4751
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Afdeling strafrecht Parketnummer: 03/853004-12 Vonnis van de meervoudige kamer d.d.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 12/05143 Zitting: 11 februari 2014 Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 17 oktober 2012 verdachte wegens “1: bedreiging met zware mishandeling”, “3 primair: zware mishandeling” en “4 en 5: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Ten slotte heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.

2. Namens verdachte heeft mr. C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te ‘s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. I. van Straalen, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel (gebroken oogkas).

4. Onder 3 primair heeft het Hof ten aanzien van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 28 juni 2009 te Naaldwijk, gemeente Westland, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken oogkas en een gebroken neus en zichtverlies aan het (linker) oog en beschadiging netvlies en pupil van het (linker) oog)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met een knuppel/houten stok tegen het hoofd/gezicht te slaan;” 5. De aanvulling met bewijsmiddelen bevat onder 10, 11 en 12 het volgende: “10. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 28 juni 2009, opgemaakt en ondertekend door de forensisch arts S.S. Boekhoorn. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: Betreft [slachtoffer], geb. [geboortedatum]-1989, was bij ons in verband met stomptrauma OS. Bij onderzoek: fors hematoom linkerzijde gezicht, verdenking orbitafractuur + neusfractuur. Oogheelkundig onderzoek Hyphaem + commotio retinae Bij echo lag de retina aan. Graag jullie onderzoek naar fracturen.

11. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 28 juni 2009, opgemaakt en ondertekend door J.C. Paarlberg, aios oogheelkunde. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: Medische informatie Betreft [slachtoffer], geb. [geboortedatum]-1989 Uitwendig waargenomen letsel. - Haematoom rond linkeroog - Hyphaema (= bloed in voorste oogkamer) linkeroog Is er een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? - oedeem retina links (vocht in het netvlies). Bijzondere mededelingen. Is er sprake van blijvend letsel? - nog niet te beoordelen.

Momenteel verminderd zicht linkeroog 12. Een proces-verbaal d.d. 30 juni 2009 van de politie Haaglanden, Bureau Westland met nr. PL1563/2009/14400-30. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergegeven - (blz. 9): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren: Op 29 juni 2009 heb ik, verbalisant [verbalisant], telefonisch contact opgenomen met de aangever [slachtoffer]. Hij deelde mij desgevraagd mede dat door de behandelend arts was geconstateerd dat hij een gebroken oogkas had alsmede een gebroken neus. Tevens had de arts geconstateerd dat hij nog slechts 30% zicht had aan zijn linkeroog en een beschadiging aan het netvlies en de pupil van zijn linkeroog.” 6.

Voor het kader van de invulling van het begrip zwaar lichamelijk letsel citeer ik nu eerst overweging 3.4.1. uit HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407, NJ 2013/436 m.nt. Keijzer en daarna overweging 3.4. uit HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055: “ 3.4.1. Art. 82Art. 82 Art. 82 Sr bevat een opsomming van hetgeen onder zwaar lichamelijk letsel is begrepen, waarbij in het tweede lid is bepaald dat ook een storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd, tot zulk zwaar lichamelijk letsel gerekend kan worden.

Naar vaste rechtspraak laat art. 82 Sr de rechter vrijheid om ook ander letsel dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid, als zwaar lichamelijk letsel aan te merken (vgl. HR 16 mei 2000, LJN AA5802LJN AA5802, NJ 2000/510NJ 2000/510). De door de wetgever gekozen bewoordingen geven evenwel geen aanleiding om te veronderstellen dat hij met ‘lichamelijk letsel’ ook het oog heeft gehad op andere krenkingen van het psychisch welbevinden dan de in het tweede lid van art. 82tweede lid van art. 82 Sr bedoelde langdurige (ver)storing van de geestvermogens.” “3.4 “3.4. (…) Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

Zo zal de cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (vgl. HR 16 mei 2000, NJ 2000, 510)NJ 2000, 510).” 7. Voor wat betreft oorzaak, symptomen en gevolgen van een oogkasbreuk stel ik het volgende voorop. De oorzaak van een gebroken oogkas (orbitafractuur) is niet zelden deelname aan een balsport (bal tegen het oog). Er is geen sprake van een breuk van een en hetzelfde bot, maar er komen er meer (vier) in aanmerking.

Als symptomen worden genoemd: pijn, zwelling, dilopie (dubbel zien) en/of andere zichtproblemen. In veel gevallen is geen operatie noodzakelijk, maar wordt het natuurlijke genezingsproces afgewacht. Ik ontleen deze algemeenheden aan www.learningsupport.nl en zakboek oogheelkunde. De oogkasbreuk is hiermee niet een volledig vast omlijnd fenomeen, maar er zijn op zijn minst voor wat betreft de symptomen en gevolgen niet onaanzienlijke variaties tussen ernstige en minder ernstige breuken. Een breuk die alleen een zwelling veroorzaakt en natuurlijk geneest is minder ernstig dan een breuk die leidt tot dubbel zien en tot noodzaak van een operatie.

8. In de recente lagere rechtspraak wordt een breuk van de oogkas vrijwel steeds aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Wanneer daarbij ook een gevolg van de breuk als blijvende blindheid wordt vermeld of uitdrukkelijk op de samenhang met ander bewezenverklaard letsel wordt gewezen, past dat zonder meer in het hierboven geschetste kader van de Hoge Raad, maar van explicitering van gevolg en samenhang is in de lagere rechtspraak niet altijd sprake. Rechtspraak waarin de strafkamer van de Hoge Raad expliciet een oordeel geeft over de vraag of een gebroken oogkas zwaar lichamelijk letsel oplevert heb ik niet aangetroffen.

9. Het komt mij, gelet op hetgeen ik onder 7 vooropstelde, voor dat een breuk van de oogkas niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De aard van de breuk, de symptomen en de gevolgen zijn van betekenis. De vraag is dus of het oordeel van het Hof in de onderhavige zaak niet onjuist of onbegrijpelijk is. Bewijsmiddel 12 houdt de volgende (de auditu) constateringen van de behandelend arts in: een gebroken oogkas, een gebroken neus, slechts 30% zicht aan zijn linkeroog en een beschadiging aan het netvlies en de pupil van het linkeroog.

De zichtproblematiek sluit rechtstreeks aan bij de verklaring van verdachte (bewijsmiddel 7) en de bevindingen van de aios oogheelkunde (bewijsmiddel 11). Verdachte heeft verklaard dat hij (na de klap met een knuppel) ‘gelijk niks meer [kon] zien door mijn linkeroog. Ik voelde gelijk dat het fout zat (…)’. De aios oogheelkunde constateert verminderd zicht in het linkeroog en kan nog niet beoordelen of er sprake is van blijvend letsel. Gelet op deze bewijsmiddelen is het niet onbegrijpelijk dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel.

Dit betekent dus dat geoordeeld kan worden dat een oogkasbreuk die een aanzienlijk (70%) zichtprobleem oplevert en waarvan niet aanstonds gezegd kan worden dat er geen blijvend letsel zal zijn in combinatie met een gebroken neus en beschadiging van het netvlies en de pupil van het (linker) oog zwaar lichamelijk letsel oplevert.

10. De toelichting op het middel wil -als ik het goed zie- vooral het volgende punt maken. De feiten en omstandigheden waarover verdachte blijkens het onder 12 tot bewijs gebruikte proces-verbaal verklaart worden niet bevestigd door een medische verklaring. Voor zover de steller van het middel van opvatting is dat een dergelijke bevestiging rechtens vereist is, vindt dat geen steun in het recht. Voor zover de steller van oordeel is dat bewijsmiddel 12 van onwaarde is zonder een bevestiging, raakt dat de selectie en waardering van bewijsmiddelen en is de toetsing daarvan in cassatie niet meer aan de orde. De verdediging had dit punt in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het Hof kunnen voorleggen, maar in de bij het proces-verbaal van de zitting gevoegde pleitnotities is daarvan zelfs geen begin te vinden.

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt over de strafmotivering en wel in het bijzonder dat het Hof in strafverzwarende zin heeft laten meewegen dat verdachte ‘niet de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor de mishandeling van [slachtoffer]’.

13. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft het Hof overwogen: “Bovendien rekent het hof de verdachte aan dat hij niet de verantwoordelijkheid op zich neemt voor de mishandeling van [slachtoffer], hetgeen ook tijdens de procedure in hoger beroep -wederom- is gebleken.” 14. Blijkens de toelichting wordt door deze overweging het ‘nemo tenetur’ beginsel geschonden. Ik zie dat nog niet zo direct, omdat niet is gesteld of gebleken dat verdachte gedwongen is aan zijn eigen veroordeling mee te werken door wel de verantwoordelijkheid te nemen.

Als een verdachte niet verklaart of geen verantwoordelijkheid neemt mag daarmee in de strafprocedure bij de beslissing omtrent het bewijs of de straf rekening worden gehouden. Anders dan in de toelichting wordt gesteld is de strafmotivering niet onbegrijpelijk, omdat ‘ten onrechte geen aandacht [is] besteed aan het geven, aangevoerd door de raadsman bij pleidooi, dat verzoeker uit eigen beweging een cursus agressiebeheersing heeft gevolgd.’ Er kunnen uiteenlopende redenen zijn om een dergelijke cursus te volgen en bovendien is niet volledig uitgesloten dat verdachte door die cursus te volgen zijn verantwoordelijkheid voor het eerste feit wel wenst te aanvaarden. 15Het tweede middelfaalt.

16. De middelen falen, waarbij het tweede middel in ieder geval met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering kan worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG. B. James, C. Chew en A. Bron, Zakboek Oogheelkunde, Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg 2004 (vertaald en bewerkt door R.W.A.M. Kuijpers en J. R. Vingerling), p. 204-205. De uitzondering is Rechtbank Zutphen 15 maart 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BP7634 waarbij betekenis wordt toegekend aan de omstandigheid dat ook zonder operatief ingrijpen zicht op genezing bestaat. Hof Den Haag 29 april 2010,ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2071. Rechtbank Limburg 19 maart 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ4751.

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA0261, Hof Leeuwarden 21 juli 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2534, Rechtbank Haarlem 7 november 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ4309, Rechtbank Den Haag 14 november 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU4409. Rechtbank Arnhem 10 september 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX6966en Rechtbank Arnhem 11 april 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BW3097. Veelal is er in deze zaken naast de gebroken oogkas nog ander zwaar lichamelijk letsel. De Hoge Raad oordeelt wel in zaken waarin de gebroken oogkas volgens de bewezenverklaring zwaar lichamelijk letsel oplevert en ziet -zoals is te verwachten- geen aanleiding om ambtshalve in te grijpen.

Zie bijvoorbeeld HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2950 en HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3864. Voor een inventarisatie van zwaar lichamelijk letsel verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga ECLI:NL:PHR:2004:AP0252. HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353. Verder verwijs ik naar een conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga die het middel bespreekt waarin de samenhang tussen het nemo teneur beginsel en de strafmotivering centraal staat: ECLI:NL:PHR:2012:BY4869.