ECLI:NL:PHR:2014:2452 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 14/00796 Zitting: 2 december 2014 Mr. Spronken Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2013, waarbij een ten laste van verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam is bevestigd. Het eerste middel bedoelt kennelijk te klagen over het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat het feit dat verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor niet een raadsman heeft kunnen consulteren niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.
Legislator headnote
AI generatedart. 6 EVRM; ECLI:NL:PHR:2014:2452 · Parket bij de Hoge Raad: Deze klacht is gestoeld de opvatting dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM de enig passende sanctie is op deze schending van art. 6 EVRM. Het middel gaat hiermee uit van een onjuiste rechtsopvatting en is evident kansloos. De kennelijk als tweede middel voorgestelde klacht klaagt over het oordeel van het hof dat ook de overtuiging van de verdediging dat sprake is van een doelbewuste poging de rechtbank te misleiden door onjuiste informatie te vermelden in een proces-verbaal niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het middel voert daartoe aan dat het hof ten minste had moeten benadrukken dat een eerlijk proces is gediend met ambtsedige processen-verbaal waaraan geen enkele smet kleeft.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Nr. 14/00796 Zitting: 2 december 2014 Mr. Spronken Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2013, waarbij een ten laste van verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam is bevestigd. Het eerste middel bedoelt kennelijk te klagen over het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat het feit dat verdachte voorafgaand aan zijn politieverhoor niet een raadsman heeft kunnen consulteren niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.
Deze klacht is gestoeld de opvatting dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM de enig passende sanctie is op deze schending van art. 6 EVRM. Het middel gaat hiermee uit van een onjuiste rechtsopvatting en is evident kansloos. De kennelijk als tweede middel voorgestelde klacht klaagt over het oordeel van het hof dat ook de overtuiging van de verdediging dat sprake is van een doelbewuste poging de rechtbank te misleiden door onjuiste informatie te vermelden in een proces-verbaal niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het middel voert daartoe aan dat het hof ten minste had moeten benadrukken dat een eerlijk proces is gediend met ambtsedige processen-verbaal waaraan geen enkele smet kleeft.
Het middel stelt hiermee een eis die het recht niet kent. Het feitelijke oordeel van het hof dat uit de stukken in het dossier niet is gebleken van doelbewuste misleiding is allerminst onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdere toets in cassatie. Ook dit middel is evident kansloos. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG