ECLI:NL:PHR:2014:1936 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 13/05127 Zitting: 7 oktober 2014 Mr. Spronken Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In het middel wordt aangevoerd dat het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel onvoldoende uit de bewijsvoering en motivering blijkt en dat het arrest daarom getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft echter, anders dan in het door de steller van het middel aangehaalde arrest HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ076S, voldoende gemotiveerd aangenomen dat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel, door op grond van het medisch dossier vast te stellen “dat aangeefster - bijna een jaar na dato - door de mishandeling letsel aan haar arm heeft overgehouden waardoor zij haar werkzaamheden niet naar behoren kan uitoefenen” en dat “Daarnaast kan worden vastgesteld dat sprake was van een aantal gebroken ribben.” Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het oordeel of letsel zwaar is in belangrijke mate is voorbehouden aan de feitenrechter, welk oordeel in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2014:1936 · Parket bij de Hoge Raad: Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:AU8055.
Cited Case Law
AI generatedFull text
Nr. 13/05127 Zitting: 7 oktober 2014 Mr. Spronken Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In het middel wordt aangevoerd dat het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel onvoldoende uit de bewijsvoering en motivering blijkt en dat het arrest daarom getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft echter, anders dan in het door de steller van het middel aangehaalde arrest HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ076S, voldoende gemotiveerd aangenomen dat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel, door op grond van het medisch dossier vast te stellen “dat aangeefster - bijna een jaar na dato - door de mishandeling letsel aan haar arm heeft overgehouden waardoor zij haar werkzaamheden niet naar behoren kan uitoefenen” en dat “Daarnaast kan worden vastgesteld dat sprake was van een aantal gebroken ribben.” Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het oordeel of letsel zwaar is in belangrijke mate is voorbehouden aan de feitenrechter, welk oordeel in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst.
4. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:AU8055.