Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:1887 ECLI:NL:PHR:2014:1887 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:1887 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:1887
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 13/05666 Zitting: 30 september 2014 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het beroep in cassatie is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 16 augustus 2012. Namens de verdachte is tijdig een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingezonden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:1887 · Parket bij de Hoge Raad: Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Nu het tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 13/05666 Zitting: 30 september 2014 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het beroep in cassatie is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 16 augustus 2012. Namens de verdachte is tijdig een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingezonden.

2. Het tweede middel behelst de klacht dat het onder 1 bewezen verklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat het hof een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het (ontbreken van) opzet op de dood heeft verworpen op gronden die deze niet kunnen dragen.

3. Het hof is in een uitvoerige bewijsoverweging op het standpunt van de verdediging ingegaan. Daarbij heeft het verwezen naar bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte met aanmerkelijke snelheid en met een zware personenauto op het trottoir is ingereden op voetgangers die zich op het trottoir bevonden. Het oordeel van het hof dat de verdachte onder de vastgestelde omstandigheden door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de zes in de tenlastelegging genoemde personen zou aanrijden en dat deze personen als gevolg daarvan zouden komen te overlijden, acht ik geenszins onbegrijpelijk. Het hof heeft voldaan aan de uit art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv voortvloeiende responsieplicht. Het onder 1 bewezen verklaarde (poging tot doodslag, meermalen gepleegd) kan voorts uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, waaronder de verklaring van de getuige [getuige], inhoudende dat de verdachte heel hard over het trottoir reed.

4. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Nu het tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, is een beroep op schending van genoemde verdragsbepaling geen klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.

6. Op grond van het voorafgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, rov. 2.2.4.