Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:1634 ECLI:NL:PHR:2014:1634 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:1634 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:1634
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Moet de naheffingsaanslag worden vernietigd omdat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de opdracht van de Geheimhoudingskamer? 2. Heeft de Inspecteur nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen? 3. Moet de naheffingsaanslag worden vernietigd omdat de Inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft geschonden? 4. Heeft belanghebbende in het onderhavige jaar de oogst als vermeld onder 2.11 in de zaak met kenmerk 08/00236, daadwerkelijk verkocht aan [F] respectievelijk [G]? 5.1. Rust op belanghebbende de last te doen blijken - dat wil zeggen: overtuigend aan te tonen - dat, en zo ja , in hoeverre de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag onjuist is? 5.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:31 Awb, artikel 6 EVRM, artikel 8:42 Awb, artikel 6 van het EVRM, art. 140 Sr, artikel 8:18 van de Awb; ECLI:NL:PHR:2014:1634 · Parket bij de Hoge Raad: Is het recht van belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), geschonden? 10. Komen de in de bezwaarfase gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking? 11. Dienen de proceskosten integraal te worden vergoed? 2.7 Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat de Inspecteur niet volledig heeft voldaan aan de beslissing van de Geheimhoudingskamer tot overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, maar heeft op grond van artikel 8:31 Awb besloten daaraan geen gevolgen te verbinden, omdat belanghebbende daardoor niet is geschaad in zijn procespositie.

Keywords

AI generated
artikel 8:31 Awb artikel 6 EVRM artikel 8:42 Awb artikel 6 van het EVRM art. 140 Sr artikel 8:18 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:31 Awb
De Rechtbank is in de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 van de bestreden uitspraak op goede gronden, welke het Hof tot de zijne maakt, tot het oordeel gekomen dat een verhoging (na kwijtschelding) van 50% van de nageheven belasting, te weten € 10.038, passend en geboden is. 8.2 De Rechtbank heeft overwogen: 4.5.
artikel 6 EVRM
Wel heeft het Hof de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging verder dan tot op 50% kwijtgescholden, wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM.
artikel 8:42 Awb
Middel 7 ziet op de vraag of artikel 8:42 Awb is geschonden.
artikel 6 van het EVRM
Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, meen ik dat aansluiting gezocht dient te worden bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM.
art. 140 Sr
artikel 8:18 van de Awb
Ingevolge artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is artikel 8:18 van de Awb van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
De Rechtbank is in de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 van de bestreden uitspraak op goede gronden, welke het Hof tot de zijne maakt, tot het oordeel gekomen dat een verhoging (na kwijtschelding) van 50% van de nageheven belasting, te weten € 10.038, passend en geboden is. 8.2 De Rechtbank heeft overwogen: 4.5.
Artikel 4:8 van de Awb
Wetgeving 9.7 Artikel 4:8 van de Awb luidt:

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BM9141
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
NJ 2010/520
HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141, NJ 2010/520).
NJ 1999/243
ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2560
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 08/00181 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, hierna: de Inspecteur, en het incidenteel hoger beroep van de heer X, wonende te Y, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 11 februari 2008, nummer 06/00598, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur betreffende na te noemen navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 onder nummer 0000.00.000.H.07 met dagtekening 18 december 2003, een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 86.790 (€ 39.383,58), alsmede bij beschikking een boete van ƒ 28.273 (€ 12.829,73). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van ƒ 2.912 (€ 1.321,41). 1.2. Na hiertegen op 24 december 2003 gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken van 23 december 2005 de navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken op 1 februari 2006 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 11 februari 2008 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 273,70 en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan deze vergoedt. 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank van 11 februari 2008 bij brief van 3 maart 2008 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord. 1.6. De Inspecteur heeft schriftelijk gerepliceerd en belanghebbende heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.7. De Inspecteur heeft bij brief van 27 november 2008 nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 16 juni 2009 verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om uit het integrale dossier een selectie te mogen maken. De Inspecteur heeft bij brief van 16 oktober 2009 de kopieën van de door de gemachtigde geselecteerde stukken aan de gemachtigde toegezonden. 1.8. Op 2 september 2010 heeft een regiezitting plaatsgevonden te ’s-Hertogenbosch. Op voorspraak van het Hof zijn partijen niet verschenen, met bericht daarvan aan het Hof. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft het Hof mr. G.J. van Muijen aangewezen als raadsheer-commissaris in de zin van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in combinatie met artikel 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Aan hem is opgedragen (een gedeelte van) het vooronderzoek te verrichten. Het Hof heeft vervolgens ingevolge het bepaalde in artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek door de raadsheer-commissaris zal worden hervat. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.9. Bij brief van 22 september 2010 heeft belanghebbende op de voet van artikel 8:15 van de Awb een verzoek bij het Hof ingediend strekkende tot wraking van de ter zitting van 2 september 2010 aangewezen raadsheer-commissaris mr. G.J. van Muijen. Het Hof heeft daarop het onderzoek geschorst totdat de wrakingskamer uitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer van het Hof heeft dit verzoek ter zitting van 1 oktober 2010 behandeld en op 8 oktober 2010 onder nummer 133-29-2010 uitspraak gedaan. Bij deze uitspraak is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. 1.10. Op 30 mei 2011 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.11. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.12. De Inspecteur heeft bij brief van 20 juni 2011 nadere stukken ingediend, zich beroepend op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb. Het Hof heeft daarop de zaak naar de Geheimhoudingskamer verwezen. 1.13. Voor het verloop van de procedure bij de Geheimhoudingskamer wordt verwezen naar onderdeel 1 van de uitspraak van de Geheimhoudingskamer van 6 oktober 2011, eveneens met procedurenummer 08/00181. 1.14. De Geheimhoudingskamer heeft op 6 oktober 2011 beslist dat geheimhouding in de stukken slechts is gerechtvaardigd, voor zover de onleesbaar gemaakte passages door de Geheimhoudingskamer in de kopie van de geschoonde versie van die stukken rood zijn omlijnd, met dien verstande dat namen van derden dienen te worden geanonimiseerd op de wijze zoals uiteengezet in het brondocument. Tevens heeft de Geheimhoudingskamer de Inspecteur verzocht onverwijld na verzending van deze beslissing de Geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is de stukken, geheel of gedeeltelijk, op de door de Geheimhoudingskamer weergegeven wijze te schonen en deze aldus geschoonde stukken alsnog in het geding te brengen, en zo ja, dit te doen binnen een termijn van één week na verzending van deze beslissing. 1.15. De Inspecteur heeft de Geheimhoudingskamer bij brief van 26 oktober 2011 bericht dat hij bereid is om de stukken op de door de Geheimhoudingskamer weergegeven wijze te schonen en alsnog in het geding te brengen, met uitzondering van de namen en kenmerknummers van de buitenlandse belastingambtenaren. De Inspecteur heeft de aldus geschoonde stukken bij brief van 26 oktober 2011 in het geding gebracht. 1.16. Op 13 oktober 2011 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.17. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.18. De gemachtigde heeft bij brief van 25 november 2011, door tussenkomst van het Hof, vragen gesteld aan de officier van justitie. De officier van justitie heeft deze vragen beantwoord bij brief van 27 januari 2012. 1.19. Op 11 januari 2012 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur.. Tijdens deze inlichtingencomparitie is de heer A als getuige gehoord. Belanghebbende heeft tijdens deze inlichtingencomparitie een notitie overgelegd, waarin vragen zijn gesteld aan de heren B en C. Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.20. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.21. Op 1 februari 2012 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Belanghebbende heeft tijdens deze inlichtingscomparitie een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft een schriftelijk stuk overgelegd met de antwoorden op de door belanghebbende gestelde vragen en heeft afschriften overgelegd van gedeelten van appendix D-5/2 en appendix D-5/3 (en niet, zoals ten onrechte vermeld in het proces-verbaal van deze inlichtingencomparitie, van appendix F-8/3). Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.22. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.23. Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben belanghebbende en de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.24. De zitting heeft plaatsgehad op 6 maart 2012 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. 1.25. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.26. De Inspecteur heeft te dezer zitting een tweetal pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.27. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 1.28. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is verzonden. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1.1. Belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000 is op 4 juli 2001 bij de Inspecteur ingekomen. Met dagtekening 29 november 2001 is de aanslag opgelegd, waarbij het belastbare inkomen is vastgesteld op ƒ 12.313. Na op 6 december 2001 tegen deze aanslag gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het belastbare inkomen verminderd tot ƒ 5.833. 2.1.2 Bij brief van 18 december 2003 heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag en de boete aangekondigd. De navorderingsaanslag heeft als dagtekening 18 december 2003. 2.1.3. Het bezwaarschrift met dagtekening 24 december 2003 is door de Inspecteur ontvangen op 29 december 2003. 2.2. Belanghebbende en zijn zoon, S, exploiteren in maatschapverband een bedrijf met als activiteit groenteteelt op open grond. De teelten betreffen asperges, aardbeien en prei. In 2000 en 2001 was belanghebbende voor 30% gerechtigd tot de winst. Zijn zoon was in 2000 en 2001 voor 70% gerechtigd tot de winst. 2.3. De maatschap heeft van 1995 tot en met mei 2011 door tussenkomst van D overeenkomsten gesloten met achtereenvolgens de naar Pools recht opgerichte vennootschappen E Sp.z.o.o. (hierna: E), G Sp.z.o.o. (hierna: G) later genaamd H Sp.z.o.o (hierna: H), J Sp.z.o.o. (hierna: J) en I Limited te Cyprus. Van deze vennootschappen was R aandeelhouder. Directeur van J was F. In het onderhavige jaar heeft de maatschap een overeenkomst met J afgesloten. 2.4.1. J is op 6 april 2000 voor bepaalde tijd, tot 31 maart 2001, in Polen opgericht. Op 17 april 2001 is de oprichtingsakte van de vennootschap gewijzigd in de zin dat tot onbeperkte duur van de vennootschap is besloten. 2.4.2. Het Poolse ministerie van Financiën heeft op vragen van de Inspecteur het volgende geantwoord: 2.4.3. Brief van 12 april 2001 “J was created on 6th April 2000. The existence of the company was limited until 31 March 2001. The sole shareholder of the company is Mr R, living in T g-straat 30 (Passport no N00000000 issued in Holland). Mr R is also the sole member of the management board. The company does not fulfil any tax declarations, and has no seat in Poland, and does not carry factual economic activity.” 2.4.4. Brief van 10 juli 2002 “The company entered into commercial register in year 2000. The entrance was limited till 31.03.2001. Mr. R – has been described as Chairman of the management board and sole shareholder of the company. In the scope of activity of the company cultivation of vegetables and special garden plants were mentioned. The company entered into tax register on 12th July 2000. (…) The court documents revealed a renting agreement, concerning the CL, CM, apartment, concluded between Mrs F, acting as director in the name of J and Mr R acting as tenant of the apartment. Polish tax authorities were visiting this apartment twice (on 29.11.2000 and 23.04.2002). They have established that no activity is carried there. J did not submit any tax (neither income tax nor Vat tax) declarations and did not withhold any Polish wages tax. Polish tax authorities established that motion for entering changes into the register (stating that: Mrs F has the power to represent the company as one-person) dated 20 July 2000 ,has been dismissed by the court on ‘19.09.2000 because of formal reasons. Firstly the court asked for supplementation of the motion. J has a bank account in Poland in CN, m-straat, 65-950 CM. According to bank account statement there were no payments from foreign entities.” 2.4.5. Brief van 6 juni 2005 “The company was registered only temporarily – up to 31st March 2003. From the date of registration, the company had not submitted any tax returns or audits to a local tax office.” 2.4.6. Brief van 2 april 2009 “Uit de analyse van de gegevens in de computerdatabase POLTAX van het plaatselijk bevoegde belastingkantoor is gebleken dat, vanaf het moment van de identificatieaanvraag NIP-2 op 3 juli 2000 in het plaatselijke belastingkantoor, de onderneming op geen enkele wijze de gegevens heeft bijgewerkt, noch enige declaraties, aangiftes of informatie heeft ingediend. De activiteiten die zijn ondernomen door het plaatselijk bevoegde belastingkantoor, d.w.z. bezoeken ter plaatse, tonen aan dat op het adres dat door J Sp. zo.o. is opgegeven als adres waar het bedrijf wordt uitgeoefend, te weten CM, n-straat 18/3, de schoonheidssalon “CO” (Salon CP CO) wordt gedreven, terwijl op het door J Sp. z o.o. opgegeven vestigingsadres, te weten CM, o-straat 50, zich een particulier woonhuis bevindt zonder enige tekenen van bedrijfsuitoefening. Voorts wees de analyse van de registratiegegevens in het plaatselijke belastingkantoor inzake de onderneming J Sp. z o.o. op de mogelijkheid van activiteiten door mevr. F ten behoeve van genoemde onderneming. Uit de toelichtingen van mevrouw F blijkt dat zij op de hoogte was van het bestaan van een dergelijke onderneming en tevens van een waarschijnlijke verhuizing van haar activiteiten naar het buitenland. Deze informatie is echter zeer oppervlakkig en onnauwkeurig, omdat de belastingplichtige niet in staat was uit te leggen wanneer en naar welk land de activiteiten van de onderneming waren verhuisd. Mevrouw F legde uit dat ze nooit enige functie had uitgeoefend in verband met de activiteiten van J Sp. z o.o. en nooit enige documenten namens J Sp. z o.o. had gepresenteerd of ondertekend. Toen de identificatieaanvraag NIP-2, ondertekend door “mevrouw F”, aan mevrouw F ter inzage werd gegeven, zei de betrokkene dat de handtekening eruitzag als de hare, maar dat ze zich niet herinnerde het formulier ondertekend en ingediend te hebben. Bovendien verstrekte mevrouw F de informatie dat ze de heer R privé kende; ze onderhield contacten met hem maar ze wilde het niet beschikbaar stellen aan het plaatselijke belastingkantoor. Gezien het bovenstaande informeert het plaatselijk bevoegde belastingkantoor dat J Sp. z o.o. geen tekenen vertoond van bedrijfsuitoefening.” 2.4.7. J heeft in Nederland evenmin aangifte gedaan voor enige belasting. J beschikt niet over een omzetbelastingnummer. 2.4.8. R heeft in zijn schriftelijke verklaring van 17 februari 2012 het volgende verklaard: “J Sp.z o.o. heeft altijd gefunctioneerd naar de Poolse wetgeving. Het klopt allemaal precies. Wat de inspecteur in zijn citaat opneemt, kan ik niet controleren. Ik weet ook niet wat de inspecteur precies aan de Poolse autoriteiten heeft gevraagd. Ik leg dit naast me neer. Een ding weet ik zeker en dat is dat zowel E als J altijd conform Poolse wetgeving hebben gehandeld. De vennootschappen hebben in Polen ook nooit een reactie gehad dat het niet goed was. Ze zijn in Polen ook nooit veroordeeld of opgeroepen. De vennootschappen hebben in Polen ook nooit declaraties of boetes ontvangen. De belastingheffing in Polen gaat ook anders dan in Nederland. Dat wil de inspecteur kennelijk niet aannemen en al helemaal niet geloven. De feiten zijn dat E en J altijd hebben gefunctioneerd en altijd hebben voldaan aan de Poolse wetgeving. Ik weet zeker dat de belastingdienst nooit van de Poolse autoriteiten het bericht hebben gekregen dat E en J niet zouden hebben voldaan aan de regels. Over de aangiften van J kan ik niet beschikken. Dat wordt in Polen geregeld door F. Zij is daar heel goed in. Zij is ook op de hoogte van de Poolse belastingwetgeving en de andere relevante wetgeving. F regelt het dan ook en ik kan maar één ding zeggen en dat is dat het elk jaar weer klopt en dat we nog nooit een opmerking hebben gehad van de Poolse Belastingdienst. De Poolse Belastingdienst heeft ook controles uitgevoerd. Ook daar is nooit iets uitgekomen. Het klopte dus altijd. Of de aangiften nog beschikbaar zijn, betwijfel ik. De bewaartermijn daarvan is volgens mij allang verstreken.” 2.4.9. Belanghebbende heeft verklaard geen onderzoek te hebben verricht naar de achterliggende verhouding tussen D en de heer R en de Poolse vennootschappen en nimmer reden te hebben gehad te twijfelen aan de bevoegdheid van mevrouw F. 2.5. In de jaren vanaf 1995 zijn door tuinders die in de nabijheid van belanghebbende zijn gevestigd en/of een familierelatie met belanghebbende hebben, vergelijkbare overeenkomsten afgesloten met de onder 2.3 genoemde Poolse vennootschappen. 2.6.1. De oogst wordt door de maatschap tot en met maart 2000 verkocht aan H en na maart 2000 verkocht aan J. Vervolgens wordt diezelfde oogst door H, ook na maart 2000, verkocht aan D. D is gevestigd in BB. In het onderhavige jaar was R enig aandeelhouder en directeur van deze BV. D fungeerde als intermediair tussen belanghebbende, J en de Poolse werknemers en hield de loonadministratie bij. De volledige veilingopbrengst werd uitbetaald aan D. D betaalde 99% van deze koopprijs door naar een Luxemburgse bankrekening. De maatschap, J en D waren geen lid van de veiling. 2.6.2. D heeft op 22 januari 1999 een in de Nederlandse taal gestelde doorlopende koopovereenkomst met H afgesloten voor de verkoop van tuinbouwgewassen. In deze doorlopende koopovereenkomst is bepaald dat H aan D de in de overeenkomst genoemde tuinbouwgewassen zal verkopen en leveren, gelijk D van H de goederen zal afnemen en de overeengekomen prijs zal betalen. De koopprijs (excl. btw) is als volgt bepaald in deze overeenkomst: D zal aan H 99% van de verkoopprijs, die D met derde kopers overeenkomt, betalen. De marge van 1% is een vergoeding voor de administratieve werkzaamheden met betrekking tot deze transacties. D heeft zich in deze koopverkoopovereenkomst verplicht de verkoopfacturen van H te verzorgen. 2.7.1. De door de maatschap aan J verkochte aardbeien en zomerprei is via D verkocht aan de heer CQ (hierna: CQ), schoonzoon van belanghebbende. CQ heeft de oogst verkocht via de Veiling AF te CR voor een bedrag van ƒ 855.460. CQ was lid van die veiling. Naast de aardbeien en zomerprei produceerde de maatschap winterprei. De winterprei is niet aan J verkocht. 2.7.2. De afnemers betalen de factuur van D op een bankrekening van D in Luxemburg t.n.v. D. H maakt van een Luxemburgse bankrekening bedragen over aan de tuinders. 2.7.3. De geoogste producten worden van het bedrijfsadres van belanghebbende (het verlaadadres) rechtstreeks getransporteerd naar de veiling. Als verlaad- en factuuradres wordt het adres van belanghebbende vermeld. 2.7.4. D heeft met J geen koop-verkoopovereenkomst als vermeld in 2.6.2. afgesloten. 2.8. De maatschap heeft in het onderhavige jaar onder nummer 120/2000 een overeenkomst met J afgesloten. In de overeenkomst is een datum van ondertekening vermeld van 1 mei 2000. De overeenkomst luidt als volgt: “OVEREENKOMST VAN KOOP EN VERKOOP De ondergetekenden: 1. Maatschap gevestigd in Nederland te Y1 aan de p-straat 7 hierna te noemen de verkoper; 2. J Sp.z o.o. gevestigd in Polen, te CM hierna te noemen de koper. De koper en de verkoper zijn een overeenkomst van koop en verkoop aangegaan, waarvan de inhoud alsmede de daarop van toepassing zijnde voorwaarden en bepalingen worden weergegeven in de hierna opgenomen artikelen 1 tot en met 10. Bij het tot stand komen van deze overeenkomst hebben de koper en de verkoper zich laten leiden door de volgende feiten en overwegingen. A. De verkoper heeft een tuinbouwbedrijf in Nederland en wenst het gebruik van zijn produktiefaci1iteiten optimaal te benutten alsmede de produktie, afzet en export van dit tuinbouwbedrijf te stimuleren door het verkopen van zijn produkten in en buiten Nederland. B. De koper wenst tuinbouwprodukten te produceren te kopen in Nederland teneinde de import en haar handelsgebied te verbeteren en te vergroten. C. De verkoper en koper wensen een overeenkomst van koop en verkoop aan te gaan met betrekking tot de opbrengsten van een nader te bepalen produktie van in de bijlage onder 2 genoemd produkt, waartoe de verkoper en koper op nader te bepalen wijze elkaar wederzijds zullen ondersteunen maar waarbij het risico van de produktie zowel formeel als daadwerkelijk overgaat op de koper. OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE EN GEKOCHTE ARTIKEL 1 1.1 De verkoper heeft verkocht aan de koper en de koper heeft gekocht van de verkoper de oogst van de in de bijlage onder 2 genoemd produkt gedurende de in de bijlage onder 5 en 6 genoemde periode te velde, te kweken en als volgroeid produkt te oogsten van de in de bijlage onder 1 genoemde cultuurgronden. 1.2 De verkoper en koper gaan er voor deze overeenkomst vanuit dat de in het vorige lid bedoelde oogst van in de bijlage genoemd produkt een totale omvang zal hebben van de hoeveelheid als genoemd onder 3 van de bijlage. Indien deze hoeveelheid meer of minder is, is het voordeel of nadeel daarvan voor rekening en risico van de koper. 1.3 De verkoper verplicht zich tot levering en de koper verplicht zich tot afname van de in lid 1.1 genoemde oogst van in de bijlage genoemd produkt. KOOPSOM ARTIKEL 2 2.1 De koopsom bedraagt als genoemd onder 4 in de bijlage. 2.2 De koopsom wordt niet gewijzigd indien de oogst van in de bijlage genoemd produkt meer of minder beloopt dan de oogst waarvan de koper en/of de verkoper uitgingen bij het aangaan van deze overeenkomst. BETALING VAN DE KOOPSOM EN GARANTIES ARTIKEL 3 3.1 Binnen drie weken na levering en afname van een gedeelte van de in de bijlage genoemd produktoogst zal de koper de koopsom geheel of gedeeltelijk betalen. 3.2 De koper dient na een afname of levering van een gedeelte van de totale in de bijlage genoemd produktoogst een deel van de totale koopsom te betalen naar de verhouding tussen het aantal geleverde en afgenomen kilo’s of stuks van in de bijlage genoemd produkt en de totale in de bijlage genoemd produktoogst, zoals deze bij het aangaan van deze overeenkomst werd bepaald in lid 1.2. RETENTIERECHT ARTIKEL 4 4.1 De koper erkent dat de verkoper gebruik kan maken van het retentierecht. 4.2 De koper geeft bij deze zijn recht tot verdediging tegen het verlies van zijn eigendomsrechten van het aangeboden en niet betaalde gedeelte van de in lid 1.1 bedoelde in de bijlage genoemd produktoogst op en is zijnerzijds dan van rechtswege ontslagen van zijn afnameverplichting voor dat gedeelte indien de verkoper van het in het vorige lid bedoelde retentierecht gebruik maakt. BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE KOPER ARTIKEL 5 5.1 De koper verklaart dat hij voor de duur van de overeenkomst het groeirisico volledig voor zijn rekening en risico zal nemen. 5.2 De koper zal de verkoper vrijwaren voor alle verplichtingen welke voortvloeien uit kwalitatieve en kwantitatieve reclames en klachten indien en voor zover deze verband houden met het groeirisico. 5.3 De koper verklaart het risico te dragen dat de oogst niet tot een commerciële kwaliteit kan worden gekweekt of geoogst of in kwantiteit onder de algemeen gangbare norm, geldende voor de produktie van in de bijlage genoemd produkt onder gelijke omstandigheden, zal liggen. BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE VERKOPER ARTIKEL 6 6.1 De verkoper verplicht zich tot het beschikbaar stellen aan de koper van de onder 1.1 genoemde percelen voor de realisatie door de koper van de onder 1.1 gemelde handelingen in verband met de in artikel 1 genoemde oogst gedurende de in de lid 1.1 genoemde periode. 6.2 De verkoper verplicht zich gedurende de in lid 1.1 genoemde periode tot het beschikbaar stellen aan de koper van diverse voorzieningen, werktuigen, infrastructuur, hulpmiddelen en de benodigde energie voor het aandrijven van voorzieningen en werktuigen en het beheren van genoemde infrastructuur noodzakelijk voor het kweken en oogsten van de onder lid 1.1 genoemde oogst van commerciële kwaliteit. 6.3 De vergoedingen voor het ter beschikking stellen van de in dit artikel gemelde faciliteiten en voorzieningen worden geacht te zijn begrepen in de in artikel 2 genoemde koopsom. 6.4 De verkoper geeft de koper en zijn personeelsleden en/of vennoten en/of partners en/of executives van de koper het onherroepelijk recht om gedurende de in lid 1.1 gestelde periode te allen tijde de in lid 1.1 gemelde percelen te betreden al dan niet met enige vorm van uitrustingsstukken, werktuigen of transportmiddelen indien en voor zover deze direct of indirect dienend zijn aan het inspecteren, bewaken, verzorgen, bewerken, kweken, oogsten en transporteren van de in artikel 1 bedoelde oogst. BEËINDIGING VAN DE OVEREENKOMST ARTIKEL 7 7.1 De overeenkomst loopt teneinde op 31-12-2000. 7.2 De overeenkomst loopt teneinde nadat de in artikel 1 bedoelde oogst geleverd en afgenomen is en voor het overige zowel koper als verkoper aan hun verplichtingen uit deze overeenkomst hebben voldaan. 7.3 De overeenkomst kan voor het in lid 7.2 genoemde tijdstip in onderling overleg en met instemming van zowel verkoper als koper worden beëindigd door ondertekening van een schriftelijke verklaring. 7.4 Met ingang van het tijdstip waarop de overeenkomst wordt ontbonden, wordt de verkoper eigenaar van de aan de koper verkochte oogst in de staat waarin deze zich op dat moment bevindt. 7.5 Koper en verkoper kunnen in onderling overleg de duur van deze overkomst verlengen tot een nader te bepalen datum. VESTIGING OPSTALRECHT ARTIKEL 8 8.1 De koper en de verkoper kunnen van elkaar vorderen om voor de duur van deze overeenkomst een recht van opstal te vestigen op de beplantingen, die de verkoper in eigendom heeft op de in lid 1.1 genoemde percelen. 8.2 In de notariële akte van vestiging van het in lid 8.1 bedoelde opstalrecht neemt de koper de verplichting op zich om aan de verkoper op de tijdstippen waarop het produkt wordt geoogst of voorbereid is voor afname conform het bepaalde in artikel 3 de koopsom te betalen. KOSTEN ARTIKEL 9 Alle kosten op deze overeenkomst van koop en verkoop betrekking hebbende, zijn voor rekening van de koper of de door hem aan te wijzen derde, met dien verstande dat een en ander voor rekening van de koper blijft indien de derde in gebreke is. TOEPASSELIJK RECHT ARTIKEL 10 10.1 Op deze overeenkomst is steeds het Nederlands recht van toepassing. 10.2 Alle geschillen, welke niet in onderling overleg kunnen worden opgelost en welke niet tot de competentie van de kantonrechter behoren, voortvloeiende uit of verband houdend met de uitvoering van deze overeenkomst worden door ondergetekenden in eerste aanleg aanhangig gemaakt bij de rechtbank van het arrondissement waarin de verkoper zijn woonplaats heeft gekozen. 10.3 De in deze overeenkomst genoemde bijlage wordt geacht een onlosmakelijk deel uit te maken van deze overeenkomst, en daar een geheel mee te vormen. Aldus opgemaakt te CM en ondertekend te Y1 op 01-05-2000. De verkoper: De koper: X J Sp.z o.o.” 2.9. Tot de stukken behoren bijlagen als vermeld in artikel 1.1. van de overeenkomst (hierna: de bijlagen). Het betreffen vijf bijlagen, die elk als volgt luiden: “BIJLAGE BEHORENDE BIJ DE OVEREENKOMST VAN KOOP EN VERKOOP NUMMER 120/ 2000 Nummer bijlage: ——[nummer]--- Deze bijlage betreft een bijlage als bedoeld in de beschrijving van de hier boven aangehaalde overeenkomst van koop en verkoop en wordt geacht een onlosmakelijk deel uit te maken van genoemde Overeenkomst. De ondergetekenden: Maatschap ---------- gevestigd te Y1-------- aan de p-straat 7, en J Sp. z o.o. gevestigd te Polen, CM, regonnumner--------- verklaren als volgt: 1 de cultuurgronden als bedoeld in art. 1.1 van de overeenkomst als boven genoemd, zijn kadastraal bekend, gemeente DF, sectie [letter en nummer], groot [aantal] hectare. 2 het produkt als bedoeld in art. 1.1 van de overeenkomst als boven genoemd betreft: [product] 3 de hoeveelheid als bedoeld in art. 1.2 van de overeenkomst als boven genoemd bedraagt [hoeveelheid] kg. 4 de koopsom als bedoeld in art. 2.1 van de overeenkomst als boven genoemd bedraagt NLG [bedrag] (zegge: [uitgeschreven bedrag] 5 de periode van de oogst als bedoeld in art. 1.1 vangt aan op [datum] 6 de periode van de oogst als bedoeld in art. 1.1. eindigt op [datum] Aldus opgemaakt te CM en getekend te [plaats] op [datum] De verkoper; De koper; X J Sp. z o.o” 2.10. De bijlagen vermelden onder meer de volgende gegevens: Nummer Produkt Opp (ha) Hoeveel heid Een-heid E/ƒ Contract prijs oogst- periode (begin) oogst- periode (einde) Datum onder- tekening 1 Asperges 6,00 45.000 kg ƒ 135.000 25-4-2000 25-6-2000 07-04-2000 2 Asperges 3,90 30.000 kg ƒ 92.500 25-4-2000 25-6-2000 07-04-2000 3 Asperges 3,50 13.000 kg ƒ 45.750 25-4-2000 25-6-2000 07-04-2000 4 Prei 4,00 100.000 kg ƒ 100.000 1-7-2000 31-8-2000 15-06-2000 5 Aardbeien 3,50 63.000 kg ƒ 155.000 1-7-2000 31-8-2000 15-06-2000 Totaal ƒ 528.250 2.11. De ondertekening van de bijlagen 1, 2, en 3 heeft plaatsgevonden vóór de ondertekening van de overeenkomst op 1 mei 2000. De oogstperiode van de bij de bijlagen 1, 2, 3 verkochte producten is 18 dagen na de ondertekening van de bijlagen en voor de datum van ondertekening van de overeenkomst begonnen. De oogstperiode van de bij de bijlagen 4 en 5 verkochte producten is 16 dagen na de ondertekening van die bijlagen begonnen. 2.12.1. Belanghebbende heeft verklaard dat hij (nagenoeg) niet kennis heeft genomen van de inhoud van de bepalingen van de overeenkomst. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven dat hij vooral belang toekent aan de in de overeenkomst vermelde verkoopprijs van de oogst op stam en dat een schriftelijke overeenkomst in feite niet noodzakelijk is, omdat een afspraak een afspraak is. 2.12.2. Belanghebbende geeft met behulp van een aanvraag aan de koper de te oogsten producten door. Deze aanvragen zijn door belanghebbende niet bewaard. 2.13.1. Tijdens een bespreking met de Inspecteur op 13 juli 2004 te CS is aan S, zoon van belanghebbende, gevraagd: “Zij (toevoeging Hof: mevrouw F) keurt uw bedrag goed?”. S heeft daarop geantwoord: “Nee, zij stelt iets voor. Dan beslis ik of ik zaken doe of niet.”. Op de vraag “Die prijs is van te voren bekend?” heeft S geantwoord: “Er wordt niet onderhandeld over de prijzen”. 2.13.2. Bij brief van 15 september 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende gevraagd hoe en op welk moment de koopsom van de te leveren oogst volgens de overeenkomst is bepaald. Belanghebbende heeft bij brief van 29 september 2004 het volgende geantwoord: “Dit wordt voor de oogst aan je voorgelegd, je kunt dan accoord gaan of niet.”. 2.13.3. Bij brief van 18 oktober 2004 heeft de Inspecteur naar aanleiding van het in 2.13.2 vermelde antwoord van belanghebbende het volgende gevraagd: “Wat wordt aan u voorgelegd en hoe gebeurde dat voor elk van de contracten? Wilt u het tijdstip “voor de oogst” per contract nader preciseren?”. Belanghebbende heeft bij brief van 1 november 2004 op deze vraag het volgende geantwoord: “Voorgelegd wordt de door de contractpartner te betalen prijs per hectare. Afhankelijk van het product 1 tot 0ngeveer 8 weken voor de oogst, op het moment van afsluiten van het contract.”. 2.13.4. Bij brief van 10 november 2004 vraagt de Inspecteur, naar aanleiding van het in 2.13.3 vermeldde antwoord van belanghebbende: “Hier antwoordt u dat door de contractpartner de te betalen prijs per ha wordt voorgelegd. Wilt u aangeven op welke manier dat gebeurde? (B.v. per brief, fax of hoe dan ook).” In zijn brief van 24 november 2004 antwoordt belanghebbende hierop: “Mondeling.”. 2.14.1. In zijn brief van 15 september 2004 vraagt de Inspecteur aan belanghebbende hoe de structurele kosten voor het beschikbaar stellen van diverse voorzieningen, werktuigen, infrastructuur, hulpmiddelen en energie in de overeengekomen prijs worden verdisconteerd. Bij brief van 29 september 2004 antwoordt belanghebbende dat er niets wordt verdisconteerd. 2.14.2. Naar aanleiding van voornoemd antwoord van belanghebbende merkt de Inspecteur in zijn brief van 18 oktober 2004 het volgende op: “Voorstelbaar is dat het al dan niet akkoord gaan met een aangeboden prijs voor levering van producten afhankelijk is/zal zijn van de voor uw rekening komende kosten. Om die afweging te maken zal toch voor u vast moeten staan welke kosten wel, en meer nog, welke kosten zeker niet voor uw rekening komen. Gezien het vorenstaande zal het uitgangspunt van de contractprijs een prijs zijn waarbij winst wordt gemaakt. Er zal dus minimaal een beoordeling moeten worden gemaakt hoeveel de kosten belopen voor het beschikbaar stellen van diverse voorzieningen, werktuigen, infrastructuur, hulpmiddelen en energie en dus voor een bepaald bedrag zijn verdisconteerd in de overeengekomen prijs. Daaraan zullen normaliter berekeningen, aantekeningen, faxen en vastleggingen van afspraken ten grondslag moeten liggen.” Belanghebbende antwoordt hierop bij brief van 1 november 2004: “Uw uitgangspunt is onjuist. Ik krijg een prijs aangeboden die ik kan aanvaarden of niet. Ik bereken dus geen prijs en ik bepaal ook geen prijs. Er zijn dus ook geen gegevens bewaard gebleven want die zijn er zoals gezegd niet. Klip en klaar, ik krijg een prijs voorgelegd, die neem ik of die laat ik. Punt uit.”. 2.14.3. In antwoord op de vraag welke kosten begrepen zijn in “Diverse voorzieningen, infrastructuur en hulpmiddelen” antwoordt belanghebbende in de brief van 29 september 2004: “Regenpakken, huisvesting, energiekosten”. In antwoord op de vraag van de Inspecteur in de brief van 10 november 2004 om gespecificeerd per oogst aan te geven welke bedrijfsmiddelen beschikbaar worden gesteld in de betreffende oogstperiode, antwoordt belanghebbende in zijn brief van 24 november 2004: “Deze specificatie is onmogelijk precies te geven. Hiervan wordt geen administratie bijgehouden en is van een zo gering belang dat zulks niet meer is na te gaan. Ter beschikking wordt gesteld die middelen die men bij de oogst nodig heeft. Omdat per product het productieproces verandert ook tijdens de oogst is het onmogelijk zulks te specificeren. Zo kan het gebruik van de tractor de ene dag misschien 5 minuten zijn en de andere dag wellicht 20 minuten. Dit geldt voor de platte wagen, dat geldt voor een heftruck die elke dag wordt gebruikt om een vrachtauto te laden. Afhankelijk van de opbrengst van het geoogste product per dag zijn er meer of minder paletten te laden Het gebruik is echter gezien de gehele bedrijfsvoering van minimaal belang. Alle bedrijfsmiddelen worden dan ook in hoofdzaak gebruikt voor de bedrijfsvoering van onze onderneming. Uw vaststelling dat ALLE bedrijfsmiddelen ter beschikking worden gesteld is onjuist. (…)”. 2.15. Omdat de maatschap niet beschikt over een klembandrooier, welke nodig is voor het oogsten van prei, worden in de jaren 2002 en 2003 deze werkzaamheden verricht door loonwerker CT. CT heeft verklaard dat X1 de opdracht voor het rooien heeft gegeven. De kosten hiervan worden niet in rekening gebracht bij de koper van de oogst op stam. 2.16 Belanghebbende huurt voor de koeling van de geoogste producten koelruimte bij CV BV. De kosten hiervan worden niet in rekening gebracht bij de koper van de oogst op stam. 2.17. De door de maatschap aan J verkochte producten zijn geoogst door Poolse arbeiders. In 1997 en 1998 heeft de maatschap een ruimte gebouwd voor de huisvesting van Poolse arbeiders. De kosten hiervan bedragen ruim ƒ 330.000. In 2001 is deze ruimte verbouwd voor ƒ 74.274. De ruimte biedt plaats aan 50 personen. De kosten van het gebruik van deze ruimte zijn niet afzonderlijk in rekening gebracht bij de koper van de oogst op stam. 2.18. Belanghebbende heeft een munttelefoon geïnstalleerd ten behoeve van de Poolse arbeiders. De kosten daarvan zijn niet in rekening gebracht bij de Poolse vennootschap. De opbrengst is niet verantwoord in de aangifte. 2.19. In de overeenkomst is geen bepaling opgenomen met betrekking tot de vraag naar de aansprakelijkheid in het geval door een van de Poolse arbeiders schade wordt toegebracht aan de ter beschikking gestelde voorzieningen. 2.20.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar de onderstaande bedragen ontvangen: Datum Omschrijving Bedrag (ƒ) 15-06-00 H part.prod.2000 75.000,00 28-06-00 H part.prod.2000 110.000,00 12-07-00 H part.prod.2000 45.000,00 14-07-00 H part.prod.2000 40.000,00 31-08-00 H part.prod.2000 35.000,00 14-09-00 H part.prod.2000 75.000,00 27-09-00 H part.prod.2000 80.000,00 25-10-00 H part.prod.2000 68.250,00 Subtotaal 528.250,00 13-12-00 H prod.2000 26.623,79 Totaal 554.873,79 De deelbetalingen door H komen niet overeen met de bedragen die zijn vermeld in de bijlagen. De Inspecteur heeft bij brief van 15 september 2004 aan belanghebbende gevraagd: “Hoe weet u bij een betaling die betrekking heeft op meerdere contracten op welke contracten, welke producten en ev. welke hoeveelheden de betalingen betrekking hebben”. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 29 september 2004 geantwoord: “Op het laatst controleer je dat, als dan alles klopt is het goed. Daarvan zijn geen aantekeningen.” Op de vraag van de Inspecteur op welke manier dit wordt gecontroleerd of bijgehouden, antwoordde belanghebbende: “Dat is tussentijds niet goed te controleren, op het laatst controleer ik dat of het volledige bedrag betaald is.”. 2.20.2. De onder 2.20.1 vermelde bedragen zijn aan de maatschap uitbetaald via een rekening die op naam stond van H. Het bedrag van ƒ 528.250 is in 2000 als omzet van de maatschap verantwoord. De betalingen zijn niet exact te herleiden tot de bedragen in de verschillende bijlagen. 2.21. De maatschap heeft in het onderhavige jaar de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB 1968) toegepast. Het bedrag van ƒ 26.623,79 heeft betrekking heeft op het landbouwforfait als bedoeld in artikel 27, vierde lid, van de Wet OB 1968. Belanghebbende heeft verklaard dat dit bedrag door de Poolse vennootschap is uitbetaald zonder een (contractuele) verplichting daartoe. 2.22.1. Belanghebbende houdt niet bij op welk moment welke hoeveelheid van de oogst wordt afgenomen. Op de vraag van de Inspecteur waarom in de overeenkomsten een aantal kilo’s per overeenkomst wordt opgenomen, terwijl het uitgangspunt is dat de volledige productie van de genoemde percelen is verkocht, antwoordt belanghebbende: “Ik weet niet waarom de tegenpartij dat in het kontrakt opneemt”. Belanghebbende heeft voorts verklaard dat hij niet weet wie bijhoudt hoeveel kilo’s er van het land worden gehaald. 2.22.2. Belanghebbende beschikte in het onderhavige jaar over het softwarepakket CW. CW is een standaard teeltmanagementpakket ten behoeve van agrarische bedrijven in de akker- en tuinbouw, dat kan worden gebruikt voor het voeren van een teeltadministratie. 2.23.1. In artikel 5 van de overeenkomst wordt belanghebbende gevrijwaard voor verplichtingen welke voortvloeien uit kwalitatieve en kwantitatieve reclames en klachten, indien en voor zover deze verband houden met het groeirisico. Omtrent vrijwaring voor verplichtingen als gevolg van reclames en klachten anders dan in verband met het groeirisico, is in de overeenkomst niets bepaald. 2.23.2. Belanghebbende is niet gevrijwaard voor schades als gevolg van onjuist uitgevoerde spuitwerkzaamheden gedurende de oogstperiode. 2.24.1. De maatschap heeft mede voor de aan J verkochte producten in het onderhavige jaar hagelverzekeringen afgesloten. Deze verzekeringen zijn afgesloten voor de percelen asperges (13 ha), winterprei (6 ha), zomerprei (4 ha), aardbeien (3,5 ha) en preiplanten (0,35 ha). De premies zijn door de maatschap betaald en in mindering gebracht op de winst. In het controlerapport is dienaangaande het volgende vermeld: “In het navolgende overzicht zijn de verzekerde bedragen afgezet tegen de contractprijzen (bedrag waarover risico wordt gelopen) en de opbrengst van de producten zoals die door derden zijn gerealiseerd. 2000 Totaal contracten asperges Verzekerd bedrag hagelverzek. Geleverd door D aan CX incl OB asperges fl. 273.250,00 fl. 585.000,00 fl. 568.096,00 2000 Totaal contracten aardbeien Verzekerd bedrag hagelverzek. Geleverd door D aan CX incl OB aardbeien fl. 155.000,00 fl. 280.000,00 fl. 240.386,00 2000 Totaal contracten prei Verzekerd bedrag hagelverzek. Geleverd door D aan CQ incl OB (veilingopbrengst) zomerprei fl. 100.000,00 fl. 160.000,00 fl. 148.778,00” 2.24.2. Bij brief van 12 mei 2010 heeft de Inspecteur in het kader van een derdenonderzoek aan de DI een aantal vragen gesteld. DL heeft deze vragen bij brief van 26 mei 2010 als volgt beantwoord: “(…) U verzocht ons een aantal vragen te beantwoorden. Hieronder staan de vragen en de antwoorden weergegeven Vraag 1: Bestaat er voor een tuinder een juridische verplichting tot het sluiten van een hagelverzekering? - Tuinders zijn juridisch niet verplicht tot het sluiten van een hagelverzekering, tuinders bepalen zelf of zij al dan niet hun gewassen wensen te verzekeren tegen hagelschade Vraag 2: Bepaalt de tuinder het verzekerde bedrag of wordt dit door de DI bepaald? In casu wordt door een tuinder verklaard dat door uw organisatie dwingend wordt voorgeschreven tegen welke waarde de oogst op stam moet worden verzekerd (is bijvoorbeeld onderverzekering toegestaan?). - Voor de gewassen ‘groente en fruit buiten’ wordt door DI een verzekerd bedrag geadviseerd. De klant heeft de mogelijkheid om hiervan af te wijken. De mogelijkheid van afwijking is echter niet onbeperkt; de tuinder mag maximaal 30% van het geadviseerde verzekerd bedrag afwijken. In geval van sierteelt bedraagt de afwijking maximaal 50%. Alleen in uitzonderlijke gevallen, waarbij de verzekeringnemer goede argumenten heeft om meer af te wijken dan de genoemde percentages, wil DI ruimere percentages toestaan. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij primeurteelt of teelt van exclusieve soorten bloemen of planten. Vraag 3: Is het gebruikelijk dat een tuinder zijn oogst op stam verzekert tegen de veilingwaarde, terwijl door deze tuinder het groeirisico (contractueel) is overgedragen aan een derde? - Wanneer een tuinder een gewas teelt op basis van contractteelt (de tuinder teelt het gewas van een derde en ontvangt hier een vergoeding voor) is het niet gebruikelijk dat hij het gewas verzekerd tegen de veilingwaarde. In dit geval is het gebruikelijk dat hij de teeltvergoeding verzekerd. Vraag 4: Wat is de gebruikelijke waarde waarvoor de oogst op stam wordt verzekerd (en hoe komt deze waarde tot stand)? - De gebruikelijke waarde waarvoor groente of fruit gewassen buiten worden verzekerd is de reëel te verwachten opbrengst gebaseerd op de marktwaarde, ofwel veilingwaarde van de afgelopen jaren.” 2.24.3. Met schadedatum 5 juni 2001 is door DI op een perceel aardbeien hagelschade vastgesteld van 15,5%. In de op 16 juni 2001 ondertekende bijlage nr. 5 is de hoeveelheid te leveren product en prijs met dit percentage aangepast. 2.25. De maatschap is in 2003 respectievelijk 2004 door de economische politierechter van de Rechtbank en, in hoger beroep, het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld ter zake van het op of omstreeks 15 en 16 juni 1999 tewerkstellen van Poolse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning. Voor 1999 had de maatschap met H eenzelfde overeenkomst afgesloten als voor het jaar 2000 met J. Het Gerechtshof overwoog in het vonnis van 26 februari 2004, nummer 04/064378-00, inzake de maatschap het volgende: “a. Door de verbalisanten is geconstateerd dat de in de bewezenverklaring genoemde Poolse werknemers aanwezig waren op een perceel in eigendom van verdachte. Uit de verklaringen van de aangetroffen Poolse werknemers blijkt dat zij asperges hebben gestoken/geoogst. Ook blijkt uit het proces-verbaal dat deze werknemers hun slaapplaats op de boerderij van verdachte hadden. Uit de verklaringen van in elk geval 2 Poolse arbeiders blijkt dat de verdachte een actieve betrokkenheid had bij de bedrijfsvoering van oogsten, wassen tot sorteren van de asperges al dan niet daarbij geholpen door CY. Een van de Poolse arbeidskrachten, te weten CZ, die zelf in Polen een boerenbedrijf leidt, heeft verklaard dat hij bij aankomst in 1999 in Nederland, samen met zijn medepassagiers uit de bus uit Polen, welkom werd geheten door S en CY. Hij verklaart dat beiden hun de gereedschappen hebben laten zien. De volgende dag hebben S en CY aan hen laten zien hoe zij asperges moesten steken. CZ verklaart dat S en CY hen controleerden. CY was tolk en hield toezich op hun werk. Dat toezicht hield in dat zij rondliep en keek hoe zij werkten, zij plaatste opmerkingen, en vertelde daarna aan S wie van hen goed en wie slecht werkte. De andere aangetroffen Poolse arbeiders hebben eveneens verklaard dat ze werkopdrachten kregen van CY. CY ontkent een toezichttaak te hebben gehad, maar zegt wel getolkt te hebben tussen Poolse arbeiders en leden van de familie X1. CZ verklaart ook dat S hun gezegd heeft zijn naam buiten alles te houden. DB verklaart ook werkopdrachten van X1 te hebben gekregen. b. S heeft ter terechtzitting in eerste aanleg bevestigd dat hij inderdaad nieuwe Poolse werknemers verwelkomde en ze het gereedschap en de slaapplaatsen liet zien. Verder heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in het veld toezicht heeft gehouden om veilig te stellen dat de aspergeplanten niet vernield werden. Als hij zag dat werknemers aan de planten stonden te trekken en te rukken, heeft hij daarover iets gezegd tegen hen. c. CZ verklaart te hebben gezien dat de asperges op de boerderij van X1 werden gewassen door onder andere de eigenaresse van de boerderij, door S en af en toe zijn vriendin en ook door CY. Tegenover de rechter-commissaris op 9 april 2002 verklaart hij in dit verband nog onder meer dat de toekomstige vrouw van S en andere Nederlandse vrouwen, waaronder de zus van S, de asperges wasten en sorteerden.” 2.26.1. In het door de bank opgestelde rapport van 6 december 2000 naar aanleiding van een financieringsaanvraag door de maatschap, wordt het volgende opgemerkt: “De asperges en de aardbeiden worden verhuurd aan de Poolse firma H. Zij krijgen een vergoeding voor de produkten met aftrek van arbeidskosten. De produkten worden via een omweg toch met name afgezet op de veiling.” en “De arbeids invulling is wel een steeds groter probleem geworden. Omdat niet meer genoeg huisvrouwen en scholieren betrokken konden worden, hebben de ondernemers met name Poolse werknemers ingeschakeld. In het begin mocht dat nog legaal, echter later is er een andere constructie bedacht. De ondernemers hebben hun velden nu op papier verhuurd aan een Pools bedrijf dat voor de oogstwerkzaamheden zorgt. Ondernemers krijgen daarvoor een soort verhuur vergoeding.” 2.26.2. Over de opbrengsten merkt de bank in het onder 2.26.1 genoemde rapport het volgende op: “Opbrengsten per ha 1997 1997 1999 Prognose Suikerbieten f. 12.605 f. 5.767 f. 8.687 f. 9.000 Asperges f. 25.059 f. 24.746 f. 28.309 f. 26.000 Prei f. 29.592 f. 26.272 f. 33.137 f. 29.500 Aardbeien f. 38.957 f. 45.000 In vergelijking tot de sector zijn deze saldo’s veel te laag. De prei-opbrengsten zijn nog enigszins acceptabel, zij het wel wat aan de lage kant (…). De asperge opbrengsten zijn echter veel te laag. Uitgaande van de gemiddelde opbrengstprijzen van de afgelopen jaren zou de produktie slechts rond de 3500 kg per ha liggen. Het gemiddelde ligt rond de 5500 kg. Het verschil zit hem natuurlijk in de arbeidskosten. Die zijn extreem laag, slechts, f. 16.000,- per jaar. Indien rekening wordt gehouden met f. 15.000,- tot f. 20.000,- arbeidskosten per ha, dan kloppen de saldo’s redelijk. Ditzelfde geldt natuurlijk ook voor de aardbeien.” 2.26.3. Door één aan de maatschap verbonden vennootschap (X2, voorheen DE) zijn op 2 juni 2004 zowel de huidige en toekomstige voorraden als de huidige en toekomstige land- en tuinbouwproducten verpand aan de bank. Aan deze verbonden vennootschap wordt door de maatschap de onderneming verhuurd. 2.27. Bij brief van 11 januari 2005 heeft X2 de gemeente DF verzocht om ontheffing voor het huisvesten van meer seizoensarbeiders gedurende een periode van drie maanden in teeltjaar 2005. In de brief is voor zover van belang het volgende vermeld: “De bedrijfsomvang is zodanig dat er voor de oogst van de gewassen een groter aantal tijdelijke arbeidskrachten moet worden ingehuurd. In deze arbeidsbehoefte wordt jaarlijks voorzien door inschakeling van buitenlandse (in de regel Poolse) werknemers. (…) Het onderkomen voor de tijdelijke arbeidskrachten is op professionele en humane wijze ingericht binnen het bestaande hoofdgebouw. Naast het gegeven dat er binnen de groep één iemand verantwoordelijk is voor de planning en inzet van de werknemers staat de groep continu onder toezicht van de bedrijfsleiding en heeft men zich te houden aan duidelijke huisregels. (…)”. 2.28. In een rapportage inzake bedrijfsovername, opgemaakt door DG en gedagtekend 8 augustus 2000, is het volgende vermeld: “Arbeid Sedert meerdere jaren wordt het te velde staand oogstbaar gewas tegen hectare-prijs verkocht aan de Poolse onderneming J. Van de zijde van de maatschap wordt aanvullend “infrastructuur” geleverd. Deze regeling loopt tot dusver probleemloos. Nadrukkelijk dient te worden opgemerkt dat zowel de bedrijfsvereniging als de belastingdienst regelmatig proefprocedures opstarten ten einde een fictieve dienstbetrekking met de Poolse medewerkers aan te tonen. In dit kader dient mijns inziens zelfs de schijn van een gezagsverhouding tussen S en de Poolse arbeiders vermeden te worden.” 2.29. Belanghebbende heeft zorg gedragen voor het sluiten van individuele reisverzekeringen bij verzekeringsmaatschappij FO. Ter zake van deze verzekeringen zijn geen premies ten laste van de winst van de maatschap gebracht. De Inspecteur heeft gesteld dat deze verzekeringen zijn afgesloten ten behoeve van zwart betaalde Poolse werknemers die in de betreffende jaren werkzaamheden verrichtten bij het aanplanten van aardbeien en prei en het oogsten en schonen van (niet aan J verkochte) winterprei. De Inspecteur heeft het zwarte loon berekend op ƒ 24.318 voor 2000 en ƒ 30.978 voor 2001. 2.30.1. DH B.V. (hierna: DH) is een onderzoeksinstituut dat onder andere het aardbeienras DJ heeft ontwikkeld. Voor het vermeerderen van plantmateriaal van het ras DJ sluit DH licentieovereenkomsten af met kwekers die te kennen hebben gegeven daarvoor in aanmerking te willen komen. J is niet aangesloten bij DH. 2.30.2. In het verslag van het derdenonderzoek bij DH van 26 februari 2004 is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Polenconstructie DH is op de hoogte van de zogenaamde Polenconstructie en weet ook welke DH- licentienemers hiervan gebruikmaken. DH heeft naast de licentieovereenkomst met deze groep geen additionele afspraken m.b.t. de Polenconstructie gemaakt. DH accepteert in principe de handelwijze van de tuinders niet, zoals ook blijkt uit de controleverslagen die in de dossiers van diverse tuinders zijn aangetroffen. DH heeft, na herhaaldelijk verzoek, nooit inzicht gekregen in de contracten tussen de tuinders enerzijds en de Poolse vennootschap anderzijds. Vervolgens heeft DH getracht contact op te nemen met de vertegenwoordiger van de Poolse vennootschap (de heer R) om met de Poolse vennootschap ook licentieovereenkomsten af te sluiten, zodat de kwestie voor DH juridisch correct zou zijn afgehandeld, maar deze vertegenwoordiger reageert niet. DH is niet te spreken over deze handelwijze maar na een mondelinge toelichting van een van de licentienemers is gebleken dat het bedrijfsbelang van DH niet daadwerkelijk wordt geschaad. Immers de licentienemer is verantwoordelijk voor de uitvoering van het licentiecontract met DH. Zolang het bedrijfsbelang van DH niet daadwerkelijk geschaad wordt, kijkt DH door de Poolse vennootschap heen. De tuinder is voor DH de contractspartij. De tuinder/licentiehouder is in elk opzicht aansprakelijk, zowel voor vermeerdering van planten, de opgave omtrent deze vermeerdering als ook de levering van planten. Ook de markt ziet de planten als een product van de tuinder en niet van een Poolse vennootschap.” 2.31. De afgifte van een spuitlicentie geschiedt door de DA en wordt geregistreerd. Belanghebbende beschikt over een spuitlicentie. J beschikt niet over een spuitlicentie. 2.32. De Stichting DK (hierna: DK) oefent toezicht uit op kwaliteitsvoorschriften ten aanzien van in Nederland geproduceerde groenten en fruit. Keurmeesters van de DK voeren steekproefsgewijs controles uit op groenten en fruit. De keuring betreft geoogste, verzendklare producten van zowel aangesloten als niet aangesloten bedrijven. Het keuringsrapport wordt verstrekt aan het bedrijf waar de producten zijn geteeld. J is niet aangesloten bij DK en wordt niet vermeld bij de niet-aangesloten bedrijven die aan keuring van DK zijn onderworpen. 2.33.1. Op 13 juli 2004 is namens de Inspecteur een onderzoek gestart bij de maatschap. Hierbij is gevraagd om inzage in de e-mails en bestanden van de computer. Belanghebbende heeft die inzage geweigerd. De bij het onderzoek aangetroffen computer is eind 2003 aangeschaft. Tussen partijen is afgesproken dat de maatschap een (ten tijde van de controle gemaakte) kopie van de harde schijf alsnog zou verstrekken indien de civiele rechter oordeelt dat de informatie moet worden verstrekt. Hetzelfde is gebeurd bij een aantal andere tuinders. Bij uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2006, nr. KG C0500830/HE, LJN AW4328, V-N 2006/21.4, is in kort geding in de ter zake aangespannen proefprocedure de betreffende tuinder veroordeeld tot het inzage verstrekken in en afschriften verstrekken van de e-mailberichten met bijlagen die zich bevonden op de computer, op een door de Inspecteur aan te geven wijze (bijvoorbeeld door middel van het “uitlezen” van de harde schijf van de desbetreffende computer). Belanghebbende heeft op 23 oktober 2006 een viertal cd-roms met daarop de inhoud van de betreffende computer aan de Inspecteur verstrekt. 2.33.2. In het verslag van de bespreking op 13 juli 2004 is het volgende vermeld: “Hierbij is te vermelden dat de gehele kopie gemaakt is van de harde schijf van een computer die eind 2003 is aangeschaft. Op mijn vraag aan dhr. X wat er met de vorige computer aan de hand was kreeg ik de navolgende verklaring. De oude computer leverde zoveel problemen op, waarschijnlijk door een virus of zoiets, dat hij crashte. Ik het de computer toen gebracht naar een computerservicebureau in Y1, die hem weer aan de praat hebben gekregen. Toen was het probleem even verholpen maar na een korte tijd liep de computer weer vast. Hierop heb ik besloten een nieuwe computer aangeschaft te weten deze die hier nu staat. Op mijn vraag of er oude data van de oude computer overgezet is naar de nieuwe computer zij dhr. X dit niet te weten. Volgens hem niet, het computerservicebureau heeft de computer voor hem ingericht dus ging hij er van uit dat de oude data niet zijn overgezet. De oude computer is niet meer op het bedrijf aanwezig.”. 2.34. De Inspecteur is van mening dat de overeenkomsten realiteit ontberen en heeft bij alle betrokken tuinders de gehele winst die is gemaakt bij de uiteindelijke verkoop van de producten toegerekend aan de tuinders zelf, onder aftrek van een bedrag voor loonkosten van de Poolse arbeiders. De loonkosten heeft de Inspecteur gesteld op ƒ 8 per uur en het aantal gewerkte uren heeft hij afgeleid uit de bij D aangetroffen administratie. De Inspecteur heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de winst tevens moet worden verminderd met de marge die aan D toekomt. 2.35. Aan J zijn over het onderhavige jaar aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd ter zake van dezelfde winstbedragen als waarover bij belanghebbende en zijn zoon is geheven. J heeft het aan haar uitgereikte aangiftebiljet vennootschapsbelasting niet geretourneerd en heeft de belasting niet betaald. Ook de andere, in 2.3 vermelde Poolse vennootschappen hebben in Nederland geen aangifte gedaan noch belasting betaald. 2.36.1. De Inspecteur heeft bij brief van 18 december 2003 belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is om een navorderingsaanslag op te leggen. In diezelfde brief van 18 december 2003 heeft de Inspecteur op grond van het bepaalde van artikel 67g van de AWR aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is om een boete op te leggen ten bedrage van 100% van de nagevorderde belasting. 2.36.2. De Inspecteur heeft met dagtekening 18 december 2003 de onderhavige navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente bekend gemaakt. 2.37. De Geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur in de uitspraak van 6 oktober 2011 opgedragen de namen van buitenlandse ambtenaren bekend te maken. De Inspecteur heeft die namen niet bekend gemaakt. 2.38.1. In de brief van 27 november 2008 heeft de Inspecteur, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Sinds de mondelinge behandeling door de rechtbank is een aantal nieuwe stukken naar voren gekomen. De gemachtigde heeft op 29 oktober 2008 inzage gekregen deze stukken. Op verzoek zijn kopieën daarvan verstrekt. Voorts is recent nog een aantal stukken nagestuurd aan gemachtigde. Naar onze mening is een groot gedeelte van de nieuwe stukken niet relevant voor de besluitvorming in de onderhavige geschillen en kan daar ook anderszins niet aan bijdragen. Als bijlage bij deze brief hebben wij dan ook enkel die stukken opgenomen die naar onze mening op de zaak betrekking hebben. Zoals gezegd, heeft gemachtigde wel inzage gehad in alle stukken. Indien gemachtigde derhalve van mening mocht zijn dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht, dan kan hij deze zelf inbrengen. Overigens zijn wij op verzoek van uw Hof of van gemachtigde graag bereid de ontbrekende stukken alsnog in te brengen. Wij verzoeken uw Hof deze stukken te rekenen tot de processtukken van alle hiervoor genoemde procedures.”. 2.38.2. Belanghebbende heeft in zijn brief van 16 juni 2009 aan de Inspecteur, voor zover van belang, het volgende vermeld: “Toen wij uw brief aan het Gerechtshof van 27 november 2008 er nog eens bij pakten, bleek ons dat u het Gerechtshof heeft laten weten dat u graag bereid bent om het integrale dossier toe te zenden. Dit bracht ons op het volgende idee. Graag zouden wij dit integrale dossier van u ontvangen. Het is niet in uw belang, noch dat van cliënten om het Gerechtshof te overladen met papier. Wij achten het dan ook in beginsel onwenselijk indien alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Gerechtshof zouden worden toegezonden. Wel vinden wij het belangrijk dat cliënten kennis (kunnen) nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en wij daaruit zonodig een selectie aan het Gerechtshof kunnen zenden.”. 2.38.3. Bij brief van 16 oktober 2009 heeft de Inspecteur de door de gemachtigde gevraagde kopieën aan deze doen toekomen. 2.38.4. De Inspecteur heeft in zijn brieven van 10 februari 2009 en 24 februari 2009 aan de belastingautoriteiten van S vermeld: “Volgens informatie waarover wij beschikking zijn de aandelen van I Ltd (…) in handen van CK Ltd. Kunt u ons informeren wie de aandeelhouder(s) en bestuurder(s) is/zijn van CK Ltd?”. 2.39. De Inspecteur heeft bij brief van 15 november 2007 het geschil beperkt tot de correcties als vermeld in onderstaande opstelling: Belastbaar inkomen na afwijking aangifte ƒ 5.833 Herrekende omzetcorrectie ƒ 78.391 Vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 84.224 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Principaal hoger beroep 1. Moet de navorderingsaanslag worden vernietigd omdat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de opdracht van de Geheimhoudingskamer? 2. Heeft de Inspecteur nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen? 3. Heeft de maatschap in het onderhavige jaar de onder 2.10 vermelde oogst op stam daadwerkelijk verkocht aan J? 4.1. Rust op belanghebbende de last te doen blijken – dat wil zeggen: overtuigend aan te tonen - dat, en zo ja, in hoeverre de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag onjuist is? 4.2. Is sprake van een redelijke schatting? 4.3. Heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld? 5. Is de Inspecteur gelet op het bepaalde in artikel 16 van de AWR bevoegd om de onderhavige navorderingsaanslag op te leggen? 6. Staat het vertrouwensbeginsel aan het opleggen van een navorderingsaanslag in de weg? 7. Heeft de Inspecteur de aanslagtermijn opgerekt door een navorderingsaanslag ter behoud van rechten op te leggen? 8. Heeft de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nagelaten belanghebbende te horen voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslag? 9. Is de Inspecteur bevoegd om aan belanghebbende een navorderingsaanslag op te leggen ten aanzien van hetzelfde feitencomplex op grond waarvan aan J aanslagen zijn opgelegd? 10. Is de boete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? 11. Is de heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht. 12. Is het recht van belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), geschonden? Incidenteel hoger beroep 13. Dienen de proceskosten integraal te worden vergoed? Belanghebbende beantwoordt de vragen 1, 2, 3, 4.3, 6, 7, 8, 12 en 13 bevestigend en de vragen 4.1, 4.2, 5, 9, 10 en 11 ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter inlichtingencomparities en ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze inlichtingencomparities en van de zitting opgemaakte processen-verbaal. 3.3. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.224 (€ 38.219,18), dienovereenkomstige vermindering van de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente en vermindering van de boete – naar het Hof begrijpt - tot een bedrag van ƒ 26.990 (€ 12.247). Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten, en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor het overige. 4. Gronden Ten aanzien van het geschil Opdracht Geheimhoudingskamer 4.1.1. De Geheimhoudingskamer heeft bij tussenuitspraak van 6 oktober 2011 uitspraak gedaan op het beroep van de Inspecteur op artikel 8:29 van de Awb. De Geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat de door de Inspecteur aangevoerde gewichtige redenen deels zijn gerechtvaardigd. De Geheimhoudingskamer heeft voorts aangegeven voor welke passages geheimhouding niet is gerechtvaardigd. Vervolgens heeft de Geheimhoudingskamer de Inspecteur verzocht om onverwijld te berichten of hij bereid is de stukken, geheel of gedeeltelijk, op de door de Geheimhoudingskamer weergegeven wijze te schonen. 4.1.2. De Inspecteur heeft bij brief van 26 oktober 2011 bericht dat hij bereid is de stukken overeenkomstig de tussenuitspraak van de Geheimhoudingskamer in te brengen, met uitzondering van de namen en kenmerknummers van de buitenlandse ambtenaren in de stukken als genoemd in voetnoot 3 van het brondocument behorend bij de tussenuitspraak van de Geheimhoudingskamer en heeft vervolgens de desbetreffende stukken ingebracht. 4.1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 24 januari 2012 gesteld dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de beslissing van de Geheimhoudingskamer. Belanghebbende acht dit verzuim dermate ernstig en fundamenteel van aard dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. 4.1.4. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur – gelet op de beslissing van de Geheimhoudingskamer – niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Op grond van artikel 8:31 van de Awb kan het Hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die het Hof geraden voorkomt. 4.1.5. Het Hof acht het in dit kader van belang dat weliswaar bepaalde gegevens niet zijn overgelegd, maar dat wel duidelijk is wat de aard van deze gegevens zijn. Het gaat hier om namen van buitenlandse ambtenaren en kenmerknummers in correspondentie die zijn te herleiden tot de desbetreffende buitenlandse ambtenaren. Van belanghebbende mag worden verlangd dat hij op zijn minst aangeeft op welke wijze hij in zijn rechtspositie wordt geschaad door het niet overleggen van deze gegevens. Belanghebbende heeft op dit punt niets naar voren gebracht, maar slechts volstaan met de blote stelling dat de mogelijkheid om te onderzoeken of informatie voorhanden is die zou moeten leiden tot vernietiging van de aanslagen, hem wordt ontnomen. Ondanks het ontbreken van de namen en kenmerknummers heeft belanghebbende – naar het oordeel van het Hof - wel degelijk de mogelijkheid om de buitenlandse autoriteiten vragen te stellen omtrent de door deze autoriteiten verstrekte gegevens. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat belanghebbende op de hoogte is van de namen van de individuele ambtenaren. Belanghebbende heeft een dergelijke poging niet ondernomen, althans niet is gesteld dat een dergelijk inlichtingenverzoek is gedaan. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet in zijn procespositie is geschaad door het handelen van de Inspecteur. Het Hof ziet dan ook geen reden om consequenties te verbinden aan het niet verstrekken van de namen van de buitenlandse ambtenaren en de kenmerknummers in de van de buitenlandse autoriteiten afkomstige stukken. Op de zaak betrekking hebbende stukken. 4.2.1. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ook overigens heeft nagelaten de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb in het geding te brengen. 4.2.2. Partijen zijn het er, gelet op de inhoud van de onder 2.38.1 tot en met 2.38.3. vermelde briefwisseling, over eens dat het vanwege de omvang van het dossier niet wenselijk is dat alle beschikbare stukken aan het Hof worden toegezonden en zijn daarom overeengekomen dat de Inspecteur alle stukken waarover hij beschikt in het kader van het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag in kopie aan de gemachtigde zal verstrekken, waarna een selectie van die stukken aan het Hof zal worden gezonden. Het Hof acht aannemelijk dat de Inspecteur, in overeenstemming met de inhoud van zijn brieven van 27 november 2008 en 16 oktober 2009, alle stukken aan belanghebbende in kopie heeft verstrekt. De in de nadere stukken van 22 februari 2012 door gemachtigde ingenomen stelling dat dit niet het geval is, verwerpt het Hof. Belanghebbende heeft het Hof niet verzocht om, anders dan overeengekomen met de Inspecteur, alle aan hem in kopie verstrekte stukken aan het Hof te doen toekomen. 4.2.3. De omstandigheid dat het Hof ondanks de door partijen als voornoemd gemaakte afspraak omtrent het inzenden van stukken aan het Hof, de beschikking wenste over meer stukken dan door partijen in onderling overleg waren toegezonden, maakt niet dat de Inspecteur, die aan het verzoek van het Hof tot inzending van de gevraagde stukken heeft voldaan, heeft nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb beoogt in beginsel de belangen van de wederpartij te beschermen in het kader van een juiste toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Aan die bescherming is ruimschoots voldaan, nu belanghebbende de beschikking heeft gekregen over alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de stukken die nadien op verzoek van het Hof aan het procesdossier zijn toegevoegd. Belanghebbende heeft niet verzocht om, in afwijking van de onder 4.2.2 vermelde afspraak, alle stukken waarover de Inspecteur beschikt, door deze in het geding te laten brengen. 4.2.4. Belanghebbende heeft voorts in zijn brief van 24 november 2011, onder verwijzing naar de brieven van de Inspecteur van 10 februari 2009 en 24 februari 2009, gesteld dat de Inspecteur informatie waarover hij beschikt niet ter inzage heeft verstrekt. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. 4.2.5. Tijdens de inlichtingencomparitie van 1 februari 2012 heeft de Inspecteur verklaard, dat de informatie als bedoeld in de onder 2.38.4 vermelde brieven betrekking heeft op de aandeelhouders van de Cypriotische vennootschappen en is te vinden in Appendix D-5/3 en F-8/3. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan deze, door belanghebbende (uiteindelijk) niet weersproken, verklaring van de Inspecteur. 4.2.6. Belanghebbende heeft ten slotte aangevoerd dat de Inspecteur niet alle hem ter beschikking staande stukken uit het onderzoek door de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (SIOD) heeft overgelegd. Het Hof acht – mede gelet op de geloofwaardige verklaringen van de Officier van Justitie en de heer A – aannemelijk dat de Inspecteur niet de beschikking had over meer stukken betreffende dit onderzoek dan hij heeft overgelegd. 4.2.7. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. 4.2.8. De Inspecteur heeft het Hof bij brieven van 10 oktober 2011, 25 november 2011 en 7 februari 2012 medegedeeld dat hij geen toestemming heeft gekregen om te beschikken over de stukken die betrekking hebben op het door de SIOD in gang gezette strafrechtelijk onderzoek (SOHO). Daarbij heeft de Inspecteur het Hof verzocht om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb belanghebbende te verzoeken om alle stukken met betrekking tot het SIOD-onderzoek in het geding te brengen. Het Hof wijst dit verzoek af. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende, die geen verdachte is in het SIOD-onderzoek, over stukken met betrekking tot dit onderzoek beschikt. Het Hof overweegt daarnaast, ten overvloede, dat belanghebbende, op wie de bewijslast in beginsel niet rust, niet gehouden kan worden stukken in het geding te brengen die als bewijs kunnen dienen voor de stelling van de Inspecteur. De Inspecteur heeft voorts niet aannemelijk gemaakt in welke zin de betreffende stukken, die betrekking hebben op de periode 2007-2011, relevantie hebben voor de onderhavige procedure. Realiteit overeenkomsten met Poolse vennootschap 4.3. De Inspecteur stelt dat de inhoud van de onder 2.8 vermelde verkoopovereenkomst en van de bij die overeenkomst behorende, onder 2.9 en 2.10 vermelde, bijlagen, niet overeenkomt met hetgeen partijen bij voornoemde overeenkomst in werkelijkheid hebben beoogd. Het belang bij de oogst is, aldus de Inspecteur, in tegenstelling tot hetgeen daaromtrent in de verkoopovereenkomst is vermeld, niet overgegaan naar J, maar ononderbroken bij belanghebbende blijven rusten en de winst behaald bij de verkoop van de geoogste producten is niet ten goede gekomen aan J, maar is, met uitzondering van de 1% marge voor D, ten goede gekomen aan belanghebbende. 4.4. Het Hof stelt voorop dat op de Inspecteur de bewijslast rust van de door hem gestelde feiten en omstandigheden en van de stelling dat aan die feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de gevolgtrekking moet worden verbonden dat de schriftelijke overeenkomst en de daarbij behorende bijlagen niet de bedoeling van de bij de overeenkomst betrokken partijen weergeven. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. 4.5.1. Sinds 1996 worden door de maatschap overeenkomsten gesloten met een Poolse vennootschap, waarbij percelen aardbeien en zomerprei op stam worden verkocht. Het Hof acht aannemelijk dat beide maten op dezelfde wijze betrokken waren bij de samenwerking met de Poolse vennootschap. Voor zover in deze uitspraak de maatschap of de zoon van belanghebbende is vermeld, wordt daarmee tevens belanghebbende bedoeld en vice versa. 4.5.2. Het merendeel van de in de jaarrekening van het onderhavige jaar vermelde omzet ziet op producten die op stam worden verkocht aan J. De samenwerking tussen belanghebbende, mevrouw F en de heer R vindt, naar belanghebbende heeft verklaard en het Hof aannemelijk acht, gedurende een reeks van jaren op gelijke wijze plaats. 4.5.3. Belanghebbende heeft gesteld dat hij reeds vanaf het begin van de samenwerking het vertrouwen in R ontleent aan de mededeling van R dat hij voorheen als politieman en vakbondsman werkzaam is geweest. Gelet op die achtergrond van R kon belanghebbende, die stelt dat J voor hem een derde is, zich niet voorstellen dat R zaken zou doen met onbetrouwbare vennootschappen. Belanghebbende heeft verklaard dat hij geen informatie heeft ingewonnen omtrent J en zich niet op de hoogte heeft gesteld van de identiteit van F en de capaciteiten van R en F ter zake van agrarische activiteiten. Richting mevrouw F heeft belanghebbende eveneens gehandeld op basis van vertrouwen. Hij heeft verder, naar hij stelt, nimmer reden gehad om te twijfelen aan de bevoegdheid van mevrouw F. Vaststaat dat F en R beiden niet, in ieder geval niet ten tijde van de start van de verkoop van de oogst op stam, beschikten over deskundigheid op het terrein van het telen, oogsten en verhandelen van groente, fruit en planten. 4.5.4. Het Hof acht gelet op het voorgaande aannemelijk dat belanghebbende niet slechts in het onderhavige jaar maar reeds vanaf de eerste maal dat de oogst op stam werd verkocht geen noodzaak aanwezig heeft geacht om na te gaan aan wie hij zijn oogst op stam heeft verkocht en onder welke voorwaarden hij dat deed. Belanghebbende heeft evenmin aanleiding gevonden om omtrent de samenwerking met H, G en J juridisch advies in te winnen. Belanghebbende heeft omtrent de door de Inspecteur aangedragen feiten en omstandigheden betreffende G, H immers verklaard dat hem van die vennootschappen niets bekend is, terwijl hij, naar het Hof - gelet op het tijdstip waarop belanghebbende is gestart met de verkoop van oogst op stam - aannemelijk acht, met elk van voornoemde vennootschappen soortgelijke overeenkomsten heeft afgesloten. 4.5.5. Gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd acht het Hof aannemelijk dat J een zeer beperkte substantie heeft. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat J zoals blijkt uit de onder 2.4 vermelde informatie van het Poolse ministerie van Financiën, in Polen geen aangiften in de vennootschapsbelasting en omzetbelasting heeft gedaan en niet beschikt over een omzetbelastingnummer. Ook overigens geeft J geen blijk van enige economische activiteit. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de Poolse belastingautoriteiten onder meer in het onderhavige jaar het door J opgegeven vestigingsadres hebben bezocht en aldaar een particulier woonhuis hebben aangetroffen zonder enige tekenen van bedrijfsuitoefening. Het Hof hecht, gelet op de hiervoor genoemde resultaten van het door de Poolse belastingautoriteiten uitgevoerde onderzoek, geen geloof aan hetgeen R ten aanzien van J heeft verklaard in zijn onder 2.4.8. vermelde schriftelijke verklaring van 17 februari 2012. 4.5.6. Het Hof acht aannemelijk dat F, die de Nederlandse taal niet machtig is, steeds slechts incidenteel en kort Nederland bezocht en slechts beperkt kennis bezat van de bedrijfsvoering van J. Dat zij desalniettemin de leiding van J op zich heeft genomen en gedurende in ieder geval de periode 1995 tot 2002 de verantwoordelijkheid heeft gehad voor het voor aanzienlijke bedragen afsluiten van overeenkomsten met belanghebbende, is naar het oordeel van het Hof ongeloofwaardig. 4.6.1. Belanghebbende heeft ten aanzien van de met J gesloten overeenkomsten verklaard dat hij nagenoeg geen kennis heeft genomen van de inhoud van de door hem met J afgesloten overeenkomst, dat hij de noodzaak van een schriftelijke overeenkomst vanwege het bestaan van een mondelinge overeenkomst niet inzag en dat voor hem alleen de prijs van belang was. 4.6.2. De ondertekening van elk van de bijlagen heeft steeds kort voor de aanvang van de oogstperiode plaatsgevonden. Het Hof is van oordeel dat de korte periode die is gelegen tussen de verkoop van de oogst op stam door ondertekening van de bijlage en het daadwerkelijke moment waarop de oogst aanvangt voor belanghebbende risico’s met zich meebrengt, nu belanghebbende lange tijd geen zekerheid heeft dat de oogst ook daadwerkelijk op stam zal worden verkocht. Het Hof acht aannemelijk dat deze handelwijze in een zakelijke samenwerking voor de koper de mogelijkheid biedt een lagere prijs te bedingen, in de wetenschap dat het de verkoper onmogelijk is om op korte termijn voldoende personeel te werven terwijl hij zijn producten toch zal moeten oogsten. Bovendien kan gezien de korte tijd die ten tijde van de ondertekening van de bijlagen nog resteert tot de vermoedelijke oogstdatum een vrij nauwkeurige schatting van de kwantiteit en kwaliteit en van de veilingopbrengst van de oogst worden gemaakt. De stelling van belanghebbende dat de datum waarop de oogstwerkzaamheden daadwerkelijk aanvangen vanwege bijvoorbeeld weersomstandigheden soms later kan zijn gelegen dan de in de bijlage vermelde aanvangsdag, neemt, wat er van die stelling ook zij, niet weg dat belanghebbende in ieder geval steeds kort voor de door hemzelf geplande oogstdatum tot ondertekening van de bijlage overgaat en derhalve accepteert dat hij de hiervoor geschetste risico’s loopt. 4.6.3. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de in de bijlagen vermelde afspraken een vastlegging zijn van eerdere, mondeling gemaakte, afspraken en dat derhalve geen sprake is van een overeenkomst die kort voor de oogstperiode is afgesloten. De Inspecteur maakt aannemelijk dat in het geval de oogst al eerder mondeling op stam zou zijn verkocht en de overeenkomst en de bijlagen geen andere functie hebben dan deze mondelinge overeenstemming op schrift te bevestigen, een aanpassing van de prijs en het product in verband met de hagelschade, zoals het geval was op 5 juni 2001, niet in overeenstemming kan zijn met de door partijen mondelinge gesloten verkoopovereenkomst. Het Hof acht aannemelijk dat deze handelwijze eveneens zou zijn gevolgd indien de hagelschade zich in 2000 zou hebben voorgedaan. Uit de wijze waarop partijen omgaan met hagelschade volgt voorts dat aan het bepaalde in artikel 5.1 van de overeenkomst dat de koper het groeirisico volledig voor zijn rekening en risico zal nemen, pas is voldaan op het moment van ondertekening van de bijlage. 4.6.4. Ook overigens acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende met de Poolse vennootschap een mondelinge overeenkomst is aangegaan, waarbij zakelijke afspraken zijn gemaakt. Het Hof merkt hierbij nog op dat belanghebbende in de loop van de procedure met betrekking tot de wijze en het moment waarop partijen in het onderhavige jaar tot overeenstemming zijn gekomen verschillende, aan elkaar tegengestelde, verklaringen heeft afgelegd. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase immers verklaard dat van onderhandelingen geen sprake is geweest, dat de overeenkomst uitsluitend door de Poolse vennootschap wordt opgesteld en dat hij geen interesse heeft in de inhoud van de overeenkomst, maar slechts geïnteresseerd is in de voorgestelde prijs. Die verklaring geeft er naar het oordeel van het Hof geen blijk van dat een mondelinge overeenkomst is gesloten die gelijkwaardig is aan de schriftelijke overeenkomst. De eerst in de conclusie van repliek in eerste aanleg door belanghebbende ingenomen stelling dat jaarlijks in januari/februari een bijeenkomst plaatsvond waarbij de inhoud van de bijlagen werd besproken, acht het Hof gelet op het voorgaande niet aannemelijk. 4.6.5. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat bij belanghebbende geen inzicht bestaat in de rechten en verplichtingen die voor partijen voortvloeien uit deze overeenkomst, in de vraag op welke contractpartij de verplichtingen rusten en in de omvang van de rechten en verplichtingen. Belanghebbende heeft immers verklaard dat een concrete schriftelijke overeenstemming slechts waarde heeft in het geval zich problemen voordoen en ‘geleerden’ zich met de kwestie moeten bemoeien, hetgeen aldus belanghebbende nimmer het geval is geweest. 4.7.1. Ten aanzien van de door belanghebbende gestelde bijeenkomsten in januari/februari, waarop volgens belanghebbende prijsafspraken zijn gemaakt, overweegt het Hof als volgt. 4.7.2. Namens de maatschap is verklaard dat een prijs werd aangeboden die kon worden aanvaard of niet en dat namens de maatschap dus geen prijs werd berekend noch een prijs werd bepaald. Het Hof hecht geloof aan deze verklaring, die een antwoord vormt op een vierde (vervolg)vraag naar de wijze waarop de prijzen tot stand kwamen en welke verklaring een verlengstuk vormt van de antwoorden op de drie voorafgaand gestelde vragen van gelijke strekking. De Inspecteur heeft met het overleggen van deze verklaringen aannemelijk gemaakt dat belanghebbende geen onderhandelingen heeft gevoerd met J over de prijs die J voor de producten zal betalen. In het licht van deze verklaring hecht het Hof geen geloof aan de door belanghebbende eerst in de conclusie van repliek in eerste aanleg ingenomen - en naar het oordeel van het Hof aan de onder 2.13 vermelde verklaringen van belanghebbende tegengestelde - stelling dat D jaarlijks in januari/februari een bijeenkomst organiseerde waarin de samenwerking, de knelpunten en de inhoud van de bijlagen (inclusief de prijs) werden besproken en dat in aanvulling daarop later in het jaar via een aanvraag de variabelen van de te verkopen oogst werden doorgeven. Belanghebbende heeft bij de beantwoording van de vier vragenbrieven van de Inspecteur niets vermeld omtrent een bijeenkomst als in de conclusie van repliek in eerste aanleg vermeld, althans niet een bijeenkomst tijdens welke prijsonderhandelingen plaatsvonden. Ook overigens is niets gebleken van de door belanghebbende later in de procedure gestelde prijsonderhandelingen. Hetgeen belanghebbende omtrent de prijsonderhandelingen en het tijdstip waarop de prijs werd bepaald heeft aangevoerd in zijn verweerschrift in hoger beroep en in de pleitnota van 1 februari 2012, doet aan het voorgaande niet af. 4.7.3. Het Hof concludeert op grond van het voorgaande dat er geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden omtrent de in de overeenkomst of bijlagen te vermelden prijzen. 4.8.1. Belanghebbende heeft gesteld dat in de prijs zijn begrepen de kosten die belanghebbende heeft gemaakt en/of nog zal maken met betrekking tot de huisvesting van de Poolse arbeiders, het ter beschikking stellen van machines, het huren van koelruimte en het inschakelen van een loonwerker. Vaststaat dat belanghebbende geen administratie bijhoudt van de kosten die hij maakt in verband met het ter beschikking stellen van de machines aan de Poolse vennootschap en dat hij met de Poolse vennootschap geen afspraken heeft gemaakt met betrekking tot de aansprakelijkheid voor schade aan de ter beschikking gestelde machines, terwijl belanghebbende, naar hij heeft gesteld, de zeer kostbare productiemiddelen doorgaans zelf bedient om te voorkomen dat dergelijke productiemiddelen te snel slijten. Belanghebbende heeft in de jaren 1997 en 1998 voor circa ƒ 330.000 geïnvesteerd in huisvesting voor de Poolse arbeiders. Het was voor belanghebbende, naar hij stelt, duidelijk dat de Poolse mensen onderdak moesten hebben en hierover is bij aanvang van de samenwerking ook gesproken. Belanghebbende heeft verder verklaard dat hij niet beschikt over een specificatie van de kosten als bedoeld in artikel 6, leden 2 en 3 van de overeenkomst en dat hij een dergelijke specificatie ook onmogelijk kan realiseren voor wat betreft de kosten van het ter beschikking stellen van de machines. Volgens belanghebbende is hem wel duidelijk op welke voorzieningen wordt gedoeld in artikel 6, leden 2 en 3, maar is het onmogelijk om alle kosten die onder dit artikel moeten worden begrepen, te benoemen. 4.8.2. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende zodanig beperkte kennis bezit van de kosten die hij ten behoeve van de verkoop van oogst op stam maakt, dat hij bij het vaststellen van de prijs waarvoor hij zijn producten aan J wil verkopen, de door hem in dit verband gemaakte en nog te maken kosten nauwelijks kan meewegen. Voorts is op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat de ingrijpende investeringen in huisvestingsvoorzieningen invloed hebben op de overeen te komen prijs. Dat belanghebbende, zoals hij stelt, bij het sluiten van de overeenkomst steeds een kostprijsberekening in gedachten had, acht het Hof gelet op het voorgaande niet aannemelijk. 4.9. Het Hof is gelet op de door DL op 26 mei 2010 gegeven antwoorden op de vragen van de Inspecteur van 12 mei 2010 van oordeel dat het belanghebbende vrij stond om zijn gewassen te verzekeren tegen de teeltvergoeding. Anders dan belanghebbende stelt bestond er geen verplichting om de gewassen tegen veilingwaarde te verzekeren. In het licht van hetgeen belanghebbende in de onderhavige procedure zelf heeft verklaard, stelt de Inspecteur naar het oordeel van het Hof terecht vraagtekens bij de noodzaak van het afsluiten van deze verzekering. Zo het groeirisico overgaat ten tijde van het mondeling sluiten van de overeenkomst in januari en februari, zoals belanghebbende heeft gesteld, bestaat er immers geen noodzaak om de gewassen te verzekeren en zeker niet om die gewassen tegen de veilingwaarde te verzekeren. Het Hof acht echter aannemelijk dat het groeirisico, zo dat daadwerkelijk overgaat op de koper van de oogst op stam, eerst bij ondertekening van de bijlage overgaat. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat op 5 juni 2001 op een perceel van belanghebbende hagelschade is vastgesteld van 15,5%, met welk percentage de prijs is verminderd zoals vermeld op de bijlage die op 16 juni 2001 is ondertekend. Het Hof leidt hieruit af dat, gelet op de korte tijd die is gelegen tussen ondertekening van de bijlage en de aanvang van de oogst, het grootste deel van de teeltperiode het groeirisico bij belanghebbende berustte. Onder die omstandigheden is verklaarbaar dat belanghebbende hagelverzekeringen heeft afgesloten tegen veilingwaarde. 4.10.1. De maatschap heeft in het onderhavige jaar de totale in de bijlagen vermelde prijs alsmede een bedrag van ƒ 26.623,79 van H, de vorige contractspartner van belanghebbende, ontvangen. Vaststaat dat de van H ontvangen bedragen als vermeld onder 2.20 niet corresponderen met de in de bijlagen vermelde bedragen. Het Hof is van oordeel dat uit het bedrag van de respectievelijk ontvangen betalingen niet, zoals belanghebbende stelt, valt op te maken dat de overeenkomsten in volgorde van afsluiten zijn betaald. Op basis van de overeenkomst zou verwacht mogen worden dat de betalingen binnen afzienbare tijd na de oogst plaatsvinden. Voor het onderhavige jaar zou verwacht worden dat de oogsten uit de bijlage 1, 2 en 3, rond half juli betaald zouden zijn. De contractprijs daarvan bedroeg in totaal ƒ 273.250, terwijl tot half juli ƒ 270.000 is betaald. Niet duidelijk is waarom een bedrag van ƒ 3.250 niet is betaald. De Inspecteur maakt aannemelijk dat de ontvangen bedragen evenmin zijn berekend door het bepaalde in artikel 3 van de overeenkomst in aanmerking te nemen. 4.10.2. Het Hof acht aannemelijk dat voor een goede uitvoering van het bepaalde in artikel 3 van de overeenkomst een teeltadministratie noodzakelijk is. Vaststaat dat belanghebbende beschikt over software voor het voeren van een teeltadministratie. Naar het oordeel van het Hof kan in het midden blijven of belanghebbende, zoals hij stelt, ervan heeft afgezien om deze software voor het voeren van een teeltadministratie daadwerkelijk in gebruik te nemen, nu belanghebbende in de zakelijke samenwerking met J kennelijk geen belang toekent aan een juiste uitvoering van het bepaalde in artikel 3 van de overeenkomst. Belanghebbende heeft immers verklaard dat tussentijds niet goed te controleren is of alle in de bijlagen vermelde bedragen zijn betaald door H en dat hij pas ‘op het laatst’ controleert of hij de overeengekomen prijs heeft ontvangen. Belanghebbende heeft de koper nimmer gemaand om de overeengekomen bedragen tijdig te betalen en accepteert daarmee een mogelijke structurele achterstand in de betalingen door J. Belanghebbende heeft gesteld zich niet te hebben afgevraagd waarom de betalingen in het onderhavige jaar nog door H plaatsvonden, terwijl hij de oogst op stam aan J had verkocht en heeft gesteld dat de wetenschap dat de prijs betaald werd en het vertrouwen dat hij heeft in de contractspartij voor hem voldoende reden was om zich niet druk te maken over het uitblijven van betalingen en het ontvangen van bedragen van H. Belanghebbende heeft verder verklaard voor kennisneming te hebben aangenomen dat J zonder contractuele verplichting daartoe het landbouwforfait ten bedrage van ƒ 26.623,79 aan belanghebbende vergoedt. 4.10.3. Het Hof is van oordeel dat een dergelijk handelen niet past in een zakelijke verhouding tussen onafhankelijke derden. 4.11. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof met het overleggen van het vonnis van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2004 en in het bijzonder de daarin opgenomen verklaringen van de arbeiders CZ en DB en de ter terechtzitting gegeven verklaring van S, aannemelijk gemaakt dat S in 1999 werkopdrachten gaf aan de Poolse arbeiders van H en niet, zoals belanghebbende stelt, slechts af en toe een door een Poolse arbeider gestelde vraag beantwoordde. Gelet op de brief van DG van 11 januari 2005 acht het Hof aannemelijk dat van die bemoeienis met de werkzaamheden ook in 2005 sprake was. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat in voornoemde brief is vermeld dat niet alleen één iemand binnen de groep verantwoordelijk is voor de planning en inzet, maar dat de groep ook continu onder toezicht staat van de bedrijfsleiding en dat men zich dient te houden aan duidelijke huisregels. Zo belanghebbende in zijn conclusie van repliek in eerste aanleg heeft bedoeld te stellen dat met ‘bedrijfsleiding’ wordt gedoeld op mevrouw F en de heer R, gaat het Hof aan die stelling van belanghebbende voorbij. In de gedetailleerd gemotiveerde brief is niets vermeld omtrent de verkoop van oogst op stam en het Hof acht derhalve niet aannemelijk dat het begrip ‘bedrijfsleiding’ in de brief een relatie heeft met de verkoop van oogst op stam. Aan het voorgaande doet niet af dat belanghebbende in 2005 alle producten op stam heeft verkocht aan de Poolse vennootschap, terwijl dit in 2000 niet het geval was ten aanzien van de winterprei. Het Hof acht, mede gelet op de verklaring van belanghebbende dat hij al jaren op gelijke wijze handelt inzake de verkoop van oogst op stam aan de Poolse vennootschappen, aannemelijk dat ook in de jaren tussen 1999 en 2005 sprake is geweest van bemoeienis met de oogstwerkzaamheden door X en/of S. 4.12.1. De Inspecteur maakt aannemelijk dat belanghebbende richting derden de indruk wekt dat alle werkzaamheden in eigen beheer plaatsvinden. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat in de hiervóór vermelde brief van 11 januari 2005 niets is vermeld omtrent de verkoop van oogst op stam en dat dit in de financieringsaanvraag van 6 december 2000 evenmin het geval is. In laatstgenoemde financieringsaanvraag wordt gesproken van een verhuur van percelen, het ontvangen van een vergoeding onder aftrek van arbeidskosten en het via een omweg toch afzetten op de veiling van de producten. Illustratief hiervoor is ook het feit, hoewel betrekking hebbend op een ander jaar, dat X2 op 2 juni 2004 zowel de huidige en toekomstige voorraden als de huidige en toekomstige land- en tuinbouwproducten verpand aan de bank, hoewel deze waren en zouden worden verkocht aan een Poolse of Cypriotische vennootschap. Alleen in een ten behoeve van eigen gebruik opgemaakt rapport inzake de overname van het bedrijf door S, opgemaakt door DG en gedagtekend 8 augustus 2000, wordt vermeld dat de oogst op stam wordt verkocht. 4.12.2. Keuringsinstantie DK bezoekt voor het keuren van de geoogste producten het bedrijf van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof ligt het, gelet op de omstandigheid dat de oogst op stam is verkocht, niet voor de hand dat belanghebbende met het uitvoeren van deze keuring bemoeienis heeft. De eigendom van de geoogste producten berust door de verkoop van de oogst op stam immers niet meer bij belanghebbende en de producten zijn daarmee buiten de invloedssfeer van belanghebbende geraakt. Het is naar het oordeel van het Hof aan de Poolse vennootschap om er voor zorg te dragen dat ten minste een van haar medewerkers kan spreken met de keurmeesters van DK, wetende dat die keuringen plaatsvinden. Gelet op de omstandigheid dat de keurmeesters van DK tijdens de keuring spreken met belanghebbende, dat zij de resultaten van die keuring aan belanghebbende verstrekken en dat zij de kosten van de keuringen in rekening brengen bij belanghebbende, acht het Hof aannemelijk dat DK belanghebbende nog steeds ziet als de verkoper van de producten. Aan de door belanghebbende gegeven verklaring dat hij voor wat betreft de keuringsrapporten slechts als doorgeefluik richting de Poolse chef fungeert, die het rapport in eerste instantie heeft laten vertalen en na verloop van tijd zelf kon lezen, gaat het Hof voorbij. Uit de stukken is hiervan niet gebleken en evenmin is gebleken dat belanghebbende op het moment dat de Poolse chef wel enige kennis van de Nederlandse taal heeft verkregen, zich afzijdig heeft gehouden van de keuring. 4.12.3. De licentie die DH heeft verstrekt aan belanghebbende is niet overdraagbaar. Het Hof acht gelet hierop aannemelijk dat DH enkel zaken zal willen doen met belanghebbende. Het Hof acht aannemelijk dat licentiegever DH de werkwijze van belanghebbende gedoogt, maar van een door DH gegeven goedkeuring, zoals belanghebbende stelt, is naar het oordeel van het Hof niets gebleken. Uit het onder 2.30 vermelde verslag volgt, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende stelt, dat DH niet is te spreken over deze handelwijze maar na een mondelinge toelichting van een van de licentienemers heeft vastgesteld dat het bedrijfsbelang van DH niet daadwerkelijk wordt geschaad omdat de licentienemer verantwoordelijk is voor de uitvoering van het licentiecontract met DH. Gelet op de voorwaarden die van toepassing zijn op de licentie en de verklaring in voornoemd verslag, is belanghebbende degene die door DH zal worden aangesproken op naleving van de bepalingen van de licentieovereenkomst en in het geval van constatering van een ziekte, ook nadat – volgens de overeenkomst met J – het belang bij de oogst zou zijn overgegaan op J. Niet is gebleken dat DH van mening is dat J hierop moet worden aangesproken. Belanghebbende is bovendien met J niets overeengekomen omtrent de aansprakelijkheid voor eventuele schade aan de planten in geval van een ziekte daarin en is evenmin iets overeengekomen met betrekking tot de kosten die zijn verbonden aan het houden van een licentie van DH. Het voorgaande in aanmerking genomen is het Hof van oordeel dat J voor DH niet in beeld is in het kader van de licentie die is verstrekt en dat DH belanghebbende ziet als de verkoper van het product. Ook belanghebbende zelf is van mening dat hij, als teler van het product, dient te beschikken over de licentie. 4.12.4. Belanghebbende beschikt over een spuitlicentie, verstrekt door de DA. De DA is tevens de instantie die controleert of sprake is van ziekte in de producten die worden geteeld. Ook de DA, die er niet mee bekend is dat belanghebbende de oogst op stam heeft verkocht aan J, ziet belanghebbende als de partij waarmee de DA zaken doet. 4.12.5. In de overeenkomst is naar het oordeel van het Hof niets overeengekomen, ook niet in de aanhef, onder C, van de overeenkomst, omtrent een verplichting voor belanghebbende om na de verkoop van de oogst op stam als een goed huisvader voor de te oogsten producten te zorgen en derhalve de teeltwerkzaamheden ook na de verkoop van de oogst op stam te verrichten. De Inspecteur stelt terecht dat het bepaalde in artikel 1.1 van de overeenkomst veeleer op het tegendeel wijst, namelijk dat de werkzaamheden met betrekking tot het kweken van de producten na de verkoop van de oogst op stam op de koper overgaat. De stelling van belanghebbende dat op grond van de op hem rustende verplichting om als een goed huisvader voor de oogst te zorgen logischerwijs met zich meebrengt dat de vergunningen en certificaten op naam van belanghebbende staan en niet op naam van J, omdat belanghebbende de teler is en blijft, moet naar het oordeel van het Hof gelet op de onjuistheid van het door belanghebbende met betrekking tot de teeltwerkzaamheden geformuleerde uitgangspunt, worden verworpen. 4.12.6. Belanghebbende is voor het uitvoeren van deze onder 4.12.5 bedoelde werkzaamheden niets overeengekomen met J omtrent de kosten die dat met zich meebrengt en is evenmin iets overeengekomen omtrent de aansprakelijkheid voor eventuele schade als gevolge van deze – na de verkoop van oogst op stam verrichte – werkzaamheden, omdat, naar belanghebbende stelt, het risico op het maken van fouten door belanghebbende vanwege zijn deskundigheid verwaarloosbaar is. Het Hof acht onwaarschijnlijk dat een zakelijk handelende partij, zoals J volgens belanghebbende is, accepteert dat de verkoper van de oogst werkzaamheden aan de oogst verricht na de verkoop ervan zonder de zekerheid dat eventuele schade daaraan zal worden vergoed. 4.12.7. Belanghebbende heeft gesteld dat de werkwijze met de hiervoor vermelde partijen in de agrarische wereld onvermijdelijk was, omdat de agrarische wereld niet was ingericht op het verkopen van oogst op stam, zodat er praktische problemen ontstonden bij afzet, vervoer, keuring en verzekering van de producten. De Inspecteur maakt aannemelijk dat hiervan in de beginfase weliswaar sprake kan zijn geweest, maar dat dit na verloop van enkele jaren opgelost had moeten zijn. Uit de stukken van het geding volgt niet dat op enig moment in de periode 1996 tot en met 2011, waarin belanghebbende oogst op stam heeft verkocht, de agrarische wereld wél ingericht is geweest op het verkopen van oogst op stam. Evenmin is gebleken dat door belanghebbende of andere betrokkenen bij de verkoop van oogst op stam stappen zijn ondernomen om deze praktische problemen op te lossen. Het Hof verwerpt derhalve deze stelling van belanghebbende. 4.13.1. Het Hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat de hiervoor onder 4.5 tot en met 4.12 geschetste handelwijze van belanghebbende een wijze van handelen weergeeft die tussen zakelijk handelende partijen niet gebruikelijk is. Belanghebbende sluit overeenkomsten, waarvan hij zelf stelt de inhoud niet te kennen, omdat hij vertrouwt op mondeling gemaakte afspraken. Deze overeenkomsten sluit hij bovendien met een buitenlandse vennootschap die hij niet kent en waarover hij geen informatie heeft ingewonnen en waarvan hij evenmin de vertegenwoordigers kent. Het Hof acht ongeloofwaardig dat belanghebbende op de enkele mededeling van R over de vorige functies die hij heeft vervuld, een voor zijn bedrijfsvoering zo vergaande jarenlange samenwerking aangaat. 4.13.2. In een zakelijke verhouding zal belanghebbende, die deskundige is op het terrein van het telen en oogsten van de producten in zijn bedrijf, geen genoegen nemen met een niet te betwisten mededeling door J van de overeen te komen prijs, terwijl hij bovendien geen inzicht heeft in de kosten die op die prijs nog in mindering moeten worden gebracht. Dit verhoudt zich ook niet tot de verklaring van belanghebbende dat voor hem maar één ding van belang is en dat is de prijs. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt immers dat belanghebbende noch invloed uitoefent op bepaling van de hoogte van de prijs noch kennis heeft van het bedrag dat hij na aftrek van kosten zal overhouden. 4.13.3.Belanghebbende heeft overeenkomsten afgesloten met een vennootschap waarvan hij de liquiditeitspositie niet kent en die wordt vertegenwoordigd door personen die geen deskundigheid bezitten op het gebied van de Nederlandse tuinbouw en die voor belanghebbende in eerste instantie onbekende derden zijn. Belanghebbende heeft daarmee geaccepteerd dat zijn producten worden geoogst zonder dat vooraf zekerheid bestaat dat de prijs betaald zal worden. Ook nadat sprake was van een achterstand in de betalingen die J aan belanghebbende moet doen, heeft belanghebbende geen aanleiding gevonden zijn contractspartner te manen aan zijn verplichtingen te voldoen. Het Hof acht ongeloofwaardig dat een zakelijk handelende ondernemer zijn contractspartner, zoals in het onderhavige geval, volledig vrij laat in het tijdstip waarop hij overgaat tot het voldoen aan zijn betalingsverplichtingen. Naar het oordeel van het Hof valt voorts niet in te zien waarom belanghebbende met de Poolse vennootschap in artikel 3 van de overeenkomst afspraken maakt omtrent betaling na levering of afname van een gedeelte van de oogst, terwijl een correcte uitvoering van die bepaling naar de mening van belanghebbende noch door hemzelf noch door de Poolse vennootschap kan worden gerealiseerd, omdat het niet mogelijk is de omvang van het gedeelte van de oogst dat is afgenomen of geleverd vast te stellen. Het Hof acht voorts ongeloofwaardig dat een onder de landbouwregeling vallende tuinder geen afspraken maakt omtrent het landbouwforfait en zich evenmin verbaast als dit landbouwforfait door de Poolse vennootschap onverplicht wordt vergoed. 4.13.4. Het Hof neemt voorts in aanmerking dat het groeirisico, het risico van schade aan de gewassen en het risico van ziekte in de gewassen formeel dan mag overgaan op de koper van de oogst op stam, maar het tijdstip waarop dat risico zou overgaan is zodanig kort voor de oogst gelegen, dat het grootste deel van het risico bij belanghebbende ligt. Bovendien is zodanig laat duidelijk dat de oogst op stam wordt verkocht dat belanghebbende nauwelijks meer in de gelegenheid zal zijn om zijn producten nog door zelf ingehuurde werknemers te laten oogsten. Richting derden presenteert belanghebbende zich als een bedrijf dat de werkzaamheden in eigen beheer verricht. DK, DH en de DA doen zaken met belanghebbende, de bank vermeldt niet de verkoop van oogst op stam, maar verhuur van percelen en de vennootschap aan wie de maatschap de onderneming op enig tijdstip heeft verhuurd verpandt aan de bank de huidige en toekomstige voorraden. Een en ander wordt vervolgens, gelet op de door de veiling gestelde voorwaarden, sluitend gemaakt door de producten via CQ aan de veiling te verkopen. 4.13.5. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof van oordeel dat belanghebbende het belang bij de oogst heeft behouden. De nadruk die belanghebbende legt op de goede samenwerking met J, het vertrouwen dat hij in J heeft, de desinteresse in de bepalingen van de overeenkomst, de stelling dat problemen zich nimmer voordoen en dat deze, zo deze zich voordoen, kunnen worden opgelost, brengt het Hof tot het oordeel dat de onder 2.8 vermelde overeenkomst en de onder 2.9 en 2.10 vermelde bijlagen geen daadwerkelijk afdwingbare verplichtingen bevatten. Deze dienen slechts om de indruk te wekken dat sprake is van een daadwerkelijke verkoop en levering van de producten die belanghebbende teelt, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is. De Inspecteur maakt aannemelijk dat ten aanzien van het sluiten van de overeenkomst sprake is van een schijnhandeling en dat aan deze fictief gemaakte afspraken voor de bepaling van de winst in het onderhavige jaar moet worden voorbijgegaan. 4.14.1. Vaststaat dat de producten die zijn geoogst binnen het bedrijf van belanghebbende van zijn percelen rechtstreeks aan de veiling zijn geleverd en dat de opbrengst van de producten via CQ is betaald naar een Luxemburgse bankrekening. Nu een overeenkomst van verkoop aan een andere partij ontbreekt, is het Hof van oordeel dat belanghebbende de producten zelf heeft geleverd en dat belanghebbende vervolgens ook zelf de veilingopbrengst, die als zodanig tussen partijen niet in geschil is, heeft genoten. De omstandigheid dat de opbrengst is gestort op een rekening van J of H doet hieraan niet af, nu J naar het oordeel van het Hof een zodanig beperkte substantie heeft dat volstrekt ongeloofwaardig is dat belanghebbende de veilingopbrengsten onder aftrek van de prijs aan deze vennootschap zou hebben doen toekomen. Bovendien is in werkelijkheid geen sprake van een zakelijke samenwerking met J, zodat voor belanghebbende ook geen aanleiding bestond om de opbrengst aan J ten goede te doen komen. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende, dat gelet op de getuigenverklaring van R, de winst van J en daarmee de aan de tuinder toekomende marge, hooguit 10% van de veilingopbrengst bedraagt nu J gelet op al het vorenoverwogene geheel buiten beschouwing moet worden gelaten. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat van enige winst bij J, gelet op het ontbreken van aangiften winstbelasting in Polen, ook niet is gebleken. Dat de Inspecteur geen stukken heeft ingebracht waarop een geldstroom vanuit J naar belanghebbende wordt weergegeven, doet aan het voorgaande niet af en wordt, naar het Hof ten overvloede opmerkt, mede veroorzaakt door de omstandigheid dat de ‘contractspartner’ van belanghebbende gebruik maakt van een Luxemburgse bankrekening. 4.14.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de veilingopbrengst in ieder geval moet worden verminderd met de marge van 1% van de veilingomzet die aan D toekomt. 4.14.3. Vaststaat dat de door belanghebbende geteelde producten door Poolse arbeiders zijn geoogst en dat deze arbeiders salaris hebben ontvangen voor het verrichten van deze arbeid. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust van de hoogte van het aan de Poolse arbeiders uitbetaalde salaris, maakt niet aannemelijk dat de loonkosten van de Poolse werknemers hoger zijn dan het door de Inspecteur in aanmerking genomen bedrag van ƒ 8 per uur voor het jaar 2000. Belanghebbende heeft dienaangaande slechts verwezen naar een door R afgelegde verklaring, welke verklaring naar het oordeel van het Hof, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, ongeloofwaardig is en bovendien niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Omkering en verzwaring bewijslast 4.15.1. Het Hof overweegt ten overvloede het volgende. Ingevolge artikel 52 van de AWR is belanghebbende verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. 4.15.2. Belanghebbende heeft, zoals vermeld onder 2.33.2, het volgende verklaard: “Op mijn vraag of er oude data van de oude computer overgezet is naar de nieuwe computer zij dhr. X dit niet te weten. Volgens hem niet, het computerservicebureau heeft de computer voor hem ingericht dus ging hij er van uit dat de oude data niet zijn overgezet. De oude computer is niet meer op het bedrijf aanwezig.”. 4.15.3. Gelet op deze verklaring acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende niet meer de beschikking heeft over de gegevens die zich bevonden op de computer die hij vóór eind 2003 bezat. De Inspecteur maakt met de door hem overgelegde prints van gegevens die zich bevonden op de computer die eind 2003 is aangeschaft, aannemelijk dat vóór die datum wel zakelijke bestanden op de computer aanwezig waren. Het Hof is van oordeel dat de informatie op de computer waarover belanghebbende beschikt vóór eind 2003 van wezenlijk belang is voor de beantwoording van de vraag naar de realiteit van de door belanghebbende met J afgesloten overeenkomsten. Door deze informatie niet te bewaren is sprake van een gebrek in de administratie. 4.15.4. Belanghebbende heeft gesteld dat de aanvragen die hij aan de Poolse vennootschap zendt niet de status van een overeenkomst hebben, maar slechts tot doel hebben om de variabelen die in de bijlagen zullen worden opgenomen, aan de Poolse vennootschap kenbaar te maken. Het Hof acht aannemelijk dat deze aanvragen inzicht hadden kunnen geven in de wijze waarop de partijen tot overeenstemming zijn gekomen en derhalve in de administratie van belanghebbende hadden moeten worden opgenomen. Door de aanvragen niet te bewaren is naar het oordeel van het Hof sprake van een gebrek in de administratie. 4.15.5. De voornoemde gebreken in de administratie, zijn ieder op zichzelf en in samenhang bezien zodanig ernstig, dat hieraan de gevolgtrekking moet worden verbonden dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen van artikel 52 van de AWR. Artikel 27e van de AWR bepaalt dat alsdan de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De Inspecteur heeft gelet op het onder 4.14 overwogene de winst die belanghebbende heeft genoten in redelijkheid bepaald. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de aldus bepaalde winst te hoog is. Nieuw feit 4.16.1. Op grond van artikel 16 van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw rust op de inspecteur. 4.16.2. Belanghebbende heeft voortdurend verklaard en gesteld dat sprake is van een reële verkoop van oogst op stam in een zakelijke samenwerking met J. Gelet op het onder 4.13 weergegeven oordeel van het Hof dat sprake is van een schijnhandeling nu de op papier vermelde afspraken in werkelijkheid niet bestaan, heeft belanghebbende aan de Inspecteur opzettelijk de juiste gegevens onthouden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende ten tijde van de aangifte wist dat indien deze aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd. Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte te kwader trouw was, zodat het de Inspecteur vrij stond tot navordering over te gaan. Vertrouwensbeginsel 4.17. De Rechtbank heeft ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, naar het oordeel van het Hof met juistheid het volgende overwogen: “Van een schending van het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De enkele omstandigheid dat de inspecteur de aangiften van belanghebbende wel heeft geaccepteerd in de jaren dat contracten werden gesloten met E kan naar het oordeel van de rechtbank bij belanghebbende in redelijkheid niet de indruk hebben gewekt dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling met betrekking tot alle contracten waarin oogst op stam aan een Poolse vennootschap werd verkocht.” Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne en overweegt voorts nog dat de omstandigheid dat belanghebbende zoals overwogen onder 4.16 niet te goeder trouw is, aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg staat. Navorderingsaanslag ter behoud van recht 4.18. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur met het opleggen van een navorderingsaanslag ter behoud van recht, de aanslagtermijn heeft opgerekt. De Rechtbank heeft dienaangaande als volgt overwogen en het Hof maakt die overwegingen tot de zijne: “De stelling van belanghebbende dat de aanslagtermijn is opgerekt doordat een aanslag tot behoud van rechten is opgelegd, snijdt geen hout. Vaststaat dat de wettelijke termijn in acht is genomen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 oktober 1992 (BNB 1993/36) overwogen dat de opvatting dat een onzorgvuldige vaststelling van een aanslag onder omstandigheden tot nietigheid daarvan moet leiden niet als juist kan worden aanvaard, aangezien de mogelijk uit die onzorgvuldigheid ten nadele van de belastingplichtige voortvloeiende onjuistheden in bezwaar of beroep kunnen worden hersteld.” Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur 4.19. Belanghebbende heeft zich in een brief van 3 oktober 2011 op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag is vastgesteld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien de navorderingsaanslag gelijktijdig met de aankondiging is opgelegd zonder dat belanghebbende een termijn is gegeven om op de aankondiging te reageren. Belanghebbende heeft in dit kader eveneens verwezen naar artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). De bepalingen van het Handvest zijn enkel tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Aangezien in deze zaak sprake is van een zuivere interne aangelegenheid, is het Hof van oordeel dat toetsing aan artikel 41 van het Handvest hier niet aan de orde is. Het Hof is voorts van oordeel dat geen beginsel van behoorlijk bestuur de Inspecteur verplicht om belanghebbende te horen alvorens de navorderingsaanslag op te leggen. Het Hof verwerpt dan ook deze stelling van belanghebbende. Dubbele heffing 4.20. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur handelt in strijd met het verbod van détournement de pouvoir door voor dezelfde feiten zowel aan belanghebbende als aan J belastingaanslagen op te leggen. Het Hof is van oordeel dat geen rechtsregel de Inspecteur verhindert om voor hetzelfde feitencomplex aanslagen op te leggen aan verschillende belastingplichtigen. Aangezien het Hof van oordeel is dat belanghebbende het belang bij de oogst heeft behouden en de via de veiling gerealiseerde omzet tot de winst van de maatschap behoort, kan evenmin worden gezegd dat het handelen van de Inspecteur berust op een verkapte invorderingsmaatregel ter zake van een belastingschuld van J. Slotsom navorderingsaanslag 4.21. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft gesteld doet aan het vorenoverwogene niet af. De navorderingaanslag moet conform de conclusie van de Inspecteur worden verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 84.224. Boete 4.22. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met de door hem gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende het belang bij de oogst heeft behouden, dat de overeenkomsten en de bijlagen berusten op een schijnhandeling en dat deze slechts dienen om de indruk te wekken, dat in afwijking van de werkelijk door partijen gemaakte afspraken wél sprake is van verkoop en levering van de producten die belanghebbende teelt. Door in de aangifte uitsluitend de omzet te vermelden die voortvloeit uit de opgestelde bijlagen, terwijl belanghebbende wist dat deze overeenkomsten en bijlagen niet de in werkelijkheid met de verkoop van zijn producten door hem gerealiseerde omzet weergaven, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof opzettelijk een onjuiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 67d van de AWR. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, door op papier een fictieve ondernemingsactiviteit te construeren die niet overeenstemt met de werkelijkheid en waardoor substantieel te weinig belasting is geheven, een zodanig vergrijp heeft begaan dat een boete van 100% van de nagevorderde belasting passend en geboden is. 4.23. Het Hof is van oordeel dat het de Inspecteur vrij staat om in de bezwaarfase nader onderzoek te doen, ook in het geval dat onderzoek in de aanslagregelende fase niet of in beperkte mate heeft plaatsgevonden en verwerpt de door belanghebbende op dit punt aangevoerde grief. 4.24.1. Tussen het moment dat de boete belanghebbende is bekend geworden, te weten bij ontvangst van de op de voet van artikel 67g van de AWR gedane mededeling van 18 december 2003, en de uitspraak van de Rechtbank, die is verzonden op 19 februari 2008, zijn vier jaren en twee maanden verstreken. Tussen het moment van de uitspraak van de Rechtbank en de datum waarop de onderhavige uitspraak is gedaan, 7 november 2012, zijn vier jaren en negen maanden verstreken. 4.24.2. Bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn van twee jaren voor de behandeling van het bezwaar en beroep, alsmede de redelijke termijn van twee jaren voor de behandeling van het hoger beroep is overschreden, dienen volgens vaste jurisprudentie de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de beboete en/of zijn raadsman op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld en de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld in aanmerking worden genomen. 4.24.3. De Inspecteur heeft een bedrijfsbezoek aangekondigd op 17 mei 2004, welk bezoek heeft plaatsgevonden op 25 juni 2004; in de periode van 30 juli 2004 tot en met 12 april 2005 heeft een uitgebreide correspondentie plaatsgevonden tussen de Inspecteur en de gemachtigde. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, mede gelet op de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak, voldoende voortvarendheid heeft betracht bij het uitvoeren van dit onderzoek. Die voortvarendheid is naar het oordeel van het Hof echter niet betracht in de periode vanaf het opleggen van de navorderingsaanslag, 18 december 2003, tot het moment van de aankondiging van het boekenonderzoek, 17 mei 2004 en de periode gelegen tussen de dagtekening van het controlerapport, 13 april 2005, en de datum waarop de Inspecteur belanghebbende vraagt of hij wenst te worden gehoord op zijn bezwaar, 25 augustus 2005. 4.24.4. Belanghebbende heeft op 2 februari 2006 pro-forma beroep ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 23 december 2005 en dit beroep van de gronden voorzien op 13 maart 2006. Het verweerschrift van de Inspecteur is op 4 juli 2006 ingekomen bij de Rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd op 1 augustus 2007. De Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd op 12 september 2007. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8, 9 en 11 oktober 2007. De uitspraak is verzonden op 19 februari 2008. Het Hof is van oordeel dat de zaak, gelet op de omvang en ingewikkeldheid van de zaak, de regiezitting die met instemming van partijen werd gehouden en de correspondentie over de wijze waarop de beschikbare stukken in het geding moesten worden gebracht, door de Rechtbank met voldoende voortvarendheid is behandeld. 4.24.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase overschreden met negen maanden te wijten aan het handelen van de Inspecteur. 4.24.6. Het pro-forma hoger beroep van de Inspecteur is ingekomen op 5 maart 2008. De motivering van het hoger beroep is ingekomen op 18 juni 2008. Belanghebbende heeft op 9 december 2008 een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 29 mei 2009 gerepliceerd en belanghebbende heeft op 23 december 2009 gedupliceerd. Het Hof is van oordeel dat, gelet op de omvang en ingewikkeldheid van de zaak, in de periode gelegen tussen de binnenkomst van het hoger beroepschrift en de datum waarop de conclusie van dupliek is ingekomen, door het Hof en door partijen voldoende voortvarend is gehandeld. 4.24.7. De duur van de periode gelegen tussen de binnenkomst van de conclusie van dupliek, op 23 december 2009, en de datum van de, met instemming van partijen, gehouden inlichtingencomparitie op 30 mei 2011 is te wijten aan de werkwijze van het Hof. De duur van de periode gelegen tussen 30 mei 2011 en de datum van de onderhavige uitspraak is naar het oordeel van het Hof veroorzaakt door de ingewikkeldheid en omvang van de zaak en door de wens van partijen tot het voeren van nadere correspondentie met derden. Gelet op het voorgaande is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met één jaar en vijf maanden. 4.24.8. Het Hof hanteert een richtlijn bij de bepaling van de mate waarin de boete moet worden verminderd in het geval de redelijke termijn is overschreden. Deze richtlijn luidt als volgt: 1. Geen vermindering wordt verleend indien de boete minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 2. De vermindering bij een hogere boete verloopt als volgt: 0 tot 6 maanden: 5% met een maximum van € 2.500 6 tot 12 maanden: 10% met een maximum van € 5.000 1 tot 2 jaar: 15% met een maximum van € 10.000 2 jaren en meer: 20% met een maximum € 20.000 4.24.9. De aan belanghebbende opgelegde boete bedraagt ƒ 28.273. Naar aanleiding van de vermindering van de navorderingsaanslag op grond van het in aanmerking nemen van 1% provisie ten behoeve van D, dient de boete in ieder geval te worden verminderd tot ƒ 26.990 en niet, zoals door de Inspecteur vermeld in zijn brief van 24 februari 2012, tot ƒ 28.273. De Inspecteur is in voornoemde brief bij de berekening van het bedrag van de boete ten onrechte uitgegaan van het belastbaar inkomen vóór vermindering in verband met de door D genoten provisie. Gelet op de hiervoor weergegeven richtlijn moet de boete in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase worden verminderd met 10% tot ƒ 24.291. De boete dient in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep verder te worden verminderd met 15% tot (afgerond) ƒ 20.647 (€ 9.369). Heffingsrente 4.25. Nu geen inhoudelijke grieven tegen de heffingsrente zijn aangevoerd, gaat het Hof er van uit dat geen bezwaar bestaat tegen de heffingsrente zoals deze volgt uit het systeem van de wet. De beschikking heffingsrente moet worden verminderd in overeenstemming met de vermindering van de navorderingsaanslag. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding 4.26. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar het Hof begrijpt klaagt belanghebbende zowel over de duur van de bezwaarfase als over de duur van de gerechtelijke procedure en verzoekt hij zowel om vergoeding van schade geleden door de duur van de bezwaarprocedure als om vergoeding van schade geleden door de duur van de gerechtelijke procedure. Het Hof bepaalt dat het onderzoek na de hierna vermelde datum van de beslissing zal worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de verzoeken van belanghebbende. Het Hof zal alsdan de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen, voor zover dit het verzoek betreft tot vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn in de gerechtelijke procedure. Ten aanzien van het griffierecht 4.27.1. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats. 4.27.2. Nu het beroep bij de Rechtbank gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 37 te vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.28.1. Nu het Hof aanleiding ziet tot vermindering van de navorderingsaanslag, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. 4.28.2. De Rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3. van de bestreden uitspraak de tegemoetkoming voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en van de behandeling van het beroep gesteld op respectievelijk € 80,50 en € 193,20. Het Hof ziet geen aanleiding om van deze, door partijen niet betwiste bedragen af te wijken. 4.28.3. Belanghebbende heeft in incidenteel hoger beroep verzocht om vergoeding van de werkelijk door hem gemaakt kosten, maar heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan dit verzoek voor toewijzing vatbaar zou kunnen zijn. Belanghebbende heeft evenmin een specificatie van de door hem gemaakte werkelijke kosten overgelegd. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat geen plaats is voor vergoeding van de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten. 4.28.4. Het Hof zal op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten beslissen in de onder 4.26 bedoelde nadere uitspraak. 4.28.5. Gelet op het voorgaande bedragen de voor vergoeding in aanmerking komende kosten in totaal € 273,70. 5. Beslissing Het Hof - verklaart het hoger beroep gegrond, - verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond, - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, - verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur op het bezwaar ingestelde beroep gegrond, - vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, - vermindert de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.224 (€ 38.219), - vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig, - vermindert de boete tot een bedrag van ƒ 20.647 (€ 9.369), - gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 37 vergoedt, - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding in de bezwaarfase en bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 273,70, en - bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om schadevergoeding van belanghebbende met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure. Aldus gedaan op 7 november 2012 door G.J. van Muijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en H.A. Wiggers, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen. 1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a) de naam en het adres van de indiener; b) een dagtekening; c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d) de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2563
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 08/00237 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst hierna: de Inspecteur, en op het incidenteel hoger beroep van X BV gevestigd te Y, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 11 februari 2008, nummer 06/1616, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur betreffende na te noemen navorderingsaanslag, het kwijtscheldingsbesluit ter zake van de in de navorderingsaanslag begrepen verhoging en de beschikking heffingsrente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 onder nummer 00.00.000.V.00.000 met dagtekening 16 maart 2002 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.802.761 (€ 818.057), alsmede een verhoging van, na kwijtschelding met 50%, ƒ 203.668 ( € 92.420). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Na hiertegen op 20 maart 2002 gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken van 18 februari 2006 de navorderingsaanslag verminderd tot een belastbaar bedrag van ƒ 1.095.768 (€ 497.237), het bedrag van de verhoging - na kwijtschelding met 55% - verminderd tot ƒ 74.005 (€ 33.582) en de heffingsrente verminderd tot ƒ 23.928 (€ 10.858). 1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken op 22 maart 2006 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 281. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 11 februari 2008 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de verhoging en de beschikking heffingsrente vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.288 en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt. 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank van 11 februari 2008 op 21 maart 2008 hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord. 1.6. De Inspecteur heeft schriftelijk gerepliceerd en belanghebbende heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.7. De Inspecteur heeft bij brief van 27 november 2008 nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 16 juni 2009 verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om uit het integrale dossier een selectie te mogen maken. De Inspecteur heeft bij brief van 16 oktober 2009 de kopieën van de door de gemachtigde geselecteerde stukken aan de gemachtigde toegezonden. 1.8. Op 2 september 2010 heeft een regiezitting plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Op voorspraak van het Hof zijn partijen niet verschenen, met bericht daarvan aan het Hof. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft het Hof mr. G.J. van Muijen aangewezen als raadsheer-commissaris in de zin van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in combinatie met artikel 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Aan hem is opgedragen (een gedeelte van) het vooronderzoek te verrichten. Het Hof heeft vervolgens ingevolge het bepaalde in artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek door de raadsheer-commissaris zal worden hervat. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.9. Bij brief van 22 september 2010 heeft belanghebbende op de voet van artikel 8:15 van de Awb een verzoek bij het Hof ingediend strekkende tot wraking van de ter zitting van 2 september 2010 aangewezen raadsheer-commissaris mr. G.J. van Muijen. Het Hof heeft daarop het onderzoek geschorst totdat de wrakingskamer uitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer van het Hof heeft dit verzoek ter zitting van 1 oktober 2010 behandeld en op 8 oktober 2010 onder nummer 133-29-2010 uitspraak gedaan. Bij deze uitspraak is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. 1.10. Op 30 mei 2011 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.11. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.12. De Inspecteur heeft bij brief van 20 juni 2011 nadere stukken ingediend, zich beroepend op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb. Het Hof heeft daarop de zaak naar de Geheimhoudingskamer verwezen. 1.13. Voor het verloop van de procedure bij de Geheimhoudingskamer wordt verwezen naar onderdeel 1 van de uitspraak van de Geheimhoudingskamer van 6 oktober 2011, eveneens met procedurenummer 08/00237. 1.14. De Geheimhoudingskamer heeft op 6 oktober 2011 beslist dat geheimhouding in de stukken slechts is gerechtvaardigd, voor zover de onleesbaar gemaakte passages door de Geheimhoudingskamer in de kopie van de geschoonde versie van die stukken rood zijn omlijnd, met dien verstande dat namen van derden dienen te worden geanonimiseerd op de wijze zoals uiteengezet in het brondocument. Tevens heeft de Geheimhoudingskamer de Inspecteur verzocht onverwijld na verzending van deze beslissing de Geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is de stukken, geheel of gedeeltelijk, op de door de Geheimhoudingskamer weergegeven wijze te schonen en deze aldus geschoonde stukken alsnog in het geding te brengen, en zo ja, dit te doen binnen een termijn van één week na verzending van deze beslissing. 1.15. De Inspecteur heeft de Geheimhoudingskamer bij brief van 26 oktober 2011 bericht dat hij bereid is om de stukken op de door de Geheimhoudingskamer weergegeven wijze te schonen en alsnog in het geding te brengen, met uitzondering van de namen en kenmerknummers van de buitenlandse belastingambtenaren. De Inspecteur heeft de aldus geschoonde stukken bij brief van 26 oktober 2011 in het geding gebracht. 1.16. Op 13 oktober 2011 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.17. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.18. De gemachtigde heeft bij brief van 25 november 2011, door tussenkomst van het Hof, vragen gesteld aan de officier van justitie. De officier van justitie heeft deze vragen beantwoord bij brief van 27 januari 2012. 1.19. Op 11 januari 2012 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Tijdens deze inlichtingencomparitie is A als getuige gehoord. Belanghebbende heeft tijdens deze inlichtingencomparitie een notitie overgelegd, waarin vragen zijn gesteld aan B en C. Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.20. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.21. Op 1 februari 2012 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde, alsmede de Inspecteur. Belanghebbende heeft tijdens deze inlichtingscomparitie een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft een schriftelijk stuk overgelegd met de antwoorden op de door belanghebbende gestelde vragen en heeft afschriften overgelegd van gedeelten van appendix D-5/2 en appendix D-5/3. Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. 1.22. Van de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.23. Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben belanghebbende en de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.24. De zitting heeft plaatsgehad op 20 maart 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, de heer N en mevrouw O, en de gemachtigden van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur. 1.25. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.26. De heer N en mevrouw O hebben te dezer zitting gezamenlijk een verklaring voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.27. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.28. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 1.29. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is verzonden. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 1997 aangifte gedaan naar een belastbaar bedrag van ƒ 635.880. De aangifte heeft als dagtekening 9 maart 1999. Met dagtekening 17 februari 2001 is de definitieve aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 638.944. 2.1.2. Op 18 juni 2001 is bij belanghebbende een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over de jaren 1996 tot en met 1999. Het naar aanleiding van dit boekenonderzoek opgestelde controlerapport is gedagtekend 7 februari 2002. 2.1.3. In het controlerapport van 7 februari 2002 heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag met verhoging aangekondigd. De navorderingsaanslag is gedagtekend 16 maart 2002. Het belastbaar bedrag is vastgesteld op ƒ 1.802.761 (€ 818.057) en de verhoging, na kwijtschelding met 50%, op ƒ 203.668 ( € 92.420). 2.1.4. Het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag 1997, met dagtekening 19 maart 2002, is door de inspecteur ontvangen op 20 maart 2002. 2.1.5. De Inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.095.768 (€ 497.237)en de verhoging - na kwijtschelding tot op 45% - gesteld op ƒ 74.005 (€ 33.582) en de heffingsrente verminderd tot ƒ 23.928 (€ 10.858) 2.2. Belanghebbende vormt sinds 1 januari 1996 een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met haar dochtermaatschappijen P BV en Q BV . De aandelen in belanghebbende zijn in handen van de heer N (89%) en mevrouw O (11%). De directie van de onderneming wordt door de heer N en mevrouw O gevoerd. 2.3. De administratie van de vennootschappen wordt hoofdzakelijk verzorgd door mevrouw O. Per vennootschap wordt een aparte administratie bijgehouden. Q heeft haar activiteiten op locaties aan de a-straat en vanaf het jaar 2000 ook aan de b-straat te Y. De vennootschap houdt zich bezig met het kweken en het verkopen van vaste planten en bolchrysanten (buiten gegroeide). P heeft haar activiteiten aan de c-straat te Y. De vennootschap houdt zich bezig met het kweken en het verkopen van snijchrysanten, perkgoed en bolchrysanten (binnen gegroeide). 2.4. Belanghebbende heeft van 1996 tot januari 2011 (door tussenkomst van D BV overeenkomsten gesloten met achtereenvolgens de naar Pools recht opgerichte vennootschappen E Sp.z.o.o. G Sp.z.o.o. later genaamd H Sp.z.o.o., J Sp.z.o.o. en I Limited te Cyprus. Van deze vennootschappen was R aandeelhouder. Directeur van E en G was F. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende overeenkomsten met E en G (hierna: de Poolse vennootschappen) afgesloten. 2.5.1. E is op 13 februari 1995 in Polen opgericht. R is directeur. 2.5.2. Het Poolse ministerie van Financiën heeft bij brief van 6 juni 2005 op vragen van de Inspecteur het volgende geantwoord: "E sp. z o.o (limited company), d-straat., T, Poland. The company has been suspending its business activity several times in the period of its existence. Last information about suspending of the activity submitted by the company to a local tax office concerned the period of 1st January 2004 to 31st December 2004. Up to now the company has not informed the tax office about returning to its business activity or about giving up of its business. The company had submitted tax returns for tears 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 in which it revealed losses or in which the incomes, business costst or any results of its business activity were not showed (except of the year 1999). As far as VAT is concerned, the company had not submitted any VAT returns in years 1998-2003. In years 1998-2003 no audits were submitted to the tax office. After checking of the files in the National Court Register, it has been established, that all documents concerning the çompany had been placed in the archive because of actual cessation of its activity.". 2.5.3. In een brief van 1 oktober 2001, afkomstig van de Belastingdienst te T, is het volgende vermeld: Inzake de Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E" De Vennootschap "E" te T op het adres e-straat 6/6 werd op 13-02-1995 opgericht. Enkel en alleen met één vennoot, een Nederlandse burger de heer R, zoon van U en V, woonachtig f-straat 4, 0000 AA W, Nederland. De Vennootschap heeft tweemaal de vestiging verandert en dat is: 1) op 19-04-1995 is deze verhuisd naar het adres g-straat 30 te T, 2) op 22-07-1998 is deze verhuisd naar het adres d-straat 6 te T. Volgens de Poolse Soort Activiteiten Classificatie waren de onderwerpen van activiteiten van de Vennootschap 0113Z: fruit- en notenkwekerij alsmede plantenkwekerij om ze voor de productie van dranken en specerijen te benutten en volgens de Europese Soort Activiteiten Classificatie 0113: fruit-, notenkwekerij en plantenkwekerij om ze voor de productie van dranken en specerijen te benutten. In de afgelopen periode heeft de firma meerdere malen de Belastingdienst over de schorsing van de bedrijfsvoering geïnformeerd, o.a: 1) van 05-01-1999 tot 31-12-1999 in een brief d.d. 04-01-1999, 2) document van 23-02-2000 met een verzoek tot vrijstelling van de plicht voor het indienen van de aangifte omzetbelasting van rechtspersonen ("CIT-2") in verband met een schorsing van de activiteiten; een positieve beslissing over de periode van 01-01-2000 tot 31-12-2000. 3) document van 22-12-2000 met een verzoek tot vrijstelling van de plicht voor het indienen van de aangifte omzetbelasting van rechtspersonen ("CIT-2") in verband met een schorsing van de activiteiten; een positieve beslissing over de periode van 01-01-2001 tot 31-12-2001." 2.5.4. In een rapport van de Polish Chamber of Commerce van 26 september 1996 is met betrekking tot E Sp.z o.o. het volgende vermeld: "Payments no significant trade experience has been reported thus far Remarks when directly contacted on 24.09.1996 we were informed that President went on a business trip and the Company's representative (President's assistant) deffered all information. there is no other information available at the sources consulted; Credit opinion we report nothing unfavorable about the Company; when assessing risk factor the Company received index: 1,4 (within a scale 0-10 where '0'indicates an extremely high risk involved in dealing with a particular subject an '10'- minimum risk respectively), thus is considered to be high credit recommended: we recommend to deal on a cash-payment basis the above index results from compilation of data available on the subject of your enquiry for Infodata at the date of this report the lack of current financial information precludes the ability to determine the financial strenght, capabilities and condition of the Company; the above index is not to be totally constructed as unfavourable but signifies circumstances difficult to clasify in our risk assessment rating" 2.5.5. G is opgericht op 2 september 1996. Vanaf haar oprichting tot 18 januari 1998 bestond de leiding uit R. R was enig aandeelhouder. F trad gedurende dezelfde periode op als gevolmachtigde. Vanaf 18 januari 1998 bestond de leiding uit de heer Z. Op 21 mei 1999 werd de volmacht voor mevrouw F beëindigd. Op enig moment wordt de naam van G gewijzigd in H. 2.5.6. Het Poolse ministerie van Financiën heeft bij brief van 26 juli 2002 op vragen van de Inspecteur het volgende geantwoord: "H Sp. Z 0.0 (til 18.01.1998 "G"), d-straat 6, T The company does not carry activity at the in register given address. At the entrance to the building an information is hanging that companies "E", "K" and 'H" have stopped their activity. Local tax office did not succeed in establishing whether the company and R have made regular payments for ZUS, neither whether the company dealt with Dutch farmers and on what conditions. The company did not employed any employees in tax years 1997-1998. In tax year 1999 following persons were employed: AB, living in T, g-straat 14/27; AC, , living in T, i-straat 14; AD, living in T, j-straat 18/58 According to tax returns the company achieved following losses/ income: 1997 loss in amount of 1.709,26 PLN 1998 loss in amount of 2.925,24 PLN 1999 loss in amount of 58.302,05 PLN 2000 income in amount of 771,17 PLN The tax returns for tax years 1997-1999 were signed by Mrs F, for tax year 2000 Mr R signed the tax return. In the period from 02.09.1996 til 18.01.1998 the management consisted of one person Mr R, Mrs F was at the same period acting as a proxy. In 1999 on Mai the 21st the proxy for Mrs F was terminated. From 18.01.1998 the management of the company consisted of one person Mr Z, living k-straat, AE, acting as General Manager of the company." 2.5.7. In een brief van 1 oktober 2001, afkomstig van de Belastingdienst te T, is het volgende vermeld. "Inzake de Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "H" De vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "H" is op 19-06-1996 te T op het adres g-straat 30 opgericht, echter onder de naam "G" de Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (besluit van 02-09-1996, kenmerk van de akte Ns Rej. H 00/00)., Enkel en alleen met één vennoot, een Nederlandse burger de heer R, zoon van U en V, woonachtig f-straat 4, 0000 AA W, Nederland (paspoortnummer M. 000000). Volgens de Poolse Soort Activiteiten Classificatie waren de activiteiten van de Vennootschap 0112B: het kweken van paddestoelen, bloemen en sierlijke tuinplanten, het kweken van fruit- en sierbomen en volgens de Europese Soort Activiteiten Classificatie: groenteteelt en het kweken van speciale tuinplantensoorten. De naam "G" is op 28-12-1998 in de naam "H" gewijzigd (een besluit van de Rechtbank van 18-01-1998, kenmerk van de akte Ns Rej. H.0/00 - een verscheidenheid in data op het besluit). Op 28-05-1998 heeft de firma het adres van de vestiging gewijzigd: van g-straat 30 naar d-straat 6. In deze periode heeft de Vennootschap herhaald de Belastingdienst meegedeeld over de schorsing van de bedrijfsvoering: 1) formulier "VAT-Z" (aanmelding schorsing activiteiten waarvan de omzetbelasting en de accijnzenbelasting afgedragen moeten worden) is bij de Belastingdienst op 24-03-1998 ingekomen en betrof schorsing van activiteiten over de periode 01-04-1997 tot 31-01-1998. Als reden werd "ANDERS" opgegeven. 2) formulier "VAT-Z"(aanmelding schorsing activiteiten waarvan de omzetbelasting en de accijnzenbelasting afgedragen moeten worden) is bij de Belastingdienst op 20-04-1998 ingekomen en betrof schorsing van activiteiten over de periode 01-04-1998 tot 31-01-1999. Als reden werd "ANDERS"opgegeven. 3) document van 23-08-1999, betreffende schorsing van activiteiten vanaf 01-09-1999 en een verzoek tot vrijstelling van de plicht voor het indienen van de aangifte omzetbelasting van rechtspersonen ("CIT-2"[toel. vertaalster: een formulier m.b.t. winst- en verliesrekening]). I.v.m. de schorsing van activiteiten: een positieve beslissing over de periode van 01-09-1999 tot 31-12-1999. 4) document van 23-02-2000, betreffende schorsing van activiteiten vanaf 01-01-2000 en een verzoek tot vrijstelling van de plicht voor het indienen van de aangifte omzetbelasting van rechtspersonen ("CIT-2"). I.v.m. de schorsing van activiteiten: een positieve beslissing over de periode van 01-01-2000 tot 31-12-2000. 5) document van 22-12-2000, betreffende schorsing van activiteiten vanaf 01-01-2001 en het verzoek tot vrijstelling van de plicht voor het indienen van de aangifte omzetbelasting van rechtspersonen ("CIT-2"). I.v.m. de schorsing van activiteiten: een positieve beslissing over de periode van 01-01-2001 tot 31-12-2001." 2.5.8. R heeft in zijn schriftelijke verklaring van 17 februari 2012 het volgende verklaard: "J Sp.z o.o. heeft altijd gefunctioneerd naar de Poolse wetgeving. Het klopt allemaal precies. Wat de inspecteur in zijn citaat opneemt, kan ik niet controleren. Ik weet ook niet wat de inspecteur precies aan de Poolse autoriteiten heeft gevraagd. Ik leg dit naast me neer. Een ding weet ik zeker en dat is dat zowel E als J altijd conform Poolse wetgeving hebben gehandeld. De vennootschappen hebben in Polen ook nooit een reactie gehad dat het niet goed was. Ze zijn in Polen ook nooit veroordeeld of opgeroepen. De vennootschappen hebben in Polen ook nooit declaraties of boetes ontvangen. De belastingheffing in Polen gaat ook anders dan in Nederland. Dat wil de inspecteur kennelijk niet aannemen en al helemaal niet geloven. De feiten zijn dat E en J altijd hebben gefunctioneerd en altijd hebben voldaan aan de Poolse wetgeving. Ik weet zeker dat de belastingdienst nooit van de Poolse autoriteiten het bericht hebben gekregen dat E en J niet zouden hebben voldaan aan de regels. Over de aangiften van J kan ik niet beschikken. Dat wordt in Polen geregeld door F. Zij is daar heel goed in. Zij is ook op de hoogte van de Poolse belastingwetgeving en de andere relevante wetgeving. F regelt het dan ook en ik kan maar één ding zeggen en dat is dat het elk jaar weer klopt en dat we nog nooit een opmerking hebben gehad van de Poolse Belastingdienst. De Poolse Belastingdienst heeft ook controles uitgevoerd. Ook daar is nooit iets uitgekomen. Het klopte dus altijd. Of de aangiften nog beschikbaar zijn, betwijfel ik. De bewaartermijn daarvan is volgens mij allang verstreken." 2.6. Belanghebbende heeft verklaard geen onderzoek te hebben verricht naar de achterliggende verhouding tussen D en de heer R en de Poolse vennootschappen en nimmer reden te hebben gehad te twijfelen aan de bevoegdheid van mevrouw F. 2.7. In de jaren vanaf 1995 zijn door tuinders die in de nabijheid van belanghebbende zijn gevestigd en/of een familierelatie met belanghebbende hebben, vergelijkbare overeenkomsten afgesloten met de onder 2.3 genoemde Poolse vennootschappen. 2.8.1. De oogst wordt door belanghebbende verkocht aan E en later in het onderhavige jaar aan G. Vanaf 22 januari 1999 wordt diezelfde oogst door de Poolse vennootschap, verkocht aan D. D is gevestigd in BB. De heer R was aandeelhouder en directeur van deze BV. D fungeerde als intermediair tussen belanghebbende, de Poolse vennootschap en de Poolse werknemers en hield de loonadministratie bij. De volledige veilingopbrengst werd uitbetaald aan D. D betaalde 99% van deze koopprijs door aan de Poolse vennootschap op een Luxemburgse bankrekening. 2.8.2. E en G/H leverden de goederen aan de veilingen in het onderhavige jaar in het algemeen op naam van en met gebruikmaking van de inschrijfnummers van Q, respectievelijk P. De facturen ter zake van de verkopen werden opgemaakt door de veiling, onder vermelding van 6% omzetbelasting en met vermelding van het omzetbelastingnummer van belanghebbende. De veilingen maakten de verschuldigde bedragen over op een bankrekening van E of G/H of van D. 2.9.1. E en G zijn in het onderhavige jaar niet ingeschreven bij een veiling. 2.9.2. Op 28 juli 1998 is E ingeschreven bij Veiling M onder aanvoerdersnummer 0081. Onder dit nummer werden goederen aangevoerd van Q. Op 24 augustus 1999 is D te BB ingeschreven bij Veiling M onder klantnummer 0002 en is D te Y ingeschreven onder klantnummer 0003. 2.9.3. Leveringen van vaste planten aan andere afnemers dan de veilingen werden gefactureerd op naam van E of G/H en later op naam van D. In een enkel geval werden de bedragen betaald op het bankrekeningnummer van P en vervolgens doorgeboekt naar E. 2.9.4. De geoogste producten worden van het bedrijfsadres van belanghebbende (het verlaadadres) rechtstreeks getransporteerd naar de veiling. Als verlaad- en factuuradres wordt het adres van belanghebbende vermeld. 2.10.1. Tot de stukken behoren drie overeenkomsten tussen Q en E met nummers 97-01, 97-02 en 97-04, respectievelijk ondertekend op 1 januari 1997, 15 februari 1997 en 20 mei 1997 en twee overeenkomsten tussen Q en G van met nummers 97-03 en 97-05, ondertekend op respectievelijk 24 april 1997 en 5 juni 1997. De overeenkomsten met nummer 97-02 tot en met 97/05 zijn nagenoeg gelijkluidend. De overeenkomst met nummer 97-02 luidt als volgt: "OVEREENKOMST VAN KOOP EN VERKOOP De ondergetekenden: 1. Q, gevestigd in Nederland te Y aan de a-straat 108a, hierna te noemen de verkoper; 2. E Sp.z o.o. gevestigd in Polen te T, Regonnummer 000000004, te dezen vertegenwoordigd door F, hierna te noemen de koper. De koper en de verkoper zijn een overeenkomst van koop en verkoop aangegaan, waarvan de inhoud alsmede de daarop van toepassing zijnde voorwaarden en bepalingen worden weergegeven in de hierna opgenomen artikelen 1 tot en met 10. Bij het tot stand komen van deze overeenkomst hebben de koper en de verkoper zich laten leiden door de volgende feiten en overwegingen. A. De verkoper heeft een tuinbouwbedrijf in Nederland en wenst het gebruik van zijn produktiefaci1iteiten optimaal te benutten alsmede de produktie, afzet en export van dit tuinbouwbedrijf te stimuleren door het verkopen van zijn produkten in en buiten Nederland. B. De koper wenst tuinbouwprodukten te produceren te kopen in Nederland teneinde de import en haar handelsgebied te verbeteren en te vergroten. C. De verkoper en koper wensen een overeenkomst van koop en verkoop aan te gaan met betrekking tot de opbrengsten van een nader te bepalen produktie van vaste planten, waartoe de verkoper en koper op nader te bepalen wijze elkaar wederzijds zullen ondersteunen maar waarbij het risico van de produktie zowel formeel als daadwerkelijk overgaat op de koper. OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE EN GEKOCHTE ARTIKEL 1 1.1 De verkoper heeft verkocht aan de koper en de koper heeft gekocht van de verkoper de vaste plantenoogst gedurende de periode van 01-02-1996 tot en met 30-06-1996 te velde, te kweken en als volgroeid produkt te oogsten van de navolgende cultuurgronden: - het perceel, kadastraal bekend gemeente Y, sectie AH, nummer 0005, groot 02.30.00 hectare. - het perceel, kadastraal bekend gemeente ---------, sectie -, nummer ----, groot ------- hectare. - het perceel, kadastraal bekend gemeente ---------, sectie ---, nummer ----, groot ------- hectare. 1.2 De verkoper en koper gaan er voor deze overeenkomst vanuit dat de in het vorige lid bedoelde oogst van vaste planten een totale omvang zal hebben van 200.000 stuks. (zegge: zevenhonderdduizend) Indien deze hoeveelheid meer of minder is, is het voordeel of nadeel daarvan voor rekening en risico van de koper. 1.3 De verkoper verplicht zich tot levering en de koper verplicht zich tot afname van de in lid 1.1 genoemde oogst van vaste planten. KOOPSOM ARTIKEL 2 2.1 De koopsom bedraagt ƒ 70.000,=. (zegge:zeventig duizend) 2.2 De koopsom wordt niet gewijzigd indien de oogst van vaste planten meer of minder beloopt dan de oogst waarvan de koper en/of de verkoper uitgingen bij het aangaan van deze overeenkomst. BETALING VAN DE KOOPSOM EN GARANTIES ARTIKEL 3 3.1 Binnen drie weken na levering en afname van een gedeelte van de vaste plantenoogst zal de koper de koopsom geheel of gedeeltelijk betalen. 3.2 De koper dient na een afname of levering van een gedeelte van de totale vaste plantenoogst een deel van de totale koopsom te betalen naar de verhouding tussen het aantal geleverde en afgenomen stuks vaste planten en de totale vaste plantenoogst, zoals deze bij het aangaan van deze overeenkomst werd bepaald in lid 1.2. RETENTIERECHT ARTIKEL 4 4.1 De koper erkent dat de verkoper gebruik kan maken van het retentierecht. 4.2 De koper geeft bij deze zijn recht tot verdediging tegen het verlies van zijn eigendomsrechten van het aangeboden en niet betaalde gedeelte van de in lid 1.1 bedoelde vaste plantenoogst op en is zijnerzijds dan van rechtswege ontslagen van zijn afnameverplichting voor dat gedeelte indien de verkoper van het in het vorige lid bedoelde retentierecht gebruik maakt. BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE KOPER ARTIKEL 5 5.1 De koper verklaart dat hij voor de duur van de overeenkomst het groeirisico volledig voor zijn rekening en risico zal nemen. 5.2 De koper zal de verkoper vrijwaren voor alle verplichtingen welke voortvloeien uit kwalitatieve en kwantitatieve reclames en klachten indien en voor zover deze verband houden met het groeirisico. 5.3 De koper verklaart het risico te dragen dat de oogst niet tot een commerciële kwaliteit kan worden gekweekt of geoogst of in kwantiteit onder de algemeen gangbare norm, geldende voor de produktie van vaste planten onder gelijke omstandigheden, zal liggen. BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE VERKOPER ARTIKEL 6 6.1 De verkoper verplicht zich tot het beschikbaar stellen aan de koper van de onder 1.1 genoemde percelen voor de realisatie door de koper van de onder 1.1 gemelde handelingen in verband met de in artikel 1 genoemde oogst gedurende de in de lid 1.1 genoemde periode. 6.2 De verkoper verplicht zich gedurende de in lid 1.1 genoemde periode tot het beschikbaar stellen aan de koper van diverse voorzieningen, werktuigen, infrastructuur, hulpmiddelen en de benodigde energie voor het aandrijven van voorzieningen en werktuigen en het beheren van genoemde infrastructuur noodzakelijk voor het kweken en oogsten van de onder lid 1.1 genoemde oogst van commerciële kwaliteit. 6.3 De vergoedingen voor het ter beschikking stellen van de in dit artikel gemelde faciliteiten en voorzieningen worden geacht te zijn begrepen in de in artikel 2 genoemde koopsom. 6.4 De verkoper geeft de koper en zijn personeelsleden en/of vennoten en/of partners en/of executives van de koper het onherroepelijk recht om gedurende de in lid 1.1 gestelde periode te allen tijde de in lid 1.1 gemelde percelen te betreden al dan niet met enige vorm van uitrustingsstukken, werktuigen of transportmiddelen indien en voor zover deze direct of indirect dienend zijn aan het inspecteren, bewaken, verzorgen, bewerken, kweken, oogsten en transporteren van de in artikel 1 bedoelde oogst. BEËINDIGING VAN DE OVEREENKOMST ARTIKEL 7 7.1 De overeenkomst loopt teneinde op 31-12-1997. 7.2 De overeenkomst loopt teneinde nadat de in artikel 1 bedoelde oogst geleverd en afgenomen is en voor het overige zowel koper als verkoper aan hun verplichtingen uit deze overeenkomst hebben voldaan. 7.3 De overeenkomst kan voor het in lid 7.2 genoemde tijdstip in onderling overleg en met instemming van zowel verkoper als koper worden beëindigd door ondertekening van een schriftelijke verklaring. 7.4 Met ingang van het tijdstip waarop de overeenkomst wordt ontbonden, wordt de verkoper eigenaar van de aan de koper verkochte oogst in de staat waarin deze zich op dat moment bevindt. 7.5 Koper en verkoper kunnen in onderling overleg de duur van deze overkomst verlengen tot een nader te bepalen datum. VESTIGING OPSTALRECHT ARTIKEL 8 8.1 De koper en de verkoper kunnen van elkaar vorderen om voor de duur van deze overeenkomst een recht van opstal te vestigen op de beplantingen, die de verkoper in eigendom heeft op de in lid 1.1 genoemde percelen. 8.2 In de notariële akte van vestiging van het in lid 8.1 bedoelde opstalrecht neemt de koper de verplichting op zich om aan de verkoper op de tijdstippen waarop het produkt wordt geoogst of voorbereid is voor afname conform het bepaalde in artikel 3 de koopsom te betalen. KOSTEN ARTIKEL 9 Alle kosten op deze overeenkomst van koop en verkoop betrekking hebbende, zijn voor rekening van de koper of de door hem aan te wijzen derde, met dien verstande dat een en ander voor rekening van de koper blijft indien de derde in gebreke is. TOEPASSELIJK RECHT ARTIKEL 10 10.1 Op deze overeenkomst is steeds het Nederlands recht van toepassing. 10.2 Alle geschillen, welke niet in onderling overleg kunnen worden opgelost en welke niet tot de competentie van de kantonrechter behoren, voortvloeiende uit of verband houdend met de uitvoering van deze overeenkomst worden door ondergetekenden in eerste aanleg aanhangig gemaakt bij de rechtbank van het arrondissement waarin de verkoper zijn woonplaats heeft gekozen. Aldus opgemaakt te T en ondertekend te Y op 15-02-1997. De verkoper: De koper: Dhr. N F 2.10.2. De overeenkomst met nummer 97-01 luidt als volgt: "OVEREENKOMST VAN KOOP EN VERKOOP De ondergetekenden: 1. De heer N, gevestigd in de gemeente Y aan de c-straat 33, hierna te noemen de verkoper; 2. E Sp. z o.o., gevestigd in de gemeente T te Polen, g-straat 30 vertegenwoordigd door F, directeur, verder te noemen de koper. De koper en de verkoper zijn een overeenkomst van koop en verkoop aangegaan, waarvan de inhoud alsmede de daarop van toepassing zijnde voorwaarden en bepalingen worden weergegeven in de hierna opgenomen artikelen 1 tot en met 16. Bij het tot stand komen van deze overeenkomst hebben de koper en de verkoper zich laten leiden door de volgende feiten en overwegingen: a. De verkoper heeft een tuinbouwbedrijf en wenst door het vroegtijdig verkopen van zijn produktie het produktie- en afzetrisico te beperken. b. De koper wenst agrarische produkten, met name tuinbouwprodukten te kopen en/of te produceren in Nederland teneinde haar produktiecapaciteit beter te benutten en haar omzet te vergroten. c. De verkoper en koper wensen een overeenkomst van koop en verkoop aan te gaan met betrekking tot een nader te bepalen te, velde staand, te produceren en nader te omschrijven soort en hoeveelheid tuinbouwprodukten. De verkoper en koper zullen daarbij op nader te bepalen wijze elkaar wederzijds ondersteunen onder de uitdrukkelijke bepaling dat op en vanaf het tijdstip van aangaan van deze overeenkomst het risico van de produktie en het oogsten van de nader te noemen tuinbouwprodukten en het risico van de afzet en prijsvorming van deze tuinbouwprodukten in de ruimste zin van het woord overgaan op de koper.De inhoud, voorwaarden en bepalingen van deze overeenkomst luiden als volgt: OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE EN GEKOCHTE ARTIKEL 1 1.1 Het verkochte en gekochte betreft de oogst te velde van Vaste planten welke de verkoper heeft verkocht aan de koper en de koper tegelijkertijd heeft gekocht van de verkoper. 1.2. De in het voorgaande lid bedoelde oogst wordt door de koper gedurende de periode van: 01 januari 1997 tot en met 30 juni 1997, te velde gekweekt, en geproduceerd, en als volgroeid produkt geoogst van de navolgende cultuurgronden: het perceel, kadastraal bekend gemeente Y, sectie AH, nummer 0005, GROOT 1.00.00 hectare; 1.3. De verkoper en koper gaan er voor deze overeenkomst vanuit dat de in het vorige lid bedoelde oogst een totale omvang zal hebben van 400.000 stuks. Indien deze hoeveelheid meer of minder is, is het voordeel of nadeel daarvan voor rekening en risico van de koper. LEVERING VAN HET VERKOCHTE EN GEKOCHTE ARTIKEL 2 2.1. De levering van het in artikel 1 genoemde verkochte en gekochte geschiedt op het moment dat het verkochte en gekochte feitelijk zelfstandige zaken worden door de afscheiding daarvan door de koper van de in artikel 1 lid 2 genoemde cultuurgronden waardoor hij zich de eigendom van het verkochte en gekochte verschaft. De verkoper stemt er in toe dat de koper gedurende de looptijd van de overeenkomst door afscheiding van het verkochte en gekochte zich de eigendom daarvan verschaft. 2.2. De levering van het verkochte en gekochte kan zowel ineens voor het geheel als in gedeeltes gedurende de duur van de overeenkomst plaatsvinden. K0OPSOM ARTIKEL 3 3.1. De koopsom bedraagt f 100.000,= 3.2. De koopsom wordt niet gewijzigd indien de oogst meer of minder beloopt dan de in artikel 1 lid 3 bedoelde oogst, waarvan de koper en de verkoper uitgingen bij het aangaan van deze overeenkomst. DUUR VAN DE OVEREENKOMST ARTIKEL 4 Deze overeenkomst van koop en verkoop eindigt op 31 december 1997 OMZETBELASTING ARTIKEL 5 5.1. De koper en de verkoper gaan ervan uit dat de levering van de in artikel 1 genoemde oogst te velde niet leidt tot de verschuldigdheid van omzetbelasting in Nederland omdat zowel voor de verkoper als voor onderhavige levering de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet op de omzetbelasting 1968 van toepassing is. 5.2. De in artikel 4 genoemde koopsom is exclusief omzetbelasting of de bedragen die in lid 4 en lid 5 zijn bedoeld. 5.3. Indien het uitgangspunt van lid 1 onjuist blijkt te zijn, is de koper verplicht alsnog omzetbelasting te betalen aan de verkoper. BETALING VAN DE KOOPSOM ARTIKEL 6 6.1. Binnen drie weken na levering van een gedeelte van de oogst zal de koper de koopsom geheel of gedeeltelijk naar rato van de leveringen betalen aan de verkoper of een door hem nader te noemen derde. 6.2. De koper dient na een afname of levering van een gedeelte van de totale in artikel 1 lid 3 bedoelde oogst een deel van de totale koopsom te betalen naar de verhouding tussen het geleverde en afgenomen gedeelte en de totale oogst, zoals deze hij het aangaan van deze overeenkomst werd begroot in artikel 1 lid 3. 6.3. De koper dient de gehele koopsom voor de einddatum van deze overeenkomst aan de verkoper te hebben betaald tenzij de verkoper niet aan zijn verplichtingen uit deze overeenkomst heeft voldaan. VESTIGING PANDRECHT ARTIKEL 7 7.1. De koper (lees hier en in het navolgende van dit artikel: pandgever) verplicht zich hierbij tot meerdere zekerheid voor de betaling van de koopsom in stil pand aan de verkoper (lees hier en in het navolgende van dit artikel: pandhouder) te geven zijn vorderingen en toekomstige vorderingen voortvloeiende uit leveranties door de koper van het verkochte en gekochte aan derden. De verkoper neemt tegelijk voor zich in stil pand aan de hiervoor bedoelde vordering en toekomstige vorderingen. 7.2. De koper verbindt zich tot onmiddellijke verpanding aan de verkoper van alle vorderingen en toekomstige vorderingen, zoals in lid 1 bedoeld, zodra daarvan rechtsgeldige verpanding mogelijk is en alles zolang de koper zijn verplichtingen uit deze overeenkomst nog niet is nagekomen. (...) OPSCHORTINGSRECHT ARTIKEL 8 8.1. Indien de koper zijn verplichtingen uit deze overeenkomst jegens de verkoper niet nakomt, is de verkoper bevoegd nakoming van al zijn verplichtingen uit deze overeenkomst op te schorten. De verkoper mag daartoe de levering van het gekochte en verkochte aan de koper opschorten door de koper het recht te ontzeggen zich de eigendom van het verkochte en gekochte door afscheiding te verschaffen 8.2. Indien de verkoper gebruik maakt van het in het vorige lid bedoelde opschortingsrecht maakt hij dit terstond schriftelijk kenbaar aan de koper waarbij de verkoper de koper tegelijkertijd in gebreke stelt. 8.3. Indien de koper binnen vierentwintig uur nadat de verkoper van het in het vorige lid bedoelde opschortingsrecht gebruik heeft gemaakt, zijn verplichtingen jegens de verkoper niet nakomt, krijgt de verkoper het recht om de in artikel 1 bedoelde oogst te oogsten en de produkten op eigen naam en voor eigen rekening en risico te verkopen. BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE KOPER ARTIKEL 9 9.1. De koper verklaart dat hij voor de duur van de overeenkomst het produktrisico, afzetrisico en/of prijsrisico volledig voor zijn rekening en risico zal nemen. 9.2. De koper zal de verkoper vrijwaren voor alle verplichtingen welke voortvloeien uit kwalitatieve en kwantitatieve reclames en klachten indien en voor zover deze verband houden met het produktrisico, afzetrisico en/of prijsrisico. 9.3. De koper verklaart het risico te dragen dat de oogst niet tot een commerciële kwaliteit kan worden gekweekt of geoogst of in kwantiteit onder de algemeen gangbare norm, geldende voor de produktie onder gelijke omstandigheden, zal liggen. BIJZONDERE VERKLARINGEN VAN DE VERKOPER ARTIKEL 10 10.1. De verkoper verplicht zich tot het beschikbaar stellen aan de koper van de in artikel 1 lid 2 genoemde percelen voor de realisatie door de koper van de onder artikel 1 lid 2 bedoelde handelingen in verband met de in artikel 1 genoemde oogst gedurende de in de artikel 1 lid 2 genoemde periode. 10.2. De verkoper verplicht zich gedurende de in artikel 1 lid 2 genoemde periode tot het beschikbaar stellen aan de koper van diverse voorzieningen, werktuigen, infrastructuur, hulpmiddelen, kennis, namen, waaronder type en merknamen, en de benodigde energie voor het aandrijven van voorzieningen en werktuigen en het beheren van genoemde infrastructuur noodzakelijk voor het kweken en oogsten van de in artikel 1 genoemde oogst tot commerciële kwaliteit. 10.3. De vergoedingen voor het ter beschikking stellen van de in dit artikel gemelde faciliteiten en voorzieningen worden geacht te zijn begrepen in de in artikel 4 genoemde koopsom. 10.4. De verkoper geeft de koper en zijn personeelsleden en/of vennoten en/of partners en/of gemachtigden van de koper het onherroepelijk recht om gedurende de in artikel 1 lid 2 gestelde periode te allen tijde de in artikel 1 lid 2 gemelde percelen te betreden al dan niet met uitrustingsstukken, werktuigen of transportmiddelen indien en voor zover deze direct of indirect dienend zijn aan het inspecteren, bewaken, verzorgen, bewerken, produceren, kweken, oogsten en transporteren van de in artikel 1 bedoelde oogst. EERDERE BEËINDIGING VAN DE OVEREENKOMST ARTIKEL 11 11.1 De overeenkomst eindigt eerder dan de in artikel 3 genoemde datum indien de in artikel 1 bedoelde oogst geleverd en afgenomen is en voor het overige zowel koper als verkoper aan zijn verplichtingen voortkomende uit deze overeenkomst heeft voldaan. 11.2. De overeenkomst kan voor de in artikel 2 genoemde datum in onderling overleg en met instemming van zowel verkoper als koper worden beëindigd door ondertekening van een schriftelijke verklaring. 11.3. De overeenkomst wordt terstond beëindigd: 11.3.1 in geval van faillissement van een van de partijen; 11.3.2 in geval van surséance van betaling van een van de partijen; 11.3.3 in geval er bij een van de partijen beslag wordt gelegd waardoor deze niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. 11.3.4 in geval een van de partijen de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet nakomt. 11.3.5 indien de vrees bestaat dat een van beide partijen de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet zal nakomen en de betreffende partij niet per omgaande voldoet aan het verzoek van de wederpartij om zich bereid te verklaren haar verplichtingen op correcte wijze na te komen. VERLENGING VAN DE DUUR VAN DE OVEREENKONST ARTIKEL 12 Koper en verkoper kunnen in onderling overleg de duur van deze overkomst verlengen tot een nader te bepalen datum. VESTIGING OPSTALRECHT ARTIKEL 13 13.1. De koper kan van de verkoper vorderen om voor de duur van deze overeenkomst een recht van opstal te vestigen op de beplantingen, die de verkoper in eigendom heeft op de in artikel 1 lid 2 genoemde percelen. 13.2. In de notariële akte van vestiging van het in lid 1 bedoelde opstalrecht neemt de koper de verplichting op zich om aan de verkoper op de tijdstippen waarop het produkt feitelijk zelfstandige zaken worden door afscheiding van de in artikel 1 lid 2 genoemde percelen conform het bepaalde in artikel 6 de koopsom te betalen. BOETEBEDING ARTIKEL 14 Indien de verkoper of de koper na een ingebrekestelling gedurende zeven dagen nalatig blijft in de nakoming van één of meer verplichtingen verbeurt de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een onmiddellijk opeisbare en niet voor korting of schuldvergelijking vatbare boete ter hoogte van de in artikel 4 genoemde koopsom, onverminderd het recht op vergoeding van meerdere kosten, schade en interesten. KOSTEN ARTIKEL 15 Alle kosten op deze overeenkomst van koop en verkoop betrekking hebbende, rijn voor rekening van de koper. TOEPASSELIJK RECHT ARTIKEL 16 16.1. Op deze overeenkomst is steeds het Nederlands recht van toepassing. 16.2. Alle geschillen, welke niet in onderling overleg kunnen worden opgelost en welke niet tot de competentie van de kantonrechter behoren. Voortvloeiende uit of verband houdende met de uitvoering van deze overeenkomst worden door ondergetekenden in eerste aanleg aanhangig gemaakt bij de rechtbank van het arrondissement waarin de verkoper zin woonplaats heeft gekozen. Getekend door de verkoper en getekend door de koper d.d. 01-01-1997 te Y De verkoper De koper" 2.11. De overeenkomsten vermelden onder meer de volgende gegevens: Nr. Produkt Opp (ha) Hoeveel heid Een heid E/ƒ Contract prijs oogstperiode begin oogst periode einde Datum contract 1 Vaste planten 1,00 400.000 stuks ƒ 100.000 1-1-1997 30-6-1997 1-1-1997 2 Vaste planten 2,30 200.000 stuks ƒ 70.000 1-3-1997 1-7-1997 15-2-1997 3 Pot chrysanten 1,00 30.000 stuks ƒ 60.000 1-5-1997 1-9-1997 24-4-1997 4 Vaste planten 2,30 400.000 stuks ƒ 100.000 1-6-1997 30-6-1998 20-5-1997 5 Pot chrysanten 1,50 50.000 stuks ƒ 100.000 15-6-1997 31-10-1997 5-6-1997 2.12.1. G heeft overeenkomst 96-03 ondertekend op 17 augustus 1996, voorafgaand aan haar oprichting op 2 september 1996. Overeenkomst 96-02 is ondertekend op 17 augustus 1996, enkele weken na de aanvang van de oogstperiode op 1 juli 1996. In overeenkomst 99-03 wordt als datum 31 september 1999 vermeld, in overeenkomst 99-02 wordt het perceelsnummer 0013 vermeld en in overeenkomst 98-04 wordt het perceelsnummer 014 vermeld. Beide perceelsnummers bestaan niet. De overeenkomsten 97-01 en 98-01 zijn ondertekend op 1 januari van het betreffende jaar. In de jaren 1996-1998 zijn de overeenkomsten afwisselend ondertekend door E en G. 2.12.2. In overeenkomst 99-04 wordt een perceelsgrootte genoemd die groter is dan de fysieke grootte van het betreffende perceel. In de periode van 15 juni tot 1 juli 1997 zijn de overeenkomsten 97-01 tot en met 97-05 gesloten. Daarbij overtreft de verkochte oppervlakte de fysieke grootte van het perceel. 2.12.3. Overeenkomst 97-01 is ondertekend op de dag waarop volgens de overeenkomst de oogstperiode begint. De overeenkomsten 99-02 tot en met 97-05 zijn respectievelijk 14, 7, 12 en 10 dagen voor het begin van de oogstperiode ondertekend. 2.13.1. In het door belanghebbende opgestelde verslag van de bespreking met de Belastingdienst op 11 september 2001 is het volgende vermeld: "Op de vraag van de Belastingdienst van hoeveel vennootschappen F directrice is antwoordt Q dat zij dat niet weet. Ook geeft Q aan niet te weten hoe F ervoor zorgt dat de contracten in het Nederlands zijn opgesteld nu zij deze taal niet machtig zou zijn. Q geeft aan dat zij niet weet of de Poolse firma in kwestie de contracten ondertekend opstuurde of dat deze firma in Nederland de contracten heeft getekend. Q verklaart desgevraagd via kennissen met de Poolse firma in contact te zijn gekomen.". 2.13.2. Belanghebbende heeft verklaard dat de inhoud van de bepalingen van de overeenkomst voor haar geen bijzonder aandachtspunt vormden. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven dat zij vooral belang toekent aan de in de overeenkomst vermelde verkoopprijs van de oogst op stam en dat een schriftelijke overeenkomst in feite niet noodzakelijk is, omdat een afspraak een afspraak is. 2.14.1. In de brief van 17 september 2002 is het volgende vermeld: "De aan de koper van de oogst op stam voor te stellen contractprijs komt tot stand tijdens een gezamenlijk overleg tussen de heer N en mevrouw O. Op basis van een schatting van de in de verkoopprijs te verdisconteren elementen (het plantje, de potgrond, de pot, het land en de infrastructuur) wordt een prijsvoorstel gedaan. Daarbij baseren cliënten zich op hun ervaring. Schriftelijk vastgelegde calculaties zijn daarvan niet opgemaakt.". 2.14.2. In de brief van 7 juli 2003 is het volgende vermeld: "Voor het antwoord op Uw vraag naar een gespecificeerd overzicht van de elementen waaruit de verkoopprijs is opgebouwd verwijzen cliënten u naar de brief van 7 september 2002 aan de belastingcontroleurs. Cliënten beschikken niet over schriftelijk vastgelegde calculaties. Bij de start van de relatie met destijds E, is een bepaalde prijs bedongen, waarmee Q achteraf content was. In de jaren daarna zijn de prijzen daarvan afgeleid. Niettemin hebben cliënten naar aanleiding van uw verzoek gepoogd de contractprijs voor bolchrysanten te specificeren. Bijgaand overzicht bevat een grove schatting van de opbouw van de contractprijs in eurocenten (...)". 2.14.3. In de brief van 15 september 2003 heeft de gemachtigde, in antwoord op de brief van de Inspecteur van 23 juli 2003, het volgende geantwoord: "Cliënten hebben geen documentatie beschikbaar over de elementen van de contractprijs. Deze is in het verleden ooit in goed overleg tussen partijen tot stand gekomen en vervolgens als basis gebruikt in de jaren daarna." 2.15.1. De door belanghebbende aan de Poolse vennootschap verkochte producten zijn geoogst door Poolse arbeiders. Aan deze arbeiders heeft belanghebbende huisvesting ter beschikking gesteld. 2.15.2. Belanghebbende stelt aan de Poolse vennootschap karren ter beschikking. De gemachtigde van belanghebbende heeft in de brief van 15 september 2003 hierover het volgende opgemerkt: "Cliënten registreren in een schriftje of ringband wie deze karren meeneemt, wie daarvan gebruik maakt en wanneer deze karren worden geretourneerd. Aan het einde van het seizoen wordt aan de hand van het schriftje gecontroleerd of alle karren retour zijn (het saldo van de afnemer weer nihil is). Zodra blijkt dat alles in orde is, heeft het schriftje c.q. de inhoud van de ringband geen functie meer. Het wordt derhalve niet bewaard, zodat cliënten deze niet aan u ter beschikking kunnen stellen." 2.16. In de overeenkomst is geen bepaling opgenomen met betrekking tot de vraag naar de aansprakelijkheid in het geval door een van de Poolse arbeiders schade wordt toegebracht aan de ter beschikking gestelde voorzieningen. 2.17.1. In de brief van 1 oktober 2001 is het volgende vermeld: "De Belastingdienst vraagt waarom de verschuldigde bedragen door de Poolse firma werden overgemaakt. Onder verwijzing naar het antwoord dat is gegeven tijdens het derdenonderzoek antwoordt Q dat dit middels deelbetalingen gebeurde. Dit werd in de gaten gehouden en op het eind van het jaar gecontroleerd." 2.17.2. Belanghebbende heeft bij brief van 7 maart 2012 verklaard niet meer na te kunnen gaan welk bedrag belanghebbende per productlevering heeft ontvangen, wanneer zij dat bedrag heeft ontvangen en van wie zij dat bedrag heeft ontvangen. Belanghebbende heeft in voornoemde brief voorts verklaard dat het verschil tussen de waarde van de contracten en de ontvangsten kan worden verklaard door het feit dat niet alle contracten zijn betaald in het jaar van ondertekening, maar dat belanghebbende niet een meer uitgebreide cijfermatige verklaring kan geven vanwege inbeslagname van de administratie door de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (SIOD). Belanghebbende heeft daarnaast verklaard dat de koper van de oogst op stam naast de overeengekomen contractsprijs, in het onderhavige jaar tevens een bedrag gelijk aan het landbouwforfait aan belanghebbende betaalde, welk bedrag niet in een schriftelijke overeenkomst is vastgelegd. 2.17.3. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar - in afwijking van hetgeen is opgenomen in artikel 5 van de overeenkomst met nummer 97-01 - op grond van artikel 27, zesde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 geopteerd voor belastingheffing. 2.18. Belanghebbende houdt niet bij op welk moment welke hoeveelheid van de geoogste producten wordt afgenomen. 2.19. In artikel 5 van de overeenkomsten met nummer 97-02 tot en met 97-05, wordt belanghebbende gevrijwaard voor verplichtingen welke voortvloeien uit kwalitatieve en kwantitatieve reclames en klachten, indien en voor zover deze verband houden met het groeirisico. Omtrent vrijwaring voor verplichtingen als gevolg van reclames en klachten anders dan in verband met het groeirisico, is in deze overeenkomst niets bepaald. In artikel 9 van de overeenkomst met nummer 97-01 wordt belanghebbende gevrijwaard voor alle verplichtingen welke voortvloeien uit kwalitatieve en kwantitatieve reclames en klachten indien en voor zover deze verband houden met het productrisico, afzetrisico en/of prijsrisico. 2.20.1. Q is op 22 augustus 1996 ingeschreven bij Veiling L onder aanvraagnummer 000001. Inschrijving is noodzakelijk om te kunnen leveren aan de veiling. De aanvraag is ingediend en ondertekend door de heer N. In het aanvraagformulier is niets vermeld met betrekking tot de verkoop van oogst op stam aan de Poolse vennootschappen. De in het aanvraagformulier vermelde telefoonnummers zijn van de belanghebbende. Het ingevulde omzetbelastingnummer is dat van belanghebbende. 2.20.2. In een faxbericht van 10 september 1996, opgemaakt op briefpapier van P en ondertekend door N, is het volgende vermeld: "Zoals vanmiddag telefonisch besproken verzoek ik U om het bankrekeningnummer te wijzigen dat wij onlangs opgegeven hebben in het volgende nummer: 00-000-000-01 KBL Luxemburg t.n.v. G Sp.z.o.o. P. Box 000 T Polen Ons aanvoerdersnr. is 000001 Met vriendelijke groeten, N" 2.20.3. De tenaamstelling op de aanvoerbrieven, facturen en de jaaroverzichten afkomstig van de Veiling L luidt: Q, c-straat 33 te Y. In maart 1998 heeft Q zich afgemeld bij Veiling L per 31 december 1997. 2.21.1. Q heeft zich op 31 juli 1996 aangemeld als gastzender bij de Veiling AF. Dit is noodzakelijk om te kunnen leveren aan de veiling. Inschrijving vond plaats onder aanvoernummer 0000.6. Onder dit nummer zijn achtereenvolgens bekend: Q H.O. G, Q H.O. D (zie bijlage 2.5 bij het controlerapport). In het aanvraagformulier wordt niet gerept over de Poolse vennootschappen noch over de contracten. Op het aanvraagformulier werd het omzetbelastingnummer vermeld van voornoemde fiscale eenheid. 2.21.2. Op 23 augustus 1996 stuurt mevrouw O een faxbericht aan de Veiling AF. Het briefhoofd van het faxbericht is van P BV. De inhoud van het faxbericht luidt als volgt: "Betreft telernr. 0000.6 Zoals telefonisch besproken vanmorgen met N geef ik U de wijziging door van naam en bankrekeningnr.: naam: Q h.o. G sp.z.o.o bank: KBL Luxemburg 00-000-000-01 Met vriendelijke groeten, O". 2.21.3. P heeft zich op 7 april 1997 aangemeld als gastzender bij de Veiling AF. Inschrijving vond plaats onder aanvoernummer 0000.7. Op het aanvraagformulier is het omzetbelastingnummer van de onder 2.20.1 genoemde fiscale eenheid vermeld. De tenaamstelling van de aanvoerbrieven (aanvoernummer 0000.6) is "Q" of "Q h.o. G". Het vermelde telefoonnummer is dat van belanghebbende. De tenaamstelling van de weekafrekeningen (aanvoernummer 0000.6) luidt: Q, c-straat 33, 0008 AA Y. De nota- en de jaaroverzichten zijn tenaamgesteld op Q H.O. G, c-straat 33, 00008 AA Y. 2.21.4. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 4 mei 2001 hebben gebracht aan Veiling AF, is het volgende vermeld: "De directeur, de heer AJ, verklaarde dat toevoegingen aan de handelsnaam voor de veiling niets uitmaakt. In casu blijft Q h.o. G later gevolgd door Q h.o. D voor de veiling Q de man. Ook maakt het niet uit wie bevoegd is ten aanzien van de naam met toevoeging. Handelaren kunnen gewoon leveren aan de veiling mits tuinbouw gelieerde producten.". 2.22. Op 3 oktober 1996 is door de heer N in het ledenregister van Veiling AK te AL ingeschreven: X BV/G GmbH, c-straat 33 te Y. De tenaamstelling op de aanvoerbrieven, facturen en jaaroverzichten is: AM X BV/G, c-straat 33 te Y. De veiling Flora heeft verklaard dat G slechts een toevoeging is en dat de veiling juridisch te maken heeft met X BV. 2.23. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 18 mei 2001 en 22 mei 2001 hebben gebracht aan AN BV te AO, is het volgende vermeld: 18 mei 2001 "Wij hebben gesproken met mevrouw AP in haar hoedanigheid als administratief medewerkster crediteurenadministratie bij AN BV en de heer AQ in zijn hoedanigheid als hoofd inkoop bij Van AN BV. Mevrouw AP heeft inzake de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft het volgende verklaard: X-D is hetzelfde bedrijf; Q zegt haar niets. De heer AQ heeft inzake de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft het volgende verklaard: inzake D BV heeft hij contact met O en N van D; in de computer staat alles op D BV, l-straat 25 te BB. Wij merken op dat het volgende telefoon- en faxnummer in het systeem van AN BV is opgenomen: telefoon 0000.00009; fax 0000000010. Dit zijn de nummers van N en O. De heer AQ verklaart verder dat bestellingen van planten worden gefaxt naar D BV (het faxnummer is 0000000011). Bij het ophalen van de planten door AN BV wordt een afleverbon meegegeven; (...) De zakelijke contacten met D BV lopen via AR of AQ, de direkteur van AN BV. De heer AR was op 18 mei 2001 niet bereikbaar." 22 mei 2001. "Wij hebben gesproken met de heer AR in zijn hoedanigheid als direkteur van AN BV. De heer AR heeft inzake de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft het volgende verklaard: AN BV koopt telefonisch planten van N. Alle contacten lopen via N; het gaat om bestellingen, hoeveelheden en prijs. AN zendt ter bevestiging een fax naar Y aan D BV. De planten worden door AN BV opgehaald in Y bij X1. Er is weinig contact met O. Met R is helemaal geen contact; behalve een paar weken geleden. Toen waren N en R op zijn bedrijf. Zij vertelde aan de heer AR dat de Belastingdienst met een onderzoek bezig is inzake D-X1. De factuur inzake de aankoop van planten komt van D BV; er wordt van D BV gekocht en aan D BV betaald. N is de leverancier van de planten. Volgens de heer AR is deze handelswijze niet gebruikelijk in de tuinbouwwereld. De reden hiervoor aldus de heer AR is volgens N dat er Polen bij hem (N) werken; daardoor is er een constructie en een nieuwe BV: D. Volgens de heer AR heeft N hem verteld dat hij (N) met een constructie werkt, waarbij Pools personeel wordt ingezet via een Pools bedrijf." 2.24. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 15 mei 2001 hebben gebracht bij AI BV te AV, is het volgende vermeld: "Wij hebben gesproken met de heer AW in zijn hoedanigheid als direkteur van AI BV en mevrouw AT, administratrice/boekhoudster bij AI BV. De heer AW heeft inzake de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft het volgende verklaard: D BV en Q zeggen hem niets; D zegt hem wel wat. Ook de naam N zegt hem wel wat. Een paar maanden geleden heeft hij, hier op de veiling AV, voor het eerst kennis gemaakt met N en zijn echtgenote O. Hij handelt al jaren met hen en verklaart planten te kopen van X1. Het betreffen hoofdzakelijk (alleen maar) potchrysanten. Bestellingen worden mondeling gedaan; geen fax of offerte. De contacten en prijsafspraken inzake de aankoop van de potschrysanten lopen via O. De potchrysanten worden door eigen vervoermiddelen of via een transportbedrijf opgehaald bij X1 in Y. De heer AW weet niet van wie de fakturen inzake de potchrysanten afkomstig zijn. Mevrouw AT heeft inzake de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft het volgende verklaard: ik ken alleen N en O; alle contacten lopen via N en O en niet met D BV. Zij voegt er aan toe dat volgens haar N en O D BV zijn. Dit heeft zij niet geverifieerd; is op aanname. In de agenda van mevrouw AT staan het adres, telefoon- en faxnummers van N en O (ook de 06-nummers). De fakturen inzake de potchrysanten zijn afkomstig van D BV, l straat 25 te BB. Voor D BV had men inzake de fakturering te maken met Sp.z.o.o." 2.25. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 30 mei 2001 hebben gebracht aan AX te AY, is het volgende vermeld: "Wij hebben gesproken met de heer AZ in zijn hoedanigheid als firmant van de VOF AX. De heer AZ heeft inzake D BV het volgende verklaard: D BV zegt hem niets; D zegt hem wel wat. De namen N en O zeggen hem wel wat. Het contact met N en O is ontstaan via BA. Dit bedrijf levert stekplanten aan X1. De heer AZ kocht potchrysanten van N. Voor de eerste keer op 23 september 1998. In het jaar 2000 is N potchrysanten gaan leveren aan Veiling AV. Dit is de reden dat de heer AZ geen zaken meer doet met N. Drie keer in het seizoen ging de heer AZ op de lokatie van N te Y kijken naar de potchrysanten; te beginnen in juni. De heer AZ constateerde dat N de planten aan de druppelaar legde; dit is een systeem van leidingen, slangen en pompen. Volgens de heer AZ werkten er Polen op het land van N. De Poolse arbeiders werken bij X1 per stuk (zij worden op stuk gezet). Bij X1 worden de zendingen per kar genummerd, zodat X1 weet welke ploeg er aan een zending heeft gewerkt. Er zijn geen koopcontracten afgesloten met belanghebbende; dit is bij kwekers niet gebruikelijk. De prijsafspraken inzake de potchrysanten werden gemaakt met N en O. X1 was met de prijzen van potchrysanten niet lager dan andere kwekers. X1 hanteerde een prijs van f 4 tot f 4,50 per potchrysant. Zo vraagt een Belgische klant van de heer AZ f 3,80. De eerste factuur in het jaar 1998 inzake de levering van potchrysanten aan AZ was afkomstig uit Polen en wel van E Sp.z.o.o. te T . Het geld inzake de faktuur diende de heer AZ over te maken naar de KBL-bank in Luxemburg rekeningnummer 00-000000-12. Dat de faktuur afkomstig was uit Polen wekte verbazing bij de heer AZ. De heer AZ kan zich niet meer herinneren of hij dit feit met N en O heeft doorgesproken. De heer AZ denkt dat E Sp.z.o.o. N is, want het verlaadadres op de afleverbon is dat van N, namelijk c-straat 33 te Y. In het jaar 1999 zijn de fakturen inzake de leveringen door X1 afkomstig van D BV, l-straat te BB. De eerste faktuur van D BV is betaald op 9 augustus 1999. Inzake de fakturering door D BV heeft N aan de heer AZ medegedeeld dat hij (N) een andere naamsverhouding is aangegaan. Het is eenmaal voorgekomen dat er aan AZ een slechte zending van potchrysanten is geleverd. De heer AZ heeft er toen N op aangesproken." 2.26. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 15 mei 2001 en 30 mei 2001 hebben gebracht aan BC BV te BD, is het volgende vermeld: 15 mei 2001 "Wij hebben gesproken met de heer BE in zijn hoedanigheid als Algemeen Directeur van BC BV. De heer BE heeft inzake de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft het volgende verklaard: D BV is volgens hem BD. Van D BV kent hij alleen O. (...) Het bedrijf heet D; dit is ook de debiteurennaam en het contact i.v.m. de handel loopt via O. De handel betreft chrysanten. Inzake D BV zijn er geen schriftelijke overeenkomsten; er wordt gekocht naar behoefte. Men kent feitelijk belanghebbende. De reden dat er gefaktureerd wordt op naam van D BV heeft volgens de heer BE te maken met het leveren van planten buiten de veiling om (BVO). Het transport van de planten wordt niet door BC BV verzorgd; de levering geschiedt door X1/D Voor verdere vragen geeft de heer BE aan dat wij ons in verbinding moeten stellen met BE (hoofd-inkoop) en BF (boekhouder). Zij waren op 15 mei 2001 niet aanwezig." 30 mei 2001 "Wij hebben gesproken met de heer BF in zijn hoedanigheid als boekhouder van BC BV. De heer BF heeft het volgende verklaard: BC BV doet zaken met D BV vanaf 22 juli 1999 en met P BV vanaf 15 september 2000. Over D BV heeft men geen inlichtingen ingewonnen bij de Kamer van Koophandel. Wat D BV betreft wordt het geld inzake de leveringen van chrysanten overgemaakt naar een bankrekening van D BV in Luxemburg. In het jaar 1999 werd er geld over gemaakt naar BIL-bank en in het jaar 2000 is dit de KBL-bank geworden. Inzake fakturen van en betalingen aan D BV wordt er altijd gebeld door O. O doet volgens de heer BF de boekhouding van D BV. De heer R kent hij niet. Met de rekeningen van D BV ging er in augustus 2000 iets niet goed met het overmaken van het geld naar Luxemburg. De betalingen werden teruggestort naar BC BV. O heeft op een gegeven moment telefonisch contact opgenomen met de heer BF waar de betalingen inzake de leveringen bleven." "Wij hebben telefonisch contact gehad met de heer BE in zijn hoedanigheid als inkoper van BC BV. De heer BE heeft het volgende verklaard: BC BV doet zaken met D BV. Inzake bestellingen en prijsafspraken heeft hij te maken met O en N. Ongeveer 2,5 maand geleden zijn ze bij BC BV in BD op bezoek geweest. De heer BE is zelf nooit op het bedrijf van O en N geweest. Dat de faktuur afkomstig is van D BV is lang geleden afgesproken met O en N. Wie D BV is weet de heer BE niet. De naam R zegt hem niets. De heer BE denkt dat O en N de direkteuren van D BV zijn. Dit moet wel volgens hem. De naam E Sp.z.o.o. zegt hem niets. Ook het woord Spolka niet." 2.27. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 15 mei 2001 hebben gebracht aan BG BV en BJ BV te BK, is het volgende vermeld: "Wij hebben gesproken met de heren BL en BM in hun hoedanigheid als directeur en de heer FR in zijn hoedanigheid als hoofd van de adminstratie. De contacten met D BV zijn gelegd door BM in zijn hoedanigheid als inkoper. De heer BM is op de lokatie c-straat 33 te Y geweest en heeft gesproken met N en O. Prijsonderhandelingen werden alleen met O gevoerd. De reden dat de facturen inzake de inkopen van de chrysanten afkomstig zijn van D BV komt volgens de heer FR omdat D weleens de eigenaar van de chrysanten kan zijn. Volgens de heer FR is het nog nooit fout gelopen Aan BM is de vraag gesteld of hij weet dat de chrysanten op de lokatie c-straat 33 te Y eigendom zijn van X1? Als antwoord gaf hij dat belanghebbende een van de grootste chrysantenkwekers in Nederland is." 2.28. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 24 april 2001 hebben gebracht aan BN BV te BO, is het volgende vermeld: "Wij hebben gesproken met de heer BP en zijn echtgenote. De heer BP is direkteur/aandeelhouder van de BV en zijn echtgenote doet de administratie. Inzake de relatie met D BV gaat het om de inkoop van vaste planten. Inzake de fakturering door D BV zegt de heer BP het volgende: N zegt dat het een buitenlands bedrijf betreft en wel een Pools bedrijf. Verder heeft BP niets te maken wat betreft het hoe en waarom de fakturen op naam staan van D. Bij inkoop van planten gaat men als volgt te werk: N faxt aan BN BV lijsten door met het aanbod van vaste planten; zie bijlage 11.2; BN BV maakt zelf een inkoopbon, waarop vermeld wordt wat men gaat kopen (bestelling dus); op deze inkoopbon wordt tevens het tijdstip van het ophalen van de bestelling vermeld; deze inkoopbon wordt naar N gefaxt; de faktuur komt van D BV; er is nooit contact geweest met D. Men betaalt de fakturen van D BV naar een bank in Luxemburg. De kosten inzake de buitenlandse overboeking komen niet voor rekening van BN BV; dit heeft mevrouw BQ zo geregeld met N. Wat gebeurt er bij fouten inzake de fakturering? Antwoord: dan neemt mevrouw BQ contact op met N en niet met D BV." 2.29. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 24 april 2001 hebben gebracht aan BR BV te BS, is het volgende vermeld: "Wij hebben gesproken met de heer BT, administrateur bij BR BV en mevrouw BU, direktrice van de BV. De heer BT verklaarde het volgende: de inkoop van planten loopt via N en wel door telefonische bestellingen aan hem gericht; de planten worden door de BV zelf opgehaald op de lokatie c-straat 33 op de dinsdag en donderdag op de terugweg van BW. Bij het ophalen op de lokatie ontvangt men van N een afleverbon en daarna de faktuur van D BV (de heer BT spreekt van DX). Uit het gesprek met BT blijkt dat er inzake de inkoop van planten bij N een tweedeling moet worden gemaakt: • Men koopt perkplanten (zomergoed) van N; deze planten worden door N zelf naar FS gebracht, alwaar BR BV ook over een lokatie beschikt. De ontvangen fakturen komen van belanghebbende. • Men koopt vaste planten van N; deze planten worden dus door BR BV zelf opgehaald bij belanghebbende. De faktuur is afkomstig van D BV, l-straat 25 te BB en dient betaald te worden naar een Luxemburgse bankrekening. De contacten met N zijn in het verleden gelegd door mevrouw BU. Mevrouw BU verklaarde het volgende: De contacten inzake de inkoop van planten lopen altijd via N. N geeft een lijst met aanbod van planten; de planten worden door BR BV telefonisch besteld bij N en door de kwekerij zelf opgehaald bij N. De contacten met N bestaan al van voor de "E-periode". Inzake de gang van zaken wat betreft fakturering door D BV zegt mevrouw BU letterlijk het volgende; hierbij citeert zij N: • Ik heb mensen, Tsjechen van D/E in dienst; • Ik verkoop deze planten in samenwerking met D. Wij vragen mevrouw BU of de Tsjechen soms Polen moeten zijn. Zij antwoordt dat het inderdaad om Polen gaat. Bij fouten inzake de fakturering neemt men contact op met D BV, niet meer met belanghebbende. De reden volgens mevrouw BU hiervoor is dat mevrouw O ontlast wordt, bijvoorbeeld i.v.m. kinderen." 2.30. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 19 april 2001 hebben gebracht aan BY BV te BZ, is het volgende vermeld: "Wij hebben gesproken met CA inzake aankoop planten van D BV in 1999 en 2000. Hij verklaarde het volgende: Er is alleen telefonisch contact met D inzake de aankoop geweest (met een man). De naam R zegt hem niets; ook niet als direkteur van D BV. CA doet de handel met N. De planten worden door hem besteld bij N; soms gaat hij naar de lokatie waar de planten zich bevinden; de prijs staat in principe vast; men betrekt al jaren een artikel; het produkt wordt altijd zelf opgehaald. De faktuur komt van D BV. Op de lokatie van N wordt op het moment van afhalen een origineel van de afleverbon uitgereikt door een van de daar aanwezige personen. Bij de faktuur die men van D BV ontvangt zit een doorslag van de afleverbon. Vraag: waarom nog een doorslag als CA reeds het origineel heeft? Antwoord van CA: waarschijnlijk zijn er afleverbonnen in drievoud." 2.31. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 19 april 2001 hebben gebracht aan CB BV te BZ, is het volgende vermeld: "Gesproken met de heer CC en de administratrice mevrouw CD inzake transakties 1999 en 2000 met D BV. Betreft aankoop planten. De heer CC verklaarde het volgende: Planten worden gekocht van N te Y. De bestelling van de planten wordt gefaxt naar belanghebbende. Ik loop zelf ter keuring van de planten over de velden van belanghebbende; daarna volgt de eventuele bestelling. De faktuur komt van D BV. De heer CC heeft met niemand van D BV contact gehad. Alle fakturen zijn vergezeld van een roze afleverbon. Vraag: waarom komt de faktuur van D BV? Antwoord: de heer CC heeft het over de constructie." 2.32. In de ambtsedige verklaring van het bezoek dat controlerend ambtenaren op 18 september 2001 hebben gebracht aan CE BV te CG, is het volgende vermeld: "Gesproken met de heer CF. Hij verklaarde het volgende: D BV zegt hem niets; wel na uitleg van de afkorting D. Het produkt dat wordt afgenomen betreft vaste planten in de jaren 1999 en 2000. De heer CF is in het voorjaar op het bedrijf van belanghebbende te Y geweest in verband met het bezichtigen van de vaste planten ter plaatse. Na bezichtiging ter plaatse wordt er besteld; er wordt gehandeld met N, de planten zijn immers van hem. De rekening komt van D BV. Volgens CF is D BV een bedrijf van N." 2.33.Belanghebbende heeft in januari 1995 een offerte van CH te CI ontvangen betreffende de inzet van Poolse arbeidskrachten (bijlage 21). In deze offerte wordt het volgende opgemerkt: "(...) In ons vorige gesprek vertelde u ons dat de prijzen die we op dat moment hanteerden niet haalbaar waren voor uw boekhouding. Mede dankzij een positief onderhoud met de Belastingdienst hebben we tot een prijsstelling kunnen komen die voordeliger uitvalt dan bij de eerste offerte. De offerte is als volgt: Uw voorwaarden: De niet E.G. leden, in uw geval de Polen moeten netto Fl. 7,50 per uur verdienen. Uw "staffel" waarover u sprak zal dan door u op een andere manier toegepast moeten worden. Wij zijn door bovenstaande uitgekomen op een bedrag van Fl. 12,35 per uur. (ex.btw). (...) U kunt van het bedrag van Fl. 12,35 een bedrag gebruiken van FL. 7,50 om de niet E.G. werknemers te betalen per uur. De rest van het bedrag zal door ons gebruik worden om alle zaken financieel en juridisch rechtmatig te maken en te houden." 2.34. De Inspecteur is van mening dat de contracten realiteit ontberen en heeft bij alle betrokken tuinders de gehele winst die is gemaakt bij de uiteindelijke verkoop van de producten toegerekend aan de tuinders zelf, onder aftrek van een bedrag voor loonkosten van de Poolse arbeiders. De loonkosten heeft de Inspecteur gesteld op ƒ 8 per uur en het aantal gewerkte uren heeft hij afgeleid uit de bij D aangetroffen administratie. Voor belanghebbende beloopt de aldus over 1997 berekende winstcorrectie als volgt: Veiling/product €/ƒ Incl. OB Excl. OB OB CJ ƒ 210.126 198.232 11.894 Veiling AF AG ƒ 106.346 100.326 6.020 AL ƒ 243.145 229.382 13.763 Vaste planten ƒ 556.500 525.000 31.500 Totaal ƒ 1.116.117 1.052.941 63.176 Contract ƒ 455.800 430.000 25.800 Verschil ƒ 660.317 622.941 37.376 Looncomponent ƒ 166.117 Bruto correctie ƒ 494.200 Af OB ƒ 37.376 Netto correctie ƒ 456.824 Aangegeven belastbaar bedrag ƒ 638.944 Belastbaar bedrag na uitspraak ƒ 1.095.768 (€ 497.238) 2.35. Aan de Poolse vennootschappen zijn over het onderhavige jaar aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd ter zake van dezelfde winstbedragen als waarover bij belanghebbende is geheven. 2.36.1. De Inspecteur heeft in het controlerapport van 7 februari 2002 belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is om een navorderingsaanslag op te leggen met een verhoging van, na kwijtschelding, 50% van de nagevorderde belasting. 2.36.2. De Inspecteur heeft met dagtekening 16 maart 2002 de onderhavige navorderingsaanslag met verhoging en de beschikking heffingsrente bekend gemaakt. 2.37. Het op 20 maart 2008 gedagtekende hoger beroepschrift is door het Hof op 21 maart 2008 ontvangen. In het hoger beroepschrift, is voor zover van belang, het volgende vermeld: "Hierbij komen wij in hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda van 11 februari 2008, procedurenummer 06/1462 inzake X BV, c-straat 33, 0000 AA Y (navorderingsaanslag Vpb 1997) welke uitspraak op 19 februari 2008 is verzonden aan partijen. Een kopie van deze uitspraak treft u bijgaand aan. Het beroep richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de vernietiging van de uitspraak op bezwaar (enkelvoudige belasting) en de vernietiging van de verhoging. (...)". 2.38. De Geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur in de uitspraak van 6 oktober 2011 opgedragen de namen van buitenlandse ambtenaren bekend te maken. De Inspecteur heeft die namen niet bekend gemaakt. 2.39.1. In de brief van 27 november 2008 heeft de Inspecteur, voor zover van belang, het volgende vermeld: "Sinds de mondelinge behandeling door de rechtbank is een aantal nieuwe stukken naar voren gekomen. De gemachtigde heeft op 29 oktober 2008 inzage gekregen deze stukken. Op verzoek zijn kopieën daarvan verstrekt. Voorts is recent nog een aantal stukken nagestuurd aan gemachtigde. Naar onze mening is een groot gedeelte van de nieuwe stukken niet relevant voor de besluitvorming in de onderhavige geschillen en kan daar ook anderszins niet aan bijdragen. Als bijlage bij deze brief hebben wij dan ook enkel die stukken opgenomen die naar onze mening op de zaak betrekking hebben. Zoals gezegd, heeft gemachtigde wel inzage gehad in alle stukken. Indien gemachtigde derhalve van mening mocht zijn dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht, dan kan hij deze zelf inbrengen. Overigens zijn wij op verzoek van uw Hof of van gemachtigde graag bereid de ontbrekende stukken alsnog in te brengen. Wij verzoek uw Hof deze stukken te rekenen tot de processtukken van alle hiervoor genoemde procedures.". 2.39.2. Belanghebbende heeft in haar brief van 16 juni 2009 aan de Inspecteur, voor zover van belang, het volgende vermeld: "Toen wij uw brief aan het Gerechtshof van 27 november 2008 er nog eens bij pakten, bleek ons dat u het Gerechtshof heeft laten weten dat u graag bereid bent om het integrale dossier toe te zenden. Dit bracht ons op het volgende idee. Graag zouden wij dit integrale dossier van u ontvangen. Het is niet in uw belang, noch dat van cliënten om het Gerechtshof te overladen met papier. Wij achten het dan ook in beginsel onwenselijk indien alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Gerechtshof zouden worden toegezonden. Wel vinden wij het belangrijk dat cliënten kennis (kunnen) nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en wij daaruit zonodig een selectie aan het Gerechtshof kunnen zenden." 2.39.3. Bij brief van 16 oktober 2009 heeft de Inspecteur de door de gemachtigde gevraagde kopieën aan deze doen toekomen. 2.39.4. De Inspecteur heeft in zijn brieven van 10 februari 2009 en 24 februari 2009 aan de belastingautoriteiten van Cyprus vermeld: "Volgens informatie waarover wij beschikking zijn de aandelen van H Ltd (...) in handen van CK Ltd. Kunt u ons informeren wie de aandeelhouder(s) en bestuurder(s) is/zijn van CK Ltd?". 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: Principaal hoger beroep 1. Moet de Inspecteur niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep inzake de beschikking heffingsrente? 2. Moet de navorderingsaanslag worden vernietigd omdat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de opdracht van de Geheimhoudingskamer? 3. Heeft de Inspecteur nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen? 4. Heeft belanghebbende in het onderhavige jaar de onder 2.11 vermelde oogst op stam daadwerkelijk verkocht aan E respectievelijk G? 5.1. Rust op belanghebbende de last te doen blijken - dat wil zeggen: overtuigend aan te tonen - dat, en zo ja, in hoeverre de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag onjuist is? 5.2. Is sprake van een redelijke schatting? 5.3. Heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld? 6. Is de Inspecteur gelet op het bepaalde in artikel 16 van de AWR bevoegd om de onderhavige navorderingsaanslag op te leggen? 7. Staat het vertrouwensbeginsel aan het opleggen van een navorderingsaanslag in de weg? 8. Heeft de Inspecteur de aanslagtermijn opgerekt door een navorderingsaanslag ter behoud van rechten op te leggen? 9. Heeft de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel geschonden? 10. Heeft de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur nagelaten belanghebbende te horen voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslag? 11. Is de Inspecteur bevoegd om aan belanghebbende een navorderingsaanslag op te leggen ten aanzien van hetzelfde feitencomplex op grond waarvan aan E/G aanslagen zijn opgelegd? 12. Is de verhoging terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? 13. Is de heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht? 14. Is het recht van belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), geschonden? Incidenteel hoger beroep 15. Dienen de proceskosten integraal te worden vergoed? Belanghebbende beantwoordt de vragen 1, 2, 3, 4, 5.3, 7, 8, 9, 10, 14 en 15 bevestigend en de vragen 5.1, 5.2, 6, 11, 12 en 13 ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter inlichtingencomparities en ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze inlichtingencomparities en van de zitting opgemaakte processen-verbaal. 3.3. De Inspecteur concludeert primair tot gegrondverklaring van het hoger beroep, ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep. Subsidiair concludeert de Inspecteur als primair, met uitzondering van de verhoging, die subsidiair moet worden kwijtgescholden tot op 22,5%. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor het overige. 4. Gronden Ontvankelijkheid hoger beroep tegen heffingsrente 4.1. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de Rechtbank inzake de heffingsrente. Het Hof verwerpt deze stelling. De Inspecteur heeft bij schrijven van 20 maart 2008 hoger beroep in gesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. In het arrest Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907, BNB 2010/52c* is geoordeeld dat een bezwaarschrift tegen een aanslag tevens moet worden opgevat als een bezwaarschrift tegen de op hetzelfde aanslagbiljet vermelde beschikking heffingsrente en dat hetzelfde dient te gelden voor het beroep tegen de uitspraak op een dergelijk bezwaar, en voor het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Tevens heeft de Hoge Raad in het arrest van 28 oktober 2011, nr. 09/04035, LJN BN7194, BNB 2012/25c* inzake een boete geoordeeld dat artikel 24a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) ook geldt wanneer de inspecteur hoger beroep instelt. Het Hof ziet geen reden om deze beslissing niet op dezelfde wijze toe te passen in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een beschikking heffingsrente. Deze benadering is met ingang van 2010 ook neergelegd in artikel 24a, derde lid, van de AWR waarin is bepaald dat de heffingsrente voor de toepassing van de wettelijke bepalingen van bezwaar en beroep, dus ook hoger beroep, geacht wordt onderdeel uit te maken van de aanslag. Het Hof is van oordeel dat uit het hoger beroepschrift niet kan worden afgeleid dat de Inspecteur het hoger beroep uitdrukkelijk heeft willen beperken tot de materiële heffing en de boete. De Inspecteur merkt weliswaar op dat het hoger beroep betrekking heeft op de heffingsgrondslag en de vernietiging van de verhoging, maar het ligt niet voor de hand dat de Inspecteur daarmee uitdrukkelijk heeft willen afzien van hoger beroep tegen de beslissing inzake de heffingsrente. De heffingsrente is immers gekoppeld aan de omvang van de aanslag en in de procedure voor de Rechtbank zijn er ook geen zelfstandige grieven naar voren gebracht ten aanzien van de beschikking heffingsrente. Het Hof gaat er dan ook vanuit dat de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat de beslissing omtrent de aanslag automatisch doorwerkt naar de beschikking heffingsrente. Het hoger beroep is naar het oordeel van het Hof dan ook gericht tegen de gehele uitspraak. Opdracht Geheimhoudingskamer 4.2.1. De Geheimhoudingskamer heeft bij tussenuitspraak van 6 oktober 2011 uitspraak gedaan op het beroep van de Inspecteur op artikel 8:29 van de Awb. De Geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat de door de Inspecteur aangevoerde gewichtige redenen deels zijn gerechtvaardigd. De Geheimhoudingskamer heeft voorts aangegeven voor welke passages geheimhouding niet is gerechtvaardigd. Vervolgens heeft de Geheimhoudingskamer de Inspecteur verzocht om onverwijld te berichten of hij bereid is de stukken, geheel of gedeeltelijk, op de door de Geheimhoudingskamer weergegeven wijze te schonen. 4.2.2. De Inspecteur heeft bij brief van 26 oktober 2011 bericht dat hij bereid is de stukken overeenkomstig de tussenuitspraak van de Geheimhoudingskamer in te brengen, met uitzondering van de namen en kenmerknummers van de buitenlandse ambtenaren in de stukken als genoemd in voetnoot 3 van het brondocument behorend bij de tussenuitspraak van de Geheimhoudingskamer en heeft vervolgens de desbetreffende stukken ingebracht. 4.2.3. Belanghebbende heeft bij brief van 24 januari 2012 gesteld dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de beslissing van de Geheimhoudingskamer. Belanghebbende acht dit verzuim dermate ernstig en fundamenteel van aard dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. 4.2.4. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur - gelet op de beslissing van de Geheimhoudingskamer - niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Op grond van artikel 8:31 van de Awb kan het Hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die het Hof geraden voorkomt. 4.2.5. Het Hof acht het in dit kader van belang dat weliswaar bepaalde gegevens niet zijn overgelegd, maar dat wel duidelijk is wat de aard van deze gegevens zijn. Het gaat hier om namen van buitenlandse ambtenaren en kenmerknummers in correspondentie die zijn te herleiden tot de desbetreffende buitenlandse ambtenaren. Van belanghebbende mag worden verlangd dat zij op zijn minst aangeeft op welke wijze zij in haar rechtspositie wordt geschaad door het niet overleggen van deze gegevens. Belanghebbende heeft op dit punt niets naar voren gebracht, maar slechts volstaan met de blote stelling dat de mogelijkheid om te onderzoeken of informatie voorhanden is die zou moeten leiden tot vernietiging van de aanslagen, haar wordt ontnomen. Ondanks het ontbreken van de namen en kenmerknummers heeft belanghebbende - naar het oordeel van het Hof - wel degelijk de mogelijkheid om de buitenlandse autoriteiten vragen te stellen omtrent de door deze autoriteiten verstrekte gegevens. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat belanghebbende op de hoogte is van de namen van de individuele ambtenaren. Belanghebbende heeft een dergelijke poging niet ondernomen, althans niet is gesteld dat een dergelijk inlichtingenverzoek is gedaan. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet in haar procespositie is geschaad door het handelen van de Inspecteur. Het Hof ziet dan ook geen reden om consequenties te verbinden aan het niet verstrekken van de namen van de buitenlandse ambtenaren en de kenmerknummers in de van de buitenlandse autoriteiten afkomstige stukken. Op de zaak betrekking hebbende stukken 4.3.1. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur ook overigens heeft nagelaten de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb in het geding te brengen. 4.3.2. Partijen zijn het er, gelet op de inhoud van de onder 2.39 vermelde briefwisseling, over eens zijn dat het vanwege de omvang van het dossier niet wenselijk is dat alle beschikbare stukken aan het Hof worden toegezonden en zijn daarom overeengekomen dat de Inspecteur alle stukken waarover hij beschikt in het kader van het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag in kopie aan de gemachtigde zal verstrekken, waarna een selectie van die stukken aan het Hof zal worden gezonden. Het Hof acht aannemelijk dat de Inspecteur, in overeenstemming met de inhoud van zijn brieven van 27 november 2008 en 16 oktober 2009, alle stukken aan belanghebbende in kopie heeft verstrekt. De in de nadere stukken van 22 februari 2012 door gemachtigde ingenomen stelling dat dit niet het geval is, verwerpt het Hof. Belanghebbende heeft het Hof niet verzocht om, anders dan overeengekomen met de Inspecteur, alle aan haar in kopie verstrekte stukken aan het Hof te doen toekomen. 4.3.3. De omstandigheid dat het Hof ondanks de door partijen als voornoemd gemaakte afspraak omtrent het inzenden van stukken aan het Hof, de beschikking wenste over meer stukken dan door partijen in onderling overleg waren toegezonden, maakt niet dat de Inspecteur, die aan het verzoek van het Hof tot inzending van de gevraagde stukken heeft voldaan, heeft nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb beoogt in beginsel de belangen van de wederpartij te beschermen in het kader van een juiste toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Aan die bescherming is ruimschoots voldaan, nu belanghebbende de beschikking heeft gekregen over alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de stukken die nadien op verzoek van het Hof aan het procesdossier zijn toegevoegd. Belanghebbende heeft niet verzocht om, in afwijking van de onder 4.3.2 vermelde afspraak, alle stukken waarover de Inspecteur beschikt, door deze in het geding te laten brengen. 4.3.4. Belanghebbende heeft voorts in haar brief van 24 november 2011, onder verwijzing naar de brieven van de Inspecteur van 10 februari 2009 en 24 februari 2009, gesteld dat de Inspecteur informatie waarover hij beschikt niet ter inzage heeft verstrekt. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. 4.3.5. Tijdens de inlichtingencomparitie van 1 februari 2012 heeft de Inspecteur verklaard, dat de informatie als bedoeld in de onder 2.39.4 vermelde brieven betrekking heeft op de aandeelhouders van de Cypriotische vennootschappen en is te vinden in Appendix D-5/3 en F-8/3. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan deze, door belanghebbende (uiteindelijk) niet weersproken, verklaring van de Inspecteur. 4.3.6. Belanghebbende heeft ten slotte aangevoerd dat de Inspecteur niet alle hem ter beschikking staande stukken uit het SIOD-onderzoek heeft overgelegd. Het Hof acht - mede gelet op de geloofwaardige verklaringen van de Officier van Justitie en de heer A - aannemelijk dat de Inspecteur niet de beschikking had over meer stukken betreffende dit onderzoek dan hij heeft overgelegd. 4.3.7. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. 4.3.8. De Inspecteur heeft het Hof bij brieven van 10 oktober 2011, 25 november 2011 en 7 februari 2012 medegedeeld dat hij geen toestemming heeft gekregen om te beschikken over de stukken die betrekking hebben op het door SIOD in gang gezette strafrechtelijk onderzoek (SOHO). Daarbij heeft de Inspecteur het Hof verzocht om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:45 van de Awb belanghebbende, die blijkens de brief van de Officier van Justitie van 20 juli 2011 wel over deze stukken beschikt, te verzoeken om alle stukken met betrekking tot het SIOD-onderzoek in het geding te brengen. Het Hof wijst dit verzoek af uit de overweging dat belanghebbende, op wie de bewijslast in beginsel niet rust, niet gehouden kan worden stukken in het geding te brengen die als bewijs kunnen dienen voor de stelling van de Inspecteur. De Inspecteur heeft voorts niet aannemelijk gemaakt in welke zin de betreffende stukken, die betrekking hebben op de periode 2007-2011, relevantie hebben voor de onderhavige procedure. Realiteit overeenkomsten met Poolse vennootschap 4.4.1. De Inspecteur stelt dat de inhoud van de onder 2.10 vermelde verkoopovereenkomsten, niet overeenkomt met hetgeen partijen bij voornoemde overeenkomsten in werkelijkheid hebben beoogd. Het belang bij de oogst is, aldus de Inspecteur, in tegenstelling tot hetgeen daaromtrent in de verkoopovereenkomsten is vermeld, niet overgegaan naar E/G, maar ononderbroken bij belanghebbende blijven rusten en de winst behaald bij de verkoop van de geoogste producten is niet ten goede gekomen aan E/G, maar is ten goede gekomen aan belanghebbende. 4.4.2. Het Hof stelt voorop dat op de Inspecteur de bewijslast rust van de door hem gestelde feiten en omstandigheden en van de stelling dat aan die feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de gevolgtrekking moet worden verbonden dat de schriftelijke overeenkomsten en de daarbij behorende bijlagen niet de bedoeling van de bij de overeenkomsten betrokken partijen weergeven. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. 4.5.1. Sinds 1996 worden door belanghebbende overeenkomsten gesloten met een Poolse vennootschap, waarbij vaste planten op stam worden verkocht. De samenwerking tussen belanghebbende, mevrouw F en de heer R vindt, naar belanghebbende heeft verklaard en het Hof aannemelijk acht, gedurende een reeks van jaren op gelijke wijze plaats. 4.5.2. Belanghebbende heeft gesteld dat zij het vertrouwen in R ontleent aan de mededeling van R dat hij voorheen als politieman en vakbondsman werkzaam is geweest. Gelet op die achtergrond van R kon belanghebbende, die stelt dat de Poolse vennootschappen voor haar derden zijn, zich niet voorstellen dat R zaken zou doen met onbetrouwbare vennootschappen. Belanghebbende heeft verklaard dat zij geen informatie heeft ingewonnen omtrent de Poolse vennootschappen en zich niet op de hoogte heeft gesteld van de identiteit van F en de capaciteiten van R en F ter zake van agrarische activiteiten. Richting mevrouw F heeft belanghebbende eveneens gehandeld op basis van vertrouwen. Zij heeft verder, naar zij stelt, nimmer reden gehad om te twijfelen aan de bevoegdheid van mevrouw F. Vaststaat dat F en R beiden niet, in ieder geval niet ten tijde van de start van de verkoop van de oogst op stam, beschikten over deskundigheid op het terrein van het telen, oogsten en verhandelen van groente, fruit en planten. 4.5.3. Het Hof acht gelet op het voorgaande aannemelijk dat belanghebbende geen noodzaak aanwezig heeft geacht om na te gaan aan wie zij haar oogst op stam heeft verkocht en onder welke voorwaarden zij dat deed. Belanghebbende heeft evenmin aanleiding gevonden om omtrent de samenwerking met E en G juridisch advies in te winnen. 4.5.4. Gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd acht het Hof aannemelijk dat de Poolse vennootschappen een zeer beperkte substantie hebben. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de Poolse vennootschappen blijkens de onder 2.5 vermelde informatie van het Poolse ministerie van Financiën, blijk geven van geen of zeer beperkte economische activiteit. Het Hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat de Poolse Kamer van Koophandel heeft vastgesteld dat het aangaan van een zakelijke verhouding met E Sp.z.o.o. een hoog risico met zich meebrengt en daarom adviseert om in die zakelijke verhouding uitsluitend contante betaling te accepteren en daarbij heeft opgemerkt dat vanwege het ontbreken van financiële gegevens van deze vennootschap geen compleet beeld kan worden gegeven. 4.5.5. Het Hof acht gelet op hetgeen de Inspecteur op dit punt heeft aangevoerd aannemelijk dat F, die de Nederlandse taal niet machtig is, steeds slechts incidenteel en kort Nederland bezocht en slechts beperkt kennis bezat van de bedrijfsvoering van de Poolse vennootschappen. Dat zij desalniettemin gedurende in ieder geval de periode 1996-2002 de verantwoordelijkheid heeft gehad voor het voor aanzienlijke bedragen afsluiten van overeenkomsten met belanghebbende, is naar het oordeel van het Hof ongeloofwaardig. 4.6.1. Belanghebbende heeft ten aanzien van de met de Poolse vennootschappen gesloten overeenkomsten verklaard dat zij de contracten heeft getekend omdat de koper dat graag wilde, maar dat voor haar een woord een woord is en dat zij daarnaar ook handelt. Voor belanghebbende is minder van belang wat er in de contracten staat. Desalniettemin zijn, aldus belanghebbende, de contracten wel degelijk afgesloten om eventuele problemen te voorkomen. 4.6.2. Het Hof is van oordeel dat de korte periode die is gelegen tussen de verkoop van de oogst op stam door ondertekening van elk van de overeenkomsten met nummer 97-01 tot en met 97-06 en het daadwerkelijke moment waarop de oogst aanvangt voor belanghebbende risico's met zich meebrengt, nu belanghebbende lange tijd geen zekerheid heeft dat de oogst ook daadwerkelijk op stam zal worden verkocht. Het Hof acht aannemelijk dat deze handelwijze in een zakelijke samenwerking voor de koper de mogelijkheid biedt een lagere prijs te bedingen, in de wetenschap dat het de verkoper onmogelijk is om op korte termijn voldoende personeel te werven terwijl zij haar producten toch zal moeten oogsten. Bovendien kan gezien de korte tijd die ten tijde van de ondertekening van elk van de voornoemde overeenkomsten nog resteert tot de vermoedelijke oogstdatum een vrij nauwkeurige schatting van de kwantiteit en kwaliteit en van de veilingopbrengst van de oogst worden gemaakt. De stelling van belanghebbende dat de datum waarop de oogstwerkzaamheden daadwerkelijk aanvangen vanwege bijvoorbeeld weersomstandigheden soms later kan zijn gelegen dan de in de bijlage vermelde aanvangsdag, neemt, wat er van die stelling ook zij, niet weg dat belanghebbende in ieder geval kort voor de door haarzelf geplande oogstdatum tot ondertekening van de bijlage overgaat en derhalve accepteert dat zij de hiervoor geschetste risico's loopt. 4.6.3. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat bij belanghebbende in het onderhavige jaar geen inzicht bestaat in verplichtingen die voor partijen voortvloeien uit deze overeenkomst, in de vraag op welke contractpartij de verplichtingen rusten en in de omvang van de verplichtingen. 4.7.1. Ten aanzien van de door belanghebbende gestelde bijeenkomsten in januari/februari, waarop volgens belanghebbende prijsafspraken zijn gemaakt, overweegt het Hof als volgt. 4.7.2. Belanghebbende heeft verklaard dat de contractprijs bij de aanvang van de relatie met E tot stand is gekomen en dat op basis van een schatting van de in de verkoopprijs te verdisconteren elementen (het plantje, de potgrond, de pot, het land en de infrastructuur) een prijsvoorstel is gedaan. Hiervan zijn geen schriftelijke calculaties opgemaakt. De op deze wijze tot stand gekomen prijs is vervolgens, zoals belanghebbende heeft verklaard, als basis gebruikt in de jaren daarna. 4.7.3. De Inspecteur maakt aannemelijk dat, anders dan belanghebbende heeft verklaard, van realistische prijsonderhandelingen niet is gebleken. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende van deze door haar gestelde prijsberekening niets heeft vastgelegd en niet bekend is of en op welke wijze de veilingprijs in de prijs is verwerkt. De nadien door belanghebbende overgelegde berekening doet aan dit oordeel niets af. In aanmerking genomen dat deze prijs volgens belanghebbende de basis vormt voor de in de volgende jaren te bepalen verkoopprijs, acht het Hof - gelet op het belang dat deze prijs voor belanghebbende zou moeten hebben - de door belanghebbende gestelde werkwijze niet in overeenstemming met hetgeen van zakelijke handelende partijen kan worden verwacht. Het Hof hecht voorts geen geloof aan de door belanghebbende eerst in de conclusie van repliek in eerste aanleg ingenomen - en naar het oordeel van het Hof aan de hiervoor vermelde verklaring van belanghebbende tegengestelde - stelling dat D jaarlijks in januari/februari een bijeenkomst organiseerde waarin de samenwerking, de knelpunten en de inhoud van de bijlagen (inclusief de prijs) werden besproken en dat in aanvulling daarop later in het jaar via een aanvraag de variabelen van de te verkopen oogst werden doorgeven. Belanghebbende heeft bij de beantwoording van de vragenbrieven van de Inspecteur niets vermeld omtrent een bijeenkomst als in de conclusie van repliek in eerste aanleg vermeld, althans niet een bijeenkomst tijdens welke prijsonderhandelingen plaatsvonden. Ook overigens is niets gebleken van de door belanghebbende later in de procedure gestelde prijsonderhandelingen. Hetgeen belanghebbende omtrent de prijsonderhandelingen en het tijdstip waarop de prijs werd bepaald heeft aangevoerd in zijn verweerschrift in hoger beroep en in de pleitnota van 1 februari 2012, doet aan het voorgaande niet af. Overigens merkt het Hof op dat D in het onderhavige jaar nog niet in beeld was en belanghebbende ook niet heeft gesteld dat vergelijkbare onderhandelingen ook in het onderhavige jaar hebben plaatsgevonden. 4.7.4. Het Hof concludeert op grond van het voorgaande dat er geen zakelijke onderhandelingen hebben plaatsgevonden omtrent de in de overeenkomsten te vermelden prijzen. 4.8. Belanghebbende heeft gesteld dat in de prijs zijn begrepen de kosten die belanghebbende heeft gemaakt en/of nog zal maken met betrekking tot de huisvesting van de Poolse arbeiders en de aanschaf van de voor de vaste planten benodigde pot en potgrond. Belanghebbende heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze deze kosten zijn verdisconteerd in de contractsprijs. 4.9.1. Belanghebbende heeft, zoals weergegeven in 2.17.1, verklaard dat de deelbetalingen door haar in de gaten werden gehouden en op het einde van het jaar werden gecontroleerd en heeft als verklaring voor het verschil tussen de waarde van de contracten en de ontvangsten opgemerkt dat mogelijk niet alle contracten in het jaar van ondertekening zijn betaald. Welk bedrag per productlevering werd ontvangen, is door haar zoals weergegeven in 2.17.2 niet meer na te gaan. Het Hof is van oordeel dat niet valt in te zien waarom de Poolse vennootschappen aan belanghebbende een bedrag gelijk aan het landbouwforfait betaalden, nu belanghebbende heeft geopteerd voor belastingheffing. Het Hof acht verder niet aannemelijk dat in zakelijke verhoudingen een derde zonder een contractuele verplichting daartoe, een dergelijk bedrag zal vergoeden. 4.9.2. Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat een dergelijk handelen niet past in een zakelijke verhouding tussen onafhankelijke derden. 4.10.1. De Inspecteur maakt met de onder 2.20 vermelde feiten en de onder 2.21 tot en met 2.32 vermelde verklaringen van derden, aannemelijk dat belanghebbende richting derden de indruk wekt dat alle werkzaamheden in eigen beheer plaatsvinden. AI BV, AN BV, AX, BC BV, BG BV en BJ BV, BN BV, BR BV, BY BV, CB BV en CE BV verklaren dat afspraken over de prijs, leveringscondities en aantallen met betrekking tot de geoogste producten worden gemaakte met mevrouw O of de heer N. Meerdere afnemers en de veilingen gaan ervan uit dat D een bedrijf is van mevrouw O of de heer N. Een aantal afnemers, niet zijnde veilingen, beschikt over adresgegevens, telefoonnummers en faxnummers van mevrouw O of de heer N. De facturen vermelden de naam D BV; BC en BN BV verklaren dat zij voor vragen en opmerkingen met betrekking tot de factuur contact opnemen met mevrouw O. 4.10.2. Het Hof is van oordeel dat uit de onder 2.20 vermelde feiten en de onder 2.21 tot en met 2.32 vermelde verklaringen van veilingen en derden, in samenhang bezien, volgt dat belanghebbende de werkzaamheden met betrekking tot de teelt, verkoop en afzet van haar producten zelf heeft verricht en dat zij dit op een zodanige wijze heeft gedaan dat dit naar derden duidelijk kenbaar was. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat meerdere afnemers onafhankelijk van elkaar tot dezelfde bevindingen zijn gekomen met betrekking tot de samenwerking met belanghebbende. Dat sprake is van onjuiste verklaringen of dat afnemers, omdat zij nog onbekend zijn met de verkoop van oogst op stam, verkeerde conclusies trekken, zoals belanghebbende stelt, kan in een incidenteel geval misschien juist zijn, maar acht het Hof niet aannemelijk in het onderhavige geval, waarin sprake is van meerdere eensluidende verklaringen. 4.10.3. In de overeenkomsten is naar het oordeel van het Hof niets overeengekomen omtrent een verplichting voor belanghebbende om na de verkoop van de oogst op stam als een goed huisvader voor de te oogsten producten te zorgen en derhalve de teeltwerkzaamheden ook na de verkoop van de oogst op stam te verrichten. De stelling van belanghebbende dat op grond van de op haar rustende verplichting om als een goed huisvader voor de oogst te zorgen logischerwijs met zich meebrengt dat de vergunningen en certificaten op naam van belanghebbende staan en niet op naam van de Poolse vennootschap, omdat belanghebbende de teler is en blijft, moet naar het oordeel van het Hof gelet op de onjuistheid van het door belanghebbende met betrekking tot de teeltwerkzaamheden geformuleerde uitgangspunt, worden verworpen. 4.10.4. Belanghebbende is voor het uitvoeren van deze onder 4.10.3 bedoelde werkzaamheden niets overeengekomen met de Poolse vennootschap omtrent de kosten die dat met zich meebrengt en is evenmin iets overeengekomen omtrent de aansprakelijkheid voor eventuele schade als gevolge van deze - na de verkoop van oogst op stam verrichte - werkzaamheden, omdat, naar belanghebbende stelt, het risico op het maken van fouten door belanghebbende vanwege haar deskundigheid verwaarloosbaar is. Het Hof acht onwaarschijnlijk dat een zakelijk handelende partij, zoals de Poolse vennootschappen volgens belanghebbende zijn, accepteert dat de verkoper van de oogst werkzaamheden aan de oogst verricht na de verkoop ervan zonder de zekerheid dat eventuele schade daaraan zal worden vergoed. 4.10.5. Belanghebbende heeft gesteld dat de werkwijze met de hiervoor vermelde partijen in de agrarische wereld onvermijdelijk was, omdat de agrarische wereld niet was ingericht op het verkopen van oogst op stam, zodat er praktische problemen ontstonden bij afzet, vervoer, keuring en verzekering van de producten. De Inspecteur maakt aannemelijk dat hiervan in de beginfase weliswaar sprake kan zijn geweest, maar dat dit na verloop van enkele jaren opgelost had moeten zijn. Uit de stukken van het geding volgt niet dat op enig moment in de periode 1996 tot januari 2011, waarin belanghebbende oogst op stam heeft verkocht, de agrarische wereld wél ingericht is geweest op het verkopen van oogst op stam. Evenmin is gebleken dat door belanghebbende of andere betrokkenen bij de verkoop van oogst op stam stappen zijn ondernomen om deze praktische problemen op te lossen. Het Hof verwerpt derhalve deze stelling van belanghebbende. 4.11.1. Het Hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat de hiervoor onder 4.5 tot en met 4.10 geschetste handelwijze van belanghebbende een wijze van handelen weergeeft die tussen zakelijk handelende partijen niet gebruikelijk is. Belanghebbende sluit overeenkomsten, waarvan zij zelf stelt de inhoud niet te kennen, omdat zij zegt te vertrouwen op mondeling gemaakte afspraken. Deze overeenkomsten sluit zij bovendien met buitenlandse vennootschappen die zij niet kent en waarover zij geen informatie heeft ingewonnen en waarvan zij evenmin de vertegenwoordigers kent. Het Hof acht ongeloofwaardig dat belanghebbende op de enkele mededeling van R van de vorige functies die hij heeft vervuld, een voor haar bedrijfsvoering zo vergaande jarenlange samenwerking aangaat. 4.11.2.Belanghebbende heeft overeenkomsten afgesloten met vennootschappen waarvan zij de liquiditeitspositie niet kent en die worden vertegenwoordigd door personen die geen deskundigheid bezitten op het gebied van de Nederlandse tuinbouw en die voor belanghebbende in eerste instantie onbekende derden zijn. Belanghebbende heeft geaccepteerd dat haar producten worden geoogst zonder dat vooraf zekerheid bestaat dat de prijs betaald zal worden. In de achterstand in de betalingen die E/G aan belanghebbende moesten doen, heeft belanghebbende geen aanleiding gevonden haar contractspartner te manen aan hun verplichtingen te voldoen. Het Hof acht ongeloofwaardig dat een zakelijk handelende ondernemer de contractspartner vrij laat in het tijdstip waarop deze overgaat tot het voldoen aan diens betalingsverplichtingen en acht voorts ongeloofwaardig dat een tuinder die heeft geopteerd voor belastingheffing zich niet verbaast als het landbouwforfait door de Poolse vennootschap onverplicht wordt vergoed. 4.11.3. Het Hof neemt voorts in aanmerking dat het groeirisico, het risico van schade aan de gewassen en het risico van ziekte in de gewassen formeel dan mag overgaan op de koper van de oogst op stam, maar het tijdstip waarop dat risico zou overgaan is zodanig kort voor de oogst gelegen, dat het grootste deel van het risico bij belanghebbende ligt. Bovendien is zodanig laat duidelijk dat de oogst op stam wordt verkocht dat belanghebbende nauwelijks meer in de gelegenheid zal zijn om haar producten nog door zelf ingehuurde werknemers te laten oogsten. Richting derden presenteert belanghebbende zich als een bedrijf dat de werkzaamheden in eigen beheer verricht, eventueel door gebruik te maken van de diensten van D. Uit nagenoeg alle verklaringen van derden volgt dat zij, gelet op alle contacten en onderhandelingen menen zaken te doen met de heer N en mevrouw O en niet met D of met een Poolse vennootschap. 4.11.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof van oordeel dat belanghebbende het belang bij de oogst heeft behouden. De nadruk die belanghebbende legt op de goede samenwerking met de Poolse vennootschap, het vertrouwen dat zij in de Poolse vennootschap heeft, de desinteresse in de bepalingen van de overeenkomst, de stelling dat problemen zich nimmer voordoen en dat deze, zo deze zich voordoen, kunnen worden opgelost, brengt het Hof tot het oordeel dat de onder 2.10 vermelde overeenkomsten geen daadwerkelijk afdwingbare verplichtingen bevatten. Deze dienen slechts om de indruk te wekken dat sprake is van een daadwerkelijke verkoop en levering van de producten die belanghebbende teelt, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is. De Inspecteur maakt aannemelijk dat ten aanzien van het sluiten van de overeenkomsten sprake is van een schijnhandeling en dat aan deze fictief gemaakte afspraken voor de bepaling van de winst in het onderhavige jaar moet worden voorbijgegaan. 4.12.1. Vaststaat dat de producten die zijn geoogst binnen het bedrijf van belanghebbende van haar percelen rechtstreeks aan de veiling zijn geleverd en dat de opbrengst van de producten is betaald naar een Luxemburgse bankrekening. Nu een overeenkomst van verkoop aan een andere partij ontbreekt, is het Hof van oordeel dat belanghebbende de producten zelf heeft geleverd en dat belanghebbende vervolgens ook zelf de veilingopbrengst, die als zodanig tussen partijen niet in geschil is, heeft genoten. De omstandigheid dat de opbrengst is gestort op een rekening van een Poolse vennootschap doet hieraan niet af, nu de Poolse vennootschappen naar het oordeel van het Hof een zodanig beperkte substantie hebben dat volstrekt ongeloofwaardig is dat belanghebbende de veilingopbrengsten onder aftrek van de prijs aan deze vennootschap zou hebben doen toekomen. Bovendien is in werkelijkheid geen sprake van een zakelijke samenwerking met de Poolse vennootschap, zodat voor belanghebbende ook geen aanleiding bestond om de opbrengst aan die Poolse vennootschap ten goede te doen komen. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende, dat gelet op de getuigenverklaring van R, de winst van de Poolse vennootschap en daarmee de aan de tuinder toekomende marge, hooguit 10% van de veilingopbrengst bedraagt nu de Poolse vennootschap gelet op al het vorenoverwogene geheel buiten beschouwing moet worden gelaten. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat van enige winst bij de Poolse vennootschap in het onderhavige jaar niet is gebleken. Dat de Inspecteur geen stukken heeft ingebracht waarop een geldstroom vanuit de Poolse vennootschap naar belanghebbende wordt weergegeven, doet aan het voorgaande niet af en wordt, naar het Hof ten overvloede opmerkt, mede veroorzaakt door de omstandigheid dat de 'contractspartner' van belanghebbende gebruik maakt van een Luxemburgse bankrekening. 4.12.2. Vaststaat dat de door belanghebbende geteelde producten door Poolse arbeiders zijn geoogst en dat deze arbeiders salaris hebben ontvangen voor het verrichten van deze arbeid. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust van de hoogte van het aan de Poolse arbeiders uitbetaalde salaris, maakt niet aannemelijk dat de loonkosten van de Poolse werknemers hoger zijn dan het door de Inspecteur in aanmerking genomen bedrag van ƒ 8 per uur voor het jaar 1997. Belanghebbende heeft dienaangaande slechts verwezen naar een door R afgelegde verklaring, welke verklaring naar het oordeel van het Hof, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, ongeloofwaardig is en bovendien niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Nieuw feit 4.13.1. Op grond van artikel 16 van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit of kwade trouw rust op de inspecteur. 4.13.2. Belanghebbende heeft voortdurend verklaard en gesteld dat sprake is van een reële verkoop van oogst op stam in een zakelijke samenwerking met de Poolse vennootschap. Gelet op het onder 4.11 weergegeven oordeel van het Hof dat sprake is van een schijnhandeling nu de op papier vermelde afspraken in werkelijkheid niet bestaan, heeft belanghebbende aan de Inspecteur opzettelijk de juiste gegevens onthouden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende ten tijde van de aangifte wist dat indien deze aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd. Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte te kwader trouw was, zodat het de Inspecteur vrij stond tot navordering over te gaan. Vertrouwensbeginsel 4.14. Belanghebbende heeft voortdurend verklaard en gesteld dat sprake is van een reële verkoop van oogst op stam in een zakelijke samenwerking met J. Gelet op het onder 4.11 weergegeven oordeel van het Hof dat sprake is van een schijnhandeling nu de op papier vermelde afspraken in werkelijkheid niet bestaan, heeft belanghebbende aan de Inspecteur opzettelijk de juiste gegevens onthouden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende ten tijde van de aangifte wist dat indien deze aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd. Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende niet te goeder trouw is. Deze omstandigheid staat aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg. Navorderingsaanslag ter behoud van recht 4.15. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur met het opleggen van een navorderingsaanslag ter behoud van recht, de aanslagtermijn heeft opgerekt. De Rechtbank heeft dienaangaande als volgt overwogen en het Hof maakt die overwegingen tot de zijne: "De stelling van belanghebbende dat de aanslagtermijn is opgerekt doordat een aanslag tot behoud van rechten is opgelegd, snijdt geen hout. Vaststaat dat de wettelijke termijn in acht is genomen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 oktober 1992 (BNB 1993/36) overwogen dat de opvatting dat een onzorgvuldige vaststelling van een aanslag onder omstandigheden tot nietigheid daarvan moet leiden niet als juist kan worden aanvaard, aangezien de mogelijk uit die onzorgvuldigheid ten nadele van de belastingplichtige voortvloeiende onjuistheden in bezwaar of beroep kunnen worden hersteld." Gelijkheidsbeginsel 4.16. Voor het geval het Hof beslist dat het standpunt van de Inspecteur dat sprake is van een samenwerkende groep juist is, stelt belanghebbende dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Nu het Hof geen oordeel heeft gegeven omtrent de juistheid van het standpunt van de Inspecteur met betrekking tot de samenwerkende groep en derhalve niet heeft beslist dat dit standpunt juist is, wordt aan deze door belanghebbende voorwaardelijk ingenomen stelling niet toegekomen. Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur 4.17. Belanghebbende heeft zich in een brief van 3 oktober 2011 op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag is vastgesteld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien de Inspecteur in het controlerapport van 7 februari 2002 de navorderingsaanslag heeft aangekondigd en daarbij heeft nagelaten belanghebbende een termijn te geven om op de aankondiging te reageren. Belanghebbende heeft in dit kader eveneens verwezen naar artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). De bepalingen van het Handvest zijn enkel tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Aangezien in deze zaak sprake is van een zuivere interne aangelegenheid, is het Hof van oordeel dat toetsing aan artikel 41 van het Handvest hier niet aan de orde is. Het Hof is voorts van oordeel dat geen beginsel van behoorlijk bestuur de Inspecteur verplicht om belanghebbende te horen alvorens de navorderingsaanslag op te leggen. Het Hof verwerpt dan ook deze stelling van belanghebbende. Dubbele heffing 4.18. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur handelt in strijd met het verbod van détournement de pouvoir door voor dezelfde feiten zowel aan belanghebbende als aan E/G belastingaanslagen op te leggen. Het Hof is van oordeel dat geen rechtsregel de Inspecteur verhindert om voor hetzelfde feitencomplex aanslagen op te leggen aan verschillende belastingplichtigen. Aangezien het Hof van oordeel is dat belanghebbende het belang bij de oogst heeft behouden en de via de veiling gerealiseerde omzet tot de winst van belanghebbende behoort, kan evenmin worden gezegd dat het handelen van de Inspecteur berust op een verkapte invorderingsmaatregel ter zake van een belastingschuld van E/G. Slotsom navorderingsaanslag 4.19. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft gesteld doet aan het vorenoverwogene niet af. De navorderingaanslag moet conform de conclusie van de Inspecteur worden gehandhaafd. Verhoging 4.20. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met de door hem gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende het belang bij de oogst heeft behouden, dat de overeenkomsten berusten op een schijnhandeling en dat deze slechts dienen om de indruk te wekken, dat in afwijking van de werkelijk door partijen gemaakte afspraken, sprake is van verkoop en levering van de producten die belanghebbende teelt. Door in de aangifte uitsluitend de omzet te vermelden die voortvloeit uit de overeenkomsten met de Poolse vennootschappen, terwijl belanghebbende wist dat deze overeenkomsten niet de in werkelijkheid met de verkoop van haar producten door haar gerealiseerde omzet weergaven, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof opzettelijk een onjuiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de AWR. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, door op papier een fictieve ondernemingsactiviteit te construeren die niet overeenstemt met de werkelijkheid en waardoor substantieel te weinig belasting is geheven, een zodanig vergrijp heeft begaan dat een verhoging van, na kwijtschelding, 50% van de nagevorderde belasting passend en geboden is. 4.21. Het Hof is van oordeel dat het de Inspecteur vrij staat om in de bezwaarfase nader onderzoek te doen, ook in het geval dat onderzoek in de aanslagregelende fase niet of in beperkte mate heeft plaatsgevonden en verwerpt de door belanghebbende op dit punt aangevoerde grief. 4.22.1. Tussen het moment dat de verhoging belanghebbende is bekend geworden, te weten op 7 februari 2002, en de uitspraak van de Rechtbank, die is verzonden op 19 februari 2008, zijn ruim zes jaren verstreken. Tussen het moment van de uitspraak van de Rechtbank en de datum waarop de onderhavige uitspraak is gedaan, 7 november 2012, zijn vier jaren en negen maanden verstreken. 4.22.2. Bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn van twee jaren voor de behandeling van het bezwaar en beroep, alsmede de redelijke termijn van twee jaren voor de behandeling van het hoger beroep is overschreden, dienen volgens vaste jurisprudentie de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de beboete en/of zijn raadsman op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld en de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld in aanmerking worden genomen. 4.22.3. De Inspecteur heeft een bedrijfsbezoek aangekondigd op 29 mei 2001, welk bezoek heeft plaatsgevonden op 18 juni 2001. Het controlerapport is uitgebracht op 7 februari 2002. In de periode tussen het bedrijfsbezoek en het uitbrengen van het controlerapport heeft een uitgebreide correspondentie plaatsgevonden tussen de Inspecteur en belanghebbende. Belanghebbende heeft bij brief van 28 juni 2002 op de inhoud van het controlerapport gereageerd. In de periode na de brief van 28 juni 2002 heeft een uitgebreide correspondentie plaatsgevonden tussen belanghebbende en de Inspecteur, die is geëindigd met de brief van belanghebbende van 15 december 2004. De Inspecteur heeft belanghebbende vervolgens op 20 september 2005 telefonisch gevraagd of belanghebbende haar bezwaar nog wil toelichten. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, mede gelet op de ingewikkeldheid en de omvang van de zaak tot 15 december 2004 voldoende voortvarendheid heeft betracht bij het uitvoeren van dit onderzoek. Datzelfde heeft te gelden voor de periode tussen het telefoongesprek van 20 september 2005 en de uitspraak op bezwaar van 18 februari 2006. Die voortvarendheid is naar het oordeel van het Hof echter niet betracht in de periode tussen de brief van 15 december 2004 en het telefoongesprek van 20 september 2005. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden met een periode van 9 maanden. 4.22.4. Belanghebbende heeft op 30 maart 2006 pro-forma beroep ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 18 februari 2006 en dit beroep van de gronden voorzien op 9 mei 2006. Het verweerschrift van de Inspecteur is op 9 augustus 2006 ingekomen bij de Rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd op 1 augustus 2007. De Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd op 12 september 2007. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8, 9 en 15 oktober 2007. De uitspraak is verzonden op 19 februari 2008. Het Hof is van oordeel dat de zaak, gelet op de omvang en ingewikkeldheid van de zaak, de regiezitting die met instemming van partijen werd gehouden en de correspondentie over de wijze waarop de beschikbare stukken in het geding moesten worden gebracht, door de Rechtbank met voldoende voortvarendheid is behandeld. 4.22.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase overschreden met negen maanden, te wijten aan het handelen van de Inspecteur. 4.22.6. Het pro-forma hoger beroep van de Inspecteur is ingekomen op 21 maart 2008. De motivering van het hoger beroep is ingekomen op 18 juni 2008. Belanghebbende heeft bij brief van 9 december 2008 een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 29 mei 2009 gerepliceerd en belanghebbende heeft op 24 december 2009 gedupliceerd. Het Hof is van oordeel dat, gelet op de omvang en ingewikkeldheid van de zaak, in de periode gelegen tussen de binnenkomst van het hoger beroepschrift en de datum waarop de conclusie van dupliek is ingekomen, door het Hof en door partijen voldoende voortvarend is gehandeld. 4.22.7. De duur van de periode gelegen tussen de binnenkomst van de conclusie van dupliek, op 24 december 2009, en de datum van de, met instemming van partijen, gehouden inlichtingencomparitie op 30 mei 2011 is te wijten aan de werkwijze van het Hof. De duur van de periode gelegen tussen 30 mei 2011 en de datum van de onderhavige uitspraak is naar het oordeel van het Hof veroorzaakt door de ingewikkeldheid en omvang van de zaak en door de wens van partijen tot het voeren van nadere correspondentie met derden. Gelet op het voorgaande is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met één jaar en vijf maanden. 4.22.8. Het Hof hanteert een richtlijn bij de bepaling van de mate waarin de verhoging moet worden verminderd in het geval de redelijke termijn is overschreden. Deze richtlijn luidt als volgt: 1. Geen vermindering wordt verleend indien de boete minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 2. De vermindering bij een hogere boete verloopt als volgt: 0 tot 6 maanden: 5% met een maximum van € 2.500 6 tot 12 maanden: 10% met een maximum van € 5.000 1 tot 2 jaar: 15% met een maximum van € 10.000 2 jaren en meer: 20% met een maximum € 20.000 4.22.9. De aan belanghebbende opgelegde verhoging vóór vermindering in bezwaar in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, bedraagt ƒ 203.668 (€ 92.420). Gelet op de hiervoor weergegeven richtlijn moet de verhoging in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase worden verminderd met € 5.000 tot € 87.420. De verhoging dient in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep verder te worden verminderd met € 10.000 tot € 77.420. Heffingsrente 4.23. Nu geen inhoudelijke grieven tegen de heffingsrente zijn aangevoerd, gaat het Hof er van uit dat geen bezwaar bestaat tegen de heffingsrente zoals deze volgt uit het systeem van de wet. De beschikking heffingsrente moet worden gehandhaafd. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding 4.24. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar het Hof begrijpt klaagt belanghebbende zowel over de duur van de bezwaarfase als over de duur van de gerechtelijke procedure en verzoekt zij zowel om vergoeding van schade geleden door de duur van de bezwaarprocedure als om vergoeding van schade geleden door de duur van de gerechtelijke procedure. Het Hof bepaalt dat het onderzoek na de hierna vermelde datum van de beslissing zal worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de verzoeken van belanghebbende. Het Hof zal alsdan de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen, voor zover dit het verzoek betreft tot vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn in de gerechtelijke procedure. Ten aanzien van het griffierecht 4.25.1. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats. 4.25.2. Nu het beroep bij de Rechtbank gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 281 te vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.26.1. Nu het Hof aanleiding ziet tot vermindering van de verhoging in de navorderingsaanslag, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. 4.26.2. De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.1 van de bestreden uitspraak de tegemoetkoming voor de kosten in verband met de behandeling van het beroep gesteld op € 1.288 en vastgesteld dat bij de uitspraak op bezwaar reeds een vergoeding voor de kosten van bezwaar is toegekend van € 322. Het Hof ziet geen aanleiding om van deze, door partijen niet betwiste, bedragen af te wijken. 4.26.3. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de werkelijk door haar gemaakte kosten, maar heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan dit verzoek voor toewijzing vatbaar zou kunnen zijn. Belanghebbende heeft evenmin een specificatie van de door haar gemaakte werkelijke kosten overgelegd. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat geen plaats is voor vergoeding van de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten. 4.26.4. Het Hof zal op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten beslissen in de onder 4.24 bedoelde nadere uitspraak. 4.26.5. Gelet op het voorgaande bedragen de voor vergoeding in aanmerking komende kosten in totaal € 1.610. 5. Beslissing Het Hof - verklaart het hoger beroep gegrond, - verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond; - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, - verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar ingestelde beroep gegrond, - vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, - vernietigt het kwijtscheldingsbesluit, - scheldt de verhoging kwijt tot € 77.420, - handhaaft de navorderingsaanslag voor het overige, - gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 281 vergoedt, en - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.610, - bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om schadevergoeding van belanghebbende met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure. Aldus gedaan op 7 november 2012 door G.J. van Muijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen. 1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a) de naam en het adres van de indiener; b) een dagtekening; c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d) de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2567
Ontstaan en loop van het geding 1.1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 9 juli 2014 inzake: Nr. Hoge Raad: 12/05873 Nr. Gerechtshof: 08/00274 Nr. Rechtbank: 06/5082 Fiscale eenheid [X3] B.V. en Beheermaatschappij [X4] B.V. Derde Kamer A tegen Omzetbelasting 1996 Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 12/05873 naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 7 november 2012, nr. 08/00274, niet gepubliceerd. 1.2 Aan belanghebbende is met dagtekening 23 november 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting (hierna: ob) met een verhoging (na kwijtschelding) van 50% opgelegd.

Tevens is aan haar heffingsrente in rekening gebracht. In geschil is of de naheffingsaanslag en de verhoging terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. 1.3 De naheffingsaanslag en de boeten zijn opgelegd naar aanleiding van een grootschalig onderzoek door de Belastingdienst naar tuinders die zogeheten 'oogst-op-stamcontracten' hebben afgesloten met rechtspersonen opgericht naar Pools recht. De contracten houden in dat de tuinders reeds ‘op stam’ nog te kweken en daarna te oogsten tuinbouwproducten, groenten en fruit, verkochten aan Poolse vennootschappen.

Na verloop van tijd werden de gerealiseerde oogsten door of namens die vennootschappen, over de veiling of rechtstreeks, verkocht aan afnemers. 1.4 Kernpunt van deze procedure is of de hiermee behaalde opbrengsten, als volgens contract, moeten worden toegerekend aan de desbetreffende Poolse vennootschappen, dan wel aan belanghebbende omdat die contracten niet reëel te achten zijn, maar dienen te worden aangemerkt als schijnhandelingen ter maskering van de werkelijke verhoudingen. De Inspecteur heeft zich op het laatste standpunt gesteld. In verband daarmee is de Inspecteur van mening dat belanghebbende ter zake van de leveringen aan de veiling en aan andere afnemers omzetbelasting had moeten aangeven en voldoen. 1.5 Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld.

Daartoe heeft het Hof, onder verwijzing naar de procedure met de betrekking tot de aanslag vennootschapsbelasting 1996 ten name van Beheermaatschappij [X1] BV, overwogen dat belanghebbende, ondanks de gepretendeerde verkoop op stam, het belang bij de oogst heeft behouden. Het Hof heeft de contracten met de Poolse vennootschappen als schijnhandelingen aangemerkt, zodat belanghebbende de geoogste producten op eigen naam en voor eigen rekening heeft geleverd aan de veiling. Het cassatieberoep van belanghebbende is gericht tegen die kernoverwegingen en de gevolgen daarvan, waaronder de opgelegde boeten, onder aanvoering van formele en materiële klachten. 1.6 De opbouw van deze conclusie is als volgt.

In onderdeel 2 worden de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding in cassatie in onderdeel 3. De zeven cassatiemiddelen die belanghebbende aanvoert tegen de hofuitspraak, worden achtereenvolgens behandeld in de onderdelen 4 tot en met 10. Ten slotte volgt de conclusie in onderdeel 11. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties Feiten 2.1 In onderdeel 2 van de uitspraak van het Hof zijn de feiten vermeld. Het gaat thans met name om het volgende: 2.1. Belanghebbende is ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB 1968) en heeft op grond van het bepaalde in artikel 27, zesde lid , van de Wet OB 1968 ervoor gekozen om de landbouwregeling van artikel 27 van de Wet OB 1968 niet toe te passen.

Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, bestaande uit Beheermaatschappij [X1] BV en haar twee dochtervennootschappen, [C] BV (hierna: [C] BV) en [D] BV (hierna: [D] BV). De aandelen in Beheermaatschappij [X1] BV zijn in handen van [X2] (89%) en [X-Y] (11%). De directie van de onderneming wordt door [X2] en [X-Y] gevoerd. (…) 2.2.3. De Inspecteur heeft bij brief van 20 november 2001 belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is om een naheffingsaanslag op te leggen. In diezelfde brief van 20 november 2001 heeft de Inspecteur op grond van het bepaalde van artikel 67g van de AWR aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is om een boete op te leggen. 2.2.4.

Met dagtekening 23 november 2001 is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en zijn de onderhavige beschikkingen vastgesteld. Belanghebbende heeft hiertegen op 23 november 2001 bezwaar gemaakt. 2.3. De Inspecteur heeft naar aanleiding van het tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaar, uitgaande van een opbrengst per vaste plant van ƒ 0,5565 (in plaats van het in eerste instantie door de Inspecteur gehanteerde bedrag van ƒ 1,06), de omzet als volgt berekend: Veiling/product Berekening € / ƒ Omzet BVH Naaldwijk ƒ 43.781 VON Bemmel ƒ 152.262 Flora Rijnsburg ƒ 140.380 Vaste planten 800.000 x ƒ0,5565 ƒ 445.200 Totale omzet incl.

OB na bezwaar ƒ 781.623 Verschuldigde OB 6/106 x ƒ 781.623 ƒ € 44.243 20.076 (…) 2.6 Het hof verwijst voor de overige feiten naar de in de aangehechte uitspraak betreffende zaak met kenmerk 08/00236 onder 2 vermelde feiten, die als hier ingelast moeten worden beschouwd. Rechtbank 2.2 Naar het oordeel van de Rechtbankheeft de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende opzettelijk met de contracten die zij heeft gesloten met [F] en [H] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat het uiteindelijk belanghebbende zelf is geweest die de producten heeft verkocht en geleverd, zodat zij de omzetbelasting ter zake van de leveringen verschuldigd is geworden.

Nu belanghebbende de omzetten desondanks niet in haar aangifte omzetbelasting heeft vermeld, is het aan haar opzet te wijten dat de belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald. Een boete van 50% acht de Rechtbank in deze passend en geboden. Hof 2.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. 2.4 Tijdens de hofprocedure heeft belanghebbende, bij brief van 22 september 2010, een verzoek tot wraking van raadsheer-commissaris mr. G.J. van Muijen ingediend.

Het Hof heeft daarop het onderzoek geschorst in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer van het Hof. Bij beslissing van 8 oktober 2010 is het wrakingsverzoek afgewezen. 2.5 Vervolgens heeft een aantal inlichtingencomparities plaatsgehad alsmede een geheimhoudingsprocedure als bedoeld in artikel 8:29, leden 1 en 3, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 maart 2012. 2.6 Het Hof heeft in onderdeel 3.1 van zijn uitspraak het geschil als volgt omschreven:

1. Moet de naheffingsaanslag worden vernietigd omdat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de opdracht van de Geheimhoudingskamer? 2. Heeft de Inspecteur nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen? 3. Moet de naheffingsaanslag worden vernietigd omdat de Inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft geschonden? 4. Heeft belanghebbende in het onderhavige jaar de oogst als vermeld onder 2.11 in de zaak met kenmerk 08/00236, daadwerkelijk verkocht aan [F] respectievelijk [G]? 5.1. Rust op belanghebbende de last te doen blijken - dat wil zeggen: overtuigend aan te tonen - dat, en zo ja , in hoeverre de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag onjuist is? 5.2.

Is sprake van een redelijke schatting? 5.3. Heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld? 6. Is de verhoging terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? 7. Is de Inspecteur ontvankelijk in zijn (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met betrekking tot de verhoging? 8. Is de heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht.

9. Is het recht van belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), geschonden? 10. Komen de in de bezwaarfase gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking? 11. Dienen de proceskosten integraal te worden vergoed? 2.7 Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat de Inspecteur niet volledig heeft voldaan aan de beslissing van de Geheimhoudingskamer tot overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, maar heeft op grond van artikel 8:31 Awb besloten daaraan geen gevolgen te verbinden, omdat belanghebbende daardoor niet is geschaad in zijn procespositie.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur heeft voldaan aan de in artikel 8:42, lid 1, Awb neergelegde verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Vervolgens heeft het Hof alle verweren van belanghebbende tegen (de hoogte van) de naheffingsaanslag omzetbelasting verworpen en het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Wel heeft het Hof de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging verder dan tot op 50% kwijtgescholden, wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Ten aanzien van de heffingsrente heeft het Hof geoordeeld dat het hoger beroep van de Inspecteur mede daarop betrekking heeft en voorts (in 4.6) dat "[n]u geen inhoudelijke grieven tegen de heffingsrente zijn aangevoerd, (…) het Hof er van uit [gaat] dat geen bezwaar bestaat tegen de heffingsrente zoals deze volgt uit het systeem van de wet". 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mrs.

R.W.J. Kerckhoffs en A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda. 3.2 Belanghebbende heeft zeven middelen voorgesteld. Middel 1 klaagt over schending van het recht van belanghebbende op berechting van de zaak door een onafhankelijke rechter. Middel 2 bestrijdt, onder verwijzing naar de zaak met nummer 08/00236 betreffende de aan de Beheermaatschappij [X1] B.V. opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1996, het oordeel dat de overeenkomsten schijnhandelingen inhouden en dat de veilingopbrengsten door belanghebbende zijn genoten. Middel 3 betwist het oordeel van het Hof dat de Poolse vennootschap noch [E] als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken en dat belanghebbende een onjuiste aangifte heeft gedaan.

Middel 4 en 5 zien op de verhoging. Middel 6 komt op tegen de afwijzing door het Hof van belanghebbendes beroep op het verdedigingsbeginsel. Middel 7 ziet op de vraag of artikel 8:42 Awb is geschonden. 4Bespreking middel 1: (on)afhankelijkheid en (on)partijdigheid van de rechter Het middel van cassatie 4.1 Belanghebbende voert als eerste middel van cassatie aan: Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van de artikelen 8:15 en 8:18 Awb, artikel 6, eerste lid EVRM, artikel 14, eerste lid IVPR, artikel 47 EU-Handvest en van algemene beginselen van behoorlijk procesrecht, a) doordien het Hof het verzoek tot wraking van mr.

G.J. Van Muijen bij beslissing van 8 oktober 2010 ten onrechte niet toewijsbaar heeft verklaard althans welke beslissing niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed als gevolg waarvan de uitspraak niet is gedaan door een onpartijdige rechter; en/of b) doordien mr. T.A. Gladpootjes - naar belanghebbende na kennisneming van de in cassatie bestreden uitspraak bekend is geworden - in de periode dat de in geschil zijnde belastingaanslag alsmede de boete werden vastgesteld alsmede de periode daarna waarin over deze aanslag en boete werd geprocedeerd onderdeel uitmaakte van de Coördinatiegroep Constructiebestrijding welke groep de bestrijding van de zogeheten 'oogst op stam constructies' tot haar takenpakket rekende als gevolg waarvan mr.

Gladpootjes niet onafhankelijk was althans bij belanghebbende de gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid heeft gewekt waardoor het recht van belanghebbende op berechting van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter op ernstige wijze is geschonden als gevolg waarvan de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Wetgeving, rechtspraak en literatuur 4.2 Voor een overzicht van de wetgeving, rechtspraak en literatuur over wraking moge ik in de eerste plaats verwijzen naar onderdeel 4 van mijn conclusie van 6 december 2012.

Ik concludeerde: 4.36 De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 december 2005 overwogen dat de enkele omstandigheid dat in eerdere instantie geen wrakingsverzoek is gedaan niet eraan in de weg staat dat in de eerstvolgende instantie de onpartijdigheid van die rechter ten toets kan komen in het kader van een klacht ter zake van vermeende partijdigheid van de desbetreffende rechter. 4.37 Uit het arrest van 11 mei 2012 blijkt dat de Hoge Raad voor het in behandeling nemen van een dergelijke klacht in overweging neemt of het voor een belanghebbende feitelijk mogelijk was om de klacht bij de voorgaande instantie in te dienen.

Als een belanghebbende dat eerder had kunnen doen, zou dat kennelijk in de weg kunnen staan aan het in behandeling nemen van zo een klacht in cassatie. Geheel duidelijk is dat mijns inziens nog niet geworden, zodat op dit punt enige verduidelijking van de kant van de Hoge Raad wenselijk lijkt. 4.38 Ik merk op dat belanghebbende hier in feite niet eerder dan bij de Hoge Raad kon klagen over vermeende partijdigheid van raadsheer Van Gorkom, er vooralsnog vanuit gaande dat belanghebbende er pas bij het ontvangen van de uitspraak van het Hof van op de hoogte kwam dat Van Gorkom als raadsheer van het Hof optrad in deze procedure. 4.39 Het komt mij derhalve voor dat het feit dat in casu namens belanghebbende niet reeds bij het Hof een wrakingsverzoek is ingediend, er niet aan in de weg staat dat de Hoge Raad over kan gaan tot inhoudelijke behandeling van belanghebbendes klacht van schending van de goede procesorde vanwege vermeende partijdigheid van raadsheer Van Gorkom. (…) 4.45 Dan kom ik nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klacht van schending van de goede procesorde.

Ondanks dat artikel 6 EVRM niet van toepassing is op zuivere belastinggeschillen, meen ik dat het vereiste van behandeling door een onpartijdig gerecht een algemeen rechtsbeginsel is dat ongetwijfeld ook in belastinggeschillen geldt. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, meen ik dat aansluiting gezocht dient te worden bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM. Uit het arrest van 2 december 2005 van de belastingkamer van de Hoge Raad leid ik af dat de Hoge Raad ook reeds bij belastinggeschillen aansluiting zoekt bij jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot het vereiste van behandeling door een onpartijdig gerecht. 4.46 Uit die jurisprudentie van het EHRM volgt dat de toets van vermeende partijdigheid bestaat uit een subjectieve en een objectieve toets. 4.47 De door het EHRM gehanteerde subjectieve toets ziet, kort gezegd, op de persoonlijke opvattingen en het gedrag van een rechter.

Bij onderzoek in het kader van de subjectieve toets wordt er vooreerst vanuit gegaan dat vermoed wordt dat het gerecht onpartijdig is en vrij van persoonlijke vooringenomenheid. Een rechter wordt vermoed uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig te zijn; behoudens tegenbewijs. 4.48 Bij de objectieve toets gaat het met name om waarneembare (voormalige) activiteiten en verbanden tussen de rechter en andere partijen in de procedure die de schijn van partijdigheid wekken. 4.49 Bij deze toets gaat het om de vraag of er los van het gedrag of de persoonlijke opvattingen van een bepaalde rechter er omstandigheden zijn die aanleiding geven om aan de onpartijdigheid van de rechter te twijfelen.

In dat kader is het standpunt van de klager/belanghebbende weliswaar van belang, maar beslissend is of diens vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. 4.50 Uit jurisprudentie van het EHRM leid ik af dat bij toets of de vrees voor partijdigheid van een rechter objectief gerechtvaardigd is gelet op zijn eerdere functie, het EHRM onder meer van belang acht het tijdsverloop tussen de vorige functie en de huidige functie als rechter, de materiële samenhang tussen de betreffende zaken alsmede de aard en duur van de eerdere betrokkenheid van de rechter in zijn vorige functie. 4.51 Overigens merk ik op dat de scheiding tussen de objectieve en subjectieve toets niet absoluut is.

Voorts is van belang of er in redelijkheid sprake kan zijn van schijn van partijdigheid. 4.3 In de voormelde conclusie is omtrent wraking vrij veel opgenomen uit rechtspraak, literatuur en over de achtergronden. Onder verwijzing daarnaar, beperk ik mij hier tot het meest relevante. Wetgeving 4.4 Artikel 8:18, lid 1, 3 en 5, van de Awb luidt:

1. Het verzoek om wraking wordt zo spoedig mogelijk ter zitting behandeld, door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft. (…) 3. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan de verzoeker, de andere partijen en de rechter wiens wraking was verzocht medegedeeld. (…)5. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open. Parlementaire geschiedenis 4.5 In de memorie van toelichting van het wetsvoorstel voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie is geschreven: Hiervoor is al opgemerkt, dat het ontbreken van een zelfstandig rechtsmiddel tegen de beslissing op het wrakingsverzoek een gevolg is van het uitgangspunt dat het bestuursrechtelijke proces een geheel vormt.

De huidige procesregelingen kennen dan ook evenmin een rechtsmiddel tegen deze beslissing. Dit betekent overigens niet dat de verzoeker geen enkele mogelijkheid meer heeft om zich teweer te stellen tegen de beslissing inzake de wraking. Hij kan in het kader van het hoger beroep tegen de rechterlijke uitspraak ook de beslissing op het wrakingsverzoek ter discussie stellen. Jurisprudentie 4.6 De Hoge Raad (civiele kamer) heeft in een arrest van 22 januari 1999 overwogen: 3.3 (…) De duidelijke en algemeen luidende bewoordingen van art. 32 lid 5 [Rv] laten geen ruimte om de bepaling op grond van de ontstaansgeschiedenis, weergegeven in punt 4.1 van de conclusie van het Openbaar Ministerie, anders te interpreteren dan in die zin dat tegen de beslissing in een incident tot wraking generlei hogere voorziening is toegelaten.

Zulks is slechts anders indien de rechter de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken. 4.7 In een arrest van 20 april 2004 heeft de Hoge Raad (strafkamer) overwogen: 5.4 Voorzover in de toelichting op het middel het standpunt wordt ingenomen dat door de afwijzing van het wrakingsverzoek (…) een inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter, kan het middel niet tot cassatie leiden.

Ingevolge art. 515, vijfde lid, Sv staat immers tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel open. 5.5 Bij de beoordeling van het beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van het Hof in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR dient te worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 5.6 De enkele omstandigheid dat de onderhavige zaak (zaken B en C) in hoger beroep is behandeld door een kamer van het Hof in dezelfde samenstelling als die waarin de eerdere zaak (zaak A) tegen de verdachte is berecht, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld.

Het behoort immers tot de normale wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de art. 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte in de desbetreffende zaak is tenlastegelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande en daarbij hetgeen hij heeft beslist in een andere zaak tegen de verdachte buiten beschouwing te laten. De enkele in het middel aangevoerde omstandigheid, dat de zaak van de verdachte in hoger beroep is behandeld door een kamer van het hof die eerder, in zaken tegen een aantal andere verdachten, ten laste van die alstoen terechtstaande andere verdachte(n) bewezen heeft verklaard dat dezen tezamen met onder meer de verdachte in de onderhavige zaak deel hebben uitgemaakt van een criminele organisatie in de zin van art. 140 Sr, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als evenbedoeld.

Het behoort immers tot de normale, wettelijke, taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de art. 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en — ook onder omstandigheden als in het middel bedoeld — daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken tegen andere verdachten buiten beschouwing te laten. 4.8 De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen: 2.1 (…) Niet kan worden geoordeeld dat de rechtbank de regeling met betrekking tot wraking ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken. 4.9 In zijn beslissing van 12 mei 2006 heeft de Hoge Raad (wrakingskamer) overwogen: 2. (…) Voorzover de wrakingsverzoeken betrekking hebben op raadsheren die met de behandeling van de beroepen in cassatie zijn belast, zijn de verzoeken ongegrond.

Belanghebbende heeft in de door hem ingediende stukken en ook ter zitting gesteld dat de Hoge Raad altijd partij kiest voor de fiscus. Ter motivering van die stelling heeft hij gewezen op in het verleden door hem in cassatie verloren rechtszaken. Het verliezen van een zaak als zodanig duidt echter niet op vooringenomenheid van de rechter ten gunste van de het geding winnende partij. 4.10 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 mei 2012 overwogen: 3.3.1. Middel X klaagt erover dat bij mr. R.F.C. Spek (hierna: mr. Spek), die als voorzitter heeft deelgenomen aan de vaststelling van de bestreden uitspraak, geen sprake is geweest van rechterlijke onpartijdigheid, omdat mr.

Spek tot 1 september 2006 werkzaam was als belastingambtenaar bij de wederpartij en ook nadien nog deel uitmaakte van de Coördinatiegroep Constructiebestrijding van de Belastingdienst, hij per 1 september 2006 is toegetreden tot de rechterlijke macht, de zaak toen reeds bij het Hof in behandeling was, door de voorzitter van de belastingkamer van het Hof toen reeds beslissingen waren genomen, en belanghebbende nimmer een kennisgeving van wijziging van de samenstelling van de behandelende kamer van het Hof heeft ontvangen. 3.3.2. Nu belanghebbende kennelijk betoogt dat hij niet eerder dan door de bestreden uitspraak kennis heeft genomen van de omstandigheid dat mr.

Spek aan de behandeling van de zaak heeft deelgenomen en uit de gedingstukken niet is af te leiden dat het Hof overeenkomstig artikel 15, aanhef en letter b, van het Besluit orde van dienst gerechten aan partijen kennis heeft gegeven van de namen van de behandelende raadsheren, moet het ervoor worden gehouden dat de onderhavige klacht voor het eerst na het doen van de uitspraak door het Hof kon worden gedaan. 3.3.3. In het middel wordt niet gesteld dat mr. Spek als ambtenaar betrokken is geweest bij de vaststelling van de onderhavige belastingaanslagen of bij de behandeling van de daartegen ingediende bezwaarschriften.

Aangezien mr. Spek per 1 september 2006 is toegetreden tot de rechterlijke macht, kunnen de door belanghebbende genoemde voorzittersbeslissingen niet van hem afkomstig zijn. Ter onderbouwing van zijn stelling dat mr. Spek na zijn benoeming tot raadsheer verbonden is gebleven aan de zogenoemde Coördinatiegroep Constructiebestrijding van zijn voormalige werkgever, verwijst belanghebbende naar een vermelding op het internet. Aangezien het een interne werkgroep van de Belastingdienst betreft, is zonder toelichting, die ontbreekt, echter niet in te zien dat mr.

Spek na de beëindiging van zijn aanstelling bij de Belastingdienst hieraan verbonden zou zijn gebleven. Aldus leveren de in het middel aangevoerde omstandigheden niet een aanwijzing op dat in de onderhavige zaak niet is voldaan aan de eis van rechterlijke onpartijdigheid. Het middel faalt derhalve. 4.11 De Hoge Raad (wrakingskamer) heeft in zijn arrest van 20 juni 2014 overwogen: 3.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141, NJ 2010/520). 3.3.

De omstandigheid dat een raadsheer in de Hoge Raad in een aan zijn raadsheerschap voorafgaande functie betrokken was bij het overbrengen van het standpunt van de Nederlandse Staat in procedures bij (thans) het Hof van Justitie van de Europese Unie, biedt geen grond voor gerechtvaardigde twijfel aan de niet-vooringenomenheid van de betrokken raadsheer, ook als wordt aangenomen dat het hier eenzelfde kwestie als in de onderhavige procedure bij de Hoge Raad zou betreffen. Die inbreng geschiedde immers in de hoedanigheid van de toenmalige functie van de betrokken raadsheer als gemachtigde van de Nederlandse Staat.

Zij gaf niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de ambtenaar zelf weer. De functie waarin de betrokken ambtenaar thans te werk is gesteld, te weten die van raadsheer in de Hoge Raad, brengt mee dat hij is geroepen als rechter de toepasselijke regelingen uit te leggen en toe te passen. Daarbij is hij in geen enkel opzicht gebonden aan eerder ingenomen standpunten in zijn hoedanigheid van gemachtigde van de Nederlandse Staat. 3.4. Het voorgaande neemt niet weg dat bezwaren tegen het optreden van een raadsheer gerechtvaardigd kunnen zijn indien hij zich in het verleden met dezelfde zaak in een andere hoedanigheid heeft beziggehouden.

Dat vormt ook de reden dat raadsheren die tevoren advocaat waren zich in elk geval niet mogen bezighouden met zaken waarin zij als advocaat zijn opgetreden. In het onderhavige geval doet zich een zodanige situatie echter niet voor. Beleid 4.12 De Leidraad onpartijdigheid van de rechter bevat de volgende aanbevelingen: Aanbeveling 2 Kennissenkring De rechter zorgt er voor geen zaak te behandelen waarbij als procespartij iemand uit zijn persoonlijke en/of zakelijke kennissenkring betrokken is. Wanneer een overige procesdeelnemer behoort tot de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter kan dit deze rechter noodzaken tot het niet behandelen van die zaak. (…) Aanbeveling 7 De voormalige werkkring De rechter zorgt er voor geen zaken te behandelen waarbij hij uit hoofde van zijn vorige werkkring betrokken is geweest.

Wanneer als procespartij iemand optreedt die in een vorige werkkring van de rechter een cliënt van hem was, kan dit de rechter noodzaken tot het niet behandelen van die zaak. Toelichting Ongeacht de inhoud van de voormalige functie en ongeacht het tijdsverloop dient een rechter geen zaken te behandelen waarbij hij uit andere hoofde reeds (inhoudelijk) betrokken is geweest. Het kan hierbij gaan om voormalige eigen zaken, maar ook om bijvoorbeeld zaken van een voormalige collega die de desbetreffende zaak in een werkoverleg heeft besproken of om zaken waarin de rechter in het verleden beroepshalve anderszins een rol heeft gespeeld (bijv. als onafhankelijk deskundige).

De tweede zin bevat een meer open norm. (…) Veel zal afhangen van de aard van de desbetreffende relatie en de inmiddels verstreken tijdsduur. (…) Aanbeveling 8 Eerdere bemoeienis met een zaak of met partijen De rechter dient zich er van bewust te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan vanwege zijn eerdere bemoeienis als rechter met een bepaalde zaak. Voorts kan de onpartijdigheid van de rechter worden beïnvloed indien hij herhaaldelijk zaken van dezelfde procespartij(en) behandelt. Toelichting Als uitgangspunt geldt dat de enkele omstandigheid dat een rechter al eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak, onvoldoende is om partijdigheid aan te nemen, maar bijkomende omstandigheden kunnen dit anders maken (HR 15 februari 2002, LJN AD4004 en EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627 (Hauschildt).

Gelet op ABRS 17 februari 1998, JB 1998, 129 dient onder meer gekeken te worden naar het karakter en toepassingsbereik van de verschillende procedures. (…) De absolute competentieverdeling brengt mee dat sommige gerechten vaak te maken hebben met dezelfde procespartijen. De tweede zin van deze aanbeveling brengt uiteraard niet mee dat deze zaken niet (meer) behandeld kunnen worden. Literatuur 4.13 Het commentaar in de serie Tekst & Commentaar op artikel 8:18, lid 5, Awb luidt: Hoewel dit ook zonder deze bepaling het geval zou zijn, is voor alle zekerheid en duidelijkheid vastgelegd dat tegen een beslissing inzake wraking geen zelfstandig rechtsmiddel openstaat.

Uitgangspunt is immers dat het bestuursrechtelijk proces één geheel vormt en dat tussenbeslissingen daarom niet voor een zelfstandig rechtsmiddel in aanmerking komen. Daarmee blijft het overigens, net als bij andere tussenbeslissingen (…), wel mogelijk dat een verzoeker in het hoger beroep tegen de einduitspraak in de zaak zelf ook de beslissing op het wrakingsverzoek ter discussie stelt (…). In hoger beroep aangevoerde gronden met betrekking tot een wrakingsbeslissing hebben slechts kans van slagen als de rechtbank de wrakingsregels ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken (ABRvS 20 juli 2005, AB 2005/373). (…) De omstandigheid dat een wrakingsverzoek is gedaan en afgewezen staat er niet aan in de weg (…) dat de onpartijdigheid van de tevergeefs gewraakte rechter na aanwending van een rechtsmiddel tegen de einduitspraak, in de eerstvolgende instantie ten toets kan komen in het kader van een klacht over schending van het fundamentele recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter.

In het verlengde daarvan staat evenmin de enkele omstandigheid dat geen wrakingsverzoek is gedaan eraan in de weg dat in de eerstvolgende instantie de onpartijdigheid van die rechter ten toets kan komen in het kader van een klacht als hiervoor omschreven (HR 2 december 2005, AB 2006/150). (…) Wel staat een zelfstandig rechtsmiddel (hoger beroep) open als de rechter de regels inzake wraking ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied is getreden dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet kan worden gesproken (HR 22 januari 1999, NJ 1999/243) De ABRvS en CRvB hanteren als criterium voor doorbreking van het appelverbod dat sprake moet zijn van evidente schending van goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen ((…), ABRvS 2012, AB 2012/168). (…) Het artikel is eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard op het beroep in cassatie bij de belastingkamer van de HR (zie art. 29 AWR).

Beoordeling van het middel 4.14 In het eerste middel betoogt belanghebbende dat de objectieve vrees is gerechtvaardigd dat mr. van Muijen en mr. Gladpootjes in de onderhavige zaak niet kunnen worden beschouwd als onpartijdige rechters, waardoor onder meer artikel 6 EVRM is geschonden. Mr. G.J. van Muijen 4.15 Belanghebbende heeft bij het Hof een verzoek tot wraking van de voorzitter van de behandelende raadskamer, mr. van Muijen, ingediend. De wrakingskamer van het Hof heeft het wrakingsverzoek afgewezen. 4.16 Tegen beslissingen op een wrakingsverzoek staat volgens artikel 8:18, lid 5 van de Awb geen rechtsmiddel open.

Uit de memorie van toelichting blijkt echter dat in het bestuursrecht (anders dan in het strafrecht) ‘een verzoeker’ in het hoger beroep tegen de einduitspraak in de zaak zelf ook de beslissing op het wrakingsverzoek ter discussie kan stellen. Ingevolge artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is artikel 8:18 van de Awb van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken. 4.17 Uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de civiele kamer van de Hoge Raad blijkt dat een hoger beroep inzake de totstandkoming van een wrakingsbeslissing slechts kans van slagen heeft als gronden zijn aangevoerd die zien op het in eerdere instantie niet toepassen van de geldende wrakingsregels of het treden buiten het toepassingsgebied daarvan, dan wel dat in eerdere instantie zodanige essentiële vormen niet in acht zijn genomen dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking. 4.18 Van dergelijke gronden is, naar ik meen, in casu geen sprake.

In zoverre moet het middel mijns inziens daarom falen. 4.19 Zeker nu er boeten in geschil zijn, staat de reeds bij het Hof gevoerde wrakingsprocedure er naar mijn mening niet aan in de weg dat in het onderhavige cassatieberoep tegen de (eind)uitspraak van het Hof, de onpartijdigheid van mr. Van Muijen aan de orde kan komen in het kader van het recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM. 4.20 Volgens vaste jurisprudentie dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 eerste lid EVRM voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij, zoals een belanghebbende, een verdachte of een bestuursorgaan, vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd kan worden geacht. 4.21 Mr. van Muijen heeft, als voorzitter, deel uitgemaakt van de kamer van het Hof die op 21 december 2006 uitspraak had gedaan in de fiscale procedure met betrekking tot de zogenoemde ‘[F]-zaken’.

In deze uitspraak heeft het Hof een overweging gewijd aan de verkoop van producten op stam. Belanghebbende stelt kennelijk dat nu mr. Van Muijen in een andere procedure heeft geoordeeld over één van de voornaamste geschilpunten in onderhavige procedure, daardoor de schijn van vooringenomenheid in deze procedure zou zijn gewekt, terwijl belanghebbendes gebrek aan vertrouwen dienaangaande objectief gerechtvaardigd zou zijn. 4.22 Voornoemde zaak van 21 december 2006 had echter betrekking op een andere belanghebbende ([F] in plaats van een tuinder) en een ander belastingmiddel (loonbelasting in plaats van omzetbelasting).

Uit vergelijking van de uitspraak in die zaak en de thans bestreden uitspraak kan voorts niet worden afgeleid dat, zoals het middel stelt, de contracten waarvan in beide zaken sprake is (nagenoeg) identiek zijn. 4.23 Voorts is het de wettelijke taak van de rechter slechts te oordelen op basis van hetgeen in een bepaalde zaak tegen een belanghebbende is ingebracht en naar aanleiding van het onderzoek ter zitting is gebleken. Een rechter mag daarin dus niet betrekken hetgeen hij eerder heeft beslist in andere zaken. Ik vermag niet in te zien dat mr.

Van Muijen zich daar in casu op enige wijze niet aan zou hebben gehouden. 4.24 Een en ander betekent dat het middel jegens mr. Van Muijen faalt. Mr. drs. T.A. Gladpootjes 4.25 Bij beroepschrift in cassatie heeft belanghebbende in onderdeel 1.31 gesteld ‘dat de objectieve vrees is gerechtvaardigd dat mr. Gladpootjes in de onderhavige zaak niet kan worden beschouwd als onpartijdige rechter’. 4.26 Belanghebbende veronderstelt in het middel dat mr. Gladpootjes betrokken is geweest bij de bestrijding van de (pretense) oogst-op-stamconstructies. Belanghebbende baseert deze veronderstelling op het feit dat mr.

Gladpootjes uit hoofde van zijn vorige functie bij het Ministerie van Financiën lid was van de Coördinatiegroep Constructiebestrijding (hierna: CCB), tezamen met [B] die de onderhavige procedure namens de Inspecteur heeft gevoerd. In zijn verweerschrift bestrijdt de Staatssecretaris de door belanghebbende veronderstelde betrokkenheid van mr. Gladpootjes. 4.27 Belanghebbende stelt in de toelichting op het middel dat hem pas na de uitspraak van het Hof de feiten bekend werden die aanleiding gaven voor deze klacht in cassatie. Ik meen dan ook dat er - mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2012 - geen formeelrechtelijke beletselen zijn voor inhoudelijke behandeling van het middel nu belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat hij eerder een wrakingsverzoek had kunnen en moeten doen. 4.28 Voor een (nader) feitelijk onderzoek naar eventuele (schijn van) partijdigheid is in cassatie geen plaats.

Bij deze stand van zaken zie ik drie mogelijkheden. 4.29 De eerste mogelijkheid is dat de Hoge Raad veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van de stellingen van belanghebbende over de betrokkenheid van mr. Gladpootjes als voornoemd en vervolgens zelf een oordeel geeft over de (on)partijdigheid van mr. Gladpootjes. Mocht dit leiden tot de conclusie dat hier tenminste sprake is van schijn van partijdigheid, dan zal, naar het mij voorkomt, in principe de hele zaak moeten worden verwezen naar een ander hof voor herbeoordeling. De tweede mogelijkheid is vernietiging van de uitspraak van het Hof met verwijzing naar een ander hof voor nader onderzoek naar de feitelijke juistheid van belanghebbendes stellingen omtrent de eventuele betrokkenheid van mr.

Gladpootjes als verondersteld door belanghebbende. Ten derde is het mogelijk dat de Hoge Raad op andere gronden tot verwijzing naar een ander hof besluit. Ervan uitgaande dat mr. Gladpootjes geen deel uitmaakt van het verwijzingshof, is de klacht omtrent zijn eventuele partijdigheid alsdan wellicht zonder belang geworden. Dit kan alsdan mede afhangen van de (min of meer ruime) formulering van de verwijzingsopdracht(en). 4.30 Uit de feiten in deze procedure blijkt naar mijn mening niet dat mr. Gladpootjes de onderhavige aanslagen heeft opgelegd of voorbereid en evenmin dat hij daarna een rol heeft gespeeld bij de bezwaarafhandeling of in de procedure bij de Rechtbank.

Het is naar mijn mening niet komen vast te staan welke rol mr. Gladpootjes binnen de CCB vervulde. Het middel voert op deze punten ook niets concreets aan, anders dan dat de (pretense) oogst-op-stamconstructies door de CCB 'als geheel' werden bestreden. Ik acht een en ander onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat mr. Gladpootjes heeft meegewerkt aan de voorbereiding, het opleggen of verdedigen van de onderhavige naheffingsaanslag. In zoverre is van partijdigheid naar mijn mening feitelijk niet gebleken. 4.31 Vervolgens moet de vraag onder ogen worden gezien of de bij belanghebbende kennelijk bestaande vrees voor partijdigheid c.q. gebrek aan onpartijdigheid van deze raadsheer objectief voldoende gerechtvaardigd te achten is.

Dat lijkt mij wel. Een raadsheer die ten tijde van de aanslagregeling en de bezwaarfase in een andere functie betrokken was bij een ministeriële taakgroep die zich (mede) bezig hield met de bestrijding van (pretense) constructies als waarvan belanghebbende in casu wordt ‘verdacht’, kan mijns inziens in redelijkheid bij belanghebbende de schijn wekken van gebrek aan onbevooroordeeldheid ten opzichte van de materie waarover hij later als raadsheer heeft te beslissen. 4.32 Ik meen derhalve dat het eerste middel in zoverre slaagt. 5Bespreking van middel 2:

Naheffingsaanslag Het door het middel bestreden oordeel 5.1 In zijn door het middel bestreden rechtsoverweging heeft het Hof geoordeeld: 4.4.1. Zoals het Hof heeft beslist in de heden gedane uitspraak in de zaak met kenmerk 08/00236, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in werkelijkheid niet haar oogst op stam heeft verkocht aan een Poolse vennootschap, maar dat het belang bij de oogst ononderbroken is blijven rusten bij belanghebbende. Het Hof heeft hierbij voorts overwogen dat de Poolse vennootschap noch [E] als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken, maar dat belanghebbende de geoogste producten op eigen naam en voor eigen rekening heeft geleverd aan de veiling.

Het middel van cassatie 5.2 Belanghebbende voert als tweede middel van cassatie aan: 2.1 Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet in achtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordien het Hof in rechtsoverweging 4.4.1., op basis van hetgeen is overwogen in de uitspraak met procedurenummer 08/00236, heeft geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in werkelijkheid [niet] haar oogst op stam heeft verkocht aan een Poolse vennootschap en het belang bij de oogst ononderbroken is blijven rusten bij belanghebbende.

Zulks ten onrechte aangezien s' Hofs uitspraak met procedurenummer 08/00236 getuigt van onjuiste uitleg van het recht althans onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed als gevolg waarvan 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 4.4.1. op dezelfde gronden voor cassatie in aanmerking komt. Beoordeling van het middel 5.1 Het hof heeft in r.o. 4.4.1 voor zijn oordeel ten aanzien van naheffingsaanslag omzetbelasting verwezen naar zijn uitspraak in de zaak met hofnummer 08/00236, betreffende de aan de Beheermaatschappij [X1] B.V. (hierna: de Beheermaatschappij) opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1996. 5.2 Het hof heeft in deze zaak overwogen dat de Beheermaatschappij de geoogste producten op eigen naam en voor eigen rekening heeft geleverd aan de veiling en dat de Beheermaatschappij ook zelf de veilingopbrengst heeft genoten. 5.3 Belanghebbende herhaalt in zijn tweede cassatiemiddel enkele in de zaak van de Beheermaatschappij aangevoerde cassatiemiddelen.

Het betreft de middelen ter zake van de oordelen van het Hof ten aanzien van het constateren van een schijnhandeling (middel 2), het genieten van de veilingopbrengst door de Beheermaatschappij (middel 3) en de omvang van de rechtsstrijd (middel 4). 5.4 Ik heb deze middelen behandeld in mijn conclusie in de voornoemde zaak van de Beheermaatschappij. Daarin ben ik gekomen tot de opvatting dat die drie middelen falen. Voor inhoudelijke beoordeling moge ik verwijzen naar de voornoemde conclusie. 5.5 Deswege faalt in casu het tweede middel. 6Bespreking van middel 3:

Artikel 3 Wet OB Het door het middel bestreden oordeel 6.1 In zijn door het middel bestreden rechtsoverweging heeft het Hof geoordeeld: 4.4.1. Zoals het Hof heeft beslist in de heden gedane uitspraak in de zaak met kenmerk 08/00236, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in werkelijkheid niet haar oogst op stam heeft verkocht aan een Poolse vennootschap, maar dat het belang bij de oogst ononderbroken is blijven rusten bij belanghebbende. Het Hof heeft hierbij voorts overwogen dat de Poolse vennootschap noch [E] als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken, maar dat belanghebbende de geoogste producten op eigen naam en voor eigen rekening heeft geleverd aan de veiling. 4.4.2.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, gelet op hetgeen onder 4.4.1 hiervoor is overwogen, de geoogste producten aan de veiling heeft geleverd als bedoeld in artikel 3 van de Wet OB 1968, zodat belanghebbende ter zake van deze leveringen omzetbelasting had moeten aangegeven en afdragen. Nu belanghebbende dit niet heeft gedaan heeft zij in de onderhavige tijdvakken een onjuiste aangifte gedaan. Het Hof dient in dit geval op grond van het bepaalde in artikel 27e van de AWR het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Het middel van cassatie 6.2 Belanghebbende voert als derde middel van cassatie aan: 3.1. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 3, eerste lid, aanhef, letter a van de Wet OB 1968, en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordien a) het Hof in rechtsoverweging 4.4.1, onder verwijzing naar de uitspraak in de zaak met kenmerk 08/00236, heeft overwogen dat de Poolse vennootschap noch [E] als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken, b) het Hof in rechtsoverweging 4.4.2 heeft geoordeeld dat belanghebbende een onjuiste aangifte heeft gedaan en dientengevolge de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, zulks ten onrechte omdat 's Hofs oordeel aldus een onjuiste uitleg aan het begrip levering geeft en op onjuiste gronden concludeert tot omkering en verzwaring van de bewijslast, althans is 's Hofs uitspraak onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. 6.3 Ter toelichting is onder meer vermeld:

Onderdeel a 3.2. (…) In dit middel wordt het standpunt ingenomen dat 's Hofs oordeel met betrekking tot de heffing van vennootschapsbelasting geen deugdelijke juridische grondslag biedt voor 's Hofs oordeel inzake de omzetbelasting. 3.3. Het oordeel van het Hof inzake de vennootschapsbelasting is met name gebaseerd op een economische benadering van de feiten. Hoezeer volgens belanghebbende ook ten onrechte, is de rode draad in het oordeel over de vennootschapsbelasting dat het belang bij de oogst ondanks de verkoop van oogst op stam bij belanghebbende zou zijn gebleven. 3.4.

Zelfs indien dat oordeel van het Hof juist zou zijn, dan rechtvaardigt dat oordeel zonder nadere motivering niet het oordeel dat de juridische levering van de oogst aan de uiteindelijke afnemer van de producten (veilingen en anderen) eveneens zou hebben plaatsgevonden door belanghebbende en belanghebbende daarover ook omzetbelasting verschuldigd zou zijn. (…) 3.15. Derhalve getuigt 's Hofs oordeel dat de Poolse vennootschap niet als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken van een onjuist juridisch oordeel. Door uitsluitend acht te slaan op economische belangen en daarmee verband houdende verbintenisrechtelijke verplichtingen en geen acht te slaan op de zakenrechtelijke verplichtingen en daarmee op feiten en omstandigheden die het beschikken als eigenaar verklaren, hanteert het Hof een onjuiste uitleg van het begrip levering. (…) Onderdeel b 3.17.

Het Hof heeft in r.o. 4.4.2. naar aanleiding van zijn oordeel dat sprake is van een levering als bedoeld in artikel 3 Wet OB 1968 geoordeeld dat belanghebbende een onjuiste aangifte heeft gedaan zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. 3.18. Voor het geval uw Raad het oordeel van het Hof in stand laat dat sprake is van een levering en belanghebbende ter zake van die leveringen omzetbelasting had moeten aangeven en afdragen en door dit niet te doen een onjuiste aangifte heeft gedaan, is het oordeel dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard niettemin onjuist.

Ingevolge de jurisprudentie van uw Raad is artikel 27e AWR pas van toepassing indien belanghebbende bewust een onjuiste aangifte heeft gedaan. Blijkens ’s Hofs uitspraak is aan de bewustheid van belanghebbende van eventuele onjuistheid niet getoetst. Daardoor getuigt de uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 27e AWR, althans geeft 's Hofs uitspraak niet blijk van een inzicht in haar gedachtegang zodat de uitspraak onbegrijpelijk is. Wetgeving 6.4 Artikel 3, eerste lid, aanhef en letter a van de Wet op de Omzetbelasting (hierna:

Wet OB 1968) luidt (wettekst 1996):

1. Leveringen van goederen zijn: a. de overdracht van goederen ingevolge een overeenkomst; Jurisprudentie 6.5 Het Hof van Justitie heeft ter zake van het begrip ‘levering van een goed’ overwogen:

6. Artikel 5, lid 1, van de Zesde richtlijn luidt als volgt: ,,Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.'' 7. Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt, dat het begrip levering van een goed niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in de door het nationale recht voorziene vormen, maar elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij insluit, die de andere partij in staat stelt daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij de eigenaar van die zaak.

8. Deze opvatting stemt overeen met de doelstelling van de richtlijn, die onder meer beoogt het gemeenschappelijk BTW-stelsel te baseren op een uniforme omschrijving van de belastbare handelingen. Deze doelstelling zou evenwel in gevaar kunnen komen, indien de vaststelling of er sprake is van levering van een goed (een van de drie belastbare handelingen), zou afhangen van voorwaarden die van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen, zoals het geval is met de voorwaarden voor civielrechtelijke eigendomsoverdracht.

9. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 5, lid 1, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat als ,,levering van een goed'' wordt beschouwd de overdracht van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken, ook indien geen overdracht van de juridische eigendom van die zaak plaatsvindt. 6.6 De Hoge Raad heeft overwogen: 4.3. Onderdeel a van het eerste middel keert zich tevergeefs tegen 's Hofs oordeel dat de onderwerpelijke transacties geen reële goederentransacties waren, die als leveringen in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) zijn te kwalificeren.

Het Hof kon tot deze slotsom komen reeds op de enkele grond dat de transacties slechts naar de schijn betrekking hadden op computeronderdelen ter waarde van meer dan f 3 000 000, zodat, anders dan het onderdeel wil doen voorkomen, niet kan worden gesproken van een eigendomsoverdracht krachtens een - geldige - overeenkomst en daarmede van een levering, een en ander in de zin van artikel 3, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet. 6.7 De Hoge Raad heeft met betrekking tot de omkering van de bewijslast overwogen: 3.3.1. Voor de inkomstenbelasting geldt, evenals voor de loon- en omzetbelasting, dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (vgl. HR 23 april 1986, nr. 23 374, BNB 1986/276).

Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 20 mei 1987, nr. 23 840, BNB 1987/208). (…) 3.3.2. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van de in 3.3.1 gegeven regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. HR 11 april 2003, nr. 36 822, LJN AE3220, BNB 2003/264).

Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. 6.8 Het Hof van Justitie heeft overwogen: 42 Aangaande inzonderheid het belang van de contractuele bepalingen bij de kwalificatie van een handeling als belastbare handeling, is het rechtspraak van het Hof dat de economische en commerciële realiteit een fundamenteel criterium voor de toepassing van het gemeenschappelijke btw-stelsel vormt (…). 43 Aangezien de contractuele bepalingen normaliter de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven, vormen zij, omwille van de rechtszekerheid, een in aanmerking te nemen factor teneinde te bepalen wie de verrichter en de ontvanger zijn van een ‘dienst’ in de zin van artikelen 2, punt 1, en 6, lid 1, van de Zesde richtlijn. 44 Toch kan blijken dat bepaalde contractuele bepalingen de economische en commerciële realiteit van de handeling soms niet geheel weergeven. 45 Dat is met name het geval wanneer blijkt dat deze contractuele bepalingen een zuiver kunstmatige constructie vormen die niet beantwoordt aan de economische en commerciële realiteit van de handelingen. (…) 52 Gelet op een en ander dient op de eerste tot en met de vierde vraag te worden geantwoord dat de contractuele bepalingen weliswaar een in aanmerking te nemen factor vormen, maar niet doorslaggevend zijn bij de vaststelling wie de verrichter en de ontvanger zijn van een ‘dienst’ in de zin van de artikelen 2, punt 1, en 6, lid 1, van de Zesde richtlijn.

Aan de contractuele bepalingen kan met name worden voorbijgegaan wanneer blijkt dat zij niet de economische en commerciële realiteit weergeven, maar een zuiver kunstmatige constructie vormen die geen verband met de economische realiteit houdt en alleen bedoeld is om een belastingvoordeel te verkrijgen, hetgeen de nationale rechter moet beoordelen. Literatuur 6.9 Nieuwenhuizen heeft geschreven: Aan de omzetbelasting is een ander sprekend voorbeeld te ontlenen, namelijk het leveringsbegrip. Van een levering is civielrechtelijk sprake als, krachtens een rechtsgeldige titel, een goed wordt overgedragen.

Hoewel het leveringsbegrip in de omzetbelasting in het verleden is ontleend aan het burgerlijke recht, heeft het inmiddels een veel ruimere strekking. Van een levering wordt gesproken als de macht om als eigenaar over een goed te beschikken is overgedragen of overgegaan. Het is dus niet zozeer de vraag of er een rechtsgeldige titel is (zoals koop, ruil of schenking), maar of de beschikkingsmacht op enigerlei wijze is overgedragen of overgegaan. (…) In een zogenoemde ‘ziekenhuislease’-casus beslissen Hof en Hoge Raad dat de levering van medische apparatuur, hoewel deze in juridische zin heeft plaatsgevonden aan een speciaal daar voor opgerichte BV, in BTW-technische zin heeft plaatsgevonden aan het ziekenhuis zelf.

Beoordeling van het middel 6.10 Belanghebbende stelt in onderdeel a van het derde cassatiemiddel dat het oordeel van het Hof ‘dat de Poolse vennootschap niet als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken van een onjuist juridisch oordeel getuigt. Door uitsluitend acht te slaan op economische belangen (…) en geen acht te slaan op de zakenrechtelijke verplichtingen en daarmee op feiten en omstandigheden die het beschikken als eigenaar verklaren, hanteert het Hof een onjuiste uitleg van het begrip levering’, aldus belanghebbende. 6.11 Dienaangaande merk ik op dat voor de omzetbelasting als levering van een goed moet worden beschouwd de overdracht van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken, ook indien geen overdracht van de juridische eigendom van die zaak plaatsvindt.

Het is dus niet zo zeer de vraag of er naar nationaal civiel recht een rechtsgeldige titel voor de (goederenrechtelijke) overdracht was, maar of de (economische) beschikkingsmacht is overgedragen of overgegaan. 6.12 Het Hof heeft aannemelijk geacht ‘dat belanghebbende in werkelijkheid niet haar oogst op stam heeft verkocht aan een Poolse vennootschap, maar dat het belang bij de oogst ononderbroken is blijven rusten bij belanghebbende.’ Het Hof heeft vervolgens feitelijk geoordeeld dat de ‘Poolse vennootschap noch [E] als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken, maar dat belanghebbende de geoogste producten op eigen naam en voor eigen rekening heeft geleverd aan de veiling.’ Het komt mij voor dat het Hof de hierboven in onderdeel 6.11 genoemde maatstaf aldus goed heeft aangelegd. 6.13 Vervolgens resteert in cassatie slechts de vraag of de door het Hof gemaakte feitelijke afwegingen terzake als onbegrijpelijk zijn aan te merken.

Naar ik meen is hier daarvan geen sprake. Voor inhoudelijke beoordeling moge ik verwijzen naar de behandeling van het tweede cassatiemiddel in mijn voornoemde conclusie voor de zaak van de Beheermaatschappij. Naar mijn mening heeft het Hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat zowel de Poolse vennootschap als [E] niet als eigenaar over de producten hebben kunnen beschikken. 6.14 Voorts heeft het Hof mijns inziens de juiste maatstaf aangelegd door geen waarde te hechten aan de (schijn)contracten en de (economische) realiteit doorslaggevend te achten.

Het lijkt mij dat dit contractueel al zo is, maar daaraan kan worden toegevoegd dat het HvJ EU heeft overwogen: ‘Aan de contractuele bepalingen kan met name worden voorbijgegaan wanneer blijkt dat zij niet de economische en commerciële realiteit weergeven, maar een zuiver kunstmatige constructie vormen die geen verband met de economische realiteit houdt en alleen bedoeld is om een belastingvoordeel te verkrijgen, hetgeen de nationale rechter moet beoordelen.’ 6.15 In de zaak van de Beheermaatschappij met kenmerk 08/00236 heeft het Hof overwogen ‘dat ten aanzien van het sluiten van de overeenkomsten sprake is van een schijnhandeling en dat aan deze fictief gemaakte afspraken voor de bepaling van de winst in het onderhavige jaar moet worden voorbijgegaan’ En voorts:

‘dat belanghebbende, door op papier een fictieve ondernemingsactiviteit te construeren die niet overeenstemt met de werkelijkheid en waardoor substantieel te weinig belasting is geheven, een (...) vergrijp heeft begaan (…).’ 6.16 Ook voor de omzetbelasting kon het Hof voorbijgaan aan de voorgestelde contractuele bepalingen, zodat terzake van de ‘overeenkomsten’ met de Poolse vennootschap en [E] geen sprake is van enige levering als bedoeld in artikel 3 van de Wet OB 1968. 6.17 In onderdeel b van het derde cassatiemiddel stelt belanghebbende dat artikel 27e AWR pas van toepassing is indien belanghebbende bewust een onjuiste aangifte heeft gedaan.

Blijkens ’s Hofs uitspraak is aan de bewustheid van belanghebbende van eventuele onjuistheid niet getoetst. Daardoor getuigt de uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 27e AWR, althans geeft 's Hofs uitspraak onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang. Aldus belanghebbende. 6.18 Ik merk op dat de omkering van bewijslast bij het niet doen van de vereiste aangifte niet is beperkt tot gevallen van opzet. Vereist is dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. 6.19 Uitgaande van ’s Hofs oordeel dat sprake is van schijnhandelingen, waarbij de door belanghebbende voorgestelde koopovereenkomsten met de Poolse vennootschap als niet bestaand zijn aan te merken, laat dit geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende op basis van een schijnconstructie een te laag bedrag aan omzet heeft verantwoord, ofschoon de werkelijke omzet veel hoger was.

Aldus meen ik dat belanghebbende bij het doen van de aangifte omzetbelasting zich ervan bewust was dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting op basis van die aangifte niet zou worden geheven. Belanghebbende heeft aldus niet de vereiste aangifte gedaan, zodat naar mijn mening omkering van de bewijslast mocht worden toegepast. 6.20 Op een en ander stuit het derde middel af. 7Bespreking van middel 4: Verhoging: bewijs opzet/pleitbaar standpunt Het door het middel bestreden oordeel 7.1 In zijn door het middel bestreden rechtsoverweging heeft het Hof geoordeeld: 4.5.1.

De Rechtbank is in de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 van de bestreden uitspraak op goede gronden, welke het Hof tot de zijne maakt, tot het oordeel gekomen dat een verhoging (na kwijtschelding) van 50% van de nageheven belasting, te weten € 10.038, passend en geboden is. 7.2 De Rechtbank heeft in de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 overwogen: 4.4. Op 18 juni 2001 is bij belanghebbende het onder 2.3. genoemde boekenonderzoek gestart. In het controlerapport van 7 februari 2002 deelt de inspecteur aan belanghebbende mede zijn voornemen om gelijktijdig met het vaststellen van de naheffingsaanslag over het jaar 1996, een niet-orde boete op te leggen van (na kwijtschelding) 50% of ƒ 33.521.

Na bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd tot € 20.076 met een evenredige vermindering van de boete tot € 10.038. In verband met overschrijding van de redelijke termijn is de boete verder verminderd met 10% tot € 9.034. 4.5. Artikel 27e van de AWR bepaalt dat omkering (verschuiving en verzwaring) van de bewijslast niet geldt voor zover het beroep is gericht tegen de boete. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit ook te gelden voor verhogingen, nu die evenzeer een strafkarakter hebben en de bepaling met ingang van 1 januari 1998 gunstiger is dan daarvoor.

Het gevolg is dat op de inspecteur de bewijslast blijft rusten dat de belastingplichtige opzettelijk of met grove schuld een van de (met ingang van 1 januari 1998) in artikel 67d tot en met 67f van de AWR opgesomde vergrijpen heeft begaan. Van die vergrijpen is de hoogte van de verschuldigde belasting als zodanig geen element. Dit ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of de opgelegde boete passend en geboden is. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de belasting is komen vast te staan, waaronder de omstandigheid dat de omkering van de bewijslast is toegepast. 4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende opzettelijk met de contracten die zij heeft gesloten met [F] en [H] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat het uiteindelijk belanghebbende zelf is geweest die de producten heeft verkocht en geleverd, zodat zij de omzetbelasting ter zake van de leveringen verschuldigd is geworden. Nu belanghebbende de omzetten desondanks niet in haar aangifte omzetbelasting heeft vermeld, is het aan haar opzet te wijten dat de belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald.

Een boete van 50% acht de rechtbank in deze passend en geboden. Het middel van cassatie 7.3 Belanghebbende voert als vierde middel van cassatie aan: 4.1. Schending en/of verkeerde toepassing van het nationale en het internationale recht, in het bijzonder van artikel 6 EVRM, althans verzuim van vormen doordien het Hof in rechtsoverweging 4.5.1. heeft geoordeeld dat een boete van 50% van de nageheven belasting passend en geboden is waarbij het Hof de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van de verhoging tot de zijne maakt, zulks ten onrechte aangezien: a.

De rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan; b. Het Hof aldus ten onrechte en ongemotiveerd is voorbij gegaan aan de grieven van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank, met name een beroep van belanghebbende op een pleitbaar standpunt; als gevolg waarvan 's Hofs uitspraak getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans de uitspraak onbegrijpelijk is en niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. 7.4 Ter toelichting merkt belanghebbende het volgende op:

Onderdeel a (…) 4.4. Conform constante jurisprudentie van uw Raad is slechts sprake van opzet indien de belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans op het doen van een onjuiste aangifte heeft aanvaard. In die rechtsregel komt tot uitdrukking dat bewezen moet worden dat de belanghebbende willens en wetens (zo nodig in de zin van voorwaardelijk opzet) een onjuiste aangifte heeft gedaan. 4.5. Uit de uitspraak van de rechtbank en daarmee uit de uitspraak van het Hof valt niet op te maken welke maatstaf is gehanteerd om te komen tot het oordeel dat belanghebbende opzet heeft gehad.

Aldus geeft het Hof geen inzicht in zijn gedachtegang. 4.6. Indien het Hof van oordeel zou zijn dat bewijs van willen en weten niet nodig is, getuigt de uitspraak van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting. 4.7. Indien het Hof wel aan deze criteria zou hebben getoetst, is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk aangezien uit het oordeel van de rechtbank ten gronde geen bestanddelen omtrent de opzet (het weten en willen) gehaald kunnen worden. (…) 4.11. Zelfs indien het oordeel van de rechtbank juist zou zijn dat de contracten niet zouden weerspiegelen hetgeen partijen werkelijk zijn overeengekomen, dan volgt daaruit nog niet dat belanghebbende daarmee de bewustheid heeft gehad dat als gevolg daarvan onjuiste aangiften omzetbelasting zouden worden gedaan, laat staan dat daaruit valt af te leiden dat belanghebbende die onjuistheid bewust heeft aanvaard. 4.12.

Aldus is de uitspraak van de rechtbank en daarmee de uitspraak van Hof niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Onderdeel b 4.13. Belanghebbende heeft in hoger beroep een beroep gedaan op een pleitbaar standpunt (paragraaf 7.3. van de motivering van het hoger beroepschrift). 4.14. Een beroep op een pleitbaar standpunt is een essentiële stelling van een partij waarop de rechter in zijn uitspraak moet reageren. 4.15. Door in dit geval niet op deze stelling van belanghebbende in de uitspraak te reageren heeft het Hof zijn uitspraak niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. 4.16.

Deze stelling is essentieel gelet op de argumenten, die belanghebbende naar voren heeft gebracht tegen 's Hofs oordeel met betrekking tot de interpretatie van het begrip levering. Voor zover uw Raad dat middel mocht verwerpen vormen die argumenten ten minste een deugdelijke grondslag voor een beroep op een pleitbaar standpunt en daarmee voor het vervallen van de verhoging. 4.17. Aldus is de uitspraak van het Hof niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. 7.5 In het hoger beroepschrift heeft belanghebbende ter zake van het pleitbaar standpunt gesteld: 7.3.

Daarnaast is belanghebbende van mening dat zij zich op het standpunt kon en mocht stellen dat zij geen omzetbelasting was verschuldigd over de verkoop en leveringen van de producten door de Poolse vennootschappen aan de veiling, zodat van opzet of grove schuld geen sprake kan zijn. Belanghebbende mocht in redelijkheid menen juist te handelen. Tenminste was dan ook sprake van een pleitbaar standpunt, dat aan een verhoging in de weg staat. Het is ook niet logisch om omzetbelasting te betalen over leveringen door een ander en over niet genoten omzet.

Het is aan de inspecteur om het tegendeel aannemelijk te maken. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur daarin niet is geslaagd. Beleid 7.6 In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (tekst 2014) is over het pleitbaar standpunt geschreven: § 4. Pleitbaar standpunt of avas 1. In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen boete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de inspecteur de boete. Bij avas wordt geacht dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.

2. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen. Is er sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belanghebbende er geen verwijt van worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Een pleitbaar standpunt sluit het opleggen van zowel een verzuimboete als een vergrijpboete uit. Jurisprudentie 7.7 De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 maart 1999 met betrekking tot de vraag of er sprake is van een pleitbaar standpunt overwogen: 3.6.1. (…) Bij de beantwoording van de vraag of terecht een verhoging is opgelegd, dient in aanmerking te worden genomen dat voor het standpunt van belanghebbende met betrekking tot zijn belastingplicht, ook al wordt dit ten slotte onjuist bevonden, zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende door bedoeld standpunt in te nemen dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat van hem te weinig belasting is geheven. 7.8 De Hoge Raad overwoog in een arrest van 15 oktober 2010 ter zake van de motivering van opzet: 3.2.

De middelen II en III klagen er onder meer over dat het Hof niets heeft vastgesteld over de bewustheid van belanghebbende ten aanzien van het beboetbare feit. 3.3. De middelen slagen in zoverre. Nu belanghebbende voor het Hof betwist had dat sprake was van opzet, diende het Hof in zijn uitspraak te vermelden op grond van welke feiten en omstandigheden het tot zijn oordeel omtrent de aanwezigheid van opzet was gekomen. De motivering die het Hof heeft gegeven, is op dit punt ontoereikend. De enkele omstandigheid dat een aanzienlijk deel van de omzet en winst niet in de administratie is verantwoord en niet in de aangiften is vermeld, rechtvaardigt nog niet de slotsom dat de belastingplichtige te dien aanzien opzet kan worden verweten.

De verwijzing van het Hof naar door de Inspecteur gemaakte berekeningen vormt hiervoor evenmin een toereikende motivering, omdat die berekeningen geen aanwijzingen bevatten omtrent bewustheid van belanghebbende met betrekking tot de onjuistheid of onvolledigheid van zijn (administratie en daarop gebaseerde) aangiften. 7.9 De Hoge Raad overwoog in een arrest van 3 december 2010 ten aanzien van de aanwezigheid van voorwaardelijke opzet: 3.4.1. (…) De omstandigheid dat een belastingplichtige had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is, brengt niet mee dat hem de voor opzet vereiste bewustheid met betrekking tot die onjuistheid of onvolledigheid kan worden verweten.

Nu het Hof in zijn uitspraak niet heeft vastgesteld of die bewustheid in dit geval aanwezig was, kan die uitspraak niet in stand blijven. Het eerste middel behoeft voor het overige geen bespreking. (…) 3.6.1. Ook bij de beoordeling van een vergrijpboete geldt dat de bewustheid die vereist is om (voorwaardelijk) opzet te kunnen aannemen in een geval als het onderhavige aanwezig moet zijn op het moment waarop de aangifte werd gedaan. (…) 3.6.2. Daarbij verdient nog opmerking dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet, voor zover in dit verband van belang, niet alleen is vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen); vgl. Hoge Raad 29 februari 2008, nr. 43 274, LJN BC5346, BNB 2008/156 . 7.10 De Hoge Raad heeft bij arrest van 31 mei 2013 overwogen: 3.2. (…) Anders dan het Hof in onderdeel 7.4 van zijn uitspraak heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat de adviseur heeft nagelaten nadere informatie en bescheiden op te vragen en zich in de toepasselijke wettelijke bepalingen te verdiepen, ook indien die adviseur dit wel behoorde te doen, nog niet de voor voorwaardelijk opzet vereiste bewuste aanvaarding mee van de aanmerkelijke kans dat van belanghebbende te weinig belasting zou worden geheven (vgl. HR 30 september 2011, nr. 10/01297, LJN BT5846, BNB 2012/13).

Literatuur 7.11 De Bont heeft over het onderscheid tussen ‘willen en weten’ geschreven: Wederom in het HIV-arrest is de Hoge Raad nader ingegaan op het onderscheid tussen bewuste schuld en voorwaardelijke opzet: ‘Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.’ Weten plus doen is dus niet per definitie willen. Als vorenstaande rechtsregels van de Hoge Raad worden toegepast op fiscale delicten, ontstaat een vrij hypothetische casus. Indien een belastingplichtige wist dat er een aanmerkelijke kans was dat de aangifte onjuist was en hij deed desondanks de aangifte in de veronderstelling dat de aangifte toch in orde zou zijn, dan is sprake van grove onachtzaamheid en niet van opzet.

Daarbij kan ik me (in de fiscale praktijk) niet veel voorstellen. Desalniettemin is het goed aandacht te blijven hebben voor alle elementen binnen het opzetbegrip. De praktijk is immers grilliger dan de fantasie. (…) Nu iedere belastingplichtige verplicht is een aangiftebiljet in te zenden, kan in deze handeling op zich voor de invulling van de aanmerkelijk kans geen bewijs worden gevonden. Dat is heel anders voor een persoon die met een wapen en bivakmuts een bank binnenstapt. Een dergelijke handeling is wettelijk niet voorgeschreven en levert (ten minste) een substantiële bouwsteen voor het delictsbestanddeel opzet. 7.12 Bruijsten heeft geschreven over (voorwaardelijke) opzet:

3. Opzet Volgens § 25, derde lid, van het Besluit bestuurlijke boeten Belastingdienst 1998 wordt onder opzet verstaan: “het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting”. In deze definitie wordt niet expliciet gerefereerd aan bewustheid van de zijde van de belastingplichtige. De term willens en wetens impliceert echter dat de belastingplichtige zich bewust moet zijn van de fiscale consequenties van zijn handelen of nalaten. Dat voor het in aanmerking nemen van opzet bewustheid van de zijde van de belastingplichtige vereist is, blijkt ook HR 3 december 2010. (…) De term willens en wetens impliceert tevens een gerichtheid van de belastingplichtige om de belastingheffing te frustreren.

Om een vergrijpboete op te kunnen leggen, moet de opzet zijn gericht op één van de in de artikelen 67d , 67e en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde gedragingen. 4Voorwaardelijke opzet (…) Naast opzet kennen we ook voorwaardelijke opzet. Voorwaardelijke opzet is een species van het genus opzet. Voorwaardelijke opzet wordt niet met zoveel woorden in de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemd, maar is in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen. Volgens § 25, derde lid, het Besluit bestuurlijke boeten Belastingdienst 1998 wordt onder voorwaardelijke opzet verstaan “het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet binnen de termijn betaald is”. (…) Voor het in aanmerking nemen van voorwaardelijke opzet hoeft een belastingplichtige zich er dus niet van bewust te zijn dat hij een fout standpunt inneemt (dan zou sprake zijn van opzet), maar hij moet zich er wel van bewust zijn dat hij het risico loopt een fout standpunt in te nemen. 10 Samenvatting Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijke opzet.

Voorwaardelijke opzet is het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een fiscaal onjuist standpunt wordt ingenomen. Om na te gaan of iemand zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden, geldt dat de betreffende persoon wetenschap moet hebben van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal intreden (bewustheid), die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard, en ervan uitgaat dat het gevolg dan ook zal intreden. 7.13 Broekhuijsen en Lubbers hebben geschreven over de motivering door de belastingrechter van (voorwaardelijke) opzet:

Rechtspraak van de Hoge Raad illustreert bovendien dat de feitenrechter er niet altijd in slaagt een vlekkeloze motivering ten grondslag te leggen aan het oordeel dat in een zaak sprake is van voorwaardelijk opzet aan de zijde van belanghebbende. (…) Voorts is het lang niet altijd eenvoudig te motiveren dat in de gegeven situatie is voldaan aan de elementen van voorwaardelijk opzet. Bij voorwaardelijk opzet gaat het immers om de geestesgesteldheid van de belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte. Aangezien het niet mogelijk is in het hoofd van de belanghebbende te kijken om die geestesgesteldheid vast te stellen en hij bovendien niet is gehouden verklaringen af te leggen over zijn motieven, moet het bewijs van voorwaardelijk opzet vaak worden gevonden in objectieve omstandigheden.

De vraag rijst dan welke omstandigheden dat zouden kunnen zijn. De motiveringslessen van de Hoge Raad in belastingzaken (…) Uit HR 15 oktober 2010, nr. 09/00671, BNB 2011/9, kan worden afgeleid dat indien de belanghebbende betwist dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, de feitenrechter in zijn uitspraak dient te vermelden op grond van welke feiten en omstandigheden hij tot zijn oordeel omtrent de aanwezigheid van opzet komt. Het arrest BNB 2011/9 illustreert bovendien dat de enkele omstandigheid dat een aanzienlijk deel van het inkomen niet in de belastingaangifte is vermeld, nog niet de slotsom rechtvaardigt dat de belanghebbende op dat punt opzet kan worden verweten.

Het gaat erom of sprake is van aanwijzingen omtrent bewustheid van belanghebbende met betrekking tot de onjuistheid of onvolledigheid van zijn belastingaangifte. Bij de beoordeling van een vergrijpboete geldt dat de bewustheid die vereist is om (voorwaardelijk) opzet te kunnen aannemen aanwezig moet zijn op het moment waarop de aangifte werd gedaan (HR 3 december 2010, nr. 09/04514, BNB 2011/59). Uit BNB 2011/59 kan worden afgeleid dat voor voorwaardelijk opzet niet voldoende is de omstandigheid dat de belanghebbende had moeten weten dat zijn aangifte onjuist of onvolledig is: het moet gaan om daadwerkelijke bewustheid.

Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is bovendien niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Ook dit element zal door de feitenrechter moeten worden vastgesteld (zie bijvoorbeeld HR 30 september 2011, nr. 10/01297, BNB 2012/13). De Hoge Raad staat echter toe dat de belastingrechter aan de hand van ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid tot het oordeel komt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet.

Sterker nog, in HR 28 juni 2013, nr. 11/04152, BNB 2013/207, formuleert hij zelf zo’n regel voor een geval, waarin een belastingplichtige een bankrekening aanhoudt in een land met een bankgeheim en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente-inkomsten daaruit ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld. Beoordeling van het middel 7.14 Het Hof heeft geoordeeld dat een boete van 50% van de nageheven belasting passend en geboden is, waarbij het Hof de uitspraak van de Rechtbank ten aanzien van de verhoging tot de zijne heeft gemaakt. 7.15 Naar het oordeel van de Rechtbank en het Hof ‘heeft de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende opzettelijk met de contracten die zij heeft gesloten met [F] en [H] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat het uiteindelijk belanghebbende zelf is geweest die de producten heeft verkocht en geleverd, zodat zij de omzetbelasting ter zake van de leveringen verschuldigd is geworden.

Nu belanghebbende de omzetten desondanks niet in haar aangifte omzetbelasting heeft vermeld, is het aan haar opzet te wijten dat de belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald.’ 7.16 In middel 4 onderdeel a stelt belanghebbende dat de Rechtbank en het Hof ten onrechte tot het oordeel zijn gekomen dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Uit de uitspraak van het Hof valt niet op te maken welke maatstaf is gehanteerd om te komen tot het oordeel dat belanghebbende opzet (willen en weten) heeft gehad, aldus belanghebbende. 7.17 Ik wijs erop dat onder opzet mede is te verstaan voorwaardelijke opzet.

Van voorwaardelijke opzet is sprake bij bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans, met name door het doen van een te lage aangifte, dat te weinig belasting zal worden geheven. Het gaat er mijns inziens om of de aanmerkelijke kans is aanvaard; ook al is er geen volstrekte zekerheid dat het gevolg, met name een te lage belastingheffing, zal intreden. 7.18 Het komt mij voor dat als wordt uitgegaan van het eerder genoemde oordeel dat sprake is van schijnhandelingen, ’s Hofs oordeel onvermijdelijk wordt dat belanghebbende bewust was van het feit dat zijn aangifte omzetbelasting, met name door verzwijging van omzet, onjuist was en hij die desondanks heeft ingediend, daarmee het risico aanvaardend dat door het volgen van die aangifte een te lage aanslag zou worden opgelegd. 7.19 Het lijkt mij in de onderhavige situatie, uitgaande van simulatie als voornoemd, niet denkbaar dat belanghebbende in de veronderstelling verkeerde dat zijn aangifte correct zou zijn.

Hieromtrent heeft belanghebbende voor het Hof en in cassatie ook geen concrete stellingen aangevoerd. 7.20 Aldus faalt onderdeel a van het vierde middel. 7.21 In onderdeel b van het vierde middel stelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte en ongemotiveerd voorbij is gegaan belanghebbendes beroep op een eerder ingenomen pleitbaar standpunt. 7.22 Anders dan belanghebbende betoogt is een pleitbaar standpunt niet ‘een essentiële stelling van een partij waarop de rechter in zijn uitspraak moet reageren’. Van een pleitbaar standpunt is naar mijn mening sprake als een door een belanghebbende ingenomen standpunt, ook al heeft de rechter dat onjuist bevonden, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kon menen juist te handelen. 7.23 Met de oordelen van het Hof dat de ‘Poolse vennootschap noch [E] als eigenaar over de producten heeft kunnen beschikken’ en dat belanghebbende ‘opzettelijk met de contracten die zij heeft gesloten met [F] en [H] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven’ en ten slotte de handhaving van de boeteoplegging heeft het Hof (impliciet) de stelling dat er sprake is van een pleitbaar standpunt verworpen.

Ik meen dat de uitspraak van het Hof op dit punt dan ook niet onvoldoende is gemotiveerd. Uitgaande van die feiten is er mijns inziens geen pleitbaar standpunt. 7.24 Aldus strandt het vierde middel. 8Bespreking van middel 5: Verhoging: omkering en verzwaring van de bewijslast Het door het middel bestreden oordeel 8.1 Het vijfde middel richt zich tegen rechtsoverweging 4.5.1. van het Hof: 4.5.1. De Rechtbank is in de overwegingen 4.4 tot en met 4.6 van de bestreden uitspraak op goede gronden, welke het Hof tot de zijne maakt, tot het oordeel gekomen dat een verhoging (na kwijtschelding) van 50% van de nageheven belasting, te weten € 10.038, passend en geboden is. 8.2 De Rechtbank heeft overwogen: 4.5.

Artikel 27e van de AWR bepaalt dat omkering (verschuiving en verzwaring) van de bewijslast niet geldt voor zover het beroep is gericht tegen de boete. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit ook te gelden voor verhogingen, nu die evenzeer een strafkarakter hebben en de bepaling met ingang van 1 januari 1998 gunstiger is dan daarvoor. Het gevolg is dat op de inspecteur de bewijslast blijft rusten dat de belastingplichtige opzettelijk of met grove schuld een van de (met ingang van 1 januari 1998) in artikel 67d tot en met 67f van de AWR opgesomde vergrijpen heeft begaan.

Van die vergrijpen is de hoogte van de verschuldigde belasting als zodanig geen element. Dit ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of de opgelegde boete passend en geboden is. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de belasting is komen vast te staan, waaronder de omstandigheid dat de omkering van de bewijslast is toegepast. 4.6. (…) Nu belanghebbende de omzetten desondanks niet in haar aangifte omzetbelasting heeft vermeld, is het aan haar opzet te wijten dat de belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald.

Een boete van 50% acht de rechtbank in deze passend en geboden. Het middel van cassatie 8.3 Belanghebbende voert als vijfde middel van cassatie aan: 5.1. Schending en/of verkeerde toepassing van het nationale en het internationale recht, in het bijzonder van artikel 6 EVRM, althans verzuim van vormen doordien het Hof in rechtsoverweging 4.5.1.heeft geoordeeld dat een boete van 50% van de nageheven belasting passend en geboden is zonder daarbij in aanmerking te nemen dat de nageheven belasting is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast als gevolg waarvan het Hof de door uw Raad in het arrest HR 18 januari 2008 BNB 2008/165 gegeven rechtsregel heeft miskend althans als gevolg waarvan 's Hofs uitspraak niet naar de eisen van de wet met redenen is omkleed. 8.4 Ter toelichting is bij het middel opgemerkt: 5.2.

Uw Raad heeft in het arrest van 18 januari 2008, BNB 2008/165 geoordeeld dat de rechter moet beoordelen of een boete gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden is en dat tot deze omstandigheden ook behoort de wijze waarop de aanslag is komen vast te staan zoals de omkering van de bewijslast. (…) (…) 5.4. In r.o. 4.5.1. heeft het Hof geoordeeld dat de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de boete op goede gronden is gebaseerd. 5.5. In de door het Hof aangehaalde overwegingen in de uitspraak van de rechtbank blijkt dat de nageheven belasting is bepaald met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast.

Bovendien geeft de rechtbank in r.o. 4.5. in zijn algemeenheid blijk van bekendheid met de rechtsregel in voornoemde arresten van uw Raad. 5.6. Niettemin geeft de rechtbank in r.o. 4.6. bij het oordeel over de vraag of de boete in dit geval passend en geboden is geen blijk van enige beoordeling van de omstandigheid dat de heffingsgrondslag het product is van omkering en verzwaring van de bewijslast. Ook al zal die omstandigheid niet per definitie moeten leiden tot een vermindering van de boete, dat neemt niet weg dat de feitenrechter in zijn motivering van de boete expliciet duidelijk moet maken dat hij met die omstandigheid rekening heeft gehouden. 5.7. ' s Hofs uitspraak is gelet op het voorgaande niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed.

Jurisprudentie 8.5 De toelichting op het middel verwijst naar een arrest van 18 januari 2008. In dit arrest overwoog de Hoge Raad: 3.6.8. De (…) omstandigheid dat naar de bedoeling van de wetgever bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan.

Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast. 8.6 Bij arrest van 4 juni 2010 heeft de Hoge Raad overwogen: 3.1 (…) De rechter dient te beoordelen of een verhoging dan wel een boete gelet op de omstandigheden van het geval een sanctie is die passend en geboden is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de zich in dit geval voordoende omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. HR 18 januari 2008, nr. 41832, LJN BC1962, BNB 2008/165, r.o. 3.6.8).

Uit 's Hofs uitspraak blijkt niet of het Hof met deze omstandigheid rekening heeft gehouden. 8.7 De Hoge Raad overwoog in een arrest van 7 juni 2013 over de gebondenheid van de rechter bij de straftoemeting aan de beleidsregels van de Belastingdienst: 3.3.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een oordeel van de feitenrechter over de vraag welke hoogte van een boete gelet op de ernst van het beboetbare feit en de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval passend en geboden is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.

Verder moet worden vooropgesteld dat de rechter bij het geven van een dergelijk oordeel zelfstandig de strafmaat dient te bepalen en daarbij dus niet is gebonden aan beleidsregels van de belastingdienst, waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan (vgl. HR 23 november 1988, nr. 24.788, BNB 1989/29). Pechler annoteerde bij dit arrest: Het oordeel van de feitenrechter over de strafmaat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en is in cassatie daarom slechts marginaal toetsbaar. Daarnaast bepaalt de rechter zelfstandig welke straf passend en geboden is.

Hij vervult een rechterlijke taak, geen bestuurstaak, aldus het in r.o. 3.3.1 genoemde arrest HR 23 november 1988, nr. 24 788, BNB 1989/29* . Beoordeling van het middel 8.8 De Hoge Raad heeft bij arrest van 4 juni 2010 overwogen: ‘De rechter dient te beoordelen of een verhoging dan wel een boete gelet op de omstandigheden van het geval een sanctie is die passend en geboden is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de zich in dit geval voordoende omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast.’ 8.9 Belanghebbende stelt dat het Hof ‘bij het oordeel over de vraag of de boete in dit geval passend en geboden is (…) geen blijk [geeft] van enige beoordeling van de omstandigheid dat de heffingsgrondslag het product is van omkering en verzwaring van de bewijslast.

Ook al zal die omstandigheid niet per definitie moeten leiden tot een vermindering van de boete, dat neemt niet weg dat de feitenrechter in zijn motivering van de boete expliciet duidelijk moet maken dat hij met die omstandigheid rekening heeft gehouden.’ 8.10 Ik merk op dat de Rechtbank heeft overwogen dat ‘op de inspecteur de bewijslast blijft rusten dat de belastingplichtige opzettelijk of met grove schuld een van de (…) in artikel 67d tot en met 67f van de AWR opgesomde vergrijpen heeft begaan. Van die vergrijpen is de hoogte van de verschuldigde belasting als zodanig geen element.

Dit ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of de opgelegde boete passend en geboden is. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de belasting is komen vast te staan, waaronder de omstandigheid dat de omkering van de bewijslast is toegepast.‘ 8.11 In rechtsoverweging 4.5.1. heeft het Hof geoordeeld: ‘De Rechtbank is (…) op goede gronden, welke het Hof tot de zijne maakt, tot het oordeel gekomen dat een verhoging (na kwijtschelding) van 50% van de nageheven belasting (…) passend en geboden is.’ 8.12 Met voornoemde verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank geeft het Hof mijns inziens blijk van een meewegen van de rechtsregel uit de desbetreffende arresten van de Hoge Raad dat de rechter bij het opleggen van een verhoging of boete onder ogen moet zien of de juist geoordeelde (enkelvoudige) belasting is vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. 8.13 Als motivering lijkt mij dat voldoende te achten.

In casu lijkt het mij, in het licht van de vastgestelde feiten, eveneens aanvaardbaar de oplegging van een boete van 50% van de nageheven belasting aan te merken als passend en geboden. 8.14 Aldus faalt het vijfde middel. 9Bespreking van middel 6: Schending van het verdedigingsbeginsel Het door het middel bestreden oordeel 9.1 Het zesde middel richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.2 van het Hof: 4.3.1. In de brief van 3 oktober 2011 heeft belanghebbende een beroep gedaan op het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, zoals dit - volgens haar - volgt uit het arrest HvJ EU van 18 december 2008, Sopropé, C-349/07, Jurispr. blz. 1-10369.

In het bijzonder stelt belanghebbende dat het recht om te worden gehoord voordat een nadelige maatregel wordt genomen (in casu het opleggen van de naheffingsaanslag), zoals dit ook is neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is geschonden. 4.3.2. Het Hof leidt uit de onder 2.2.1 tot en met 2.2.3 vermelde correspondentie af dat de Inspecteur voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag belanghebbende heeft medegedeeld dat en waarom de onderhavige naheffingsaanslag zal worden opgelegd en belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld daarop te reageren.

Belanghebbende heeft van die gelegenheid voorts gebruik gemaakt. Van schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is naar het oordeel van het Hof daarom geen sprake. Aan het voorgaande doet niet af dat belanghebbende voor een meer uitgebreide reactie behoefte had aan inzage in het controledossier en die inzage eerst op 3 april 2002, derhalve na het opleggen van de naheffingsaanslag, heeft plaatsgevonden. Het middel van cassatie 9.2 Belanghebbende voert als zesde middel van cassatie aan: Schending en/of verkeerde toepassing van het nationale en internationale recht, in het bijzonder van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordien het Hof in rechtsoverweging 4.3.2. heeft geoordeeld onder verwijzing naar de feiten onder 2.2.1. tot en met 2.2.3. dat van een schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging geen sprake is, terwijl uit die feiten blijkt dat belanghebbende niet voorafgaand over de elementen van de naheffingsaanslag is geïnformeerd en evenmin in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren, welk oordeel van het Hof hierdoor onbegrijpelijk is, althans onvoldoende naar de eisen van de wet met redenen omkleed. 9.3 Ter toelichting betoogt belanghebbende: 6.3.

Belanghebbende heeft een beroep gedaan op de schending van het verdedigingsbeginsel. Voor de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 geldt dat deze drie dagen na de aankondiging van 20 november 2001 aan belanghebbende is uitgereikt, te weten op 23 november 2001. In de aankondiging van 20 november 2001 wordt belanghebbende niet de gelegenheid geboden te reageren op de door de inspecteur gegeven redenen voor en elementen van de naheffingsaanslag. Aan belanghebbende is derhalve ter zake van deze naheffingsaanslag niet voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag de gelegenheid geboden haar standpunten kenbaar te maken over de elementen waarop de inspecteur die naheffingsaanslag heeft gebaseerd.

Daarmee is volgens belanghebbende het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geschonden. 6.4. Daarnaast heeft de inspecteur deze naheffingsaanslag gebaseerd op een gehouden boekenonderzoek. Het controlerapport hiervan is opgesteld op 7 februari 2002 en aan belanghebbende verstuurd na het uitreiken van de naheffingsaanslag. Ook dit leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt over de elementen waarop de inspecteur de naheffingsaanslag heeft gebaseerd naar behoren kenbaar te maken. 6.5.

Daarbij zij opgemerkt dat het beginsel van de eerbiediging van het recht op verdediging niet alleen inhoudt dat de betrokkene de gelegenheid krijgt zich op doelmatige wijze te uiten over de relevantie van de feiten, maar ook dat zij haar standpunt kan bepalen over de documenten waarop de inspecteur zich heeft gebaseerd (zie r.o. 80, Gerecht van Eerste Aanleg, 19 februari 1998, T-42/96, (Eyckeler & Malt AG)). 6.6. Het Hof verwerpt het beroep van belanghebbende onder verwijzing naar de paragrafen 2.2.1 tot en met 2.2.3. Uit deze paragrafen kan niet worden afgeleid dat belanghebbende tijdens het boekenonderzoek door de inspecteur is geïnformeerd over de elementen van de aanslag.

Integendeel, daaruit blijkt slechts dat er een boekenonderzoek is geweest, dat door de inspecteur vragen zijn gesteld en door belanghebbende antwoorden zijn gegeven en dat de bewijslast is omgekeerd wegens gebreken in de administratie. Deze feiten en omstandigheden kunnen naar de mening van belanghebbende niet worden gekwalificeerd als elementen, waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd. Dit zegt immers niets over de materiële belastingheffing. Bovendien acht het Hof niet van belang dat de inzage in het controledossier eerst na het opleggen van de aanslag heeft plaatsgevonden.

Dit oordeel is evident in strijd met de vaste Europese rechtspraak. 6.7. Het oordeel van het Hof dat het beroep van belanghebbende op het verdedigingsbeginsel moet worden verworpen getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Handvest 9.4 Artikel 41, lid 1 en 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie luidt:

1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.

2. Dit recht behelst met name: - het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, - het recht van eenieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim, - de plicht van de betrokken instanties om hun beslissingen met redenen te omkleden. 9.5 Artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreft de werkingssfeer van het Handvest en luidt:

1. De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden. 9.6 Artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreft de reikwijdte van de gewaarborgde rechten en luidt:

1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden. Wetgeving 9.7 Artikel 4:8 van de Awb luidt:

1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien: a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2. Het eerste lid geldt niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken. 9.8 Daarentegen bepaalt artikel 4:12, lid 1 van de Awb voor beschikkingen die strekken tot het vaststellen van een financiële verplichting:

1. Het bestuursorgaan kan toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 voorts achterwege laten bij een beschikking die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting of aanspraak indien: a. tegen die beschikking bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, en b. de nadelige gevolgen na bezwaar of administratief beroep volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. 9.9 Artikel 6:22 van de Awb bepaalt: Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Jurisprudentie 9.10 Het HvJ EU heeft in de zaak Åkerberg Fransson overwogen: 24 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat de belastingboetes en de strafvervolging waarvan Åkerberg Fransson het voorwerp is of is geweest, gedeeltelijk verband houden met het feit dat hij zijn aangifteverplichtingen op btw-gebied niet is nagekomen. 25 Op btw-gebied vloeit uit de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (…) voort dat iedere lidstaat alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dient te treffen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (…). 26 Bovendien moeten de lidstaten volgens artikel 325 VWEU onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad bestrijden met maatregelen die afschrikkend werken en doeltreffend zijn (…).

De eigen middelen van de Unie omvatten volgens artikel 2, lid 1, van besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163, blz.

17) met name de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens voorschriften van de Unie, zodat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inning van de btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen van de begroting van de Unie, aangezien elk mankement in de inning van de btw-ontvangsten potentieel tot verlaging van de btw-middelen van de Unie leidt (…). 27 Bijgevolg wordt met belastingboetes en strafvervolging wegens belastingfraude, zoals die waarvan de verdachte in het hoofdgeding het voorwerp is of is geweest wegens verstrekking van onjuiste inlichtingen op btw-gebied, uitvoering gegeven aan de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112 (voorheen de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn) en artikel 325 VWEU, en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. 9.11 De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 februari 2013 in een douanezaak de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU:

1. Leent het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging zich voor rechtstreekse toepassing door de nationale rechter? 2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: a. moet het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging aldus worden geïnterpreteerd dat het beginsel is geschonden indien de adressaat van een voorgenomen beslissing weliswaar niet is gehoord voordat de administratie jegens hem een bezwarende maatregel nam maar in een nadien volgende bestuurlijke (bezwaar)fase, die voorafgaat aan een rechtsingang bij de nationale rechter, alsnog in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord? b. worden de rechtsgevolgen van schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging bepaald door het nationale recht? 3.

Indien het antwoord op vraag 2b ontkennend is: welke omstandigheden kan de nationale rechter bij het bepalen van de rechtsgevolgen in aanmerking nemen, en met name kan hij in aanmerking nemen dat de procedure zonder de schending door de administratie van het Europeesrechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging een andere afloop zou hebben gehad? De A-G geeft het HvJ EU in overweging de door de Hoge Raad gestelde vragen als volgt te beantwoorden:

1) Particulieren kunnen zich tegenover de nationale rechterlijke instanties rechtstreeks beroepen op het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging door het bestuursorgaan.

2) a) Een nationale wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de adressaat van een bezwarend besluit niet de mogelijkheid wordt geboden om te worden gehoord voordat de beschikking wordt gegeven, maar wel de mogelijkheid om tijdens een latere administratieve fase te worden gehoord, zonder dat dit beroep evenwel leidt tot een automatische schorsing van het bezwarend besluit, doet afbreuk aan het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging van de justitiabele en, meer bepaald, aan het recht om te worden gehoord.

b) De voorwaarden waaronder het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd en de gevolgen van de schending van dat beginsel worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (effectiviteitsbeginsel).

3) Aangezien de nationale rechter verplicht is om de volle werking van het Unierecht te verzekeren, kan hij, wanneer hij de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, beoordeelt, rekening houden met de omstandigheid dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. In V-N 2014/13.8 tekent de redactie bij de conclusie van de A-G aan:

Voor de Nederlandse situatie is van belang dat in de conclusie van A-G Wathelet geen betoog is aan te treffen, dat noopt tot directe aanpassing van de AWR en/of de Awb voor de aanslag- en bezwaarprocedure van zuiver nationale belastingen. De A-G trekt alleen conclusies voor heffingen waarvoor het Unierecht van betekenis is. Dat zijn douanerechten en accijnzen, maar ook de omzetbelasting. In ieder geval mag de mogelijkheid tot verdediging tegen een beschikking die is gebaseerd op het Unierecht niet moeilijker zijn als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel).

Als inbreuk op de rechten van de verdediging ziet de A-G wel, dat bij bezwaarprocedures inzake de belastingen die op grond van EU-regels worden geheven geen automatisch uitstel van betaling geldt tot het moment van de beslissing ná het horen van de belanghebbende. De A-G verbindt hieraan geen verdergaande conclusies. Voor de Nederlandse belastingrechter ligt er naar onze mening wel een taak. Deze moet voortaan, indien in een zaak met een Europeesrechtelijke achtergrond de belanghebbende niet vóór het nemen van het primaire besluit is gehoord, beoordelen of die procedure zonder deze (Europeesrechtelijke) onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Het HvJ EU heeft recentelijk geoordeeld: 35 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat op het beginsel van eerbiediging door de administratie van de rechten van de verdediging en het daaruit voortvloeiende recht van eenieder om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, zoals die gelden in het kader van het douanewetboek, door particulieren rechtstreeks een beroep kan worden gedaan voor de nationale rechter. 73 Bijgevolg moet op de tweede vraag, sub a, worden geantwoord dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en in het bijzonder het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de adressaat van een in een procedure tot navordering van invoerrechten op grond van het douanewetboek vastgestelde uitnodiging tot betaling niet voorafgaand aan de vaststelling van dat besluit is gehoord door de administratie, zijn rechten van de verdediging worden geschonden, ook al kan hij zijn standpunt kenbaar maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase, indien de nationale regeling de adressaten van die uitnodigingen niet toestaat, wanneer zij niet vooraf worden gehoord, de opschorting van de uitvoering van die uitnodigingen tot de eventuele herziening ervan te verkrijgen.

Dat is in ieder geval zo indien de nationale administratieve procedure tot uitvoering van artikel 244, tweede alinea, van het douanewetboek die opschorting beperkt wanneer er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden. (…) 81 In de hoofdgedingen geven de belanghebbenden zelf toe dat de bezwaarprocedure geen andere afloop zou hebben gehad indien zij voorafgaand aan de litigieuze beschikking waren gehoord, aangezien zij de door de belastingadministratie gemaakte tariefindeling niet betwisten. 82 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag, sub b, en de derde vraag worden geantwoord dat de voorwaarden waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging moet worden gewaarborgd, en de gevolgen van de schending van die rechten worden bepaald door het nationale recht, mits de in dat verband vastgestelde maatregelen dezelfde draagwijdte hebben als die voor particulieren in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel).

De nationale rechter, die verplicht is om de volle werking van het Unierecht te waarborgen, kan bij de beoordeling van de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder van het recht om te worden gehoord, rekening ermee houden dat een dergelijke schending pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Literatuur 9.12 Van Slooten heeft geschreven over het verdedigingsbeginsel en het Nederlandse fiscale procesrecht: 5 Het communautaire verdedigingsbeginsel in het Nederlandse fiscale procesrecht Hiervoor kwam aan de orde dat toepassing van het communautaire verdedigingsbeginsel volgens het Hof van Justitie EU een nationale regeling van aanvullend recht vereist.

In art. 4:7 en 7:2 Awb is de regeling van de hoorprocedure opgenomen. Met de inspecteur, maar anders dan het Hof, ben ik van mening dat goede grond bestaat om deze procedure te beschouwen als adequate omzetting van het communautaire verdedigingsbeginsel in Nederlandse fiscale procesrecht. (…) In het Nederlandse bestuursprocesrecht neemt het recht om te worden gehoord een centrale plaats in. Zo dient op grond van art. 4:7 Awb een aanvrager van een beschikking te worden gehoord voordat zijn aanvraag wordt afgewezen. Deze bepaling is in beginsel ook van toepassing op de heffing van rijksbelastingen en douanerechten, met dien verstande dat voor financiële beschikkingen een speciale regeling geldt (…). (…) Geldt als uitgangspunt dat de hoorprocedure plaats dient te vinden voorafgaand aan het nemen van een beschikking, dan lijkt mij dit geheel in overeenstemming met het communautaire verdedigingsbeginsel.

Zo bezien lijkt het communautaire recht zich er niet tegen te verzetten dat de hoorprocedure in de Awb in beginsel wordt aangemerkt als implementatie van het communautaire verdedigingsbeginsel in het Nederlandse nationale recht. Bevestiging hiervan vind ik in de literatuur. Zo schrijven Widdershoven c.s. over het recht op verdediging dat “afdeling 4.1.2 Awb weliswaar een regeling bevat voor het horen van belanghebbenden, waarbij voor ‘bezwarende’ besluiten met name artikel 4:8 Awb van belang is, dit ‘horen’ geschiedt echter niet (primair) met het oog op de rechten van verdediging van betrokkene, maar staat met name in dienst van een goede en zorgvuldige voorbereiding van het besluit door een zo adequaat mogelijke feitenverzameling”.

Het rapport van de Commissie Evaluatie Awb II (commissie-Ilsink) volstaat op dit punt met de constatering dat het “in de praktijk mogelijk blijkt om — zo nodig langs de weg van een gemeenschapsrechtconforme toepassing van bijvoorbeeld artikel 4:8 Awb — aan de eisen van het gemeenschapsrecht te voldoen”. 6 Financiële beschikkingen: horen in de bezwaarfase 6.1 Algemeen In het vorige onderdeel merkte ik op dat de Awb een bijzondere regeling kent voor zogenoemde financiële beschikkingen. In art. 4:12 Awb wordt namelijk bepaald dat de in art. 4:7 en 4:8 neergelegde hoorplicht bij de voorbereiding van beschikkingen niet geldt voor financiële beschikkingen waartegen bezwaar of administratief beroep openstaat en waarbij de nadelige gevolgen van de beschikking volledig ongedaan kunnen worden gemaakt.

Deze uitzondering is met name opgenomen met het oog op het belastingrecht en het sociale zekerheidsrecht, waar de hoorplicht in verband met de zeer grote aantallen beschikkingen een te grote belasting voor de bestuursorganen zou opleveren. De regeling is echter zodanig opgezet dat een belanghebbende in ieder geval één keer de gelegenheid krijgt zijn zienswijze bij het bestuur naar voren te brengen voordat hij in een beroepsprocedure terecht komt. Bij de overweging of het horen in de bezwaarfase in overeenstemming kan worden geacht met het communautaire verdedigingsbeginsel, is ook het karakter van de bezwaarprocedure van belang.

Want hoewel inspraak vóór de totstandkoming van een besluit en het maken van bezwaren daarna niet zonder meer uitwisselbaar zijn, heeft de Nederlandse bezwaarprocedure niettemin een overwegend bestuurlijk karakter. Zo wordt in de literatuur enerzijds de “verlengde besluitvorming, de ambtelijke leerfunctie, de verlengde aangifte termijn, de filterfunctie en de verduidelijkingsfunctie” genoemd die dat bestuurlijke karakter onderstrepen, terwijl anderzijds enkel de “rechtsbeschermingsfunctie” in de richting van de beroepsprocedure wijst. Ook de omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar een eigen en afzonderlijk besluit is dat het startpunt kan vormen voor een rechtsgang voor een onafhankelijke rechter wijst in die richting.

Hoewel de overweging van het Hof in r.o. 6.9 van de hier besproken uitspraak, dat “tussen het vooraf horen en het horen in de bezwaarfase een aanzienlijk verschil bestaat, in ieder geval wat implicaties betreft — het besluit is namelijk reeds genomen met alle gevolgen van dien — en voorts wat mogelijkheden tot het verrichten van onderzoek betreft”, op zichzelf bezien niet onjuist is, valt op grond van het voorgaande te betwijfelen of dat onderscheid zodanig is dat hierdoor de hoorprocedure niet zou kunnen worden aangemerkt als implementatie van het communautaire verdedigingsbeginsel.

Dat laatste is te minder het geval wanneer de plaats van de hoorprocedure in de gehele procedure en het verloop en de bijzonderheden die deze procedure voor de verschillende nationale instanties heeft in de beschouwing worden betrokken. Hierbij is van belang dat uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU blijkt dat nationale instanties weliswaar gehouden zijn kennis te geven van de beweegredenen van hun beschikking, maar dat dit ook mag geschieden in een latere, op verzoek van belanghebbende verstrekte mededeling. Op basis van een en ander lijkt mij dat niet gezegd kan worden dat het communautaire verdedigingsbeginsel praktisch onmogelijk wordt gemaakt door het horen bij financiële beschikkingen pas in de bezwaarfase te laten plaatsvinden. 6.2 Horen in bezwaarfase leidt niet tot een ander resultaat Ook om andere redenen kan niet gezegd worden dat het verplaatsen van de hoorprocedure bij financiële beschikkingen tot gevolg heeft dat die procedure daardoor niet langer kan worden beschouwd als adequate implementatie van het communautaire verdedigingsbeginsel.

Zo kwam allereerst hiervoor aan de orde dat blijkens het arrest-CT Control voor de toepassing van het communautaire verdedigingsbeginsel in het douanerecht gekeken moet worden naar de administratieve procedure als geheel en niet zozeer naar de afzonderlijke beslissingen die in voorkomend geval in die procedure moeten worden genomen. Op grond hiervan lijkt te volstaan dat een adressant van een beschikking in ieder geval één keer de gelegenheid krijgt zijn zienswijze bij het bestuursorgaan naar voren te brengen voordat hij in een beroepsprocedure terecht komt.

Daarnaast volgt uit de hiervoor in onderdeel 4 aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie EU dat het niet in acht nemen van de waarborgen waarin het communautaire verdedigingsbeginsel beoogt te voorzien, er niet toe mag leiden dat de administratieve procedure daadwerkelijk tot een ander resultaat had kunnen leiden. Dat lijkt mij bij het horen van “ financiële beschikkingen” niet het geval te zijn. Immers, bij dergelijke beschikkingen kunnen de financiële gevolgen immers per definitie volledig ongedaan gemaakt worden. In onderdeel 2 kwam bovendien aan de orde dat commissiebeschikkingen worden getoetst op basis van de feiten die de Commissie tot haar beschikking had ten tijde van het nemen van die beschikking.

Zijdelings merkte ik reeds op dat dit in het Nederlandse fiscale recht wezenlijk anders is. Gedurende de gehele administratieve fase, maar ook gedurende het grootste gedeelte van de beroepsprocedure, kunnen rechtsfeiten en -gronden worden aangepast of aangevuld. Door dit verschil heeft het kenbaar kunnen maken van standpunten over de feitelijke en de juridische aspecten in beide procedures een verschillende betekenis. Dat verschil is zodanig, dat het mij voorkomt dat uit het beginsel van procedurele autonomie volgt dat het recht die standpunten kenbaar te maken in beide procedures niet op dezelfde wijze mag worden uitgelegd.

Dit laatste zou anders zijn indien de hoorprocedure verplaatst zou worden naar de beroepsfase. Een dergelijke verplaatsing kan alleen op bezwaren van communautaire aard stuiten; ook verzet rechtspraak van de Hoge Raad zich hiertegen. In het fiscale procesrecht is het horen blijkens art. 25 lid 1 AWR namelijk niet als verplichting opgenomen, maar geschiedt dit op verzoek. Daartoe dient belanghebbenden echter wel de mogelijkheid te worden geboden. Dat bieden van die mogelijkheid is zelfs een conditio sine qua non voor het doen van een rechtsgeldige uitspraak op bezwaar.

Het verzuim die mogelijkheid te bieden kan slechts bij uitzondering met toepassing van art. 6:22 Awb worden gepasseerd. Want hoewel de Hoge Raad in eerste instantie toestond dat een dergelijk verzuim met toepassing van laatstgenoemde bepaling voor gedekt werd verklaard, heeft de Hoge Raad inmiddels op dit punt zijn koers meer in de richting van het bestuursprocesrecht verlegd. Voor toepassing van laatstgenoemde bepaling is namelijk niet langer toereikend dat het verzuim is hersteld doordat de belanghebbende zijn bezwaren in beroep heeft kunnen toelichten. 6.3 Horen in de bezwaarfase als maatregel van algemeen belang? Zelfs wanneer in geval van financiële beschikkingen het horen in de bezwaarfase om enige reden niet in overeenstemming zou kunnen worden geacht met de vereisten die het doeltreffendheidsbeginsel daaraan stelt, dan betekent dit nog niet dat de hoorprocedure daarom niet als implementatie van het communautaire verdedigingsbeginsel zou kunnen worden aangemerkt.

Dit is het geval nu uit rechtspraak van het Hof van Justitie EU valt af te leiden dat de grondrechten, “waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging”, geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 6.1 werd opgemerkt, zou de stelling kunnen worden betrokken dat het verplaatsen van het horen naar de bezwaarfase inderdaad beantwoordt aan een doeleinde van algemeen belang, te weten het bevorderen van een doelmatige heffing van belastingen.

Bovendien lijkt mij die verplaatsing niet een onevenredige en onduldbare ingreep.

7. Tot besluit (...) Tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Hof van Justitie EU kom ik tot de conclusie dat dit beginsel geen rechtstreekse werking heeft maar slechts toepassing kan vinden indien en voor zover dat in een regeling van nationaal aanvullend recht is omgezet. Wat die nationale regeling betreft, kom ik tot de conclusie dat het communautaire recht zich er niet tegen verzet dat de rechtsfiguur van het horen in de Awb als een dergelijke adequate omzetting wordt aangemerkt. Dat lijkt mij ook het geval te zijn bij zogenoemde financiële beschikkingen.

Dat de hoorprocedure bij die beschikkingen in de bezwaarfase plaatsvindt, hoeft daar op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie EU namelijk niet aan in de weg te staan. Een en ander heeft tot gevolg dat wanneer de hoorprocedure toepassing heeft gevonden, de genomen beschikking geacht kan worden in dit opzicht omgeven te zijn met de waarborgen waarin door het communautaire verdedigingsbeginsel wordt voorzien. 9.13 De Interdepartementale Commissie Europees Recht heeft over de toepasbaarheid van het EU-Grondrechtenhandvest op nationaal handelen geschreven:

Anders dan internationale grondrechtenverdragen als met name het EVRM, bevat het EU-Grondrechtenhandvest een algemene beperking ten aanzien van de toepasselijkheid op het handelen van de lidstaten. De toepassing op nationale wetgevende, beleidsvormende en uitvoerende maatregelen is volgens de bewoording van artikel 51, lid 1 GHV beperkt tot de situaties waarin Lidstaten Unierecht ‘ten uitvoer brengen’ (zie hieronder I.B en I.C). Uit de rechtspraak van het EU-Hof blijkt dat hieraan voldaan is wanneer een nationale regeling of bestuurshandeling binnen het toepassingsbereik van het Unierecht valt.

Wanneer een nationale regeling of bestuurshandeling niet binnen het toepassingsbereik valt, is inhoudelijke toetsing aan het GHV niet noodzakelijk en niet opportuun. B. Wanneer valt een regeling binnen het toepassingsbereik van het Unierecht? 1. Als het gaat om een (nieuwe) maatregel of een bestuurshandeling ter uitvoering van een verordening, inclusief de door de verordening gelaten discretionaire bevoegdheid.

2. Als het gaat om een (nieuwe) maatregel ter omzetting van een richtlijn.

3. Als het gaat om een (nieuwe) maatregel ter omzetting van een richtlijn die algemene handhavingsverplichtingen omvat, in combinatie met een algemene verplichting die voortvloeit uit het VWEU.

4. Als het gaat om een nationale bestuurshandeling die is gebaseerd op nationale wetgeving die zelf een verordening uitvoert of een richtlijn heeft omgezet.

5. Als het gaat om aanpassing van een nationale maatregel die beschouwd kan worden als een (eerdere) implementatie van Unierecht.

6. Als het gaat om een nationale bestuurshandeling ter uitvoering van een beschikking van een Europese instelling.

7. Als in een nationale regeling, waarvan de materie verder geen aanknopingspunten met Unierecht heeft, onverplicht voor de inhoud van begrippen wordt verwezen naar het Unierecht.

8. Als het gaat om een nationale maatregel die vrij verkeersregels inperkt, maar waarbij de overheid in het verband van derogaties van vrij verkeersregels, een beroep doet op grondrechtenbescherming. (…) [II.B.4] De tekst van het Handvest gebruikt een onderscheid tussen ‘rechten’ en ‘beginselen’. Volgens artikel 51(1) GHV moeten rechten worden ‘geëerbiedigd’ (“respected”) en beginselen moeten (slechts) worden ‘nageleefd’ (“observed”). Beoordeling van het middel 9.14 Belanghebbende stelt in het zesde cassatiemiddel dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat belanghebbende ‘niet voorafgaand over de elementen van de naheffingsaanslag is geïnformeerd en evenmin in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren’. 9.15 Het Hof heeft in r.o. 4.3.2. geoordeeld dat ‘de Inspecteur voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag belanghebbende heeft medegedeeld dat en waarom de onderhavige naheffingsaanslag zal worden opgelegd en belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld daarop te reageren.

Belanghebbende heeft van die gelegenheid voorts gebruik gemaakt. Van schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is naar het oordeel van het Hof daarom geen sprake.’ 9.16 Dit oordeel van het Hof lijkt mij niet onbegrijpelijk. In het procesdossier bevindt zich namelijk een brief van de Inspecteur van 20 november 2001 waarin in enkele bladzijden uitleg wordt gegeven omtrent de komende naheffingsaanslag omzetbelasting, opgelegd met dagtekening 23 november 2001, onder vermelding van de gronden voor naheffing. Aldus is belanghebbende vooraf geïnformeerd.

Uit de vermelding van een rechtstreeks doorkiesnummer en de naam van de contactambtenaar blijkt dat belanghebbende de gelegenheid heeft gehad, zij het kort, om op de aankondiging te reageren. In zoverre mist deze klacht feitelijke grondslag. 9.17 De Staatssecretaris betoogt in zijn verweerschrift in cassatie dat ‘belanghebbende voorafgaand aan de aankondiging van de naheffingsaanslag in de gelegenheid is gesteld om de bevindingen van het lopende onderzoek te bespreken’. Ik meen echter dat met het bieden van de gelegenheid aan belanghebbende om zich tijdens het boekenonderzoek uit te laten over het standpunt van de Inspecteur, gelet op de onderzoeksbevoegdheden van de Belastingdienst in deze fase van het geding en het ontbreken van concrete elementen voor naheffing, niet wordt voldaan aan de eisen van het verdedigingsbeginsel. 9.18 Voor zover belanghebbende zich wil beroepen op artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wat overigens niet expliciet blijkt uit het cassatieberoepschrift, merk ik het volgende op. 9.19 In artikel 41 van het Handvest is opgenomen dat eenieder het recht heeft te worden gehoord voordat een nadelige individuele maatregel wordt genomen. 9.20 In casu gaat het om een naheffingsaanslag omzetbelasting.

De Nederlandse Wet op de Omzetbelasting 1968 is gebaseerd op EU-richtlijnen. Ik meen dat uit het arrest Åkerberg Fransson volgt dat lidstaten bij de heffing en bij de invordering van omzetbelasting het Unierecht ten uitvoer brengen. In zoverre is artikel 41 van het Handvest in onderhavige omzetbelastingzaak van toepassing. 9.21 In de jurisprudentie van het HvJ EU is thans de lijn dat schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, naar Unierecht pas tot nietigverklaring van het na afloop van de administratieve procedure genomen besluit kan leiden, indien de desbetreffende procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben.

De gevolgen van een schending van het verdedigingsbeginsel zijn een nationaalrechtelijke aangelegenheid. 9.22 In casu is bij uitspraak op bezwaar het oorspronkelijke besluit, de naheffingsaanslag, niet bevestigd, maar is het bedrag van de nageheven omzetbelasting verlaagd. Enerzijds zou, daarvan uitgaande, wellicht een lagere naheffingsaanslag zijn opgelegd indien belanghebbende was gehoord vóór het opleggen van die bezwarende maatregel zodat hij meteen zijn bezwaren kenbaar had kunnen maken. 9.23 Anderzijds lijkt het mij maar de vraag of belanghebbende daardoor geschaad te achten zou zijn.

Ingeval van bezwaar tegen een belastingaanslag kan, uitzonderingen daargelaten, desverzocht uitstel van betaling worden verkregen voor het betwiste bedrag. Verder geldt in het algemeen voor financiële beschikkingen zoals belastingbeschikkingen, dat de gevolgen van een schending van het verdedigingsbeginsel, uitzonderingen daargelaten, ongedaan kunnen worden gemaakt door het bieden van financiële compensatie. Dat relativeert naar mijn mening de rol van het onderhavige verdedigingsbeginsel in belastingprocedures. Die relativering moet zich mijns inziens ook uitstrekken tot de gevolgen te verbinden aan een eventuele schending.

Nietigverklaring van opgelegde belastingaanslagen lijkt mij in het algemeen een (veel) te zware maatregel. 9.24 In casu heeft belanghebbende niet aangevoerd dat indien hij vóór het nemen van het primaire besluit was gehoord, de uiteindelijke uitkomst van de procedure anders zou zijn geworden. Ook daarom zie ik geen aanleiding tot enige nietigverklaring deswege. 9.25 Het zesde middel faalt. 10Bespreking van middel 7: Op de zaak betrekking hebbende stukken Het door het middel bestreden oordeel 10.1 Het zevende middel is gericht tegen rechtsoverweging 4.2.7: 4.2.2.

Partijen zijn het er, gelet op de inhoud van de onder 2.5.1 tot en met 2.5.3 vermelde briefwisseling, over eens dat het vanwege de omvang van het dossier niet wenselijk is dat alle beschikbare stukken aan het Hof worden toegezonden en zijn daarom overeengekomen dat de Inspecteur alle stukken waarover hij beschikt in het kader van het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag in kopie aan de gemachtigde zal verstrekken, waarna een selectie van die stukken aan hot Hof zal worden gezonden. Het Hof acht aannemelijk dat de Inspecteur, in overeenstemming met de inhoud van zijn brieven van 27 november 2008 en 16 oktober 2009, alle stukken aan belanghebbende in kopie heeft verstrekt.

De in de nadere stukken van 22 februari 2012 door gemachtigde ingenomen stelling dat dit niet het geval is, verwerpt het Hof. Belanghebbende heeft het Hof niet verzocht om, anders dan overeengekomen met de Inspecteur, alle aan hem in kopie verstrekte stukken aan het Hof te doen toekomen. 4.2.3. De omstandigheid dat het Hof ondanks de door partijen als voornoemd gemaakte afspraak omtrent het inzenden van stukken aan het Hof, de beschikking wenste over meer stukken dan door partijen in onderling overleg waren toegezonden, maakt niet dat de Inspecteur, die aan het verzoek van het Hof tot inzending van de gevraagde stukken heeft voldaan, heeft nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen.

Het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb beoogt in beginsel de belangen van de wederpartij te beschermen in het kader van een juiste toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Aan die bescherming is ruimschoots voldaan, nu belanghebbende de beschikking heeft gekregen over alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de stukken die nadien op verzoek van het Hof aan het procesdossier zijn toegevoegd. Belanghebbende heeft niet verzocht om, in afwijking van de onder 4.3.2 vermelde afspraak, alle stukken waarover de Inspecteur beschikt, door deze in het geding te laten brengen. (…) 4.2.7.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. Het middel van cassatie 10.2 Belanghebbende voert als zevende middel van cassatie aan: Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 8:42 Awb en in het algemeen van beginselen van behoorlijk procesrecht, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordien het Hof in r.o. 4.2.7. heeft geoordeeld dat de inspecteur heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:42 Awb waarbij het Hof zich heeft gebaseerd op tussen de inspecteur en belanghebbende gemaakte afspraken en als gevolg daarvan uitsluitend betekenis heeft toegekend aan het belang van belanghebbende op inzage in de stukken, zulks ten onrechte aangezien het Hof daarmee heeft miskend dat artikel 8:42 Awb mede het belang van de feitenrechter bij inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken waarborgt.

Mitsdien heeft het Hof een onjuiste uitleg aan artikel 8:42 Awb gegeven, althans heeft het Hof zijn uitspraak onbegrijpelijk althans niet naar de eisen der wet met redenen omkleed 10.3 Ter toelichting is bij het middel opgemerkt: 7.2. Het Hof schenkt in r.o. 4.2.2. aandacht aan de tussen de inspecteur en belanghebbende gemaakte afspraak om belanghebbende een kopie te verstrekken van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waarna een selectie van die stukken aan het Hof zal worden gezonden. Het Hof acht aannemelijk dat de inspecteur alle stukken aan belanghebbende in kopie heeft verstrekt.

Bovendien overweegt het Hof dat belanghebbende niet heeft verzocht om alle aan hem in kopie verstrekte stukken aan het Hof te doen toekomen. 7.3. Aldus heeft het Hof de nakoming van de verplichting van de inspecteur tot in het geding brengen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan partijen overgelaten. Bovendien aanvaardt het Hof hiermee dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding worden gebracht gelet op het gebruik van de term 'selectie'. 7.4. Daarmee geeft het Hof een onjuiste uitleg aan artikel 8:42 Awb. Immers aldus neemt; de rechter voor lief dat hij niet de beschikking krijgt over alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

Aldus miskent het Hof het processuele belang van de in artikel 8:42 Awb verankerde verplichting. (…) 7.8. Uit (fiscale) jurisprudentie blijkt voorts dat een rechter zich niet in staat acht een beoordeling te maken, indien de op de zaak betrekking hebbende stukken - en daarmee de wezenlijk van belang zijnde feiten - ontbreken (o.a. Hof Amsterdam 2 juli 2009, LJN: BJ1327 en Hof 's-Hertogenbosch 22 september 2005, V-N 2005/51.1. Zie tevens de annotatie van Van Leijenhorst bij HR BNB 2005/185, punt 4.19). 7.9. In het bijzonder kan voorts worden gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, 16 januari 2001, AB 2001/104.

In die zaak had appellant (het College van B&W) volstaan met het inzenden van stukken die naar zijn mening essentieel zijn voor de beoordeling van het besluit in rechte. Dit strookt naar het oordeel van de Raad niet met de tekst en de strekking van art. 8:42, eerste lid, jo. art. 8:29 Awb. 7.10. Met zijn oordeel miskent het Hof aldus de inbrengverplichting ex artikel 8:42 Awb die de inspecteur jegens het Hof heeft met betrekking tot alle op de zaak betrekking hebbende stukken. 7.11. De nakoming van die verplichting staat niet ter beschikking van partijen.

Zulks zou een miskenning zijn van het belang dat de rechter moet hechten aan een volledige nakoming van de inbrengverplichting. (…) 7.12. Zelfs indien uw Raad van oordeel mocht zijn dat een belanghebbende door het maken van afspraken geen belang meer zou hebben bij een klacht over artikel 8:42 Awb, getuigt 's Hofs uitspraak in het onderhavige geval van een onjuiste rechtsopvatting althans is deze onbegrijpelijk. Immers nadat de afspraak tussen belanghebbende en de inspecteur was gemaakt heeft het Hof nadien in de procedure alsnog zelf de behoefte gehad om de inspecteur te vragen om stukken aan het dossier toe te voegen (r.o. 4.2.3. eerste volzin).

Daaruit volgt dat het Hof kennelijk niet langer wilde vertrouwen op die afspraak tussen partijen en een eventuele daaruit voortvloeiende inbreng van stukken waarna het Hof zelf bij de inspecteur heeft aangedrongen op de, inbreng van stukken. 7.13. Daaruit blijkt dat het Hof de tussen de inspecteur en belanghebbende gemaakte afspraken niet bepalend wilde laten zijn voor de vraag of de inspecteur nog op de zaak betrekking hebbende stukken moest inbrengen. (…) (…) 7.18. Door in r.o. 4.2.3. expliciet in aanmerking te nemen dat stukken die onder voornoemde afspraak zouden vallen niet in het geding zijn gebracht, staat vast dat het Hof heeft aanvaard dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb in het geding zijn gebracht. 7.19.

Het oordeel van het Hof dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht, laat zich derhalve niet rijmen met voornoemde rechtsoverwegingen 4.2.2. en 4.2.3. Dit oordeel is dan ook onbegrijpelijk. Wetgeving 10.4 Artikel 8:42 van de Awb bepaalt:

1. Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient het een verweerschrift in. Parlementaire behandeling 10.5 Belanghebbende verwijst in zijn toelichting bij het middel naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie. Artikel 8:29 Awb geeft een regeling voor het niet of alleen aan de bestuursrechter verstrekken van stukken indien er naar het oordeel van de bestuursrechter gewichtige redenen voor geheimhouding bestaan.

In de memorie van toelichting bij artikel 8:29 Awb is vermeld: De informatieplicht van partijen kan niet onder alle omstandigheden onverkort zijn. Tegenover de plicht van partijen tot het geven van informatie dient voor hen de mogelijkheid te bestaan, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, bepaalde inlichtingen niet te verstrekken of bepaalde stukken niet over te leggen dan wel deze te verstrekken of over te leggen onder de voorwaarde dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis neemt. Hierbij speelt een aantal belangen. Het gaat allereerst om bescherming van het belang dat partijen over en weer beschikken over de relevante informatie om de door hen gewenste positie in de procedure in te nemen.

Het gaat eveneens om bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Maar het gaat ook om bescherming van het belang dat bepaalde gegevens niet, althans slechts in beperkte mate, openbaar worden. De voorgestelde bepaling beoogt aan deze uiteenlopende belangen recht te doen. Het eerste lid geeft aan dat het criterium is, of er in het concrete geval gewichtige redenen bestaan die tot absolute of relatieve geheimhouding nopen. 10.6 In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot herziening van het fiscale procesrecht wordt ingegaan op het verband tussen art. 8:42 en art. 8:29 Awb:

Resumerend, ook in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de PvdA-fractie, zijn wij van oordeel dat de verhouding tussen de artikelen 8:42 en 8:29 Awb zo dient te worden verstaan dat een bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende informatie aan de rechter moet verstrekken. Tot de op de zaak betrekking hebbende informatie behoort niet de informatie die geen rol heeft gespeeld bij de besluitvorming over de opgelegde aanslag. Voorzover de op grond van artikel 8:42 Awb aan de rechter te verstrekken informatie geheimhouding behoeft, kan artikel 8:29 worden ingeroepen.

In dat geval is het de rechter die beslist of geheimhouding inderdaad moet plaatsvinden (…). Jurisprudentie 10.7 De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 april 2008 overwogen: 3.5.2. Uit de door de Advocaat-Generaal aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 8:29 en 8:42 Awb volgt dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten (artikel 8:29 Awb).

Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur. Die betwisting - evenals haar eventuele onderbouwing - berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op juistheid kunnen worden getoetst.

Daarbij komt dat indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. 10.8 De Hoge Raad overwoog in een arrest van 20 december 2013: 3.2.7.

Met zijn hiervoor in 3.2.3 tot en met 3.2.6 weergegeven oordelen en overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel 8:42, lid 1, Awb hetzij omdat de stukken om overlegging waarvan belanghebbende had verzocht – waaronder mede zijn te verstaan afdrukken van in elektronische vorm vastgelegde gegevens - niet bestaan, hetzij omdat die stukken niet van belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak, hetzij omdat belanghebbende heeft verzuimd te motiveren waarom die stukken van belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak.

Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij behoefden ook niet meer motivering dan het Hof heeft gegeven. Middel I faalt derhalve. Literatuur 10.9 Belanghebbende verwijst naar de conclusie van A-G Wattel van 3 april 2007. In deze conclusie gaat de A-G in op de vraag wat moet worden verstaan onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken.’ Hij meent: 4.4. De wetgever is dus uitgegaan van een zeer ruim begrip 'op de zaak betrekking hebbende stukken.' Onder 'op de zaak betrekking hebbende stukken' moet volgens hem worden verstaan 'alle voor de zaak relevante' stukken.

Slechts stukken die niet relevant (kunnen) zijn voor het geschil, vallen aldus buiten art. 8:42 Awb. (…) 4.5. (…) Art. 8:29, lid 1, Awb formuleert een uitzondering op de plicht ex art. 8:42 Awb alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. (…) 4.6 (…) Uitgangspunt is dus dat zowel de partijen als de rechter moeten beschikken over de informatie die van belang kan zijn om tot een juiste afweging en beoordeling in de zaak te komen. (…) 4.11 De fiscale literatuur legt het begrip "op de zaak betrekking hebbende stukken" ruim uit.

Daarbij wordt als leidend criterium gesteld de vraag of de stukken relevant zijn voor de zaak. Ook stukken die de positie van de belastingplichtige/beboete steunen en waarop de aanslag niet gebaseerd is, moeten worden overgelegd. Het is niet aan de inspecteur om een selectie te maken. De algemene bestuursrechtelijke literatuur neemt vergelijkbare standpunten in. Ik merk hier wel bij op dat, hoewel het niet aan de Inspecteur is om selectief te werk te gaan, hij wel zal moeten selecteren. Er is niemand mee gediend dat de rechter en de belastingplichtige worden ondergesneeuwd als gevolg van het ontbreken van een selectie op relevantie voor de zaak.

Het is niet te vermijden dat het bestuursorgaan die selectie maakt. (…) 4.21 De strekking van art. 8:42 Awb is niet om de belastingplichtige van juridische munitie te voorzien om de hem onwelgevallige aanslag of boete te beschieten, maar om hem in staat te stellen kennis te nemen van alle - mogelijk - relevante feiten, belangenafwegingen en beleidvoering die zijn zaak - kunnen - betreffen en aldus mede kennisongelijkheid te compenseren. 10.10 Pechler heeft geschreven: Iedere procespartij moet de kans krijgen zich behoorlijk te verdedigen. Het verdedigingsbeginsel – het beginsel van hoor en wederhoor – staat niet alleen ten dienste van de waarheidsvinding, er kleeft ook een processueel aspect aan.

Dat beginsel ligt ook besloten in art. 6 EVRM. In de procedure voor de (belasting) rechter staan de burger en het bestuursorgaan als gelijken tegenover elkaar. Het beginsel van hoor en wederhoor manifesteert zich in alle stadia van de procedure voor de belastingrecht, zowel bij de schriftelijke stukkenwisseling als bij de mondelinge behandeling. Het beroepschrift van de belastingplichtige wordt gevolgd door een verweerschrift van het bestuursorgaan (artikel 8:42, eerste lid, Awb) (…). Iedere partij krijgt in beginsel steeds een kopie van de stukken van de andere partij. (…) Een inbreuk op het beginsel van hoor en wederhoor is de regeling van art. 8:29 Awb.

Op grond hiervan kan een partij de rechter verzoeken stukken in het geding te brengen waarvan de wederpartij geen kennis mag nemen (zie 3.7.3.2), een regeling die in strijd is met de jurisprudentie gevormd onder het oude fiscale procesrecht. Beoordeling van het middel 10.11 Artikel 8:42 Awb bevat de verplichting voor het bestuursorgaan om een verweerschrift in te dienen en de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen aan de rechtbank. 10.12 Het Hof heeft in r.o. 4.2.2. overwogen: ‘Partijen zijn het er (…) over eens dat het vanwege de omvang van het dossier niet wenselijk is dat alle beschikbare stukken aan het Hof worden toegezonden en zijn daarom overeengekomen dat de Inspecteur alle stukken waarover hij beschikt in het kader van het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag in kopie aan de gemachtigde zal verstrekken, waarna een selectie van die stukken aan het Hof zal worden gezonden.

Het Hof acht aannemelijk dat de Inspecteur (...) alle stukken aan belanghebbende in kopie heeft verstrekt.’ 10.13 Belanghebbende betoogt in cassatie dat het Hof de nakoming van de verplichting van de inspecteur tot in het geding brengen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken ten onrechte aan partijen heeft overgelaten. Bovendien aanvaardt het Hof hiermee dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding worden gebracht gelet op het gebruik van de term 'selectie'. Hiermee geeft het Hof volgens belanghebbende een onjuiste uitleg aan artikel 8:42 Awb. 10.14 De opvatting van belanghebbende berust naar ik meen op een miskenning van het bepaalde van artikel 8:42 Awb.

Artikel 8:42 Awb beoogt de belangen van belanghebbende te beschermen in het kader van een juiste toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. Zoals het Hof terecht overweegt is aan die bescherming ruimschoots voldaan, nu belanghebbende de beschikking heeft gekregen over alle op de zaak betrekking hebbende stukken. 10.15 De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 april 2008 overwogen dat ‘artikel 8:42 Awb aldus [dient] te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak.’ 10.16 Uitgangspunt bij artikel 8:42 Awb is dat zowel de partijen als de rechter moeten beschikken over de informatie die van belang kan zijn om tot een juiste afweging en beoordeling in de zaak te komen.

Het Hof was kennelijk van oordeel het over voldoende stukken beschikte om tot een weloverwogen beoordeling te komen, zodat het integrale dossier niets meer zou toevoegen. 10.17 Er is geen rechtsregel die met zich meebrengt dat het Hof de selectie van de relevante stukken voor zijn beslissing niet aan partijen mag overlaten. Partijen bepalen de omvang van het geding. Daarbij zij aangetekend dat het vaak zo zal zijn dat partijen over meer informatie en stukken beschikken dan ter kennis zijn gebracht aan het Hof. 10.18 Op een en ander stuit het zevende middel af. 11Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Wel gepubliceerd zijn de vergelijkbare uitspraken van het Hof met de nrs. 08/00181, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2560, NTFR 2013/170, met noot Bruins Slot; 08/00237, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2563, NTFR 2013/171; 08/00242, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2567, NTFR 2013/172; 08/00275, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2569, NTFR 2013/173 en 08/00277, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2572, NTFR 2013/174. De onderhavige procedure maakt deel uit van een cluster van in totaal 43 bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte tuinderszaken, waarin het Hof op dezelfde datum en in dezelfde samenstelling uitspraak heeft gedaan.

Specifiek voor deze zaak zijn met name de middelen 3, 4, 5 en 6. Inspecteur van de Belastingdienst/[P]. In die zaak, nummer 12/05857, neem ik heden eveneens conclusie. De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten uit processtukken met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. Toevoeging RIJ. Over de ontvangsten volgens de contracten met de Poolse firma werd geen omzetbelasting betaald. Het bedrag van de opgelegde naheffingsaanslag is daarom berekend uit de totale omzet.

Zie paragraaf 5.5 van het verweerschrift van de Inspecteur voor de Rechtbank. Rechtbank te Breda (thans: Rechtbank Zeeland-West-Brabant) 11 februari 2008, nr. AWB 06/5082, niet gepubliceerd. Het wrakingsverzoek is niet alleen gedaan in het hoger beroep van belanghebbende maar tevens in een groot aantal hoger beroepen in vergelijkbare zaken die gezamenlijk met belanghebbendes zaak werden behandeld. Het hof vermeld in onderdeel 1.9 van zijn uitspraak dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is verklaard. Hier is sprake van een kennelijke vergissing.

Blijkens de uitspraak van de wrakingskamer die zich in het procesdossier bevindt, betrof de niet-ontvankelijkverklaring een aantal andere, met name genoemde belanghebbenden en is het wrakingsverzoek ‘voor het overige’, dus ook ten aanzien van belanghebbende, afgewezen. Hoge Raad, nummer 12/05857. Conclusie A-G IJzerman van 6 december 2012, nr. 12/01949, ECLI:NL:PHR:2012:BY7676, NTFR 2012/1013 met noot Van Arnhem. De Hoge Raad overwoog in het arrest van 11 oktober 2013, nr. 12/01949, ECLI:NL:HR:2013:836, BNB 2013/256 met noot Zwemmer: ‘Aangezien de zaak wordt verwezen voor een onderzoek in volle omvang, behoeft de klacht in cassatie betreffende de (on)partijdigheid van mr.

Van Gorkom geen behandeling.’ Kamerstukken II 1991/1992, 22495, nr. 3, p. 114. Hoge Raad 22 januari 1999, nr. R98/091, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824, NJ 1999, 243. Hoge Raad 20 april 2004, nr. 01630/03, ECLI:NL:PHR:2004:AO0616, NJ 2005, 241 met noot Knigge. ABRvS 20 juli 2005, nr. 200410073/1, ECLI:NL:RVS:2005:AT9705, AB 2005/373 met noot Vermeer. Hoge Raad 12 mei 2006, nr. 40947, ECLI:NL:HR:2006:AX2303, BNB 2006/268. Hoge Raad 11 mei 2012, nr. 10/02081, ECLI:NL:HR:2012:BW5393, BNB 2012/207 met noot Pechler. Hoge Raad 20 juni 2014, nr. 13/02043, ECLI:NL:HR:2014:1456, V-N 2014/28.7 met noot Red. http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Landelijke-regelingen/Algemeen/Documents/20040316leidraadonpartijdigheidvanderechter.pdf Dit ligt anders in het strafrecht.

Het commentaar in de serie Tekst&Commentaar op artikel 515, lid 5, Sv luidt: Volgens vaste jurisprudentie in strafzaken kan een klacht in cassatie over de niet-ontvankelijkverklaring of de (motivering van de) afwijzing van een wrakingsverzoek niet tot cassatie leiden, omdat tegen die beslissing op grond van art. 515 lid 5 geen rechtsmiddel, ook geen cassatie, openstaat terwijl in het kader van een cassatieberoep tegen een einduitspraak niet met vrucht kan worden opgekomen tegen zodanige beslissingen, nu de einduitspraak daarop niet mede berust (HR 28 augustus 2012, LJN BX3828, RvdW 2012/1060).

Wel kan (…) de verdediging (…) aanvoeren dat in eerdere aanleg het in art. 6 lid 1 EVRM en art. 14 lid 1 IVBPR aan de verdachte gegarandeerde recht op een behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter is geschonden (HR 31 oktober 2000, NbSr 2000/235). Zie 4.4. Zie 4.5. Zie 4.8. Zie 4.6. Zie ook onderdeel 4.2 en 4.13. Zie 4.2 en 4.7. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 december 2006, nr. 97/21412, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ9798, NTFR 2007/417. Cassatie: Hoge Raad 7 mei 2010, nr. 43839, ECLI:NL:HR:2010:BM3316, BNB 2010/229. Vgl. 4.7. De Staatssecretaris heeft deze stelling niet bestreden.

Zie 4.10. Vgl. Hoge Raad van 21 december 2001, nr. 36314, ECLI:NL:HR:2001:AD7580, BNB 2002/84. In dit arrest werd een in cassatie aangevoerde klacht over niet-onpartijdigheid van een raadsheer in het gerechtshof afgewezen op de grond dat de belanghebbende voor het hof een wrakingsverzoek had kunnen en moeten doen. Vgl. Hoge Raad 10 augustus 2007, nr. 42516, ECLI:NL:HR:2007:BB1375, BNB 2007/311 en onderdeel 4.10. Zie Hoge Raad 11 oktober 2013, nr. 12/01949, ECLI:NL:HR:2013:836, BNB 2013/256 met noot Zwemmer. Pauwels schreef hierover in MBB 2014/04:

‘De Hoge Raad liet de klacht evenwel onbehandeld. Daartoe zag de Hoge Raad kans omdat hij de uitspraak van het hof om inhoudelijke redenen vernietigde en de zaak in volle omvang verwees. Hoe begrijpelijk het ook is dat de Hoge Raad de door belanghebbende opgeworpen partijdigheidskwestie ‘duikt’, ik vraag me af of deze afhandeling gepast is. Betoogd kan immers worden dat als sprake is van partijdigheid, genoegdoening in de vorm van erkenning daarvan minstens geboden is, los ervan of de belanghebbende wat betreft het inhoudelijke geschilpunt al dan niet het gelijk aan zijn zijde heeft.’ Zie 4.12, met name ad 7:

De rechter zorgt er voor geen zaken te behandelen waarbij hij uit hoofde van zijn vorige werkkring betrokken is geweest; 4.11, r.o. 3.4: dat bezwaren tegen het optreden van een raadsheer gerechtvaardigd kunnen zijn indien hij zich in het verleden met dezelfde zaak in een andere hoedanigheid heeft beziggehouden. Hoge Raad, nummer 12/05857. HvJ EG 8 februari 1990, nr. C-320/88, ECLI:NL:XX:1990:AS7032, BNB 1990/271. Hoge Raad 19 december 1990, nr. 25301, ECLI:NL:HR:1990:ZC4481, BNB 1992/217. Hoge Raad 7 mei 2010, nr. 09/01775, ECLI:NL:HR:2010:BM3280, BNB 2010/256.

HvJ EU 20 juni 2013, nr. C-653/11, ECLI:EU:C:2013:409, BNB 2014/49 met noot Swinkels. J.H.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Deventer: Kluwer 2010, p. 54-55. Zie 6.3. Conform het arrest van het HvJ EG, zie 6.5. Zie 6.9. Zie 6.1. Zie 6.8. Vgl. 6.6. Zie bijvoorbeeld ook het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2007, nr. 37646, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2007:BA7189, BNB 2007/250. Vgl. 6.7. Vgl. HR 30 oktober 2009, BNB 2010/47. Motivering van het hoger beroep door de Belastingdienst, blz. 2 en 9-10. Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 16 december 2013, nr. BLKB2013/1814M, Stcrt. 2013, nr. 35876.

Hoge Raad 10 maart 1999, nr. 33927, ECLI:NL:HR:1999:AA2715, BNB 1999/308 met noot Wattel. Hoge Raad 15 oktober 2010, nr. 09/00671, ECLI:NL:HR:2010:BO0404, BNB 2011/9. Hoge Raad 3 december 2010, nr. 09/04514, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, BNB 2011/59 met noot Van Eijsden. Hoge Raad 31 mei 2013, nr. 12/01060, ECLI:NL:HR:2013:BY7673, BNB 2013/192 met noot Van Eijsden. G.J.M.E. de Bont, Opzet in fiscaal boete- en strafrecht (II), TFB 2005/4. C. Bruijsten, De vergrijpboete: opzet en grove schuld, WFR 2012/286. H.S. Broekhuijsen en A.O. Lubbers, De motivering door de belastingrechter van ‘voorwaardelijk opzet’, WFR 2014/89.

Zie 7.1. Zie 7.2. Zie 7.3 en 7.4. Zie 7.9 en 7.10. Vgl. 7.12. Zie 7.6 en 7.7. Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, BNB 2008/165 met noot De Bont. Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 07/10340, ECLI:NL:HR:2010:BM6702, BNB 2010/271. Hoge Raad 7 juni 2013, nr. 12/01565, ECLI:NL:HR:2013:CA2232, BNB 2013/183 met noot Pechler. Zie 8.6. Zie 8.4. Zie 8.2. Zie 8.1. Zie 8.5 en 8.6. Zie voor nadere beschouwing mijn conclusie van heden in de zaak 12/05864, onderdeel 9.35 tot en met 9.45. Handvest van de Grondrechten, Pub. EU C 364/01, http://www.europarl.europa.eu/charter/pdf/text_nl.pdf.

Dit artikel is per 1 januari 2013 in werking getreden. HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10 (Åkerberg Fransson). Hoge Raad 22 februari 2013, nr. 10/02774, ECLI:NL:HR:2013:BR0666, na conclusie A-G Van Hilten, BNB 2013/130 met noot Van Casteren. Vgl. Hoge Raad 22 februari 2013, nr. 10/02774, ECLI:NL:HR:2013:BR0671. Conclusie van A-G Wathelet van 25 februari 2014, nrs. C-129/13 en C-130/13, NTFR 2014/1053, V-N 2014/13.8. Over de gevolgen van de schending van de hoorplicht, zie ook HvJ EU 10 september 2013 (spoedprocedure), nr. C-383/13 PPU , ECLI:EU:C:2013:533, na conclusie A-G Wathelet, NJ 2014,2 met noot Mok.

Toevoeging RIJ, zie in dit verband ook: HvJ 13 maart 2014, C-029/13 en C-030/13, ECLI:EU:C:2014:140, NTFR 2014/1667 met noot Kerckhoffs. Het HvJ overwoog: ‘Ingeval het recht van de betrokkene om te worden gehoord en om bezwaar te maken (…) niet is nageleefd, staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de bij hem aanhangig gemaakte zaak en tegen de achtergrond van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel, te bepalen of hij, wanneer het met schending van het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer vastgestelde besluit op die grond nietig moet worden verklaard, verplicht is om het tegen dat besluit ingestelde beroep af te doen dan wel of hij kan overwegen om de zaak terug te verwijzen naar de bevoegde bestuursinstantie.’ HvJ EU 3 juli 2014, nrs.

C-129/13 en C-130/13, ECLI nog niet bekend. G.J. van Slooten, Over Sopropé en het horen in de Awb als regeling van aanvullend recht, WFR 2013/43. Voetnoot uit citaat: MvT, Kamerstukken 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 104 en MvT, Kamerstukken 1993/94, 23 700, nr. 3 p. 99-100. Voetnoot uit citaat: MvT, Kamerstukken 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 103. Voetnoot uit citaat: MvT, Kamerstukken II, 22 601, p. 4-5 (…). Interdepartementale Commissie Europees Recht, handleiding -nationale toepassing EU-Grondrechtenhandvest Maart 2014, http://www.minbuza.nl/binaries/content/assets/ecer/ecer/import/icer/handleidingen/2014/icer-handleiding-nationale-toetsing-eu-handvest-grondrechten.pdf Voetnoot uit citaat:

Zie C-617/10 Akerberg Fransson, punten 20-21 en C-418/11 Texdata, punten 72-73. Voetnoot uit citaat: Zie bv. C-411/10, NS. Voetnoot uit citaat: Zie C-617/10 Akerberg Fransson. Voetnoot uit citaat: Zie C-28/95 Leur-bloem. Voetnoot uit citaat: Zie bv. C-260/89 ERT en C-60/00 Carpenter Zie 9.2 en belanghebbendes toelichting vermeld in 9.3 ad 6.3. Zie 9.1. Zie de mededeling naheffing omzetbelasting 1996 en niet-orde boete d.d. 20 november 2001. Anders dan in de door de Inspecteur aangehaalde zaak van Rechtbank Leeuwarden van 2 oktober 2012, nr. 09/1869, ECLI:NL:RBLEE:2012:BY2075, V-N 2013/9.15.

In deze zaak was een belanghebbende vooraf in het geheel niet in de gelegenheid gesteld om een aanslag met boete te betwisten. Zie 9.4. Zie 9.10 en 9.13. A-G Wathelet meent dat belanghebbenden zich voor de nationale rechter rechtstreeks op het communautaire verdedigingsbeginsel kunnen beroepen en het verdedigingsbeginsel geen omzetting in nationaal recht vereist, zie. 9.11. Voor de toepasbaarheid van het EU-Grondrechtenhandvest verwijs ik naar 9.13. Zie 9.11. Zie 2.1. De Inspecteur is naar aanleiding van het tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaar, uitgegaan van een opbrengst per vaste plant van ƒ 0,5565 in plaats van ƒ 1,06.

Vgl. 9.12. Indien aannemelijk is dat belanghebbende niet is benadeeld kan, ondanks schending van het verdedigingsbeginsel, een besluit in stand worden gelaten volgens de wettekst van art. 6:22 Awb, zie 9.9. Met ingang van 1 januari 2013 is ‘de rechtbank’ vervangen door ‘de bestuursrechter’. Kamerstukken II 1991/92, 22495, nr. 3, p. 119. Kamerstukken II 1997/98, 25175, nr. 5, p. 16-17. Hoge Raad 25 april 2008, nr. 43448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, na conclusie A-G Wattel, BNB 2008/161 met noot Albert. Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02985, ECLI:NL:HR:2013:1776, na conclusie A-G IJzerman, BNB 2014/58 met noot Vetter.

Conclusie van A-G Wattel van 3 april 2007, nr. 43448, ECLI:NL:PHR:2008:BA3823, BNB 2008/161 met noot Albert. E.B. Pechler, Belastingprocesrecht, Deventer: Kluwer 2009, p. 16-17. Volgens het verweerschrift in cassatie beslaan alle beschikbare stukken 300 ordners. Zie 15.1. Zie ook r.o. 2.39.2 van de uitspraak van het Hof. Vgl. 15.10. Zie 15.7. Zie 15.8 en 15.9.