Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:1576 ECLI:NL:PHR:2014:1576 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:1576 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:1576
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 13/04398 E Zitting: 10 juni 2014 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 februari 2012 de verdachte ter zake van 3. en 4. “medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd” en 5. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en de teruggave gelast aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 435 Sv, art. 437 Sv; ECLI:NL:PHR:2014:1576 · Parket bij de Hoge Raad: De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 24 september 2013 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 25 november 2013. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

Keywords

AI generated
art. 435 Sv art. 437 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 435 Sv
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 24 september 2013 betekend.
art. 437 Sv
De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 25 november 2013.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 13/04398 E Zitting: 10 juni 2014 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 februari 2012 de verdachte ter zake van 3. en 4. “medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd” en 5. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en de teruggave gelast aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.

2. Deze zaak hangt samen met zaaknummers 12/01257 E, 13/04334 E, 13/04394 E en 13/04396 E. In alle zaken zal ik vandaag concluderen.

3. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld.

4. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 24 september 2013 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 25 november 2013. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG