Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:1532 ECLI:NL:PHR:2014:1532 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:1532 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:1532
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 13/03193 P Zitting: 20 mei 2014 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 mei 2013 onder aanvulling van gronden het vonnis bevestigd van de Rechtbank Dordrecht van 5 januari 2012, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van € 1.560,00 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Legislator headnote

AI generated

art. 511f Sv; ECLI:NL:PHR:2014:1532 · Parket bij de Hoge Raad: Alvorens het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.

Keywords

AI generated
art. 511f Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 511f Sv
Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2006:AU8125
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Arnhem van 2 juli 2003 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,-. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
NJ 2006/165
ECLI:NL:HR:2007:BA5629
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Middelburg van 10 november 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200.000,-. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
NJ 2008/96
ECLI:NL:HR:2013:BU4206
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.
ECLI:NL:HR:2013:BV9087
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 13/03193 P Zitting: 20 mei 2014 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 mei 2013 onder aanvulling van gronden het vonnis bevestigd van de Rechtbank Dordrecht van 5 januari 2012, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van € 1.560,00 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven waaraan het de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend.

4. Alvorens het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.

5. Het, door het Hof bevestigde, vonnis van de Rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “ 4. Wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegde ontnemingsdossier alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van een van de feiten waarvoor hij is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank ontleent de schatting van dit voordeel aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze beslissing gehechte bijlage worden opgenomen.” 6. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet - voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen - ingevolge art IV, derde lid, van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2013 (Stcrt. 36474) binnen de in art. 437, tweede lid, Sv, genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer.

7. Op 3 september 2013 heeft mr. Nan zich per faxbericht gewend tot de rolraadsheer van de Hoge Raad der Nederlanden met het verzoek om aanvulling van de processtukken, omdat hij de voormelde aanvulling van de bewijsmiddelen, waaraan de Rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend, niet heeft aangetroffen in het procesdossier. Hierop is namens de griffier van de Hoge Raad het Hof verzocht dit stuk aan de Hoge Raad te doen toekomen. Blijkens het schrijven van de senior gerechtssecretaris van het Hof d.d. 18 september 2013 is de verzochte bijlage als bedoeld in het vonnis van de Rechtbank in het ongerede geraakt.

8. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak niet aan het hierboven onder 4 genoemde vereiste voldoet en in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

9. Het middel slaagt.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie onder meer HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8125, NJ 2006/165, HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629, NJ 2008/96, HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BU4206, HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544 en HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:895.