Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2014:1 ECLI:NL:PHR:2014:1 AI generated

ECLI:NL:PHR:2014:1 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2014:1
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Zaak 13/05137 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 3 januari 2014 Conclusie (art. 80a RO) inzake: [de man] (de man) tegen [de vrouw] (de vrouw) 1. Bij beschikking van 24 juli 2013 is de man door het gerechtshof Den Haag overeenkomstig art. 282a lid 2 Rv. in verbinding met art. 362 Rv. niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep van een door de rechtbank Rotterdam op 16 november 2012 gewezen beschikking, waarbij tussen partijen de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap is vastgesteld.

Legislator headnote

AI generated

art. 282a lid 2 Rv, art. 362 Rv, art. 6 EVRM, Art. 282a lid 5 Rv, art. 282a Rv, art. 16 Rv; ECLI:NL:PHR:2014:1 · Parket bij de Hoge Raad: Het hof heeft in de rechtsoverwegingen 5 en 6 geoordeeld dat de heffing van het griffierecht niet in strijd is met art. 6 EVRM, voorts dat het feit dat het griffierecht te laat is betaald in onderhavige zaak voor rekening en risico van de man komt en tot slot dat de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat de toepassing van art. 282a, tweede lid, Rv. in samenhang met art. 362 Rv., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat dergelijke omstandigheden het hof ook anderszins niet, althans onvoldoende, zijn gebleken.

Keywords

AI generated
art. 282a lid 2 Rv art. 362 Rv art. 6 EVRM Art. 282a lid 5 Rv art. 282a Rv art. 16 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 282a lid 2 Rv
Bij beschikking van 24 juli 2013 is de man door het gerechtshof Den Haag overeenkomstig art. 282a lid 2 Rv.
art. 362 Rv
in verbinding met art. 362 Rv.
art. 6 EVRM
Art. 282a lid 5 Rv
Bij beschikking van 24 juli 2013 is de man door het gerechtshof Den Haag overeenkomstig art. 282a lid 2 Rv.
art. 282a Rv
Deze rechtspraak geldt ook voor de uitsluiting van een voorziening tegen het tweede, derde of vierde lid van art. 282a Rv..
art. 16 Rv
Het hof heeft voor de behandeling van de zaak ter terechtzitting toepassing gegeven aan het vijfde lid van art. 16 Rv.
art. 16 lid 5 Rv
De inhoud van de brief van 5 juli 2013 doet, wat daarvan verder ook zij, aan het in art. 16 lid 5 Rv.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2005:AU3720
Het geding in feitelijke instanties Bij verzoekschrift gedateerd 14 november 2002 heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot de rechtbank te Amsterdam en, voorzover in cassatie van belang, verzocht tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben. De moeder heeft bij verweerschrift tevens zelfstandig verzoek verzocht tussen partijen echtscheiding uit te spreken en voorts te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij haar zullen hebben met vaststelling van een omgangsregeling, alsmede te bepalen dat de vader € 200,-- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten verzorging en opvoeding van de minderjarigen en dat hij € 900,-- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
NJ 2006/31
HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, (NJ 2006/31), rov.
ECLI:NL:HR:2012:BU7255
Het geding in feitelijke instantie Voor het verloop van het geding in hoger beroep verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 200.080.837/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2011.
NJ 2012/230
HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7255, (NJ 2012/230), rov.
ECLI:NL:HR:2012:BY1209
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2013:CA3733
6 september 2013 Eerste Kamer 11/04721 LZ/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Zaak 13/05137 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 3 januari 2014 Conclusie (art. 80a RO) inzake: [de man] (de man) tegen [de vrouw] (de vrouw) 1. Bij beschikking van 24 juli 2013 is de man door het gerechtshof Den Haag overeenkomstig art. 282a lid 2 Rv. in verbinding met art. 362 Rv. niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep van een door de rechtbank Rotterdam op 16 november 2012 gewezen beschikking, waarbij tussen partijen de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap is vastgesteld.

2. Het hof heeft in rechtsoverweging 1 van de thans bestreden beschikking vastgesteld: dat het beroepschrift is ingediend op 15 februari 2013, dat derhalve op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) het griffierecht uiterlijk 15 maart 2013 op de bankrekening van het hof had dienen te zijn bijgeschreven, dat de griffie van het hof per abuis het beroepschrift aanvankelijk als ingekomen op 18 februari 2013 heeft gestempeld en dat de betaling van het griffierecht eerst op 27 maart 2013, derhalve niet binnen de termijn is ontvangen.

3. Bij brief van 5 april 2013 heeft de griffier van het hof bericht: “In bovenvermelde zaak heeft u op 18 februari 2013 hoger beroep ingesteld. Daarop is u meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na die datum diende te zijn bijgeschreven op de rekening van het hof. De betaling van het griffierecht is echter niet binnen die termijn ontvangen, maar eerst op 27 maart 2013. Ingevolge art. 282a, tweede lid, jo362 Rv. leidt deze te late betaling ertoe dat de appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. Het hof is voornemens om op 22 mei 2013 een beschikking van deze inhoud te geven.

Mocht u en/of uw cliënt op dat voornemen gehoord willen worden, dan dient u dat schriftelijk en onder opgave van redenen binnen een week na heden te laten weten, waarna een zitting zal worden gepland waarop u en/of uw cliënt – uitsluitend ten aanzien van de ontvankelijkheid in verband met de betaling van het griffierecht – gehoord wordt.” Vervolgens heeft de griffier van het hof de man bij brief van 5 juni 2013 onder meer bericht: “Hiermede bericht ik u dat op 28 juni 2013 te 09.00 uur de behandeling van de bovengenoemde zaak zal plaatsvinden voor dit hof.

Ik wijs u er op dat dit een korte behandeling betreft waarin uitsluitend de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zal komen. (…) De namen van de behandelende raadsheren zijn een week voor de zitting telefonisch op te vragen op het bovengenoemde telefoonnummer. Deze samenstelling is onder voorbehoud, omdat zich altijd nog wijzigingen kunnen voordoen. Bij de bode kunt u op de dag van de zitting de definitieve samenstelling vernemen. (…)” Het hof heeft de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep op genoemde datum ten overstaan van een raadsheer-commissaris mondeling behandeld.

Daarbij waren de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw aanwezig.

4. Het hof heeft in de rechtsoverwegingen 5 en 6 geoordeeld dat de heffing van het griffierecht niet in strijd is met art. 6 EVRM, voorts dat het feit dat het griffierecht te laat is betaald in onderhavige zaak voor rekening en risico van de man komt en tot slot dat de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat de toepassing van art. 282a, tweede lid, Rv. in samenhang met art. 362 Rv., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat dergelijke omstandigheden het hof ook anderszins niet, althans onvoldoende, zijn gebleken.

5. De man heeft tegen deze beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld. Het cassatieverzoekschrift bevat op pagina 1 een voorbehoud tot aanvulling van het cassatieberoep nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hof van 28 juni 2013 zal zijn ontvangen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.

6. Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen, waarvan het laatste een op de eerste twee onderdelen voortbouwende klacht behelst. Kern van onderdeel I is dat het hof art. 6 EVRM heeft geschonden omdat het hof de man niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn ontvankelijkheid te bepleiten voor de volledige meervoudige kamer die de bestreden beschikking heeft gewezen nu de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van slechts één van hen als raadsheer-commissaris (die overigens wel de bestreden beschikking heeft meegewezen). Volgens de man blijkt uit de brief van het hof van 5 juni 2013 dat behandeling zou plaatshebben ten overstaan van meerdere rechters. Onderdeel II klaagt – zakelijk weergegeven – dat het hof niet heeft gerespondeerd op de in rechtsoverweging 3 vermelde essentiële stellingen van de man.

6. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende.

7. Art. 282a lid 5 Rv. bevat een rechtsmiddelenverbod. Vaste rechtspraak is dat een rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien geklaagd wordt dat de rechter de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regel is getreden of bij het nemen van zijn beslissing zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Deze rechtspraak geldt ook voor de uitsluiting van een voorziening tegen het tweede, derde of vierde lid van art. 282a Rv.. Onderdeel I bevat een dergelijke ‘doorbrekingsklacht’ zodat de man in zoverre ontvankelijk is in cassatie.

8. De klacht faalt evenwel. Het hof heeft de man in overeenstemming met de beschikking van Uw Raad van 10 februari 2012 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over toepassing van de hardheidsclausule voordat de sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken. Dat de man niet door de volledige meervoudige kamer is gehoord, maakt niet dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof heeft voor de behandeling van de zaak ter terechtzitting toepassing gegeven aan het vijfde lid van art. 16 Rv. Dit voorschrift geeft de meervoudige kamer de mogelijkheid te bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een zoveel mogelijk uit haar midden aangewezen raadsheer-commissaris.

Vervolgens heeft de meervoudige kamer, onder wie de raadsheer-commissaris die het hoger beroep mondeling heeft behandeld, de bestreden beschikking gewezen. De inhoud van de brief van 5 juli 2013 doet, wat daarvan verder ook zij, aan het in art. 16 lid 5 Rv. bepaalde niet af. Overigens mist de stelling van de man dat uit de brief van het hof van 5 juni 2013 blijkt dat de behandeling zou plaatshebben ten overstaan van meerdere rechters, feitelijke grondslag. In de brief is vermeld dat de namen van de behandelende raadsheren een week voor de zitting telefonisch kunnen worden opgevraagd, maar dat deze samenstelling onder voorbehoud is omdat zich tot op de dag van de zitting wijzigingen kunnen voordoen.

Uit het proces-verbaal blijkt bovendien dat namens de man geen bezwaar is gemaakt tegen de behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris, zodat in zoverre sprake is van een in cassatie ontoelaatbaar novum.

9. Onderdeel II stuit af op de vaste rechtspraak dat een motiveringsgebrek geen doorbrekingsgrond vormt. Gelet op het falen van de onderdelen I en II behoeft onderdeel III geen behandeling.

10. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Nr. 26 A-dossier. Nr. 28 A-dossier. Het cassatieverzoekschrift is op 24 oktober 2013 per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Bij brief van 4 december 2013 heeft de griffie van de Hoge Raad het proces-verbaal van de zitting van het hof aan de advocaat van de man toegezonden en hem bericht dat hij tot en met 18 december 2013 de gelegenheid had om zijn cassatieverzoekschrift aan te vullen (vgl. HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, (NJ 2006/31), rov. 3.2). Uit informatie van de griffie op 30 december 2013 blijkt dat geen aanvulling op het cassatieberoep is ingekomen. HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7255, (NJ 2012/230), rov. 3.3. HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7255, (NJ 2012/230), rov. 3.4. Vgl. recent HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY1209, (RvdW 2013/98), rov. 3.4. Laatstelijk HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3733, (RvdW 2013/1038), rov. 3.3.