ECLI:NL:PHR:2013:BY8591 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generated12/05346 Mr. L. Timmerman Parket: 21 december 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker] verzoeker tot cassatie Bij verzoekschrift van 7 mei 2012 heeft [verzoeker] om toepassing van de schuldsaneringsregeling gevraagd. Bij vonnis van 25 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek afgewezen. Het vonnis ontbreekt tussen de in cassatie gefourneerde stukken. Het hof 's-Gravenhage heeft het vonnis bij arrest van 13 november 2012 bekrachtigd. [Verzoeker] is hiervan bij verzoekschrift van 20 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen - in beroep gekomen.
Legislator headnote
AI generatedart. 292 lid 6 Fw; ECLI:NL:PHR:2013:BY8591 · Parket bij de Hoge Raad: 12/05346 Mr. L. Timmerman Parket: 21 december 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker] verzoeker tot cassatie Bij verzoekschrift van 7 mei 2012 heeft [verzoeker] om toepassing van de schuldsaneringsregeling gevraagd. Bij vonnis van 25 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek afgewezen. Het vonnis ontbreekt tussen de in cassatie gefourneerde stukken. Het hof 's-Gravenhage heeft het vonnis bij arrest van 13 november 2012 bekrachtigd. [Verzoeker] is hiervan bij verzoekschrift van 20 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen - in beroep gekomen.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
12/05346 Mr. L. Timmerman Parket: 21 december 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker] verzoeker tot cassatie Bij verzoekschrift van 7 mei 2012 heeft [verzoeker] om toepassing van de schuldsaneringsregeling gevraagd. Bij vonnis van 25 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek afgewezen. Het vonnis ontbreekt tussen de in cassatie gefourneerde stukken. Het hof 's-Gravenhage heeft het vonnis bij arrest van 13 november 2012 bekrachtigd. [Verzoeker] is hiervan bij verzoekschrift van 20 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen - in beroep gekomen.
In cassatie klaagt [verzoeker] over 's hofs oordeel dat hij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van zijn schulden. De onderdelen gaan uit van een onjuiste lezing van het arrest alsmede van een onjuist begrip van de vereiste goede trouw. Het hof heeft terecht geoordeeld - in mijn woorden - dat schulden niet van "kleur" verschieten (van "niet-te-goeder-trouw" naar "te-goeder-trouw"), in het geval dat CJIB-schulden door een derde aan het CJIB worden voldaan waarbij een nieuwe schuld aan die derde ontstaat.
Met name onderdeel II miskent dat de grond waarin die nieuwe schuld wortelt, geen andere is dan die waarin de CJIB-schulden ontstonden. Onderdeel III miskent dat [verzoeker] naar het oordeel van het hof juist niet "buiten zijn schuld in een uitzichtloze financiële positie" is geraakt. De omstandigheden die door de onderdelen worden aangevoerd, nopen - voor zover ze al hout snijden - niet tot een ander oordeel. Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G