Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2013:953 ECLI:NL:PHR:2013:953 AI generated

ECLI:NL:PHR:2013:953 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2013:953
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rolnr. 13/03376 Mr M.H. Wissink Zitting: 4 oktober 2013 Conclusie in de zaak van: [eiser], wonend te [woonplaats], eiser in cassatie, tegen Stichting Sité Woondiensten, gevestigd te Doetinchem, verweerster in cassatie 1. Het bij dagvaarding van 1 juli 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 2 april 2013. Daarin heeft het hof, kort gezegd, [eiser] veroordeeld om de door zijn (in 2011 overleden) moeder van verweerster gehuurde woning te ontruimen binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van zijn arrest. De klachten van het middel rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 EVRM, art. 407 lid 2 Rv, art. 7:268 lid 2 BW; ECLI:NL:PHR:2013:953 · Parket bij de Hoge Raad: Het cassatieberoep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie o.m. HR 5 november 2010 ECLI:NL:HR:2010:BN6196, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125. De verwijzing in het onderdeel naar de inleidende dagvaarding heb ik niet kunnen nagaan, nu deze in het dossier ontbreekt. In cassatie is overgelegd het zaaksdossier en niet alleen de processtukken. Daarin ontbreken diverse processtukken zoals de inleidende dagvaarding (behalve in concept) en alle stukken van het hoger beroep.

Keywords

AI generated
art. 6 EVRM art. 407 lid 2 Rv art. 7:268 lid 2 BW

Cited Legislation

AI generated
art. 6 EVRM
Het middel verwijt in onderdeel 1 het hof de reikwijdte van de in het petitum neergelegde vordering te hebben miskend, waardoor art. 6 EVRM en art.
art. 407 lid 2 Rv
Nog daargelaten dat de klacht niet voldoet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv – niet wordt onderbouwd waarom deze bepalingen door de beslissing van het hof zijn geschonden – mist de klacht feitelijke grondslag.
art. 7:268 lid 2 BW
Het middel stelt dat de vordering impliceert dat [eiser] al huurder was geworden, maar uit de beschikbare stukken blijkt duidelijk dat de zaak berust op de grondslag dat [eiser] geen huurder was en dit op grond van art. 7:268 lid 2 BW wilde worden.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BN6196
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
ECLI:NL:HR:2013:BY2639
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.
NJ 2013/125
Tjittes; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125.
ECLI:NL:XX:2008:BD3989
Deze zaak, die ziet op de behandeling van samenwonende zusters in het kader van een belasting op erfenissen, is nadien beoordeeld door EHRM (Grote Kamer) 29 april 2008, zaak 13378/05, ECLI:NL:XX:2008:BD3989, NJ 2008/306 m.nt.
NJ 2008/306
Deze zaak, die ziet op de behandeling van samenwonende zusters in het kader van een belasting op erfenissen, is nadien beoordeeld door EHRM (Grote Kamer) 29 april 2008, zaak 13378/05, ECLI:NL:XX:2008:BD3989, NJ 2008/306 m.nt.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rolnr. 13/03376 Mr M.H. Wissink Zitting: 4 oktober 2013 Conclusie in de zaak van: [eiser], wonend te [woonplaats], eiser in cassatie, tegen Stichting Sité Woondiensten, gevestigd te Doetinchem, verweerster in cassatie 1. Het bij dagvaarding van 1 juli 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 2 april 2013. Daarin heeft het hof, kort gezegd, [eiser] veroordeeld om de door zijn (in 2011 overleden) moeder van verweerster gehuurde woning te ontruimen binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van zijn arrest. De klachten van het middel rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

2. Het middel verwijt in onderdeel 1 het hof de reikwijdte van de in het petitum neergelegde vordering te hebben miskend, waardoor art. 6 EVRM en art. 47 EU Handvest zouden zijn geschonden. Nog daargelaten dat de klacht niet voldoet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv – niet wordt onderbouwd waarom deze bepalingen door de beslissing van het hof zijn geschonden – mist de klacht feitelijke grondslag. Het middel stelt dat de vordering impliceert dat [eiser] al huurder was geworden, maar uit de beschikbare stukken blijkt duidelijk dat de zaak berust op de grondslag dat [eiser] geen huurder was en dit op grond van art. 7:268 lid 2 BW wilde worden. Hierop strandt ook de klacht van onderdeel 2 dat het hof ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een ongeoorloofde inmenging in het huurrecht van [eiser] als bedoeld in art. 1 Eerste Protocol. De klacht van onderdeel 3 dat “de bewezenverklaring” onjuist en onbegrijpelijk is gelet op EHRM 12 december 2006 (Burden and Burden v. UK) strandt eveneens op de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv.

3. Het cassatieberoep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie o.m. HR 5 november 2010 ECLI:NL:HR:2010:BN6196, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125. De verwijzing in het onderdeel naar de inleidende dagvaarding heb ik niet kunnen nagaan, nu deze in het dossier ontbreekt. In cassatie is overgelegd het zaaksdossier en niet alleen de processtukken. Daarin ontbreken diverse processtukken zoals de inleidende dagvaarding (behalve in concept) en alle stukken van het hoger beroep.

Zie naast de bestreden overwegingen van het hof ook rov. 2.1, 2.2 en 3.1 van het vonnis van de rechtbank Zutphen, sector Kanton, locatie Oude IJsselstreek van 9 februari 2012. Naar ik aanneem wordt verwezen naar EHRM (Vierde Kamer) 12 december 2006. Deze zaak, die ziet op de behandeling van samenwonende zusters in het kader van een belasting op erfenissen, is nadien beoordeeld door EHRM (Grote Kamer) 29 april 2008, zaak 13378/05, ECLI:NL:XX:2008:BD3989, NJ 2008/306 m.nt. E.A. Alkema.