ECLI:NL:PHR:2013:93 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 12/02186 Mr. Aben Zitting 11 juni 2013 Standpunt c.q. conclusie inzake: [verdachte] Bestreden arrest: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2012 Het middel klaagt over de verwerping van een bewijsverweer en beroept zich daarbij onder meer op de ‘unus testis’-regel. Er zou onvoldoende steunbewijs zijn voor de aangifte van [betrokkene]. Het middel miskent echter dat het bijkomende bewijsmateriaal weliswaar niet in een te ver verwijderd verband mag staan met de essentie van de alleenstaande getuigenverklaring, maar dat niet wordt gevergd dat het steunbewijs de lezing van de verdachte in volle omvang weerlegt.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2013:93 · Parket bij de Hoge Raad: Waar het om gaat is dat het steunbewijs de lezing van aangeefster in voldoende mate meer waarschijnlijk maakt dan de lezing van de verdachte, en dat doet het in deze strafzaak. Het hof heeft bovendien in een bewijsoverweging geenszins onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het op basis van de bewijsmiddelen meer geloof heeft gehecht aan de aangifte. Ook de klacht over het bewijs van het voorwaardelijk opzet heeft in wezen uitstuitend betrekking op het ontbreken van steunbewijs voor de lezing van het slachtoffer. Die klacht faalt om dezelfde reden. De klacht kan worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
Full text
Nr. 12/02186 Mr. Aben Zitting 11 juni 2013 Standpunt c.q. conclusie inzake: [verdachte] Bestreden arrest: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2012 Het middel klaagt over de verwerping van een bewijsverweer en beroept zich daarbij onder meer op de ‘unus testis’-regel. Er zou onvoldoende steunbewijs zijn voor de aangifte van [betrokkene]. Het middel miskent echter dat het bijkomende bewijsmateriaal weliswaar niet in een te ver verwijderd verband mag staan met de essentie van de alleenstaande getuigenverklaring, maar dat niet wordt gevergd dat het steunbewijs de lezing van de verdachte in volle omvang weerlegt.
Waar het om gaat is dat het steunbewijs de lezing van aangeefster in voldoende mate meer waarschijnlijk maakt dan de lezing van de verdachte, en dat doet het in deze strafzaak. Het hof heeft bovendien in een bewijsoverweging geenszins onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het op basis van de bewijsmiddelen meer geloof heeft gehecht aan de aangifte. Ook de klacht over het bewijs van het voorwaardelijk opzet heeft in wezen uitstuitend betrekking op het ontbreken van steunbewijs voor de lezing van het slachtoffer. Die klacht faalt om dezelfde reden. De klacht kan worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,