Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2013:75 ECLI:NL:PHR:2013:75 AI generated

ECLI:NL:PHR:2013:75 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2013:75
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 11/05186B Zitting: 4 juni 2013 Mr. Vellinga Aanvullende conclusie inzake: [veroordeelde] 1. Bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad bepaald dat de veroordeelde alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om aan haar verplichting tot consignatie te voldoen.

Legislator headnote

AI generated

art. 575 lid 3 Sv; ECLI:NL:PHR:2013:75 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 11/05186B Zitting: 4 juni 2013 Mr. Vellinga Aanvullende conclusie inzake: [veroordeelde] 1. Bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad bepaald dat de veroordeelde alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om aan haar verplichting tot consignatie te voldoen.

Keywords

AI generated
art. 575 lid 3 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 575 lid 3 Sv
Nu de veroordeelde niet aan de in art. 575 lid 3 Sv neergelegde verplichting heeft voldaan dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 11/05186B Zitting: 4 juni 2013 Mr. Vellinga Aanvullende conclusie inzake: [veroordeelde] 1. Bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad bepaald dat de veroordeelde alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om aan haar verplichting tot consignatie te voldoen.

2. Uit de op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen stukken blijkt het volgende. Een griffiemedewerkster van de Rechtbank Midden-Nederland heeft de veroordeelde bij brief van 6 maart 2013, gericht aan het GBA-adres van de veroordeelde, in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken het nog verschuldigde bedrag en al de kosten bij wijze van consignatie te voldoen. Op 15 april 2013 is bij de Hoge Raad een brief van de griffie van de Rechtbank Midden-Nederland ingekomen, gedateerd 11 april 2013. Deze brief houdt in dat de betaling van de veroordeelde niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Vervolgens is de veroordeelde bij brief van 22 april 2013, gericht aan het in de schriftuur genoemde adres van de veroordeelde, nogmaals in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te voldoen. Blijkens de op 28 mei 2013 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen brief is de betaling wederom niet ontvangen. Nu de veroordeelde niet aan de in art. 575 lid 3 Sv neergelegde verplichting heeft voldaan dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.

3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in haar cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG