Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2013:2633 ECLI:NL:PHR:2013:2633 AI generated

ECLI:NL:PHR:2013:2633 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2013:2633
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 12/05712 Mr. Harteveld Zitting 17 december 2013 Conclusie inzake: [verdachte] Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 oktober 2012 de verdachte ter zake van 1 primair. “zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en 2. “in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

Legislator headnote

AI generated

Art. 82 Sr; ECLI:NL:PHR:2013:2633 · Parket bij de Hoge Raad: Art. 82 Sr bevat een opsomming van gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijke letsel als zwaar te betitelen, indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of een bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, zodat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

Keywords

AI generated
Art. 82 Sr

Cited Legislation

AI generated
Art. 82 Sr
Art. 82 Sr bevat een opsomming van gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2006:AU8055
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd - met aanvulling en verbetering van gronden - een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Middelburg van 8 april 2003, waarbij de verdachte ter zake van "zware mishandeling" is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
ECLI:NL:HR:2000:AA5802
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 11 februari 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "zware mis- handeling" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
ECLI:NL:HR:1999:ZD1562
3.3 en HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1562, rov.
ECLI:NL:HR:2003:AF3304
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 25 februari 2000 - de verdachte ter zake van "zware mishandeling" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van ƒ 750,-. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen een en ander als in het arrest vermeld.
ECLI:NL:HR:2002:AE4197
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 22 juli 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem in zaak A bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van (zaak A) "zware mishandeling" en (zaak B) "poging tot doodslag" veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaar-delijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.
ECLI:NL:HR:2001:ZD2893
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 14 april 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair en subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van meer subsidiair "medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van tachtig uren, in plaats van zes weken gevangenisstraf.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 12/05712 Mr. Harteveld Zitting 17 december 2013 Conclusie inzake: [verdachte] Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 oktober 2012 de verdachte ter zake van 1 primair. “zware mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en 2. “in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie. 3.1. Het middel houdt in dat de bewezenverklaring van feit 1 primair ontoereikend is gemotiveerd, nu de bewezenverklaring van het zwaar lichamelijk letsel niet kan volgen uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. 3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “1 primair. Zij op 25 januari 2011 te [plaats], aan een ambtenaar, te weten [slachtoffer], hoofdagent van politie, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gecompliceerde neusfractuur) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht met een knie tegen het gezicht te stoten.” 3.3.

Het Hof heeft in het bestreden arrest onder de kop "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" dienaangaande het volgende overwogen: “In de tweede plaats heeft de raadsman ter onderbouwing van het verweer betoogd dat het letsel dat de aangeefster heeft bekomen (een neusbreuk) niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Het hof overweegt als volgt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende. De brief van het Viecuri Ziekenhuis te Venlo, inhoudende medische informatie met betrekking tot [slachtoffer], d.d. 10 maart 2011, opgemaakt door [betrokkene 1], kno-arts, en [betrokkene 2], chirurg, ondertekend door [betrokkene 3], forensisch geneeskundige, houdt -zakelijk weergegeven- het volgende in. "Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 25-01-2011 verslag [betrokkene 2], chirurg Viecuri Ziekenhuis te Venlo: scheefstand neus t.g.v. fractuur neus door kniestoot.

Klein zetje gegeven om neus recht te zetten. 28-01-2011 verslag [betrokkene 1], kno-arts Viecuri Ziekenhuis te Venlo: opnieuw neus rechtgezet. Zoals op foto's te zien is het onvoldoende gelukt om de neus recht te zetten. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel e.d.): De scheefstand van de neus, zoals die door het "knietje" d.d. 25-01-2011 is ontstaan blijkt gezien twee mislukte "manuele pogingen" niet te corrigeren zonder chirurgisch ingrijpen." Uit het vorenstaande volgt dat de neus van het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte is gebroken en dat medisch ingrijpen noodzakelijk was.

Door de behandelend artsen is een scheefstand van de neus geconstateerd en men heeft meerdere keren getracht deze manueel recht te zetten, hetgeen echter niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Uit de medische informatie volgt voorts dat operatief ingrijpen noodzakelijk is om het letsel te herstellen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de onderhavige neusfractuur dient te worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Het enkele feit dat een operatie aan de neus van het slachtoffer niet door haar ziektekostenverzekering wordt vergoed vanwege het ontbreken van een medische noodzaak -zoals door de raadsman is aangevoerd- kan naar het oordeel van het hof aan het vorenstaande niet afdoen.” 3.4.

Art. 82 Sr bevat een opsomming van gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijke letsel als zwaar te betitelen, indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of een bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, zodat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

Zo zal de Hoge Raad kunnen ingrijpen, indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. 3.5. De Hoge Raad heeft in verschillende arresten reeds uitgemaakt dat een gebroken neus niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel oplevert. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zal nader moeten blijken omtrent de aard van de breuk, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. 3.6. Het Hof heeft in het onderhavige geval geoordeeld dat de neusfractuur die de verdachte heeft toegebracht aan het slachtoffer wel degelijk dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Dat oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op het navolgende evenmin onbegrijpelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de neus van verbalisante ten gevolge van een knietje van de verdachte in het gezicht was gebroken en scheef was komen te staan. Voorts blijkt dat (eerst) meerdere malen is geprobeerd de neus manueel recht te zetten, maar dat dit niet goed is gelukt en dat chirurgisch ingrijpen nodig is om de scheefstand van de neus te corrigeren. Uit de stukken van het geding blijkt dat de advocaat-generaal ter terechtzitting bij het Hof nog naar voren heeft gebracht dat de neus van het slachtoffer nadien nog viermaal moest worden gebroken en dat zij nog één operatie zal moeten ondergaan voordat de neus weer recht staat.

Er is ook sprake van definitieve beschadiging van de neusslijmvliezen. Uit het voorgaande kan genoegzaam worden afgeleid dat het slachtoffer nog lange tijd last heeft (gehad) van het voorval en het nog maar de vraag is of uitzicht bestaat op (volledig) herstel. Dat dit neusletsel voor het vrouwelijke slachtoffer als ontsierend kan worden beschouwd lijkt mij overigens evident. 3.7. Voor zover het middel klaagt dat het Hof door te overwegen dat ‘het enkele feit dat een operatie aan de neus van het slachtoffer niet door haar ziektekostenverzekering wordt vergoed vanwege het ontbreken van een medische noodzaak kan naar het oordeel van het Hof aan het vorenstaande niet afdoen’ in het midden heeft gelaten of er medische noodzaak is voor operatief ingrijpen, berust het middel op een verkeerde lezing van ’s Hofs overwegingen, zodat het faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Het Hof heeft de zinsnede ‘De scheefstand van de neus…blijkt gezien twee mislukte manuele pogingen niet te corrigeren zonder chirurgisch ingrijpen’ vermeld in de brief van het Viecuri Ziekenhuis in die zin uitgelegd dat operatief ingrijpen derhalve noodzakelijk was om het letsel te herstellen. De omstandigheid dat de neusoperatie niet door de zorgverzekeraar wordt vergoed kan naar het oordeel van het Hof daaraan geen afbreuk doen. Daarmee is de noodzaak en aard van het medische ingrijpen met zoveel woorden gegeven. De redenering van het Hof acht ik bovendien allerminst onbegrijpelijk.

Daarbij merk ik nog ten overvloede op dat ik mij kan voorstellen dat ziektekostenverzekeringen hun eigen criteria hanteren bij de beoordeling of er medische noodzaak bestaat voor een bepaalde behandeling en wellicht eerder komen tot de constatering dat die ontbreekt teneinde hun uitkeringsplicht te beperken. 3.8. Voor zover nog wordt beoogd te klagen dat de bewijsmiddelen geen informatie bevatten over geleden pijn en/of ondervonden ongemak bij het slachtoffer, faalt het middel eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag. De als bewijsmiddel 2 in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen verklaring van de aangeefster d.d. 26 januari 2011 houdt immers in:

“Ik doe aangifte van zware mishandeling ten gevolge van de aanhouding van [verdachte]. Door de mishandeling heb ik een neusfactuur opgelopen. Hiervoor heb ik mij onder behandeling moeten stellen in het Viecuri Ziekenhuis te Venlo. Door de mishandeling heb ik hevige pijn ervaren.” 3.9. Al met al is de bewezenverklaring naar de eis der wet met redenen omkleed.

4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. o.m. HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055, rov. 3.4, HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, rov. 3.3 en HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1562, rov.

3. Zie HR 25 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3304, HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4197 en HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2893. Vgl. ook HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5169.