Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2013:2398 ECLI:NL:PHR:2013:2398 AI generated

ECLI:NL:PHR:2013:2398 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2013:2398
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 12/02288 Zitting: 17 december 2013 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 17 februari 2012 de verdachte ter zake van “verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard, van een aantal voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast, de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,00 toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

Legislator headnote

AI generated

art. 27 Sr, art. 434 Sv, art. 327 Sv; ECLI:NL:PHR:2013:2398 · Parket bij de Hoge Raad: Uit de namens mij bij de rechtbank Midden-Nederland ingewonnen inlichtingen blijkt dat genoemd verzuim kan worden hersteld. Door de rechtbank is inderdaad het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 april 2009 aan de Hoge Raad gezonden. Dit proces-verbaal, dat slechts op ondergeschikte punten afwijkt van het niet ondertekende exemplaar, houdt in dat het op 25 november 2013 nogmaals is vastgesteld en getekend door de oudste rechter en de griffier. Het bevat de handtekeningen van beiden. Daarmee is aan het middel de feitelijke grondslag komen te ontvallen.

Keywords

AI generated
art. 27 Sr art. 434 Sv art. 327 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 27 Sr
Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 17 februari 2012 de verdachte ter zake van “verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
art. 434 Sv
Het genoemde proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 7 april 2009 bevindt zich bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken.
art. 327 Sv
Aldus is het proces-verbaal niet vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv, zodat het rechtskracht mist.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2013:899
8 oktober 2013 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2009:BH9945
Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte.
ECLI:NL:HR:1979:AB7323
ook: HR 5 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7323, NJ 1979/491: In dat arrest ging het om de situatie waarin het proces-verbaal door de voorzitter en de griffier was vastgesteld, en vervolgens, bij ontstentenis van de voorzitter, alleen door de griffier was ondertekend.
NJ 1979/491
ook: HR 5 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7323, NJ 1979/491: In dat arrest ging het om de situatie waarin het proces-verbaal door de voorzitter en de griffier was vastgesteld, en vervolgens, bij ontstentenis van de voorzitter, alleen door de griffier was ondertekend.
ECLI:NL:HR:2010:BK2651
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.C.M. Asselbergs, advocaat te Bergen op Zoom, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
ECLI:NL:HR:2006:AX3752
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 14 april 2004 - de verdachte ter zake van 1 primair en 2 primair "medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd" en "medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd" en 3 primair "medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van € 250.000,-, subsidiair 1 jaar hechtenis.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 12/02288 Zitting: 17 december 2013 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 17 februari 2012 de verdachte ter zake van “verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard, van een aantal voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast, de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,00 toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.G.T. Stapelbroek, advocaat te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring ten onrechte mede heeft doen steunen op een niet-wettig bewijsmiddel. De steller van het middel heeft het oog op de als bewijsmiddel 7 tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige-deskundige A.D. Kloosterman, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 april 2009. Nu het proces-verbaal van deze zitting niet is ondertekend mist het rechtskracht en kan de inhoud daarvan niet als bewijsmiddel worden gebruikt, aldus de steller van het middel.

4. Het genoemde proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 7 april 2009 bevindt zich bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken. Dit proces-verbaal houdt in dat het is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier, maar op het proces-verbaal bevinden zich in strijd met voorgaande mededeling inderdaad geen handtekeningen. Aldus is het proces-verbaal niet vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv, zodat het rechtskracht mist.

5. Uit de namens mij bij de rechtbank Midden-Nederland ingewonnen inlichtingen blijkt dat genoemd verzuim kan worden hersteld. Door de rechtbank is inderdaad het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 april 2009 aan de Hoge Raad gezonden. Dit proces-verbaal, dat slechts op ondergeschikte punten afwijkt van het niet ondertekende exemplaar, houdt in dat het op 25 november 2013 nogmaals is vastgesteld en getekend door de oudste rechter en de griffier. Het bevat de handtekeningen van beiden. Daarmee is aan het middel de feitelijke grondslag komen te ontvallen.

6. Nog twee opmerkingen. In de eerste plaats rijst de vraag die door de steller van het middel is opgeworpen en negatief is beantwoord, namelijk of de rechter dan wel de griffier zich vier jaar na dato nog kunnen herinneren of de inhoud van het proces-verbaal overeenstemt met de destijds voorgevallen gang van zaken. Het antwoord op deze vraag komt echter alleen voor rekening van de griffier en de (oudste) rechter die het proces-verbaal alsnog hebben ondertekend. Indien zij van oordeel zijn dat zij, eventueel met behulp van de destijds gemaakte aantekeningen, dit proces-verbaal (nogmaals) kunnen vaststellen en ondertekenen, is daarmee de kous af.

7. Ofschoon de zaken niet volledig vergelijkbaar zijn, geef ik U in de tweede plaats in overweging om de steller van het middel een nadere termijn te gunnen voor een reactie op dit ingekomen stuk, conform Uw oordeel in de zaak van HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:899.

8. Het middel faalt.

9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Reeds onder het oude wetboek (HR 16 februari 1920, W 10 545) werd aldus beslist. In dat geval ontbraken beide handtekeningen. Zie ook HR 19 mei 1930, NJ 1930, p.1165. Vgl. voorts HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9945: in die zaak oordeelde de HR dat het proces-verbaal, dat bij ontstentenis van de voorzitter, de oudste raadsheer, de jongste raadsheer en de griffier ondertekend was door de fungerend voorzitter van het gerecht, rechtskracht miste.

Vgl. ook: HR 5 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7323, NJ 1979/491: In dat arrest ging het om de situatie waarin het proces-verbaal door de voorzitter en de griffier was vastgesteld, en vervolgens, bij ontstentenis van de voorzitter, alleen door de griffier was ondertekend. Volgens de Hoge Raad was dat correct: van degenen die het proces-verbaal vaststelden, kon alleen de griffier tekenen; anderen waren daartoe niet bevoegd. Zie HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2651 voor een min of meer omgekeerde situatie. En nog: HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3752:

In die zaak kon zowel de voorzitter als de griffier die het proces-verbaal oorspronkelijk vaststelden, niet ondertekenen. Dan is volgens de Hoge Raad een aanvaardbare oplossing dat het proces-verbaal door de oudste raadsheer opnieuw wordt vastgesteld en ondertekend.