Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2013:1961 ECLI:NL:PHR:2013:1961 AI generated

ECLI:NL:PHR:2013:1961 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2013:1961
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 12/00317 P Mr. Wortel Zitting 29 oktober 2013 conclusie inzake [betrokkene] 1.1 Namens de veroordeelde is cassatieberoep ingesteld tegen een op 21 december 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarbij het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 4.139,95, en de veroordeelde ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd aan de Staat € 4.000,- te betalen. 1.2 Namens de veroordeelde heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld. 2.1 Het middel klaagt over ontoereikend gemotiveerde afwijzing van een beroep op ontbreken van draagkracht. 2.2 De daartoe strekkende overweging van het Hof, luidende:

Legislator headnote

AI generated

art. 358 Fw, art. 288 Fw; ECLI:NL:PHR:2013:1961 · Parket bij de Hoge Raad: Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij een verzoek had ingediend om tot de schuldsanering te worden toegelaten; en dus niet dat op de een of andere wijze reeds was vastgesteld of erkend dat hij in betalingsonmacht is komen te verkeren. 2.3 Overigens moet in gedachten worden gehouden dat toewijzing van dit verzoek, op deze grond, tot een soort juridische kortsluiting zou leiden. Al weer enige tijd geleden zijn betalingsverplichtingen die uit een vonnis van de strafrechter voortvloeien, ook ontnemingsuitspraken, opgenomen bij de zogenaamde ‘niet te goeder trouw-schulden’ van art. 358 Fw, waardoor zij ook zijn gaan behoren tot de (imperatieve) afwijzingsgronden van art. 288 Fw.

Keywords

AI generated
art. 358 Fw art. 288 Fw

Cited Legislation

AI generated
art. 358 Fw
Al weer enige tijd geleden zijn betalingsverplichtingen die uit een vonnis van de strafrechter voortvloeien, ook ontnemingsuitspraken, opgenomen bij de zogenaamde ‘niet te goeder trouw-schulden’ van art. 358 Fw, waardoor zij ook zijn gaan behoren tot de (imperatieve) afwijzingsgronden van art.
art. 288 Fw
358 Fw, waardoor zij ook zijn gaan behoren tot de (imperatieve) afwijzingsgronden van art. 288 Fw.

Cited Case Law

AI generated
NJ 2005/408
HR 31 mei 2005, ECL:NL:HR:2005: AT2729, NJ 2005/408).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 12/00317 P Mr. Wortel Zitting 29 oktober 2013 conclusie inzake [betrokkene] 1.1 Namens de veroordeelde is cassatieberoep ingesteld tegen een op 21 december 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarbij het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 4.139,95, en de veroordeelde ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd aan de Staat € 4.000,- te betalen. 1.2 Namens de veroordeelde heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld. 2.1 Het middel klaagt over ontoereikend gemotiveerde afwijzing van een beroep op ontbreken van draagkracht. 2.2 De daartoe strekkende overweging van het Hof, luidende:

“Het hof is gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde niet in staat zou zijn aan het hiervoor vermelde bedrag te voldoen. Het hof ziet daarom geen reden om tot matiging van het ontnemingsbedrag over te gaan. Mocht in de toekomst blijken dat er geen of onvoldoende draagkracht aanwezig is, dan zal daarover in de executiefase kunnen worden geoordeeld” getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 31 mei 2005, ECL:NL:HR:2005: AT2729, NJ 2005/408). Onbegrijpelijk is de beslissing op het verweer evenmin.

Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij een verzoek had ingediend om tot de schuldsanering te worden toegelaten; en dus niet dat op de een of andere wijze reeds was vastgesteld of erkend dat hij in betalingsonmacht is komen te verkeren. 2.3 Overigens moet in gedachten worden gehouden dat toewijzing van dit verzoek, op deze grond, tot een soort juridische kortsluiting zou leiden. Al weer enige tijd geleden zijn betalingsverplichtingen die uit een vonnis van de strafrechter voortvloeien, ook ontnemingsuitspraken, opgenomen bij de zogenaamde ‘niet te goeder trouw-schulden’ van art. 358 Fw, waardoor zij ook zijn gaan behoren tot de (imperatieve) afwijzingsgronden van art. 288 Fw.

Het in dit middel bedoelde draagkrachtverweer kwam dus neer op het verzoek betalingsonmacht aan te nemen in verband met een omstandigheid die zich onmogelijk kan verwezenlijken. 3.1 Het middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO. 3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, wnd A-G