ECLI:NL:PHR:2012:BY0235 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 11/01974 Mr. Hofstee Zitting: 25 september 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte](1) 1. Verzoeker is bij arrest van 7 april 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2012:BY0235 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 11/01974 Mr. Hofstee Zitting: 25 september 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte](1) 1. Verzoeker is bij arrest van 7 april 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Cited Case Law
AI generatedFull text
Nr. 11/01974 Mr. Hofstee Zitting: 25 september 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte](1) 1. Verzoeker is bij arrest van 7 april 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
2. Namens verzoeker heeft mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden doordat de redelijke inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden. Dit dient te leiden tot strafvermindering, aldus de steller van het middel.
4. Het cassatieberoep is ingesteld op 11 april 2011. Blijkens een op de aanbiedingsbrief van de processtukken geplaatst stempel zijn de stukken van het geding eerst op 27 december 2011 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit tijdsverlies kan niet door een voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. In zoverre is het middel gegrond. Gelet op de aan verzoeker opgelegde straffen (zoals hierboven onder 1 vermeld) en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, meen ik echter dat er geen aanleiding is om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en dat de Hoge Raad met dat oordeel zal kunnen volstaan.(2) 5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01974 en 11/01976P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. 2 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.6.2. onder C) m.nt. Mevis.