Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:PHR:2012:BW9304 ECLI:NL:PHR:2012:BW9304 AI generated

ECLI:NL:PHR:2012:BW9304 · Parket bij de Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:PHR:2012:BW9304
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Nr. 11/02870 Mr. Machielse Zitting 8 mei 2012 Conclusie inzake: [Verdachte](1) 1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 11 februari 2010 voor "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" (vóór 17 maart 2003) en voor "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" (op en na 17 maart 2003) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden.

Legislator headnote

AI generated

art. 435 lid 1 Sv, art. 437 lid 2 Sv; ECLI:NL:PHR:2012:BW9304 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 11/02870 Mr. Machielse Zitting 8 mei 2012 Conclusie inzake: [Verdachte](1) 1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 11 februari 2010 voor "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" (vóór 17 maart 2003) en voor "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" (op en na 17 maart 2003) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden.

Keywords

AI generated
art. 435 lid 1 Sv art. 437 lid 2 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 435 lid 1 Sv
De aanzegging van art. 435 lid 1 Sv is op 27 juli 2011 niet in persoon doch op geldige wijze betekend.
art. 437 lid 2 Sv
Binnen de in art. 437 lid 2 Sv genoemde termijn van twee maanden is in de zaak van verdachte geen schriftuur ontvangen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 11/02870 Mr. Machielse Zitting 8 mei 2012 Conclusie inzake: [Verdachte](1) 1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 11 februari 2010 voor "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" (vóór 17 maart 2003) en voor "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" (op en na 17 maart 2003) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en drie maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.M.J.H. Coumans, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft zich als verdachtes raadsman in cassatie gesteld.

3. De aanzegging van art. 435 lid 1 Sv is op 27 juli 2011 niet in persoon doch op geldige wijze betekend. Mr. Coumans is bij schrijven van 27 juli 2011 en derhalve tijdig over die aanzegging en de aanvang van de termijn bericht. Binnen de in art. 437 lid 2 Sv genoemde termijn van twee maanden is in de zaak van verdachte geen schriftuur ontvangen. Het cassatieberoep is derhalve niet-ontvankelijk.

4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met nr. 10/00958 ([medeverdachte]), in welke zaak ik vandaag ook concludeer.