ECLI:NL:PHR:2011:BT2560 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 10/01941 Mr. Aben Zitting 20 september 2011 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem heeft bij arrest van 26 april 2010 de verdachte ter zake van "Een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van verschillende inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2011:BT2560 · Parket bij de Hoge Raad: Nr. 10/01941 Mr. Aben Zitting 20 september 2011 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem heeft bij arrest van 26 april 2010 de verdachte ter zake van "Een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van verschillende inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Full text
Nr. 10/01941 Mr. Aben Zitting 20 september 2011 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem heeft bij arrest van 26 april 2010 de verdachte ter zake van "Een gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van verschillende inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 10/01944. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden