ECLI:NL:PHR:2011:BT1663 · Parket bij de Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedNr. 10/00882 Mr. Machielse Zitting 6 september 2011 Conclusie inzake: [Verdachte](1) 1 Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 27 januari 2010 voor 1. "Als leider deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 3. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 5. "In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte of de duur van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:PHR:2011:BT1663 · Parket bij de Hoge Raad: Voorts heeft het hof beslist over inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. 2 Mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. 3 De aanzegging van art. 435, eerste lid, 1 Sv is op 8 maart 2011 betekend. Binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn van twee maanden is geen schriftuur in de zaak van verdachte ontvangen. Het cassatieberoep is daarom niet ontvankelijk. 4 Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met de zaken 11/00461 ([medeverdachte 1]) en 11/00478 ([medeverdachte 2]), waarin ik vandaag ook concludeer.
Full text
Nr. 10/00882 Mr. Machielse Zitting 6 september 2011 Conclusie inzake: [Verdachte](1) 1 Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 27 januari 2010 voor 1. "Als leider deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 3. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 5. "In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte of de duur van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
Voorts heeft het hof beslist over inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. 2 Mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. 3 De aanzegging van art. 435, eerste lid, 1 Sv is op 8 maart 2011 betekend. Binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn van twee maanden is geen schriftuur in de zaak van verdachte ontvangen. Het cassatieberoep is daarom niet ontvankelijk. 4 Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met de zaken 11/00461 ([medeverdachte 1]) en 11/00478 ([medeverdachte 2]), waarin ik vandaag ook concludeer.